Procesrecht  

IEF 23197

Schending uitlatingenverbod in procedures: dwangsommen terecht verbeurd

Rechtbank Noord-Holland 3 dec 2025, IEF 23197; ECLI:NL:RBNHO:2025:14061 (de gemeente tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/schending-uitlatingenverbod-in-procedures-dwangsommen-terecht-verbeurd

Rb. Noord-Holland 3 december 2025, IEF 23197; ECLI:NL:RBNHO:2025:14061 (de gemeente tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat een voormalig werknemer het in een eerder kortgedingvonnis opgelegde uitlatingenverbod heeft overtreden. Dat verbod hield in dat hij zich in procedures diende te onthouden van bedreigende en beledigende uitlatingen over (voormalige) medewerkers van de gemeente Haarlem, terwijl hij zijn juridische standpunten inhoudelijk wel mocht blijven toelichten. De gemeente stelt dat de betrokkene dit verbod tweemaal heeft geschonden door in afzonderlijke Woo-beroepsprocedures opnieuw grievende en beschuldigende passages over betrokken ambtenaren op te nemen, en vordert daarom vaststelling van de overtredingen en betaling van verbeurde dwangsommen.

IEF 23196

Kort geding over gebrekkige website: toegang, schadevoorschot en beheer toegewezen

Rechtbank Midden-Nederland 3 dec 2025, IEF 23196; ECLI:NL:RBMNE:2025:6664 ([eiseres sub 1] c.s. tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-gebrekkige-website-toegang-schadevoorschot-en-beheer-toegewezen

Rb. Midden-Nederland 3 december 2025, IEF 23196; IT 5058; ECLI:NL:RBMNE:2025:6664 ([eiseres sub 1] c.s. tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter oordeelt dat [gedaagde] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de overeenkomst tot het bouwen van een webshop voor [eiseres sub 1] c.s. De website is ondanks herhaalde toezeggingen niet deugdelijk opgeleverd en vertoont structurele gebreken. Na een ingebrekestelling en een daaropvolgende omzettingsverklaring vordert [eiseres sub 1] c.s. in kort geding onder meer medewerking aan herstel door een derde, een voorschot op vervangende schadevergoeding en overdracht van het beheer van hosting en domeinnamen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven, mede omdat de webshop in een omzetkritieke periode slecht functioneert, en acht het aannemelijk dat de bodemrechter zal oordelen dat sprake is van een tekortkoming die omzetting naar vervangende schadevergoeding rechtvaardigt.

IEF 23189

Geen voorlopig getuigenverhoor meer na inschrijving bodemprocedure (art. 196 lid 1 Rv)

Hof Den Haag 12 dec 2025, IEF 23189; ECLI:NL:GHDHA:2025:2741 ([verzoekster] tegen Napiferyn), https://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-voorlopig-getuigenverhoor-meer-na-inschrijving-bodemprocedure-art-196-lid-1-rv

Hof Den Haag 12 december 2025, IEF 23189; ECLI:NL:GHDHA:2025:2741([verzoekster] tegen Napiferyn). In deze zaak bij het Gerechtshof Den Haag verzocht [verzoekster] om een voorlopig getuigenverhoor in een octrooirechtelijk geschil met Napiferyn. Tussen partijen liep al een bodemprocedure in hoger beroep (de zogenoemde opeisingsprocedure), waarin [verzoekster] mede-eigendom van octrooien en octrooiaanvragen claimt. Een belangrijk geschilpunt daarin is de uitleg van een investeringsovereenkomst. [verzoekster] wilde via een afzonderlijke verzoekschriftprocedure twee getuigen horen om bewijs te verzamelen voor haar standpunten in die reeds lopende procedure. Het verzoek werd ingediend op 7 januari 2025, terwijl de bodemzaak al sinds 20 augustus 2024 op de rol van het hof stond.

IEF 23187

Art. 1019i Rv: verval voorlopige voorzieningen tast proceskostenveroordeling niet aan

Rechtbank Den Haag 11 dec 2025, IEF 23187; ECLI:NL:RBDHA:2025:23583 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/art-1019i-rv-verval-voorlopige-voorzieningen-tast-proceskostenveroordeling-niet-aan

Rb. Den Haag 11 december 2025, IEF 23187; ECLI:NL:RBDHA:2025:23583 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding stond een executiegeschil centraal naar aanleiding van een IE-kortgedingvonnis uit 2017. In dat eerdere vonnis waren voorlopige voorzieningen (verboden wegens auteurs- en handelsnaaminbreuk) opgelegd én was [eiser] veroordeeld tot betaling van proceskosten. Vast stond dat [eiser] geen bodemprocedure had gestart binnen de door de voorzieningenrechter gestelde termijn en dat vervolgens een verklaring ex art. 1019i Rv bij de griffie was ingediend. [eiser] stelde dat hierdoor niet alleen de voorlopige voorzieningen, maar ook de proceskostenveroordeling hun kracht hadden verloren, zodat de latere executie (inclusief beslag op zijn woning) onrechtmatig was. Daarnaast voerde hij aan dat sprake was van misbruik van bevoegdheid en subsidiair van (gedeeltelijke) verjaring van wettelijke rente.

IEF 23160

Uitspraak ingezonden door Sabin Tigu en Evianne Roos, Ploum

SWITCH-merk geldig; merkinbreuk door gebruik ‘SwitchMe’ voor programma en supplementen, niet als handelsnaam

Rechtbank Den Haag 3 dec 2025, IEF 23160; ECLI:NL:RBDHA:2025:23115 (EHF tegen [partij B]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/switch-merk-geldig-merkinbreuk-door-gebruik-switchme-voor-programma-en-supplementen-niet-als-handelsnaam

Rb. Den Haag 3 december 2025, IEF 23160; ECLI:NL:RBDHA:2025:23115EHF (EHF tegen [partij B]). Nutrition B.V. en EHF Group B.V. bieden gezondheidsproducten en lifestyleprogramma’s aan rond het idee van de “metabolic switch” (overgang van suiker- naar vetverbranding). Voor dit concept is het Benelux-woordmerk SWITCH geregistreerd. De eerste registratie in 2024 stond op naam van een niet-bestaande vennootschap; in 2025 is het merk opnieuw ingeschreven op naam van EHF Group B.V. [partij B] exploiteert sportscholen en biedt een tiendaags trainings- en voedingsprogramma én voedingssupplementen aan onder de naam “SwitchMe”, met bijbehorende website en domeinnaam. EHF vordert een verbod op het gebruik van “SwitchMe” en diverse nevenvorderingen (opgave van afnemers en winst, recall, vernietiging, rectificatie en dwangsommen). [partij B] verweert zich onder meer met het argument dat de merkregistraties ongeldig zijn, dat EHF te kwader trouw heeft gehandeld, dat SWITCH beschrijvend en niet onderscheidend is, en dat EHF haar rechten heeft verwerkt.

IEF 23134

Uitspraak ingezonden door Tom Brohm, Dentons

Ontvankelijkheid WAMCA-collectieve actie en aanwijzing exclusieve belangenbehartiger

Rechtbank Den Haag 26 nov 2025, IEF 23134; (Stichting React tegen Sara Mart c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/ontvankelijkheid-wamca-collectieve-actie-en-aanwijzing-exclusieve-belangenbehartiger

Rb. Den Haag 26 november, IEF 23134; C/09/666989 (Stichting React tegen Sara Mart c.s.). De Rechtbank Den Haag behandelt in dit vonnis alleen de ontvankelijkheid van Stichting Namaakbestrijding React in een WAMCA-collectieve actie tegen Sara Mart c.s. (Sara Mart HK, Sara Mart China, Sara Mart UK en Doop Tech). Stichting React treedt op voor (met name) de leden van Coöperatie SNB-REACT, veelal grote merkhouders. Zij stelt dat via het “Sara Mart Platform” (de websites saramart.eu, saramart.pl/nl-NL/, hacoo.pl/nl-NL/ en de apps SARAMART en “Hacoo – sara lower price mart”) op grote schaal namaakgoederen worden aangeboden en aangeprezen, onder meer via influencers en social media. In de hoofdzaak vordert zij onder meer verklaringen voor recht dat merkinbreuk en onrechtmatig handelen worden gepleegd, vergaande stakings- en recallbevelen, maatregelen tegen “blurring”, hidden links en dark patterns, en schadevergoeding en proceskosten op IE-grondslag.

IEF 23118

Republiek c.s. niet-ontvankelijk: geen algemene schending van art. 6 EVRM door procedures van de Koning

Hof Den Haag 2 sep 2025, IEF 23118; ECLI:NL:GHDHA:2025:1732 (Republiek c.s. tegen de Staat c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/republiek-c-s-niet-ontvankelijk-geen-algemene-schending-van-art-6-evrm-door-procedures-van-de-koning

Hof Den Haag 2 september 2025, IEF 23118; ECLI:NL:GHDHA:2025:1732 (Republiek c.s. tegen de Staat c.s.). Het Gerechtshof Den Haag behandelt het hoger beroep van Vereniging Republiek en Stichting De Republikein tegen de Staat en de gemachtigde van de Koning. Republiek c.s. stellen dat journalisten geen eerlijk proces (art. 6 EVRM) kunnen krijgen wanneer de Koning tegen hen procedeert, doordat de Koning volgens hen via 19 wettelijke, procedurele en symbolische aspecten te veel verweven is met de rechtspraak (zoals rol bij benoeming van rechters, “in naam van de Koning” op uitspraken, portret in de zaal). Zij vroegen daarom o.a. een verklaring voor recht dat dit systeem art. 6 EVRM schendt, een bevel aan de Staat om dit te herstellen, en een verbod voor de Koning om nog tegen de pers te procederen totdat eerlijke berechting is gegarandeerd. In eerste aanleg waren De Republikein en (deels) Republiek al niet-ontvankelijk verklaard en waren de overige vorderingen afgewezen.

IEF 23107

Executiegeschil na merkinbreukvonnis: dwangsom voor onvolledige opgave blijft, nieuwe claim over namaakwodka strandt

Rechtbank Den Haag 12 nov 2025, IEF 23107; ECLI:NL:RBDHA:2025:21387 ([eiseres] tegen [gedaagden]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/executiegeschil-na-merkinbreukvonnis-dwangsom-voor-onvolledige-opgave-blijft-nieuwe-claim-over-namaakwodka-strandt

Rb. Den Haag 12 november 2025, IEF 23107; ECLI:NL:RBDHA:2025:21387 ([eiseres] tegen [gedaagden]). De zaak draait om een executiegeschil na een eerder merkrecht-vonnis tegen een grote logistieke dienstverlener. In 2023 was zij veroordeeld om een uitgebreide opgave te doen over door haar gefaciliteerde handel in inbreukmakende alcoholproducten, op straffe van een dwangsom. De dienstverlener zegt dat zij alles al heeft aangeleverd (o.a. Excel-lijsten + duizenden onderliggende dossiers) en vraagt daarom de dwangsom op te heffen of te verlagen: volgens haar is nakoming praktisch onmogelijk geworden. De rechtbank gaat daar niet in mee. Zij vindt dat de opgave niet voldoet omdat die niet per transactie is gerangschikt, waardoor de merkhouders nog steeds geen goed inzicht krijgen in welke diensten wanneer zijn verleend en wie de relevante opdrachtgevers waren. Ook heeft de dienstverlener erkend dat stukken ontbreken en ze heeft die ondanks toezeggingen niet aangevuld. Kortom: er is géén sprake van “onmogelijkheid” in de zin van art. 611d Rv, dus de vordering tot opheffing/verlaging van de dwangsom wordt afgewezen.

IEF 23045

Rechtbank beveelt staking executie wegens misbruik executiebevoegdheid

Rechtbank Oost-Brabant 24 okt 2025, IEF 23045; ECLI:NL:RBOBR:2025:6908 (Cybex c.s. tegen Stokke c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-beveelt-staking-executie-wegens-misbruik-executiebevoegdheid

Rb. Oost-Brabant 24 oktober 2025, IEF 23045; ECLI:NL:RBOBR:2025:6908 (Cybex c.s. tegen Stokke c.s.). Cybex c.s. en Stokke c.s. staan in een executiegeschil naar aanleiding van het Gelderse kort-gedingvonnis over de “Iris Chair”. Stokke stelt dat Cybex dwangsommen verbeurt door (A) oude social-mediavideo’s, (B) een afnemersbrief van 10 juli en (C) het tonen/aanbieden van de Iris Chair op cybex-online.com op 8 juli; zij claimt € 2.000.000 per entiteit en legt derdenbeslagen. Cybex vordert opheffing van alle beslagen, teruggave van goederen en gelden, een executiestop en een verbod om boven € 2.000.000 te executeren, met proceskosten. Cybex voert aan dat het Gelderse vonnis alleen een “standstill” beoogt, dat A en B daarbuiten vallen, dat C vóór rechtsgeldige betekening plaatsvindt, dat Stokke misbruik van executiebevoegdheid maakt en dat het dwangsommaximum één gezamenlijk totaal van € 2.000.000 is. In reconventie vordert Stokke betaling van € 2.000.000 door ieder van de drie Cybex-entiteiten.

IEF 22986

Hof Amsterdam zet WAMCA-zaken tegen TikTok door op niet-AVG-grondslagen en houdt AVG-vorderingen aan in afwachting van HvJ EU

Hof Amsterdam 7 okt 2025, IEF 22986; ECLI:NL:GHAMS:2025:2666 (de Stichtingen tegen TikTok-entiteiten), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-amsterdam-zet-wamca-zaken-tegen-tiktok-door-op-niet-avg-grondslagen-en-houdt-avg-vorderingen-aan-in-afwachting-van-hvj-eu

Hof Amsterdam 7 oktober 2025, gevoegde zaken C/13/702849, C/13/706680 en C/13/706842, IEF 22986; ECLI:NL:GHAMS:2025:2666 (de Stichtingen tegen TikTok-entiteiten). Het hof behandelt drie WAMCA-zaken van SMC, STBYP en SOMI tegen diverse TikTok-entiteiten Het Hof Amsterdam doet een tussenarrest in drie samengevoegde WAMCA-zaken tegen diverse TikTok-entiteiten (SMC, STBYP en SOMI als belangenorganisaties). De AVG-grondslagen worden voorlopig aangehouden in afwachting van prejudiciële antwoorden van het HvJ-EU naar aanleiding van vragen van de Rechtbank Rotterdam over het “actief-zijn” en het (al dan niet vereiste) mandaat van art. 80 AVG; pas daarna beoordeelt het hof zijn bevoegdheid voor die AVG-vorderingen. Intussen mag de procedure wél door over de zelfstandige niet-AVG-grondslagen (onrechtmatige daad, consumentenrecht en, in hoger beroep door SOMI, de DSA), omdat dat past bij een efficiënte afwikkeling van collectieve acties. Voor die niet-AVG-vorderingen aanvaardt het hof internationale rechtsmacht op basis van art. 7 lid 2 Brussel I-bis (Handlungsort/Erfolgsort) en, voor buiten-EU entiteiten, de commune Nederlandse regels van art. 6 onder e Rv. De vorderingen zijn niet “summierlijk ondeugdelijk” en gaan door. Het hof verduidelijkt verder procespositie en partijen: na rolinschrijving blijven de zaken zelfstandig; niet iedere partij wordt automatisch partij in elkaars zaak; ontvankelijkheid wordt per collectieve vordering getoetst; SOMI is in appel slechts ontvankelijk tegen TikTok Ierland en STBYP niet tegen TikTok Ltd. (deze gedeeltelijke niet-ontvankelijkheden worden in het eindarrest opgenomen).