Procesrecht  

IEF 23520

Hof Den Haag: stakingsbevel wegens merkinbreuk op Uniemerk ICE niet geschorst; rectificatiebevel voorwaardelijk geschorst wegens disproportionele redactie

Hof Den Haag 7 apr 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-stakingsbevel-wegens-merkinbreuk-op-uniemerk-ice-niet-geschorst-rectificatiebevel-voorwaardelijk-geschorst-wegens-disproportionele-redactie

Hof Den Haag 7 april 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH). Dit arrest van het Gerechtshof Den Haag (7 april 2026) betreft een schorsingsincident ex art. 351 Rv in hoger beroep tegen een kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter Den Haag van 6 mei 2025, waarbij Ice Labs, die de cryptomunt "Ice Open Network" (ticker: ICE) op de markt brengt, bij voorlopig oordeel inbreukmakend werd bevonden op het Uniemerk ICE van Intercontinental Exchange Holdings, Inc. (IEH), en werd bevolen iedere inbreuk in de EU te staken, alle exchanges te verzoeken de naam en ticker te wijzigen, en een rectificatie te plaatsen op website en sociale media, op straffe van dwangsommen. Ice Labs vorderde in het incident primair schorsing tot aan de beslissing in de hoofdzaak, subsidiair voor 90 dagen na betekening. Het hof baseert zijn internationale bevoegdheid in dit incident op art. 125 lid 1 UMVo jo. art. 35 Brussel I-bis, nu een reële band met de Nederlandse rechtsorde bestaat; de in de hoofdzaak opgeworpen bevoegdheidskwestie blijft onbesproken. Het hof hanteert de maatstaf uit HR 20 december 2019: uitgangspunt is tenuitvoerlegging, schorsing is slechts gerechtvaardigd indien het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt, waarbij het hof uitgaat van de vaststellingen van de voorzieningenrechter tenzij sprake is van een kennelijke misslag, en, indien de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd, de veroordeelde nieuwe feiten of omstandigheden moet aanvoeren die zich na de uitspraak hebben voorgedaan en een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.

IEF 23516

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR), https://www.ie-forum.nl/artikelen/a-g-geen-gegronde-reden-voor-merkinbreuk-bij-verkoop-hp-cartridges-zonder-buitenverpakking-wel-informatieplicht-over-mogelijke-ouderdom

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR). Deze conclusie van A-G Van Peursem (zitting 24 april 2026) betreft een kort geding tussen HP en Digital Revolution/123inkt over originele, ongebruikte HP-inkt- en lasercartridges die zonder originele buitenverpakking werden aangeboden, aanvankelijk als "milieuverpakking" en sinds 2023 als "milieuproduct". De cartridges waren afkomstig uit retouren, recyclebedrijven of opkopers, konden 10 tot 17 jaar oud zijn en werden verkocht tegen de prijs van nieuwe cartridges. HP vorderde een verbod op grond van merkinbreuk ex art. 9 lid 2 onder a jo. art. 15 lid 2 UMVo, de uitzondering op de uitputtingsregel wegens gegronde redenen, alsmede op grond van onrechtmatige daad, meer in het bijzonder oneerlijke of misleidende handelspraktijken (art. 6:193a-j BW) en misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194 en 6:194a BW). De voorzieningenrechter achtte merkinbreuk aannemelijk en wees vordering I toe, maar het hof oordeelde dat HP geen gegronde redenen had in de zin van art. 15 lid 2 UMVo en vernietigde het vonnis op dat punt. Wel achtte het hof het handelen van DR B.V. deels misleidend ex art. 6:193c lid 1 onder b BW: door de cartridges, die niet alleen uit retouren maar ook uit recyclebakken of opkoop konden stammen en meerdere jaren, soms meer dan tien jaar, oud konden zijn, als nieuw en voor de nieuwprijs aan te bieden zonder die ouderdom te vermelden, verstrekte DR misleidende informatie over de fabricagedatum, waardoor de consument vermoedelijk een aankoopbeslissing nam die hij anders niet had genomen. Dit verbod werd uitsluitend toegewezen ten gunste van HP Europe B.V. en HP Nederland B.V., die als concurrenten van DR B.V. vorderingsgerechtigd zijn; HP Inc. en HPDC staan niet in een concurrentieverhouding tot DR B.V.

IEF 23467

Rb. Amsterdam: ING niet aansprakelijk voor schade na factuurfraude

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026, IEF 23467; ECLI:NL:RBAMS:2026:3264 (IMD tegen ING), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-ing-niet-aansprakelijk-voor-schade-na-factuurfraude

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23467; IT 5202; ECLI:NL:RBAMS:2026:3264 (IMD tegen ING). De rechtbank wijst de vordering van International Media Distribution (Luxembourg) (IMD) tegen ING Bank N.V. af. IMD was in oktober 2019 slachtoffer geworden van factuurfraude: zij ontving een ogenschijnlijk van haar vaste zakenpartner ART afkomstige factuur en daarna een herziene factuur met een ander rekeningnummer, waarna zij op 28 oktober 2019 een bedrag van € 418.553 overmaakte naar een bij ING aangehouden rekening. Later bleek dat deze rekening niet aan ART toebehoorde, maar aan Fountainebleau Invest B.V. Kort na ontvangst werd het bedrag in meerdere transacties doorgestort naar buitenlandse rekeningen. IMD stelde dat ING haar bijzondere zorgplicht had geschonden doordat de bank, ondanks signalen van onregelmatigheden op de rekening van Fountainebleau, niet tijdig had ingegrepen. In een eerder tussenvonnis had de rechtbank IMD opgedragen te bewijzen dat ING vóór of op 28 dan wel 29 oktober 2019 subjectieve wetenschap had van onregelmatigheden op die rekening. Het aanvankelijk ook opgedragen bewijs dat verhaal op Fountainebleau en gelieerde personen vruchteloos was geweest, hoefde uiteindelijk niet meer te worden geleverd, omdat ING dat punt later niet langer betwistte. De rechtbank verwerpt vervolgens IMD’s betoog dat zij zou moeten terugkomen op het in het tussenvonnis gehanteerde juridische uitgangspunt, waaronder IMD’s stelling dat relevante wetenschap mede uit de werking van geautomatiseerde transactiemonitoringssystemen van ING zou moeten worden afgeleid.

IEF 23463

Beperkt verbod ten aanzien van erkend overgenomen foto’s

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IEF 23463; ECLI:NL:RBAMS:2026:3574 ([eisende partij] tegen Nordkitchen), https://www.ie-forum.nl/artikelen/beperkt-verbod-ten-aanzien-van-erkend-overgenomen-foto-s

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23463; IT 5199; ECLI:NL:RBAMS:2026:3574 ([eisende partij] tegen Nordkitchen). De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wijst de vorderingen van [eisende partij] tegen Nordkitchen slechts in zeer beperkte mate toe. De kern van het geschil was of Nordkitchen foto’s, teksten en vormgeving van de website van [eisende partij] had overgenomen waarop auteursrecht rustte en waarvan [eisende partij] rechthebbende was. De voorzieningenrechter beperkt zijn beoordeling tot de foto’s, omdat voorshands niet is gebleken dat ook teksten of vormgeving voldoende concreet als overgenomen materiaal zijn aangewezen. Daarbij formuleert de rechter eerst het toepasselijke auteursrechtelijke toetsingskader: voor bescherming is vereist dat een werk nauwkeurig en objectief identificeerbaar en oorspronkelijk is, in die zin dat het de persoonlijkheid van de maker weerspiegelt door vrije en creatieve keuzes; bij foto’s mogen zulke creatieve keuzes niet zonder meer worden verondersteld. Verder geldt dat het auteursrecht in beginsel toekomt aan de maker, doorgaans de fotograaf, en dat overdracht aan een opdrachtgever schriftelijk moet blijken. Tegen die achtergrond wordt alleen het verbod toegewezen voor de foto’s genoemd in randnummers 3.1, 3.3, 3.5 en 3.12 van de dagvaarding. Dat oordeel berust erop dat Nordkitchen, mede via haar onthoudingsverklaring en haar toelichting ter zitting, in wezen heeft erkend dat juist die foto’s van haar website moesten worden verwijderd, terwijl zij onvoldoende heeft onderbouwd dat dit ook daadwerkelijk was gebeurd. De voorzieningenrechter verbiedt daarom verdere openbaarmaking, verveelvoudiging of enig ander gebruik van die specifieke foto’s. Aan dit verbod wordt echter geen dwangsom verbonden, omdat niet is gebleken dat Nordkitchen onwelwillend is om concreet aangewezen materiaal te verwijderen zodra duidelijk is om welke foto’s het gaat en waarop het gestelde recht ziet.

IEF 23462

Geen verbod op gebruik naam en beeltenis influencer, omdat rechtsgeldige ontbinding licentieovereenkomst in kort geding niet aannemelijk is

Rechtbank Amsterdam 7 apr 2026, IEF 23462; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-verbod-op-gebruik-naam-en-beeltenis-influencer-omdat-rechtsgeldige-ontbinding-licentieovereenkomst-in-kort-geding-niet-aannemelijk-is

Rb. Amsterdam 7 april 2026, IEF 23462; IT 5198; ECLI:NL:RBAMS:2026:3348 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam wijst alle gevraagde voorzieningen af in een kort geding tussen influencer/powerlifter [eiser 1], handelend onder [handelsnaam 1], en [gedaagde] B.V. Partijen hadden een overeenkomst gesloten die liep van 1 januari 2024 tot en met 31 december 2026, op grond waarvan [gedaagde] exclusief gerechtigd was de naam en “image rights” van [handelsnaam 1] te gebruiken voor de promotie en verkoop van voedingssupplementen, tegen betaling van onder meer een maandelijkse licentievergoeding van USD 35.000, een winstaandeel en verkoopprovisie. [eiser 1] stelde dat hij deze overeenkomst op 29 oktober 2025 rechtsgeldig had ontbonden wegens een material breach als bedoeld in art. 5.2 van de overeenkomst, onder verwijzing naar te late en uitblijvende betalingen, het uitblijven van winstaandelen en provisie, het niet verstrekken van financiële informatie en het zonder voorafgaande goedkeuring op de markt brengen van producten, onder meer in Mexico. Op basis daarvan vorderde hij onder meer verboden wegens merk-, auteurs- en portretrechtinbreuk, alsook verboden op misleidende handelspraktijken en misleidende reclame, met nevenvorderingen zoals opgave en terugroeping. De voorzieningenrechter stelt voorop dat Nederlands recht van toepassing is en dat de rechtbank Amsterdam bevoegd is. Daarnaast oordeelt hij dat [eiser 2] geen contractspartij is en ook niet als merkhouder, auteursrechthebbende of portretgerechtigde is gesteld, zodat haar vorderingen al daarom stranden. Beslissend is vervolgens dat de gevraagde verboden alleen toewijsbaar zijn als voldoende aannemelijk is dat de bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst rechtsgeldig is ontbonden; dat acht de voorzieningenrechter niet het geval.

IEF 23451

Terugvordering na vernietiging van een schadevonnis: rechtsopvolgers niet zonder meer gebonden aan de veroordeling van de cedent

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026, IEF 23451; ECLI:NL:RBAMS:2026:3265 ([eiser 1] tegen Longnorth c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/terugvordering-na-vernietiging-van-een-schadevonnis-rechtsopvolgers-niet-zonder-meer-gebonden-aan-de-veroordeling-van-de-cedent

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23451; ECLI:NL:RBAMS:2026:3265 ([eiser 1] tegen Longnorth c.s.). In deze procedure vorderen [eiser 1] en [eiser 2] terugbetaling van bedragen die in 2019 zijn betaald na een vonnis van de rechtbank Den Haag, waarin [eiser 1] wegens merkinbreuk met betrekking tot Jack Daniel’s-producten was veroordeeld tot betaling van schadevergoeding en proceskosten aan Jack Daniel’s, Brown-Forman en Pitts Bay. In hoger beroep heeft het gerechtshof Den Haag vervolgens geoordeeld dat Pitts Bay haar vordering al op 27 december 2007 aan Longnorth en Bacardi had gecedeerd, zodat Pitts Bay zelf niets meer van [eiser 1] te vorderen had; voor zover de eerdere vonnissen Pitts Bay betroffen, zijn die vernietigd en is Pitts Bay tot terugbetaling veroordeeld. In de onderhavige procedure beroepen eisers zich jegens Longnorth, Bacardi, Jack Daniel’s, Brown-Forman en hun advocaat op gezag van gewijsde, derden- of precedentwerking, onverschuldigde betaling en onrechtmatige daad. De rechtbank wijst dat grotendeels af. Longnorth en Bacardi waren in de procedure bij het hof geen formele of materiële procespartij, zodat zij niet op die grond aan de veroordeling van Pitts Bay zijn gebonden. Art. 236 Rv brengt volgens de rechtbank alleen mee dat in deze procedure vaststaat dát Pitts Bay haar vordering in 2007 aan Longnorth en Bacardi had overgedragen; daaruit volgt niet dat Longnorth en Bacardi daardoor zelf zonder meer gehouden zijn tot terugbetaling. Ook het beroep op derden- of precedentwerking faalt. Verder is de betaling van de zogenoemde Pitts Bay-vordering zelf niet onverschuldigd geweest: de vernietiging van het eerdere vonnis betekent niet dat die materiële vordering niet bestond, maar slechts dat Pitts Bay niet meer de rechthebbende was. Het hof had immers al geoordeeld dat [eiser 1] die vordering op 20 maart 2019 bevrijdend aan Longnorth en Bacardi had betaald, en eisers hebben in deze procedure niet onderbouwd dat op [eiser 1] geen of slechts een lagere schadevergoedingsplicht rustte. Anders ligt het uitsluitend voor het bedrag van € 10.664,78 aan proceskosten dat ten behoeve van Pitts Bay op grond van het vernietigde eindvonnis was betaald: daarvoor is de rechtsgrond door het tussenarrest komen te vervallen, zodat Longnorth en Bacardi dat bedrag wél moeten terugbetalen, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 1 augustus 2022. Voor de proceskosten van het hoger beroep geldt dat [eiser 1] daarvoor slechts een vordering op Pitts Bay als procespartij heeft, zodat ook dat deel niet tegen Longnorth en Bacardi toewijsbaar is.

IEF 23439

Afwijzing vorderingen tegen ING tot uitbetaling restsaldo, verwijdering IVR-registratie en inzage in interne stukken; proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht

Rechtbank Amsterdam 19 mrt 2026, IEF 23439; ECLI:NL:RBAMS:2026:2855 ([eiser] tegen ING Bank), https://www.ie-forum.nl/artikelen/afwijzing-vorderingen-tegen-ing-tot-uitbetaling-restsaldo-verwijdering-ivr-registratie-en-inzage-in-interne-stukken-proceskostenveroordeling-wegens-misbruik-van-procesrecht

Rb. Amsterdam 19 maart 2026, IEF 23439; IEFbe 5175; ECLI:NL:RBAMS:2026:2855 ([eiser] tegen ING Bank). In dit kort geding verzette een voormalig rekeninghouder van ING zich tegen de blokkering en beëindiging van zijn particuliere betaalrekening, de registratie van zijn persoonsgegevens in het interne verwijzingsregister (IVR), het uitblijven van uitbetaling van het resterende saldo van € 1.900 en het ontbreken van inzage in interne stukken. Aanleiding was dat eiser ING had benaderd over een volgens hem bestaande ING-rekening, aangeduid als een aan zijn BSN gekoppelde “derdengeldenrekening”, van waaruit batchbetalingen van miljoenen euro’s zouden moeten worden uitgevoerd. ING stelde zich op het standpunt dat dit rekeningnummer niet bestond, startte een onderzoek wegens (pogingen tot) oplichting en misleiding van ING-klanten, blokkeerde de rekening onder verwijzing naar artikel 41.2 van de Voorwaarden Betaalrekening, beëindigde de bankrelatie onder verwijzing naar artikel 35 Algemene Bankvoorwaarden en handhaafde de IVR-registratie. Eiser vorderde vervolgens betaling van het restsaldo met rente, verwijdering van de IVR-registratie, inzage in alle interne stukken, schadevergoeding, dwangsommen en subsidiair vergoeding van werkelijke proceskosten. De kantonrechter verwerpt eerst het beroep van ING op nietigheid van de dagvaarding als obscuur libel. Hoewel de dagvaarding volgens de rechter geen concludent stuk was en eiser als juridisch professional zijn waarheidsplicht en substantiëringsplicht had geschonden door feiten en verweren van ING niet volledig en juist weer te geven, producties deels onleesbaar of niet aangehecht waren en artikel 21 Rv dus in beeld kwam, was ING niet onredelijk in haar belangen geschaad omdat zij zich inhoudelijk voldoende had kunnen verweren; daarom werd het beroep op nietigheid op grond van artikel 111 lid 2 onder d, artikel 120 en artikel 122 Rv verworpen.

IEF 23442

Afwijzing AVG-schadevordering en verklaring voor recht wegens bindende kracht van eerdere beschikking over dezelfde correspondentie

Rechtbank Gelderland 18 feb 2026, IEF 23442; ECLI:NL:RBGEL:2026:1252 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/afwijzing-avg-schadevordering-en-verklaring-voor-recht-wegens-bindende-kracht-van-eerdere-beschikking-over-dezelfde-correspondentie

Rb. Gelderland 18 februari 2026, IEF 23442; IT 5180; ECLI:NL:RBGEL:2026:1252 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze bodemzaak tussen een voormalig onderbewindgestelde en zijn voormalige bewindvoerder vorderde eiser een verklaring voor recht dat de bewindvoerder in verzuim was wegens schending van de artikelen 12, 15 en 5 lid 1 AVG, artikel 843a Rv en artikel 6:82 BW, alsmede betaling van € 1.325 schadevergoeding en € 198,75 aan buitengerechtelijke incassokosten. Aan die vorderingen legde hij ten grondslag dat de bewindvoerder niet had gereageerd op zijn e-mail van 1 oktober 2024, waarin hij vroeg om alle correspondentie waarbij zijn oude e-mailadres was gebruikt en om correspondentie uit 2014 en 2015 over het CBR, het alcoholslotprogramma en termijnbetalingen. De bewindvoerder voerde daartegen aan dat over diezelfde correspondentie en over de daaraan gekoppelde schade al eerder tussen partijen was beslist in een eerdere procedure, die had geleid tot een beschikking van 31 januari 2025, welke inmiddels kracht van gewijsde had gekregen. De kantonrechter stelt voorop dat artikel 236 Rv ook ten aanzien van beschikkingen beslissende betekenis kan hebben en dat moet worden beoordeeld of een nieuw oordeel zich zou verdragen met de eerdere uitspraak. Daarbij komt het aan op de grondslag van de eerdere vordering, het processuele debat en de eerdere beslissing.

IEF 23430

Kort geding bij verstek over YouTube-video’s: verwijdering, rectificatie, verbod op diffamerende uitlatingen en staking van portret- en auteursrechtinbreuk

Rechtbank Amsterdam 23 feb 2026, IEF 23430; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-bij-verstek-over-youtube-video-s-verwijdering-rectificatie-verbod-op-diffamerende-uitlatingen-en-staking-van-portret-en-auteursrechtinbreuk

Rb. Amsterdam 23 februari 2026, IEF 23430; IT 5172; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding bij verstek staan Online Trading Campus LLC en [eiser] tegenover [gedaagde] naar aanleiding van op YouTube geplaatste video’s en andere uitlatingen over eisers. Gedaagde verschijnt niet op de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarna de voorzieningenrechter vaststelt dat de formaliteiten zijn nageleefd en verstek verleent. De rechtbank overweegt vervolgens dat de vorderingen van eisers grotendeels niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en wijst deze daarom in hoofdzaak toe, zij het met aanpassing van enkele termijnen, beperking van de dwangsom en aanpassing van de tekst van de gevorderde rectificatie, juist omdat het om een verstekvonnis gaat. De voorzieningenrechter beveelt gedaagde om binnen 48 uur na betekening de drie in de dagvaarding genoemde video’s van internet en meer in het bijzonder van het YouTube-kanaal [naam kanaal] te verwijderen en verwijderd te houden. Daarnaast moet gedaagde binnen diezelfde termijn de inbreuk op de portretrechten van eiser sub 2 staken en gestaakt houden door diens portret niet langer openbaar te maken in de video’s en bijbehorende thumbnails. Ook moet hij binnen 48 uur de inbreuk op de auteursrechten van eisers staken en gestaakt houden door de in de dagvaarding omschreven beelden niet langer openbaar te maken of te verveelvoudigen. Verder verbiedt de voorzieningenrechter gedaagde om binnen 48 uur na betekening, online en offline, al dan niet met inschakeling van derden, nog langer onrechtmatige en diffamerende uitlatingen over eisers te doen.

IEF 23428

Eerste inzageverzoek kan buitensporig zijn, maar schending van het inzagerecht kan wél tot AVG-schadevergoeding leiden

HvJ EU 19 mrt 2026, IEF 23428; ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler GmbH & Co. KG tegen TC), https://www.ie-forum.nl/artikelen/eerste-inzageverzoek-kan-buitensporig-zijn-maar-schending-van-het-inzagerecht-kan-wel-tot-avg-schadevergoeding-leiden

HvJ EU 19 maart 2026, IEF 23428; IT 5197; IEFbe 4172; ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler GmbH & Co. KG tegen TC). In C-526/24 verduidelijkt het Hof de verhouding tussen art. 12 lid 5, art. 15 lid 1 en art. 82 lid 1 AVG. Aanleiding is een geschil tussen een Duits opticiensbedrijf en een particulier die zich eerst aanmeldt voor de nieuwsbrief van dat bedrijf, daarbij persoonsgegevens verstrekt, en dertien dagen later een inzageverzoek op grond van art. 15 AVG indient. Nadat het bedrijf dat verzoek afwijst met een beroep op art. 12 lid 5 AVG en stelt dat sprake is van misbruik van recht, vordert de betrokkene bovendien € 1.000 schadevergoeding op grond van art. 82 AVG. Volgens het bedrijf blijkt uit openbaar toegankelijke bronnen dat deze betrokkene stelselmatig volgens een vast patroon handelt: hij verstrekt persoonsgegevens, dient daarna een inzageverzoek in en probeert vervolgens schadevergoeding te verkrijgen wegens een vermeende AVG-schending. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom onder meer of ook een eerste inzageverzoek al als “buitensporig” kan gelden, of schending van het inzagerecht zelfstandig tot schadevergoeding kan leiden, en of verlies van controle of onzekerheid over persoonsgegevens als immateriële schade kan worden aangemerkt.