Procesrecht  

IEF 23629

Geen merkinbreuk: Container Centralen onderbouwt handel in eurocontainers onvoldoende

Rechtbank Den Haag 3 jun 2026, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 ((Container Centralen tegen Celieplant).), https://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-container-centralen-onderbouwt-handel-in-eurocontainers-onvoldoende

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23629; ECLI:NL:RBDHA:2026:14890 (Container Centralen tegen Celieplant). In deze zaak tussen Container Centralen en Celieplant staat de vraag centraal of Celieplant toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomsten, merkinbreuk heeft gemaakt of onrechtmatig heeft gehandeld door eurocontainers van Container Centralen of daarop gelijkende containers op te slaan en in circulatie te brengen. De Rechtbank Den Haag oordeelt dat Container Centralen haar stellingen onvoldoende heeft onderbouwd. Alle vorderingen worden afgewezen. De eerder ten laste van Celieplant gelegde bewijsbeslagen worden opgeheven. Container Centralen exploiteert een rouleersysteem van zogenoemde CC Eurocontainers, die veel worden gebruikt in de bloemen- en potplantenbranche. Zij is houdster van een Uniebeeldmerk voor onder meer deze containers. Het modelrecht en het octrooirecht op de CC Eurocontainer zijn inmiddels verlopen. Celieplant is actief als importeur, exporteur en commissionair van planten en was tot 2023 deelnemer aan het CC Eurocontainer Poolsysteem. Daarnaast huurt zij ook eurocontainers van andere marktpartijen. Aanleiding voor het geschil vormde een bewijsbeslag dat Container Centralen in maart 2024 liet leggen bij J.B.B. Pack. Volgens het proces-verbaal van de deurwaarder werden daar zowel "originele EC-containers" als "nagenoeg identieke imitatie EC-containers" aangetroffen. Ook bij Celieplant werd later bewijsbeslag gelegd. Container Centralen stelde dat Celieplant haar contractuele verplichtingen had geschonden door CC Eurocontainers op het terrein van JBB te stallen en daarnaast merkinbreuk maakte door originele en namaakcontainers aan te bieden, te verhuren of anderszins in circulatie te brengen. Volgens Container Centralen leidde dit bovendien tot vervuiling van haar poolsysteem, omdat namaakcontainers niet van originele containers zouden zijn te onderscheiden. De rechtbank volgt die redenering niet. Zij stelt voorop dat de CC Eurocontainers die Celieplant op grond van de OWS-overeenkomsten huurt een gesloten route afleggen: Container Centralen levert de containers af en haalt deze ook zelf weer op bij de eindafnemer. Die containers kunnen daarom niet bij Celieplant achterblijven. Verder heeft Celieplant voldoende onderbouwd dat zij ook eurocontainers van andere marktpartijen huurt. Tussen partijen staat vast dat inmiddels meerdere ondernemingen vergelijkbare eurocontainers produceren en aanbieden. Omdat zowel het modelrecht als het octrooirecht van Container Centralen zijn verlopen, mogen andere marktpartijen dergelijke containers in beginsel vervaardigen en verhuren. Het staat Celieplant eveneens vrij om deze te huren.

IEF 23627

Rb. Amsterdam: klantenbestand kwalificeert als bedrijfsgeheim

Rechtbank Amsterdam 11 jun 2026, IEF 23627; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 ((TMU tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-klantenbestand-kwalificeert-als-bedrijfsgeheim

Rb. Amsterdam 11 juni 2026, IEF 23627; IT 5312; ECLI:NL:RBAMS:2026:5976 (TMU tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen TMU en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door een klantenbestand van TMU te gebruiken voor eigen marketingactiviteiten. De voorzieningenrechter oordeelt dat het klantenbestand van TMU een bedrijfsgeheim vormt en dat [gedaagde] door het zonder toestemming gebruiken van dat bestand onrechtmatig heeft gehandeld op grond van onder meer artikel 6:162 BW en de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb). [gedaagde] wordt bevolen ieder verder gebruik van het klantenbestand te staken en opgave te doen van de met het bestand verrichte marketingactiviteiten en de daarmee behaalde omzet en winst. TMU is actief op het gebied van handelseducatie en financiële markten en verkoopt cursussen over handelen op de financiële markt. [gedaagde] exploiteert een concurrerende onderneming. Partijen hadden sinds 2022 zowel een zakelijke als persoonlijke relatie. In april 2026 verstuurde [gedaagde] vanaf zijn eigen e-mailadres een commerciële e-mail aan een groot aantal adressen die onderdeel bleken te zijn van het klantenbestand van TMU. In die e-mail presenteerde hij zich als de "mentor van uw mentor" en maakte hij reclame voor zijn eigen diensten. Daarnaast plaatste hij een vergelijkbaar bericht op Telegram. Van de 66 adressen waarvan TMU meldingen ontving, kwamen er 64 voor in haar klantenbestand. Elf ontvangers verklaarden bovendien dat zij het betreffende e-mailadres uitsluitend gebruikten voor hun account bij TMU. Volgens TMU had een voormalig opdrachtnemer eind 2025 een grote hoeveelheid vertrouwelijke bedrijfsinformatie ontvreemd, waaronder het klantenbestand. TMU stelde dat [gedaagde] daarmee onrechtmatig handelde en tevens in strijd met de Wet bescherming bedrijfsgeheimen (Wbb) en de regels over vergelijkende reclame. [gedaagde] voerde aan dat hij het adressenbestand anoniem had ontvangen via een link, er niet voor had betaald en niet wist van wie het afkomstig was. Nadat hij de e-mails had verzonden, zou hij het bestand weer hebben verwijderd. De voorzieningenrechter overweegt dat [gedaagde] onder deze omstandigheden had moeten begrijpen dat een dergelijk klantenbestand economische waarde vertegenwoordigt. Als actief handelaar op een concurrerende markt ontving hij zonder tegenprestatie een omvangrijk adressenbestand. Door dat bestand zonder enige controle voor eigen commerciële doeleinden te gebruiken, heeft hij willens en wetens het risico aanvaard dat hij inbreuk maakte op rechten van derden. Dat handelen is voorshands onrechtmatig. Daarbij weegt mee dat [gedaagde] de e-mail zelf heeft opgesteld en daarin expliciet verwees naar [naam 1] van TMU, die hij persoonlijk kende. Verder acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat TMU geen toestemming heeft gegeven voor verspreiding van haar klantenbestand, dat het bestand aanzienlijke economische waarde vertegenwoordigt en bovendien het voornaamste bedrijfsdebiet van TMU vormt. Daarom wordt het gevorderde verbod op verdere verkrijging, openbaarmaking en gebruik van het klantenbestand toegewezen, waaraan een dwangsom wordt verbonden van € 20.000 per dag met een maximum van € 500.000

IEF 23605

Hoge Raad laat Dynamic Security van HP in stand: geen misbruik van machtspositie

Hoge Raad 5 jun 2026, IEF 23605; ECLI:NL:HR:2026:847 ((Digital Revolution tegen HP)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hoge-raad-laat-dynamic-security-van-hp-in-stand-geen-misbruik-van-machtspositie

HR 5 juni 2026, IEF 23605; ECLI:NL:HR:2026:847 (Digital Revolution tegen HP). De Hoge Raad heeft in het langlopende geschil tussen Digital Revolution (123inkt) en HP over HP's zogenoemde Dynamic Security-technologie het principale cassatieberoep van Digital Revolution verworpen. Het (deels) voorwaardelijke incidentele cassatieberoep van HP slaagde gedeeltelijk. Het arrest van het gerechtshof Amsterdam van 19 november 2024 is vernietigd en de zaak is verwezen naar het gerechtshof Den Haag voor verdere behandeling. De zaak draaide onder meer om de vraag of HP met Dynamic Security misbruik maakt van een machtspositie op de markt voor printercartridges. Ook stond ter discussie of partijen zich schuldig maakten aan misleidende handelspraktijken en ongeoorloofde vergelijkende reclame. Volgens Digital Revolution belemmert HP via Dynamic Security de concurrentie op de secundaire markt (aftermarket) voor cartridges. Firmware-updates wijzigen regelmatig de beveiligingscode, waardoor bepaalde cartridges van derden, waaronder de huismerkcartridges van Digital Revolution, door de printer worden geweigerd. Volgens Digital Revolution levert dat misbruik van een machtspositie op in strijd met artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet. HP stelde daartegenover dat Dynamic Security namaakcartridges tegengaat, printers beschermt tegen schade en de kwaliteit en veiligheid van het printsysteem bewaakt. De Hoge Raad benadrukt, onder verwijzing naar artikel 2 van Verordening (EG) nr. 1/2003, dat een partij die een schending van artikel 102 VWEU en artikel 24 Mededingingswet stelt, de relevante economische feiten en omstandigheden moet aanvoeren en bij betwisting moet onderbouwen. Alleen dan ontstaat een voldoende onderbouwd economisch debat tussen partijen. Daarbij moet de relevante markt worden afgebakend aan de hand van alle relevante feiten en omstandigheden. In deze zaak lag het op de weg van Digital Revolution om die feiten en omstandigheden over de gestelde (after)markt voor cartridges aan te voeren. De Hoge Raad volgt het hof in zijn oordeel dat Digital Revolution daarvoor onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd. Digital Revolution voerde aan dat de cartridges voor ieder model HP-printer een afzonderlijke productmarkt vormen. Volgens de Hoge Raad mocht het hof echter oordelen dat deze marktafbakening onvoldoende feitelijk was uitgewerkt. Daarbij speelt ook een rol in hoeverre de concurrentiedruk op de primaire markt voor printers doorwerkt naar de aftermarket voor cartridges.

IEF 23579

Verbetervonnis in IE-verstekzaak: proceskosten alsnog begroot op grond van artikel 1019h Rv

Rechtbank Den Haag 8 apr 2026, IEF 23579; ECLI:NL:RBDHA:2026:12265 (Volkswagen tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/verbetervonnis-in-ie-verstekzaak-proceskosten-alsnog-begroot-op-grond-van-artikel-1019h-rv

Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF 23579; ECLI:NL:RBDHA:2026:12265 (Volkswagen tegen [gedaagde]. De Rechtbank Den Haag wijst het verzoek van Volkswagen tot verbetering van een eerder, op 11 februari 2026 gewezen verstekvonnis toe. Volkswagen had aangevoerd dat sprake was van een kennelijke fout in de zin van artikel 31 Rv, omdat de rechtbank in het oorspronkelijke vonnis had overwogen dat de gevorderde proceskosten niet waren gespecificeerd, terwijl die specificatie wel degelijk in de dagvaarding was opgenomen. De rechtbank volgt Volkswagen daarin. Nu gedaagde niet in het geding was verschenen, beslist de rechtbank op het verzoek zonder nader bericht aan gedaagde. Volgens de rechtbank is sprake van een kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent: in het oorspronkelijke vonnis werd voor de feiten van het geding verwezen naar de dagvaarding, en uit de aan dat vonnis gehechte dagvaarding blijkt dat Volkswagen haar proceskosten onder randnummer 6.1 had opgegeven en gespecificeerd.

IEF 23573

Uitspraak ingezonden door Sabin Tigu & Evianne Roos, Ploum.

Modelinbreuk via dropshipping: rb. Den Haag passeert verweren over art. 21 Rv en misbruik van procesrecht

Rechtbank Den Haag 13 mei 2026, IEF 23573; C/09/690949 ((Graypants tegen Gedaagde)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/modelinbreuk-via-dropshipping-rb-den-haag-passeert-verweren-over-art-21-rv-en-misbruik-van-procesrecht

Rb. Den Haag 13 mei 2026, IEF 23573; C/09/690949 (Graypants tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen Graypants en [gedaagde] (handelend onder de naam handelsnaam) staat de vraag centraal of het aanbieden van een LED-tafellamp via een dropshipwebsite inbreuk maakt op het Uniemodel van Graypants en, in het verlengde daarvan, of Graypants nog belang heeft bij haar vorderingen nadat de vermeende inbreuk al was gestaakt en een onthoudingsverklaring was afgegeven. Graypants is houder van een geregistreerd Uniemodel voor de zogeheten Wick-lamp. [gedaagde] exploiteert een webshop waarop onder meer de “Olyx – Moderne LED tafellamp” werd aangeboden. Volgens Graypants wekt dit product dezelfde algemene indruk als haar Wick-model. Na sommatie heeft [gedaagde] het product van de website verwijderd. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over een minnelijke regeling, waarbij Graypants onder meer een onthoudingsverklaring en vergoeding van juridische kosten verlangde. [gedaagde] weigerde die kosten te betalen, maar stuurde uiteindelijk wel een, beperkter, ondertekende onthoudingsverklaring waarin hij expliciet erkent inbreuk te hebben gemaakt en toezegt iedere verdere inbreuk te staken, op straffe van een boete. Omdat geen overeenstemming werd bereikt over de kosten, startte Graypants een bodemprocedure waarin zij onder meer een stakingsbevel, opgave van verkoopgegevens, rectificatie, schadevergoeding en een volledige proceskostenveroordeling vordert. [gedaagde] voert als kernverweer dat Graypants geen belang meer heeft bij haar vorderingen, nu de inbreuk al is gestaakt en grotendeels aan de verlangde maatregelen is voldaan. Volgens hem is de procedure uitsluitend ingesteld om een proceskostenveroordeling te verkrijgen, hetgeen strijd zou opleveren met artikel 21 Rv en neerkomt op misbruik van procesrecht. De rechtbank stelt voorop dat, gelet op de door [gedaagde] ondertekende onthoudingsverklaring, tussen partijen vaststaat dat sprake is van inbreuk op het Wick-model. De daarin opgenomen erkenning van de modelrechten en de inbreuk daarop, alsmede de toezegging om deze te staken, maken dat dit punt geen nadere inhoudelijke beoordeling meer vergt. Eventuele nietigheidsverweren tegen het model blijven buiten beschouwing, nu geen reconventionele nietigheidsvordering is ingesteld en de geldigheid van het model daarom wordt verondersteld. Het verweer dat Graypants geen belang meer heeft bij haar vorderingen wordt verworpen.

IEF 23551

Rb. Den Haag overweegt prejudiciële vraag aan Hoge Raad over rechtsmacht bij inzageverzoeken tegen derden ex art. 195a Rv

Rechtbank Den Haag 1 mei 2026, IEF 23551; ECLI:NL:RBDHA:2026:10389 (Volkswagen tegen DHL c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-overweegt-prejudiciele-vraag-aan-hoge-raad-over-rechtsmacht-bij-inzageverzoeken-tegen-derden-ex-art-195a-rv

Rb. Den Haag 1 mei 2026, IEF 23551; ECLI:NL:RBDHA:2026:10389 (Volkswagen tegen DHL c.s.). De Rechtbank Den Haag heeft in een IE-procedure tussen Volkswagen AG en verschillende DHL-entiteiten aangekondigd prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te willen stellen over de uitleg van art. 197 lid 1 Rv in samenhang met het nieuwe inzagerecht van art. 195a Rv. Volkswagen, houdster van meerdere Uniemodellen voor autosleutels, vermoedde dat via een door de Duitse douane onderschepte zending van 350 autosleutels inbreuk werd gemaakt op haar modelrechten. De zending was bestemd voor Metafa Holland B.V. en werd vervoerd binnen het DHL-netwerk. Nadat de goederen waren vernietigd en Metafa betrokkenheid had ontkend, verzocht Volkswagen DHL c.s. op grond van art. 195a Rv om verstrekking van gegevens waarmee de identiteit van de daadwerkelijke inbreukmaker(s) kon worden vastgesteld. Volkswagen stelde dat zij deze informatie nodig had om haar intellectuele-eigendomsrechten effectief te kunnen handhaven. DHL c.s. voerde onder meer een bevoegdheidsverweer en stelde dat ten aanzien van de Duitse DHL-entiteiten niet de Nederlandse rechter, maar de Duitse rechter bevoegd was op grond van de Brussel I-bis-Verordening.

IEF 23550

Uitspraak ingezonden door Victor den Hollander, De Vos & Partners Advocaten.

Rechtbank wijst claim over ongeautoriseerd fotogebruik af

Rechtbank Amsterdam 30 apr 2026, IEF 23550; ECLI:NL:RBAMS:2026:4517 (Sumfinidade Unipessoal tegen Vesuviotour), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-wijst-claim-over-ongeautoriseerd-fotogebruik-af

Rb. Amsterdam 30 april 2026, IEF 23550; ECLI:NL:RBAMS:2026:4517 (Sumfinidade Unipessoal tegen Vesuviotour). Sumfinidade Unipessoal vorderde in deze procedure een vergoeding voor ongeautoriseerd gebruik van een foto van fotograaf [naam] op de website van Vesuviotour. Volgens Sumfinidade Unipessoal stond de foto [naam foto] tussen 24 december 2019 en 1 april 2020 zonder toestemming en zonder naamsvermelding online. De vordering was eerst ingesteld onder de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Verordening). De kantonrechter oordeelde echter dat de zaak buiten het toepassingsbereik daarvan viel, omdat de vordering betrekking had op inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 2 lid 2 onder j EPGV. Daarom zette de rechtbank de procedure op grond van artikel 4 lid 3 EPGV in samenhang met artikel 69 Rv voort als dagvaardingsprocedure. Een later door Sumfinidade Unipessoal genomen akte uitlating liet de rechtbank buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. De kantonrechter achtte zich internationaal bevoegd op grond van de Brussel I-bis-Verordening, omdat Vesuviotour in Amsterdam is gevestigd. Op grond van de Rome II-Verordening paste de rechtbank Nederlands recht toe, omdat bescherming in Nederland werd ingeroepen. Het beroep van Vesuviotour op verjaring slaagde niet. Volgens de kantonrechter had Vesuviotour onvoldoende onderbouwd dat Sumfinidade Unipessoal of de fotograaf al vóór 26 maart 2020 bekend was met zowel de schade als de aansprakelijke partij. Daarom was de indiening van het verzoekschrift in maart 2025 op tijd. Ook de auteursrechtelijke verweren slaagden niet. De rechtbank achtte voldoende aannemelijk dat de foto auteursrechtelijke bescherming geniet vanwege de creatieve keuzes van de fotograaf, zoals compositie, camerastandpunt en kleurgebruik.

IEF 23541

Levering van 'Strekdrop' in Den Haag bevestigt bevoegdheid Rb. Den Haag in merkinbreuk-zaak

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23541; ECLI:NL:RBDHA:2026:9738 ((Haribo c.s. tegen Felko c.s.)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/levering-van-strekdrop-in-den-haag-bevestigt-bevoegdheid-rb-den-haag-in-merkinbreuk-zaak

Rb. Den haag 22 april 2026, IEF23541; ECLI:NL:RBDHA:2026:9738 (Haribo c.s. tegen Felko c.s.). In deze zaak staat een merkenrechtelijk geschil centraal tussen Haribo c.s. en Felko c.s. over het gebruik van de tekens TREKDROP, STREKDROP en REKDROP voor dropproducten. Haribo behoort tot het wereldwijd opererende Haribo-concern en richt zich op de verkoop van snoepgoed in Nederland en België. Haribo c.s. is houdster van onder meer het Uniewoordmerk TREKDROP uit 1988 en een Beneluxwoordmerk TREKDROP uit 2024 voor snoep en drop in klasse 30. Felko Holland produceert en verhandelt al vanaf 2003 snoepgoed en Felko Beheer liet in 2025 de Beneluxmerken STREKDROP en REKDROP registreren en diende daarnaast een aanvraag in voor het Beneluxwoordmerk TREKDROP voor snoepgoed in klasse 30. Aanleiding voor het geschil vormt de introductie van een dropproduct onder de naam “Strekdrop” op de Nederlandse markt in augustus 2025. Haribo stelde zich op het standpunt dat daarmee inbreuk werd gemaakt op haar Trekdrop-merken en sommeerde Felko om het gebruik van de tekens te staken en de registraties van STREKDROP en REKDROP door te halen. Felko wees die bezwaren van de hand en startte op haar beurt bij het BBIE procedures tot nietig- en vervallenverklaring van Trekdrop-merken van Haribo. Het gaat daarbij om het Trekdrop Beneluxmerk uit 2024 én om een oudere Beneluxregistratie TREKDROP uit 1988. In de hoofdzaak vordert Haribo onder meer een verbod op merkinbreuk, nietigverklaring van de Felko-merken, een opgave- en recallbevel, schadevergoeding of winstafdracht, dwangsommen en proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Subsidiair beroept Haribo zich op oneerlijke mededinging en onrechtmatige daad. Volgens Haribo heeft Felko bovendien te kwader trouw merken aangevraagd. In een incident ex artikel 223 Rv vorderde Haribo alvast voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding, waaronder een voorlopig inbreukverbod en een bevel tot staking van de daden van oneerlijke mededinging, een dwangsom en proceskosten. Felko voerde in een bevoegdheidsincident aan dat de rechtbank Den Haag niet bevoegd zou zijn om van de zaak kennis te nemen. Volgens Felko was de gestelde merkinbreuk na de sommatie gestaakt, zodat ten tijde van de dagvaarding geen sprake meer zou zijn geweest van inbreukmakende handelingen of oneerlijke handelspraktijken in Nederland. Daarom zou de rechtbank Noord-Holland bevoegd zijn op grond van de woonplaats van gedaagden (art. 99 Rv) en zou de rechtbank Den Haag zich op grond van artikel 110 Rv onbevoegd moeten verklaren. De rechtbank Den Haag volgt dat standpunt niet. Zij kwalificeert de merkinbreukvorderingen én de vorderingen gebaseerd op oneerlijke handelspraktijken/oneerlijke mededinging als vorderingen uit onrechtmatige daad. Vervolgens verwijst de rechtbank naar artikel 102 Rv, dat bevoegdheid toekent aan de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Daarbij sluit de rechtbank aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 7 lid 2 Brussel I-bis-Vo, waarin onder meer is bepaald dat onder “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” de plaats van de veroorzakende gebeurtenis én de plaats waar de schade intreedt valt.

IEF 23520

Hof Den Haag: stakingsbevel wegens merkinbreuk op Uniemerk ICE niet geschorst; rectificatiebevel voorwaardelijk geschorst wegens disproportionele redactie

Hof Den Haag 7 apr 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-stakingsbevel-wegens-merkinbreuk-op-uniemerk-ice-niet-geschorst-rectificatiebevel-voorwaardelijk-geschorst-wegens-disproportionele-redactie

Hof Den Haag 7 april 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH). Dit arrest van het Gerechtshof Den Haag (7 april 2026) betreft een schorsingsincident ex art. 351 Rv in hoger beroep tegen een kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter Den Haag van 6 mei 2025, waarbij Ice Labs, die de cryptomunt "Ice Open Network" (ticker: ICE) op de markt brengt, bij voorlopig oordeel inbreukmakend werd bevonden op het Uniemerk ICE van Intercontinental Exchange Holdings, Inc. (IEH), en werd bevolen iedere inbreuk in de EU te staken, alle exchanges te verzoeken de naam en ticker te wijzigen, en een rectificatie te plaatsen op website en sociale media, op straffe van dwangsommen. Ice Labs vorderde in het incident primair schorsing tot aan de beslissing in de hoofdzaak, subsidiair voor 90 dagen na betekening. Het hof baseert zijn internationale bevoegdheid in dit incident op art. 125 lid 1 UMVo jo. art. 35 Brussel I-bis, nu een reële band met de Nederlandse rechtsorde bestaat; de in de hoofdzaak opgeworpen bevoegdheidskwestie blijft onbesproken. Het hof hanteert de maatstaf uit HR 20 december 2019: uitgangspunt is tenuitvoerlegging, schorsing is slechts gerechtvaardigd indien het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt, waarbij het hof uitgaat van de vaststellingen van de voorzieningenrechter tenzij sprake is van een kennelijke misslag, en, indien de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd, de veroordeelde nieuwe feiten of omstandigheden moet aanvoeren die zich na de uitspraak hebben voorgedaan en een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.

IEF 23516

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR), https://www.ie-forum.nl/artikelen/a-g-geen-gegronde-reden-voor-merkinbreuk-bij-verkoop-hp-cartridges-zonder-buitenverpakking-wel-informatieplicht-over-mogelijke-ouderdom

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR). Deze conclusie van A-G Van Peursem (zitting 24 april 2026) betreft een kort geding tussen HP en Digital Revolution/123inkt over originele, ongebruikte HP-inkt- en lasercartridges die zonder originele buitenverpakking werden aangeboden, aanvankelijk als "milieuverpakking" en sinds 2023 als "milieuproduct". De cartridges waren afkomstig uit retouren, recyclebedrijven of opkopers, konden 10 tot 17 jaar oud zijn en werden verkocht tegen de prijs van nieuwe cartridges. HP vorderde een verbod op grond van merkinbreuk ex art. 9 lid 2 onder a jo. art. 15 lid 2 UMVo, de uitzondering op de uitputtingsregel wegens gegronde redenen, alsmede op grond van onrechtmatige daad, meer in het bijzonder oneerlijke of misleidende handelspraktijken (art. 6:193a-j BW) en misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194 en 6:194a BW). De voorzieningenrechter achtte merkinbreuk aannemelijk en wees vordering I toe, maar het hof oordeelde dat HP geen gegronde redenen had in de zin van art. 15 lid 2 UMVo en vernietigde het vonnis op dat punt. Wel achtte het hof het handelen van DR B.V. deels misleidend ex art. 6:193c lid 1 onder b BW: door de cartridges, die niet alleen uit retouren maar ook uit recyclebakken of opkoop konden stammen en meerdere jaren, soms meer dan tien jaar, oud konden zijn, als nieuw en voor de nieuwprijs aan te bieden zonder die ouderdom te vermelden, verstrekte DR misleidende informatie over de fabricagedatum, waardoor de consument vermoedelijk een aankoopbeslissing nam die hij anders niet had genomen. Dit verbod werd uitsluitend toegewezen ten gunste van HP Europe B.V. en HP Nederland B.V., die als concurrenten van DR B.V. vorderingsgerechtigd zijn; HP Inc. en HPDC staan niet in een concurrentieverhouding tot DR B.V.