Proceskostenveroordeling (bijzondere uitspraken)

IEF 19778

Sisvel veroordeeld tot betaling proceskosten

Rechtbank Den Haag 17 feb 2021, IEF 19778; ECLI:NL:RBDHA:2021:1266 (Sisvel tegen Oppo en Wiko ), http://www.ie-forum.nl/artikelen/sisvel-veroordeeld-tot-betaling-proceskosten

Rechtbank Den Haag 17 februari 2021, IEF 19778, IT 3413, ECLI:NL:RBDHA:2021:1266 (Sisvel tegen Oppo en Wiko) [Vervolg op IEF 19293]. Sisvel had verleden jaar een zaak aangespannen tegen Oppo c.s. en Wiko c.s. omdat deze van mening was dat de partijen inbreuk hadden gemaakt op haar octrooi. De rechtbank had haar hierbij in het ongelijk gesteld en verklaarde het octrooi van Sisvel nietig. Sisvel is daarnaast ook veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van haar tegenpartijen. In deze zaak maakt zij daartegen bezwaar. Zij is van mening dat de proceskosten op onjuiste wijze zijn vastgesteld, wegens het niet in lijn zijn met artikel 1019h Rv en jurisprudentie van de Hoge Raad. Sisvel betoogt evenzeer dat er voor de vaststelling ook in aanmerking moet worden genomen welke van de door de winnende partij aangevoerde argumenten succes hebben gehad en welke niet. De rechtbank gaat in geen van de argumenten van Sisvel mee en wijst haar vorderingen dan ook af, waardoor zij alsnog veroordeeld is tot de proceskosten in de hoofdzaak.

IEF 19734

Hoofdelijke verbondenheid biedt voldoende zekerheid voor verhaal

Rechtbank Amsterdam 13 jan 2021, IEF 19734; (Coast Cycles c.s. tegen Phatfour B.V.), http://www.ie-forum.nl/artikelen/hoofdelijke-verbondenheid-biedt-voldoende-zekerheid-voor-verhaal

Rechtbank Amsterdam 13 januari 2021, IEF 19734; C/13/687054 / HA ZA 20-741 (Coast Cycles c.s. tegen Phatfour) Incidentieel vonnis. De vorderingen van Coast Cycles c.s. (CCS) betreffen de door hen gestelde auteursrechten op bepaalde fietsen die worden verkochten in geheel Europa. Phatfour vordert dat CCS wordt bevolen zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan CCS veroordeeld zou kunnen worden. Zij stelt dat aan de zijde van Phatfour onzekerheid bestaat of zij een eventuele kostenveroordeling kan verhalen. In dat geval biedt artikel 224 lid Rv de mogelijkheid om een procespartij te bevelen zekerheid te stellen voor een eventuele kostenveroordeling, tenzij één van de in art. 224 lid 2 Rv genoemde uitzonderingen van toepassing is. CCS c.s. hebben aangevoerd dat een onverhoopte kostenveroordeling van hen hoofdelijk zal worden uitgesproken. Daarmee is het redelijkerwijs aannemelijk dat verhaal voor de proceskostenveroordeling in Nederland mogelijk zal zijn. Bovendien kan niet uit de stellingen van de gedaagde partij worden afgeleid dat indien de vorderingen worden afgewezen, dat er een kostenveroordeling zal volgen waarin de Singaporese partij wel en de Nederlandse partij niet in de proceskosten zal worden veroordeeld. Naar het oordeel van de rechter geeft deze hoofdelijke verbondenheid voldoende zekerheid voor verhaal van de proceskostenveroordeling in Nederland. De incidentele vordering van Phatfour wordt dan ook afgewezen. 

IEF 18350

Nietigheidsprocedure hot stamping techniek is geen IE-handhaving, dus geen toepassing 1019h Rv

Gerechtshoven 26 mrt 2019, IEF 18350; ECLI:NL:GHDHA:2019:575 (ArcelorMittal France tegen Tata Steel), http://www.ie-forum.nl/artikelen/nietigheidsprocedure-hot-stamping-techniek-is-geen-ie-handhaving-dus-geen-toepassing-1019h-rv

Hof Den Haag 26 maart 2019, IEF 18350; ECLI:NL:GHDHA:2019:575 (ArcelorMittal France tegen Tata Steel) Handhaving. Proceskosten. De rechtbank  [IEF 17099] wees de gevorderde vernietiging van het Nederlandse deel van EP 863 'hot stamping techniek' toe. Het wapperverbod heeft de rechtbank afgewezen. Het incidenteel beroep van Tata Steel tegen de wijze van begroting van de proceskosten in eerste aanleg treft ook geen doel. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat artikel 1019h Rv in deze zaak niet van toepassing is, omdat de zaak niet kan worden aangemerkt als ‘handhaving’ van een recht van intellectuele eigendom in de zin van artikel 1019 Rv. Een nietigheidsprocedure wordt juist ter beschikking gesteld van een persoon die, zonder houder van een intellectuele-eigendomsrecht te zijn, opkomt tegen de bescherming van een recht van intellectuele eigendom dat aan de houder van de overeenkomstige rechten is verleend (r.o. 78, Bericap).

IEF 18309

Indien gedaagde openheid van zaken had gegeven, dan zou dit kort geding niet zijn gestart

Rechtbanken 5 feb 2019, IEF 18309; ECLI:NL:RBMNE:2019:711 (IE rechten scooterzaak), http://www.ie-forum.nl/artikelen/indien-gedaagde-openheid-van-zaken-had-gegeven-dan-zou-dit-kort-geding-niet-zijn-gestart

Vzr. Rechtbank Midden-Nederland 5 februari 2019, IEF 18309; ECLI:NL:RBMNE:2019:711 (IE-rechten scooterzaak) Proceskostenveroordeling. Handelsnaamrecht na samenwerking. Eiser handelt in en voert onderhoud uit aan brommers, scooters en fietsen. Hiertoe gebruikt zij een handelsnaam en een logo. Gedaagde is bestuurder en enig aandeelhouder van twee bedrijven, die zich toeleggen op activiteiten op het gebied van logistiek. Eiser en gedaagde hebben gesproken over een samenwerking. Na de beëindiging van de samenwerking bleef de website onder de domeinnaam actief, zonder de betrokkenheid van eisers. Op de website wordt het logo gebruikt, staat het e-mailadres, er staat een filmpje op een Facebookpagina en een advertentie in een plaatselijke krant. Gedaagde heeft echter aangegeven dat dit filmpje niet meer op Facebook staat en bovendien dat zij niet verantwoordelijk is voor de inhoud van de Facebookpagina. Gedaagde heeft in een brief onjuiste informatie gegeven over haar hoedanigheid in relatie en de domeinnamen. Indien gedaagde openheid van zaken had gegeven en juist had geïnformeerd, dan zou dit kort geding niet zijn gestart. Partijen dragen ieder eigen kosten.

IEF 18073

AG over proceskostenveroordeling en over het niet toewijzen van de vordering tot terugbetaling op basis van eerste uitspraak

Hoge Raad 12 okt 2018, IEF 18073; ECLI:NL:PHR:2018:1218 (Food Products tegen Maxim's Caterer), http://www.ie-forum.nl/artikelen/ag-over-proceskostenveroordeling-en-over-het-niet-toewijzen-van-de-vordering-tot-terugbetaling-op-ba

Conclusie AG HR 12 oktober 2018, IEF 18073; ECLI:NL:PHR:2018:1218 (Food Products tegen Maxim's Caterer) Auteursrecht. Proceskosten. In deze zaak over auteursrecht op het ontwerp van blikken voor mooncakes zijn Maxim's Caterers’ inbreukdeclaratoir en -verbod met nevenvorderingen en haar schadestaatvordering door de rechtbank afgewezen, omdat al een onthoudingsverklaring en deelschikking over inzage voorlag en volgens de rechtbank de schadestaatdrempel niet was geslecht. In appel vordert Maxim's Caterers ook een voorschot op schadevergoeding en in hoger beroep krijgt zij goeddeels gelijk. Volgens het hof is het auteursrecht op de blikken aan Maxim's Caterers overgedragen en daartegen komen Food Products in cassatie volgens mij tevergeefs op. Incidenteel wordt in cassatie geklaagd over de proceskostenveroordeling en over het niet toewijzen van de vordering tot terugbetaling van hetgeen op grond van de uitspraak in eerste aanleg is betaald. Deze laatste klacht is denk ik terecht. De zaak kan op dat punt door Uw Raad zelf worden afgedaan. AG concludeert in het principaal cassatieberoep tot verwerping en in het incidenteel cassatieberoep tot vernietiging, maar dat laatste alleen voor zover het hof de vordering van [verweerster] tot (terug)betaling van € 27.661,95 te vermeerderen met wettelijke rente niet heeft toegewezen, en voor wat dat laatste betreft tot afdoening op de wijze aangegeven in 3.19 van deze conclusie.

IEF 17912

Artikel 1019h ziet ook op vervolg op IE-inbreukprocedure online fruitautomaatspellen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 aug 2018, IEF 17912; (Bluemay en Betsoft tegen Novomatic en Bell-Fruit), http://www.ie-forum.nl/artikelen/artikel-1019h-ziet-ook-op-vervolg-op-ie-inbreukprocedure-online-fruitautomaatspellen

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 augustus 2018, IEF 17912 (Bluemay en Betsoft tegen Novomatic en Bell-Fruit) Staking van executie na bodemprocedure [IEF 17802] waarin de bodemrechter grotendeels de vorderingen betreft inbreuk op auteurs- en merkenrechten op online fruitautomaatspellen toewees. Tegen Redcorp is verstek verleend, maar zij is een ontbonden vennootschap naar buitenlands recht. Nu tegen Redcorp een hoofdelijke veroordeling is uitgesproken, is niet uit te sluiten dat voor betrokkenen een noodtoestand kan ontstaan. Voor A is niet vastgesteld op grond van welke recht de gestelde bestuurdersaansprakelijkheid is beoordeeld. Voor B is in het vonnis niet vastgesteld welke functie hij binnen Betsoft vervult. De veroordeling tot overleggen van bescheiden is onvoldoende gespecificeerd hetgeen tot executieproblemen kan leiden. Artikel 1019h Rv ziet ook op procedures die het vervolg zijn op IE-inbreukprocedures, zoals dit executiegeschil.

IEF 17811

Rechter schat voor de proceskostenveroordeling hoeveel procent is besteed aan werkzaamheden per eiser

Hof Den Haag 26 jun 2018, IEF 17811; ECLI:NL:GHDHA:2018:2057 (Spirits tegen FKP), http://www.ie-forum.nl/artikelen/rechter-schat-voor-de-proceskostenveroordeling-hoeveel-procent-is-besteed-aan-werkzaamheden-per-eise

Hof Den Haag 26 juni 2018, IEF 17811 (Spirits tegen FKP) Merkenrecht. Vernietiging van de proceskostenveroordeling. De vorderingen van de twee eisers, FKP en FGUP, worden in eerste aanleg resprectievelijk toegewezen en afgewezen. De rechtbank [IEF 15170] verdeelde de proceskosten 50/50. De vorderingen van FKP in eerste aanleg worden toegewezen en Spirits c.s. wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten. FKP vordert veroordeling in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Het hof schat ex aequo et bono dat 95% van deze kosten is besteed aan de van de zaken waarin FKP als eiseres is opgetreden. Een bedrag van €28.243,60 wordt toegewezen. De vorderingen van FGUP in eerste aanleg werden afgewezen en zij werd veroordeeld in 50% van de proceskosten. Het hof schat nu dat 5% van de werkzaamheden van Spirits c.s. zijn besteed aan het verweer in de zaak tegen FGUP. De kosten worden daarom begroot op 5% van het gevorderde €33.366,00 = €1.668,30.

IEF 17703

HR: Argumenten pleiten ervoor dat werkzaamheden verband houdend met zuiver processuele kwestie vallen onder artikel 1019h Rv

Hoge Raad , IEF 17703; http://www.ie-forum.nl/artikelen/hr-argumenten-pleiten-ervoor-dat-werkzaamheden-verband-houdend-met-zuiver-processuele-kwestie-vallen

HR 18 mei 2018, IEF 17703; ECLI:NL:HR:2018:721 (Becton Dickinson tegen B. Braun Melsungen) Procesrecht. Octrooizaak. Conclusie AG IEF 17574 en voorzieningenrechter IEF 16045. Art. 1019h Rv is van toepassing op werkzaamheden die uitsluitend betrekking hebben op de vraag of de overschrijding van de appeltermijn verschoonbaar is. De argumenten die "ervoor pleiten ook de werkzaamheden verband houdend met een zuiver processuele kwestie als de onderhavige onder de werkingssfeer van art. 14 Handhavingsrichtlijn en art. 1019h Rv begrepen te achten, wegen zodanig zwaarder dan de tegenargumenten, dat in dit kort geding daarover geen prejudiciële vragen aan het HvJEU zullen worden gesteld." De kosten van het cassatieberoep over de toepassing van art. 1019h Rv, valt onder het liquidatietarief.