Onrechtmatige gegevensverstrekking door gemeente zonder schadevergoeding wegens ontbrekend causaal verband
Rb Den Haag 7 januari 2026, IEF 23278; ECLI:NL:RBDHA:2026:424 ([eiser] en [eiseres] tegen GEMEENTE LEIDEN). In deze zaak spreekt een particulier een gemeente aan wegens de onrechtmatige verstrekking van zijn persoonsgegevens aan een woningcorporatie in het kader van een woningkoop (koopgarantregeling). De eiser stelt dat deze gegevensverstrekking in strijd is met de AVG en daarmee een onrechtmatige overheidsdaad oplevert. Op grond van artikel 82 AVG vordert hij vergoeding van zowel materiële als immateriële schade. De gemeente voert aan dat de gegevensverstrekking noodzakelijk was binnen het kader van de kooptransactie en berustte op een geldige rechtsgrond, zodat geen sprake zou zijn van een AVG-schending.
Prejudiciële vragen over databankenrecht en hergebruik van Handelsregistergegevens
Hof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, IEF 23275; ECLI:NL:GHARL:2026:313 (Kamer van Koophandel tegen Vereniging voor Zakelijke B2B Informatie). In deze zaak speelt een geschil tussen de Kamer van Koophandel (KVK) en de Vereniging Voor Zakelijke Borgen en Informatie (VVZBI) over het databankenrecht op het Handelsregister en de vraag in hoeverre de KVK het hergebruik van Handelsregistergegevens mag beperken of reguleren. De KVK heeft in 2020 nieuwe gebruiksvoorwaarden vastgesteld waarin zij stelt dat op het Handelsregister een sui generis databankenrecht rust en dat voor grootschalig of commercieel hergebruik toestemming van de KVK nodig is. Volgens de KVK zijn deze beperkingen nodig om haar wettelijke taken goed uit te voeren en om belangen als rechtszekerheid, privacybescherming, kostendekking en het profijtbeginsel te waarborgen. VVZBI betwist dat de KVK databankenrecht heeft op het Handelsregister en voert aan dat de vereisten voor databankrechtelijke bescherming niet zijn vervuld. De rechtbank volgt VVZBI hierin en oordeelt dat met name het vereiste investeringsrisico bij de KVK ontbreekt, zodat geen databankenrecht ontstaat.
Normaal gebruik van het merk ZOOM in de Benelux
BenGH 7 mei 2025, IEF 23276; IEFbe 4105; C 2024/10 (Zoom Video Communications, Inc. tegen Kabushiki Kaisha Zoom). In deze zaak oordeelt het Benelux-Gerechtshof over een verzoek van Zoom Video Communications, Inc. tot vervallenverklaring wegens niet-gebruik van het oudere Benelux-woordmerk ZOOM, dat toebehoort aan Kabushiki Kaisha Zoom. Het geschil draait om de vraag of het merk in de periode 2016–2021 normaal is gebruikt voor de waren waarvoor het is ingeschreven in de klassen 9 en 15. Het Hof bevestigt het uitgangspunt dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk reëel commercieel wordt gebruikt om afzet te vinden of te behouden, waarbij een globale beoordeling plaatsvindt aan de hand van onder meer aard van de waren, marktkenmerken en omvang en frequentie van het gebruik. Bij ruime warenomschrijvingen moet worden onderzocht of zelfstandige subcategorieën kunnen worden onderscheiden op basis van doel en bestemming; alleen dan kan verval gedeeltelijk worden uitgesproken.
Terugblik op het Nationaal AI & Data Congres: de AI Act in actie, AI-training op persoonsgegevens, contractvorming in het AI-tijdperk en meer!
Tijdens het Nationaal AI & Data Congres op donderdag 5 februari 2026 hebben juridische experts de laatste ontwikkelingen op het snijvlak van AI en recht belicht. Arnoud Engelfriet (ICTRecht) besprak compliance onder de AI Act, terwijl Laura Poolman (Kennedy van der Laan) zich boog over de juridische kwalificatie van AI-training op persoonsgegevens, mede gezien het Digital Omnibus-pakket van de Europese Commissie. Louis Jonker en Merel Hazes (beiden Van Doorne) gingen in op de uitdagingen van contractvorming bij de inkoop van AI. Het congres is in goede banen geleid door dagvoorzitters Astrid Sixma (Kennedy van der Laan) en Menno Weij (The Data Lawyers). De middag werd geopend met een presentatie van Jolanda ter Maten (ter Maten) over de kansen en risico's van AI. We sloten af met een paneldiscussie tussen juridische sleutelspelers Douwe Groenevelt (Viridea), Wouter Seinen (Pinsent Masons) en Jeroen Zweers (Dutch Legal Tech).
Voor de geïnteresseerde lezer volgt hieronder op hoofdlijnen een weergave van de inhoudelijke bespreking die plaatsvond tijdens het congres.
Belangenafweging privacy veroordeelde en persvrijheid bij online zittingsverslag NRC
Rb Amsterdam 17 december 2025, IEF 23274; ECLI:NL:RBAMS:2025:10200 ([eiser] tegen MEDIAHUIS NRC B.V.). De zaak betreft een zorgverlener die in 2022 is veroordeeld tot drie jaar gevangenisstraf (waarvan een half jaar voorwaardelijk) wegens seksuele uitbuiting van twee 17‑jarige meisjes, over wie NRC een artikel in de rubriek “De Zitting” publiceerde met vermelding van zijn voornaam, leeftijd en beroep. Volgens eiser is de publicatie onrechtmatig op grond van artikel 6:162 BW, omdat NRC zonder noodzaak strafrechtelijke persoonsgegevens verwerkt in strijd met zijn recht op eer en goede naam (artikel 8 EVRM) en in strijd met de AVG en de UAVG, met name omdat de gegevens niet noodzakelijk zouden zijn voor het doel van de publicatie. Eiser vordert dat NRC het artikel aanpast door deze persoonsgegevens te verwijderen, op straffe van een dwangsom, plus 750 euro immateriële schadevergoeding, subsidiair een voorziening waardoor NRC zijn strafrechtelijke persoonsgegevens niet meer verwerkt. NRC beroept zich op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid en stelt dat het artikel feitelijk verslag doet van een openbare strafzitting, met bewust weglaten van de achternaam en andere privé‑details.
Uitspraak ingezonden door Anthony van der Planken, CO & DELARUE
Toepassing Mio/Konektra op auteursrechtelijke bescherming van meubelontwerpen door ondernemingsrechtbank Brussel
Ond.Rb Brussel 29 januari 2026, IEF 23273; IEFbe 4104; A/25/02084 (Gommaire nv tegen verwerende partij). De ondernemingsrechtbank Brussel behandelt een geschil tussen interieurmerk Gommaire en een internationale interieurspeler over vermeende kopieën van meubelontwerpen en oneerlijke marktpraktijken. Gommaire ontwerpt en verkoopt sinds 2015 diverse meubels (tafels, stoelen, zetels, bureau, modulaire sofa) en stelt dat meerdere modellen van de tegenpartij daar nagenoeg op aansluiten. Zij vraagt een stakingsbevel, dwangsommen en verregaande informatie over producenten, aantallen en prijzen; de tegenpartij vordert afwijzing én nietigverklaring van bepaalde Benelux‑modellen van Gommaire. De rechtbank maakt in haar beoordeling expliciet gebruik van het Mio/Konektra‑arrest van het Hof van Justitie (C‑580/23 en C‑795/23) van 4 december 2025. Zij benadrukt dat er geen hiërarchie bestaat tussen model‑ en auteursrecht en dat voor toegepaste kunst, zoals meubels, dezelfde originaliteitstoets geldt als voor andere werken: beschermd is de concrete uitdrukking van een eigen intellectuele schepping via vrije en creatieve keuzes die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen. Er is geen verhoogde drempel voor design, waardoor trends en stijlen niet beschermd zijn, maar een specifieke combinatie van vormen, verhoudingen en lijnen binnen zo’n trend wel auteursrechtelijke bescherming genieten. Voor de inbreuktoets neemt de rechtbank afstand van een benadering die louter focust op de totaalindruk. Doorslaggevend is of de creatieve elementen van het beschermde werk op herkenbare wijze zijn gereproduceerd in het betwiste meubel. Algemene stijlverwantschap volstaat niet, terwijl evenmin kan worden volstaan met het aanwijzen van enkele detailverschillen om een inbreuk uit te sluiten.
Geen verwarringsgevaar tussen WelMedis en médis bij gezondheids- en schoonheidsdiensten
Gerecht EU 4 februari 2026, IEF 23272; IEFbe 4103; ECLI:EU:T:2026:70 (Médis - Companhia portuguesa de seguros de saúde, S. A. tegen EUIPO en RGCC Holdings AG). Het Gerecht verwerpt het beroep van Médis – Companhia portuguesa de seguros de saúde tegen de beslissing van het EUIPO om de oppositie tegen het Uniemerk WelMedis af te wijzen (zaak T-142/25). De oppositie was gebaseerd op het oudere internationale beeldmerk médis en ingesteld op grond van artikel 8 lid 1 onder b UMVo wegens vermeend verwarringsgevaar. De aangevraagde WelMedis-inschrijving zag op cosmetica en schoonheidsdiensten (klassen 3 en 44), terwijl het oudere merk médis onder meer betrekking had op medische en gezondheidsgerelateerde producten en diensten (klassen 5, 41 en 44). Het EUIPO en de Kamer van Beroep hadden geoordeeld dat, hoewel sommige waren en diensten (beperkt) soortgelijk zijn, de verschillen tussen de tekens zodanig zijn dat geen sprake is van verwarringsgevaar. Het Gerecht bevestigt dit oordeel.
Kort geding over octrooibeslag en wapperverbod
Rb. Den Haag 29 januari 2026, IEF 23268; ECLI:NL:RBDHA:2026:1562 ([eiseressen] tegen Millboard). In dit kort geding vorderen de distributeurs van de TimberTouch-vlonderplanken opheffing van een door Millboard gelegd conservatoir beslag, alsmede een verbod voor Millboard om derden aan te schrijven over vermeende octrooi-inbreuk (wapperverbod), een bevel tot opgave van aangeschreven afnemers en rectificatie. Millboard is exclusief licentienemer van Europees octrooi EP 1 951 971 B1 voor een specifieke opbouw van een vlonderplank en stelt dat de TimberTouch-planken inbreuk maken op conclusie 1 van dat octrooi. De eiseressen voeren aan dat het octrooi nietig is wegens toegevoegde materie en gebrek aan nieuwheid en inventiviteit, en dat hun product bovendien buiten de beschermingsomvang valt. Volgens hen is het beslag daarom ondeugdelijk en heeft Millboard onrechtmatig gehandeld door retailers te sommeren.
Inzage in bewijsbeslag geweigerd in kort geding Bacardi en Polmos tegen Excellent Drinks
Rb. Rotterdam 17 december 2025, IEF 23269; ECLI:NL:RBROT:2025:14965 (BACARDI AND COMPANY LIMITED en POLMOS ZYRARDÓW SP. ZO. O. tegen EXCELLENT DRINKS B.V.). De zaak betreft Bacardi, merkhouder van Grey Goose, en Polmos, merkhouder van Belvedere, tegen groothandelaar Excellent Drinks, die eerder namaakflessen wodka met hun merken heeft verhandeld en zich daarom via een vaststellingsovereenkomst en onthoudingsverklaring heeft verbonden om verdere merkinbreuk te staken. Bacardi en Polmos vermoeden opnieuw handel in namaak en leggen conservatoir bewijsbeslag onder Excellent Drinks. Bacardi en Polmos vorderen elk inzage in en afschrift van de beslagen data op straffe van een dwangsom om die gegevens als bewijs voor (verdere) merkinbreuk en contractschending te gebruiken, terwijl Excellent Drinks onder meer aanvoert dat de voorzieningenrechter niet bevoegd is en dat de inzagevorderingen in de verkeerde procedure zijn ingesteld dan wel onvoldoende zijn onderbouwd.
EHRM over vrijheid van meningsuiting van rechters op sociale media
EHRM 25 december 2025, IEF 23266; IT 5103; IEFbe 4100; 16915/21 (DANILEŢ tegen Roemenië). Deze zaak gaat over een klacht op grond van artikel 10 EVRM, ingediend door een Roemeense rechter, naar aanleiding van een disciplinaire sanctie wegens twee berichten die hij in januari 2019 op zijn openbare Facebookpagina had geplaatst. De verzoeker was op dat moment rechter bij het gerechtshof Cluj en genoot aanzienlijke publieke bekendheid, mede door eerdere functies binnen de rechterlijke macht en zijn actieve deelname aan maatschappelijke debatten over democratie, rechtsstaat en justitie. Op zijn Facebookpagina, die ongeveer 50.000 volgers telde, publiceerde hij twee berichten. Het eerste bericht ging over vermeende pogingen om kerninstituties van de staat (waaronder justitie, politie en leger) te ondermijnen en bevatte een retorische passage over de constitutionele rol van het leger bij het beschermen van de democratie. Het tweede bericht bestond uit een link naar een persartikel waarin een officier van justitie kritiek uitte op hervormingen binnen het strafrecht, met daarbij de tekst: “Now here’s a prosecutor with some blood in his veins (sânge în instalaţie), speaking his mind about dangerous prisoners being freed, our leaders’ bad ideas on legislative reform, and judges and prosecutors being ‘lynched’!” (Vertaald). De Judicial Inspection Board startte ambtshalve een onderzoek wegens mogelijk gedrag dat de eer en het imago van de rechterlijke macht zou aantasten, zoals bedoeld in artikel 99(a) van Wet nr. 303/2004. Na onderzoek werd de zaak voorgelegd aan de disciplinaire kamer van de Nationale Raad voor de Magistratuur, die oordeelde dat de verzoeker zijn plicht tot terughoudendheid had geschonden. Daarbij werd benadrukt dat zijn uitlatingen, mede gelet op hun vorm en publieke verspreiding, het vertrouwen in staatsinstellingen en de rechterlijke macht konden ondermijnen. Als sanctie werd een tijdelijke salarisverlaging van 5% voor twee maanden opgelegd. Het door de verzoeker ingestelde beroep werd door het Hoog Gerechtshof van Cassatie en Justitie verworpen. Dat hof oordeelde dat de beperking van zijn uitingsvrijheid wettelijk was voorzien, een legitiem doel diende (het beschermen van het gezag en de onpartijdigheid van de rechterlijke macht) en proportioneel was.

























































































