Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen MAGORA en GRUPO AGORA voor financiële, vastgoed- en accommodatiediensten
Gerecht EU 14 oktober 2026, IEF 23933; IEFbe 4354; ECLI:EU:T:2026:668 (MAGORA). Het Gerecht oordeelt over een oppositie tegen de inschrijving van het Uniewoordmerk MAGORA, aangevraagd door Holding Tourisme voor diensten in de klassen 36 en 43, waaronder financiële diensten, vastgoeddiensten en tijdelijke accommodatie. De Spaanse onderneming Agora SA maakte bezwaar tegen de inschrijving op grond van haar oudere Uniebeeldmerk GRUPO AGORA. De oppositieafdeling van het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) wees de oppositie gedeeltelijk toe, waarna de kamer van beroep deze beslissing bevestigde wegens verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Holding Tourisme betwistte onder meer de overeenstemming tussen de betrokken diensten en merken. Volgens haar zou het relevante publiek, mede vanwege het hogere aandachtsniveau en de verschillen in betekenis en vormgeving, de merken voldoende van elkaar kunnen onderscheiden.
Gerecht EU: afwijzing kwekersrechtaanvraag voor appelras Roat wegens onvoldoende onderscheidbaarheid blijft in stand
Gerecht EU 14 oktober 2026, IEF 23931; LS&R 2478; ECLI:EU:T:2026:672 (Roat). Het Gerecht oordeelt over een beroep van Adema Srl tegen de beslissing van de kamer van beroep van het Communautair Bureau voor Plantenrassen (CPVO), waarbij de afwijzing van een aanvraag voor een communautair kwekersrecht op het appelras Roat werd gehandhaafd. Het CPVO had de aanvraag afgewezen omdat Roat niet voldoende onderscheidbaar werd geacht van het referentieras Jeromine in de zin van artikel 7 van Verordening (EG) nr. 2100/94. Nadat een eerste technisch onderzoek was herzien vanwege verschillen in de gebruikte onderstammen, werd een nieuw onderzoek uitgevoerd waarbij beide appelrassen onder vergelijkbare omstandigheden werden geteeld. Ook dit onderzoek toonde geen duidelijk onderscheid tussen de rassen aan. Adema stelde dat het CPVO onvoldoende rekening had gehouden met een door haar voorgesteld aanvullend kenmerk, namelijk de vroegtijdige ontwikkeling van de dekkleur van de appels. Volgens Adema had het CPVO dit kenmerk op grond van zijn ambtshalve onderzoeksplicht uit artikel 76 van Verordening (EG) nr. 2100/94 nader moeten onderzoeken en zo nodig aanvullende informatie moeten opvragen.
Boekpresentatie
Bescherming van bedrijfsgeheimen
Binnenkort verschijnt de bundel “Bescherming van bedrijfsgeheimen” in de Serie Onderneming en Recht van het Onderzoekcentrum Onderneming & Recht. Deze bundel bevat een groot aantal bijdragen van auteurs uit wetenschap en praktijk en staat onder redactie Jorn Kloostra, Pieter van der Korst, Peter Teunissen en Charlotte Vrendenbarg.
Ter gelegenheid van het verschijnen van de bundel vindt op woensdag 4 november 2026 om 16.00 uur bij Stibbe te Amsterdam een presentatie met aansluitende borrel plaats. Het programma treft u hieronder.
U bent van harte uitgenodigd deze boekpresentatie bij te wonen. Aanmelden kan tot 28 oktober a.s.
Wij zien uit naar uw komst!
Jorn Kloostra, Pieter van der Korst, Peter Teunissen en Charlotte Vrendenbarg
Gerecht EU: overdracht merk aan Oekraïense onderneming doet verstreken beroepstermijn niet herleven
Gerecht EU 14 oktober 2026, IEF 23932; IEFbe 4353; ECLI:EU:T:2026:669 (FIND MY CAR). Het Gerecht oordeelt over de niet-ontvankelijkverklaring van een beroep in een procedure tot vervallenverklaring van het woordmerk FIND MY CAR. Apple Inc. had in 2023 bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie (EUIPO) een vordering tot vervallenverklaring van het merk ingediend wegens het ontbreken van normaal gebruik. De nietigheidsafdeling wees deze vordering toe, waarna merkhouder Mega Pop beroep instelde bij de kamer van beroep van het EUIPO. De schriftelijke uiteenzetting van de gronden van beroep werd echter pas op 13 september 2024 ingediend, terwijl de wettelijke termijn op 30 augustus 2024 was verstreken. Mega Pop beriep zich op een bijzondere termijnverlenging voor partijen met een vestiging in Oekraïne, omdat het merk inmiddels was overgedragen aan de Oekraïense onderneming SOLAR MARKET LLC. De overgang werd op 13 september 2024 in het merkenregister ingeschreven. De kamer van beroep verklaarde het beroep niet-ontvankelijk omdat de termijn bij die inschrijving al was verstreken en de bijzondere verlenging niet van toepassing was.
Rechtbank Den Haag herstelt kennelijke verschrijvingen in auteursrechtelijk vonnis tussen Nintendo en handelaar
Rb. Den Haag 7 oktober 2026, IEF 23929; ECLI:NL:RBDHA:2026:29653 (Nintendo c.s. tegen [gedaagde]). De rechtbank heeft op verzoek van Nintendo Co., Ltd. en Nintendo of Europe SE een herstelvonnis gewezen in een auteursrechtelijk geschil tegen een handelaar. Nintendo had op grond van artikel 31 Rv verzocht om verbetering van enkele kennelijke verschrijvingen in het vonnis van 2 september 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:25479). De gedaagde had geen bezwaar tegen de voorgestelde verbeteringen. De rechtbank wijst het verzoek toe en corrigeert de formulering van het eerder gegeven inbreukverbod, zodat daarin uitdrukkelijk staat dat de gedaagde iedere inbreuk op de auteursrechten van Nintendo moet staken en gestaakt houden. Daarnaast herstelt de rechtbank tekstuele fouten in de overwegingen over de specificatie van de verboden en de verwijzing naar de schadestaatprocedure. De verbeteringen worden aangetekend op het oorspronkelijke vonnis.
Geen auteursrechtinbreuk aannemelijk na beëindiging samenwerking tussen marketingbureau en opdrachtgever
Rb. Noord-Nederland 25 september 2026, IEF 23928; ECLI:NL:RBNNE:2026:4257 (LC tegen Monti). De voorzieningenrechter oordeelt in kort geding over een auteursrechtelijk geschil tussen marketingbureau Los Companeros B.V. (LC) en het Duitse Monti Werkzeuge GmbH (Monti). LC en haar rechtsvoorganger verrichtten tussen 2018 en 2025 marketingwerkzaamheden voor Monti, waaronder het ontwikkelen van merkidentiteiten, logo's, slogans en huisstijlen. Na beëindiging van de samenwerking stelde LC dat Monti inbreuk maakte op haar auteursrechten door 327 volgens LC auteursrechtelijk beschermde werken te blijven gebruiken. LC vorderde onder meer een stakings- en verwijderingsgebod en een voorschot op schadevergoeding van € 50.000. Volgens LC waren de auteursrechten op grond van de algemene voorwaarden bij haar rechtsvoorganger blijven berusten en vervolgens aan LC overgedragen. Monti betwistte de toepasselijkheid van deze voorwaarden en beriep zich op artikel 8 Auteurswet (Aw), op grond waarvan een rechtspersoon die een werk als van haar afkomstig openbaar maakt zonder daarbij een natuurlijke persoon als maker te vermelden, onder bepaalde voorwaarden als maker wordt aangemerkt. De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen van artikel 8 Aw kunnen afwijken, maar dat daarvoor overeenstemming moet bestaan.
UPC CoA: octrooi Amgen op cholesterolverlagende antilichamen blijft in stand
UPC CoA 25 november 2025, IEF 23924; LS&R 2477; IEFbe 4352; UPC_CoA_528/2024 en UPC_CoA_529/2024 (Amgen tegen Sanofi en Regeneron). In deze zaak tussen Amgen enerzijds en Sanofi en Regeneron anderzijds staat de geldigheid centraal van Europees octrooi EP 3 666 797 voor antilichamen die het eiwit PCSK9 blokkeren en daarmee kunnen worden ingezet bij de behandeling van aandoeningen die samenhangen met een verhoogd cholesterolgehalte. Amgen brengt het cholesterolverlagende geneesmiddel Repatha op de markt, terwijl Sanofi en Regeneron het concurrerende geneesmiddel Praluent aanbieden. De Centrale Divisie München van het UPC had het octrooi in juli 2024 volledig vernietigd wegens gebrek aan inventiviteit. Amgen is tegen deze beslissing in hoger beroep gegaan.
Rechtbank Midden-Nederland bevoegd ten aanzien van Nederlandse en Duitse distributeur in auteursrechtelijk geschil over ruilkaartspel
Rb. Midden-Nederland 30 september 2026, IEF 23927; ECLI:NL:RBMNE:2026:6957 ([eiseres] tegen [gedaagden]). In een geschil over de verkoop en distributie van een ruilkaartspel beoordeelt de Rechtbank Midden-Nederland of zij internationaal bevoegd is om kennis te nemen van vorderingen tegen vier vennootschappen uit hetzelfde concern, gevestigd in Nederland, Duitsland en de Verenigde Staten. De Amerikaanse eiseres stelt dat de verkoop en distributie van het spel inbreuk maken op haar auteursrechten en daarnaast onrechtmatig zijn. De rechtbank is op grond van artikel 4 Brussel I-bis bevoegd ten aanzien van de Nederlandse vennootschap. Ook ten aanzien van de Duitse distributeur neemt de rechtbank bevoegdheid aan op grond van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis. De vorderingen hebben betrekking op hetzelfde spel en op nauw samenhangende verkoop- en distributieactiviteiten binnen dezelfde distributieketen. De Nederlandse vennootschap treedt daarbij op als lokale distributeur en de Duitse vennootschap als centrale distributeur. Ook de vorderingen die betrekking hebben op de verkoop in Duitsland en Oostenrijk en de export naar andere EU-lidstaten vertonen volgens de rechtbank voldoende samenhang met de Nederlandse vorderingen. Dat de eiseres mogelijk een voor haar gunstiger forum heeft gekozen, staat niet aan bevoegdheid in de weg, zolang aan de voorwaarden van artikel 8 lid 1 Brussel I-bis is voldaan en geen sprake is van een kunstmatige ankergedaagde. De rechtbank acht zich daarom bevoegd voor alle vorderingen tegen de Duitse distributeur, zowel op grond van auteursrecht als onrechtmatige daad.
Antargaz kan contractueel optreden tegen merkinbreuken op gasflessen van derden
Rb. Den Haag 26 augustus 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:30045 (Antargaz tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen Antargaz en [gedaagde] staat de nakoming centraal van een vaststellingsovereenkomst over het navullen van gasflessen en mogelijke inbreuken op merkrechten van derden. Partijen waren al langere tijd verwikkeld in een geschil over het zonder toestemming navullen van gasflessen waarop het merk ANTARGAZ is aangebracht. In maart 2026 sloten zij een vaststellingsovereenkomst waarin [gedaagde] zich onder meer verplichtte om zich te onthouden van vergelijkbare inbreuken op de exclusieve rechten van andere marktpartijen in de gasflessenbranche. Partijen spraken daarnaast af dat Antargaz een camera bij de vulinstallatie mocht plaatsen en bij een redelijk vermoeden van overtreding de beelden onder voorwaarden met andere marktpartijen mocht delen. Na onderzoek door een recherchebureau stelde Antargaz dat [gedaagde] toch gasflessen van onder meer Benegas, Primagaz België en Rijngas navulde. Antargaz vordert daarom nakoming van de vaststellingsovereenkomst, versterkt met een dwangsom, en een voorschot op de schadevergoeding voor de gemaakte onderzoekskosten.
Goliath krijgt ex parte verbod tegen Action wegens modelinbreuk op Clicky Keycaps
Rb. Den Haag 15 september 2026, IEF 23925; ECLI:NL:RBDHA:2026:29403 (Goliath tegen Action). In deze zaak tussen Goliath en onder meer Action Nederland, Action Deutschland, Action France en Action Italy staat een vermeende inbreuk op een niet-ingeschreven Uniemodel van Goliath centraal. Goliath verzoekt de voorzieningenrechter om een ex parte verbod tegen de betrokken partijen wegens de verhandeling van zogenoemde Clicky Keycaps. Het verzoek richt zich onder meer op het vervaardigen, aanbieden, verkopen, leveren en promoten van deze producten binnen de Europese Unie. De voorzieningenrechter oordeelt voorshands dat er geen reden bestaat om aan de geldigheid van het ingeroepen modelrecht te twijfelen en dat Goliath voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de gerekwestreerden daarop inbreuk maken. Ook acht de voorzieningenrechter het spoedeisend belang voldoende aannemelijk om het verbod toe te wijzen zonder de gerekwestreerden voorafgaand te horen.

























































































