IEF 23802
8 september 2026
Uitspraak

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

 
IEF 23773
26 augustus 2026
Artikel

Deze UPC-rechters en -experts zijn aanwezig tijdens het BIE-symposium op 30 september

 
IEF 23774
21 september 2026
Artikel

Volg IE-Forum ook op LinkedIn

 
IEF 23875

Uitspraak ingezonden door Annelotte Boot en Robbert Sjoerdsma, Holla. 

EUIPO Board of Appeal: normaal gebruik WAHU-merk niet beperkt tot speelgoedballen en speelgoedfrisbees

EUIPO - OHIM 27 aug 2026, IEF 23875; R 1210/2025-5 (Goliath tegen Wahu), https://www.ie-forum.nl/artikelen/euipo-board-of-appeal-normaal-gebruik-wahu-merk-niet-beperkt-tot-speelgoedballen-en-speelgoedfrisbees

EUIPO Board of Appeal 27 augustus 2026, IEF 23875; IEFbe 4323; R 1210/2025-5 (Goliath tegen Wahu). Goliath IP Stichting verzocht om nietigverklaring van het Uniewoordmerk WAHU van Wahu GmbH, ingeschreven voor “sports equipment” in klasse 28, op grond van artikel 60 lid 1 onder a jo. artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het verzoek was gebaseerd op een ouder internationaal beeldmerk met het woordelement Wahu, dat onder meer bescherming genoot voor “outdoor toys, games, playthings; balls, footballs, beach balls, frisbees; sporting goods in this class, namely balls”. De Cancellation Division had het verzoek afgewezen nadat zij normaal gebruik van het oudere merk slechts bewezen achtte voor onder meer de subcategorieën “toy balls” en “toy frisbees”, die zij niet soortgelijk achtte aan “sports equipment”. In beroep laat de Board aanvullend bewijs toe, omdat dit het eerder overgelegde bewijs aanvult en relevant is voor de beoordeling.

IEF 23874

HvJ EU: Rome I bepaalt toepasselijk recht op formele geldigheid overdracht exclusieve gebruiksrechten

HvJ EU 24 sep 2026, IEF 23874; ECLI:EU:C:2026:785 (Steizer), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-rome-i-bepaalt-toepasselijk-recht-op-formele-geldigheid-overdracht-exclusieve-gebruiksrechten

HvJ EU 24 september 2026, IEF 23874; IEFbe 4322; ECLI:EU:C:2026:785 (Steizer). BT liet door een in Polen gevestigde fotograaf foto’s van automatten maken voor haar onlineverkoop. Partijen sloten geen schriftelijke overeenkomst over de overdracht van gebruiksrechten en maakten evenmin een rechtskeuze. Nadat IU een aantal van deze foto’s zonder toestemming voor eigen eBay-aanbiedingen had gebruikt, stelde BT in Duitsland een auteursrechtelijke inbreukvordering in. In hoger beroep betwistte IU dat BT de exclusieve gebruiksrechten rechtsgeldig had verkregen, omdat naar Pools recht voor een dergelijke overdracht volgens haar een schriftelijkheidsvereiste gold. Het Oberlandesgericht Düsseldorf vroeg het Hof of de formele geldigheid van de overdracht moet worden beoordeeld volgens de lex loci protectionis van artikel 8 lid 1 Rome II, dan wel volgens het recht dat op grond van Rome I op de overdrachtsovereenkomst van toepassing is. Het Hof maakt een onderscheid tussen beide rechtsverhoudingen: de gestelde inbreuk door een derde vormt een niet-contractuele verbintenis en valt onder Rome II, maar de vraag naar de formele geldigheid van de overeenkomst tussen de auteur en de verkrijger staat daarvan los en betreft een verbintenis uit overeenkomst.

IEF 23873

Uitspraak ingezonden door Paul Reeskamp, DLA Piper. 

Octrooi voor early feeding geldig en indirecte inbreuk door aanbieding HCS+ met verwijzing naar verlichting

Rechtbank Den Haag 23 sep 2026, IEF 23873; C/09/691254 (Hatchtech tegen Giordano), https://www.ie-forum.nl/artikelen/octrooi-voor-early-feeding-geldig-en-indirecte-inbreuk-door-aanbieding-hcs-met-verwijzing-naar-verlichting

Rb. Den Haag 23 september 2026, IEF 23873; C/09/691254 / HA ZA 25-779 (HatchTech tegen Giordano). HatchTech is houdster van EP 1 998 611 B1, een octrooi voor een incubator waarmee kuikens tijdens het uitbroeden kunnen worden gevoerd door een combinatie van een voedingstrog in het broedkrat en een lichtbron die de kuikens in staat stelt het voer te vinden. Giordano brengt onder de naam HCS+ ProLife broedkratten met geïntegreerde troggen op de markt en bestreed de geldigheid van het octrooi wegens toegevoegde materie, gebrek aan nieuwheid en gebrek aan inventiviteit. De rechtbank verwerpt deze nietigheidsverweren. Het weglaten van een automated feeder uit de verleende conclusie levert geen toegevoegde materie op, omdat de vakpersoon uit de oorspronkelijke aanvraag direct en ondubbelzinnig kon afleiden dat de uitvinding ook zonder automatische voederinstallatie kon worden uitgevoerd. Ook zijn de door Giordano aangevoerde publicaties niet nieuwheidsschadelijk. Voor de inventiviteit past de rechtbank zowel de problem-solution approach als de door de UPC Court of Appeal gehanteerde benadering toe. Bij die laatste benadering wordt bezien wat de uitvinding als geheel, gelet op haar onderliggende technische concept, aan de stand van de techniek toevoegt. Beide benaderingen leiden volgens de rechtbank tot dezelfde uitkomst: voor de vakpersoon lag het niet voor de hand om voor early feeding een broedkrat met voedingstroggen te combineren met een lichtbron. Conclusie 1 en de aangevallen afhankelijke conclusies 2, 3, 6 en 10 worden daarom geldig geacht en de reconventionele nietigheidsvordering wordt afgewezen.

IEF 23872

Voorzieningenrechter Den Haag: beroep op must-fit-exceptie slaagt voorlopig in geschil over IVF-kweekschaal

Rechtbank Den Haag 18 sep 2026, IEF 23872; C/09/709951 (Vitrolife tegen Birr), https://www.ie-forum.nl/artikelen/voorzieningenrechter-den-haag-beroep-op-must-fit-exceptie-slaagt-voorlopig-in-geschil-over-ivf-kweekschaal

Rb. Den Haag 18 september 2026, IEF 23872; C/09/709951 / KG ZA 26-853 (Vitrolife tegen Birr). Vitrolife, producent van onder meer de EmbryoScope+ voor IVF-procedures, is houdster van een Uniemodel voor delen van de vormgeving van een daarbij gebruikte kweekschaal. Birr brengt sinds begin 2026 de TLX-E Culture Dish op de markt, die geschikt is voor gebruik in de EmbryoScope+. Vitrolife stelde dat Birr met deze schaal inbreuk maakt op haar Uniemodel en vorderde in kort geding een inbreukverbod met nevenvorderingen. Tussen partijen was niet in geschil dat de TLX-E de relevante uiterlijke kenmerken van het Vitrolife-model overneemt: zestien cirkels, naast elkaar gepositioneerd in een licht gebogen lijn, gegroepeerd in vier groepen van vier, waarbij iedere cirkel bestaat uit een culture well met daarin een microwell. Vitrolife zou Birr het gebruik daarvan daarom in beginsel op grond van artikel 20 lid 1 UModVo kunnen verbieden. Birr beriep zich echter op artikel 9 UModVo. De voorzieningenrechter acht voorshands artikel 9 lid 2 UModVo van toepassing. De software van de EmbryoScope+ is afgestemd op kweekschalen met acht of zestien culture wells en de afstand tussen de culture wells kan daarom niet worden gewijzigd. Ook moeten de bodems van de microwells binnen een beperkte bandbreedte op een bepaalde afstand van het midden van de rotatieschijf liggen om door het systeem te worden herkend en afgebeeld. Volgens de voorzieningenrechter kunnen de relevante kenmerken daarom niet zodanig anders worden vormgegeven dat nog steeds een voor de EmbryoScope+ bruikbare kweekschaal ontstaat.

IEF 23870

Gerecht EU: geen verband tussen DEVATIS en NOVARTIS in de zin van artikel 8 lid 5 UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 23 sep 2026, IEF 23870; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-geen-verband-tussen-devatis-en-novartis-in-de-zin-van-artikel-8-lid-5-umvo

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23870; IEFbe 4321; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af. De Kamer van Beroep vernietigde die beslissing, omdat zij van oordeel was dat tussen de tekens een verband kon worden gelegd en dat sprake was van een niet louter hypothetisch risico op ongerechtvaardigd voordeel. Zij verwees de zaak terug naar de oppositieafdeling voor onder meer een volledige beoordeling van het bewijs van normaal gebruik en van de gestelde bekendheid van NOVARTIS. Het Gerecht stelt voorop dat de voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo cumulatief zijn en dat een verband in de perceptie van het relevante publiek een noodzakelijke voorwaarde voor toepassing van die bepaling vormt. Wat de waren betreft, corrigeert het Gerecht de Kamer van Beroep: babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen. Wat de bekendheid betreft, mocht de Kamer van Beroep voor haar beoordeling uitgaan van de voor Novartis gunstige aanname dat het oudere merk een solide of hoge reputatie genoot; het Gerecht stelt de bekendheid in deze procedure dus niet zelf feitelijk vast.

IEF 23869

Gerecht EU: artikel 8 lid 5 UMVo niet van toepassing wegens ontbreken van verband tussen DEVATIS en NOVARTIS

Gerecht EU (voorheen GvEA) 23 sep 2026, IEF 23869; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-artikel-8-lid-5-umvo-niet-van-toepassing-wegens-ontbreken-van-verband-tussen-devatis-en-novartis

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23869; IEFbe 4320; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich onder meer op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af, maar de Kamer van Beroep kwam tot het tegenovergestelde oordeel en achtte de cumulatieve voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo vervuld. Het Gerecht bevestigt dat NOVARTIS een hoge mate van bekendheid geniet in Duitsland en Frankrijk voor farmaceutische preparaten en stoffen. Ook onderschrijft het Gerecht dat DEVATIS en NOVARTIS visueel en fonetisch in geringe mate overeenstemmen en dat de begripsmatige vergelijking neutraal is. De Kamer van Beroep heeft de nabijheid van de betrokken waren echter te ruim beoordeeld. Babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen.

IEF 23871

N-ION moet octrooirechten en -aanvragen voor grounding-technologie overdragen aan SG Football

Rechtbank Amsterdam 23 sep 2026, IEF 23871; ECLI:NL:RBAMS:2026:9606 (SGH en SGF tegen NIS), https://www.ie-forum.nl/artikelen/n-ion-moet-octrooirechten-en-aanvragen-voor-grounding-technologie-overdragen-aan-sg-football

Rb. Amsterdam 23 september 2026, IEF 23871; ECLI:NL:RBAMS:2026:9606 (SGH en SGF tegen NIS). SG Holding en N-ION Sports Technology sloten op 11 juni 2025 een Joint Venture Agreement voor de gezamenlijke ontwikkeling, marketing en commerciële exploitatie van zogenoemde grounding-technologie. Op grond van die overeenkomst werd SG Football opgericht, waarin SG Holding 80% en N-ION 20% van de aandelen houdt. Artikel 11 van de overeenkomst verplicht N-ION om de voor de overeengekomen activiteiten relevante intellectuele eigendomsrechten zonder vergoeding aan SG Football over te dragen en mee te werken aan de formalisering daarvan. N-ION weigerde de overdracht nadat zij de overeenkomst buitengerechtelijk had vernietigd wegens dwaling en subsidiair bedrog. Zij stelde onder meer dat zij ervan was uitgegaan dat haar economische positie in de joint venture, waaronder een winstrecht van 40%, duurzaam zou blijven bestaan. De voorzieningenrechter acht echter onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens dwaling of bedrog. Daarbij speelt mee dat partijen in artikel 14.11 een beroep op vernietiging hebben uitgesloten en dat de regeling over de winstverdeling en de gevolgen van toetreding van nieuwe aandeelhouders onderwerp is geweest van onderhandelingen tussen professionele partijen die ieder door een advocaat werden bijgestaan. De overgelegde correspondentie biedt in dit kort geding, waarin geen ruimte bestaat voor nader feitenonderzoek, onvoldoende grond voor een voorlopig oordeel dat sprake is van dwaling in de zin van artikel 6:228 BW of bedrog in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW.

IEF 23868

A-G: kosten van EUIPO-nietigheidsprocedure vallen volgens bijzondere kostenregeling

HvJ EU 24 sep 2026, IEF 23868; ECLI:EU:C:2026:792 (Suzhou Anri Child Products), https://www.ie-forum.nl/artikelen/a-g-kosten-van-euipo-nietigheidsprocedure-vallen-volgens-bijzondere-kostenregeling

Conclusie AG HvJ EU 24 september 2026, IEF 23868; IEFbe 4319; ECLI:EU:C:2026:792 (Suzhou Anri Child Products). In zaak C-573/25 staat de vraag centraal of advocatenkosten die zijn gemaakt in nietigheidsprocedures bij het EUIPO kunnen worden betrokken bij de kostenbegroting van een afzonderlijke nationale procedure over een voorlopige maatregel. Cybex had bij het Landgericht Düsseldorf een voorlopige maatregel verkregen waarmee Suzhou werd verboden haar S63-kinderwagen in Duitsland aan te bieden, daarvoor reclame te maken, deze op de markt te brengen, in te voeren, uit te voeren of voor die doeleinden in bezit te hebben wegens gestelde inbreuk op twee ingeschreven Gemeenschapsmodellen van Cybex. Die maatregel werd later opgeheven. Cybex stelde hoger beroep in, maar trok dat vervolgens in, waarna zij in de kosten van de nationale procedure werd verwezen. Het Landgericht Düsseldorf begrootte die kosten op € 8.748,04. Parallel daaraan had Suzhou bij het EUIPO twee nietigheidsprocedures tegen de modellen van Cybex ingesteld. Suzhou wilde de daarmee gemoeide advocatenkosten eveneens in de nationale kostenbegroting betrekken, waardoor zij uitkwam op € 100.966,77. A-G Campos Sánchez-Bordona adviseert het Hof de hierover gestelde zevende tot en met negende prejudiciële vraag niet-ontvankelijk te verklaren. Omdat de EUIPO-procedures nog aanhangig zijn, staat nog niet vast welke partij daarin in het gelijk of ongelijk zal worden gesteld en dus evenmin wie de daar gemaakte kosten moet dragen. Bovendien heeft het hoofdgeding bij de Duitse rechter betrekking op de kosten van de nationale procedure over de voorlopige maatregel en niet op de afzonderlijke nietigheidsprocedures bij het EUIPO. Volgens de A-G zijn de betreffende prejudiciële vragen daarom niet relevant voor de beslechting van het hoofdgeding.

IEF 23867

Lidl maakt auteursrechtinbreuk op beschermde elementen van Birkenstock-sandalen

Rechtbank Gelderland 23 sep 2026, IEF 23867; ECLI:NL:RBGEL:2026:7234 (Birkenstock c.s. tegen Lidl c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/lidl-maakt-auteursrechtinbreuk-op-beschermde-elementen-van-birkenstock-sandalen

Rb. Gelderland 23 september 2026, IEF 23867; ECLI:NL:RBGEL:2026:7234 (Birkenstock c.s. tegen Lidl c.s.). Birkenstock beroept zich op auteursrechtelijke bescherming van het gemeenschappelijke ondergedeelte van haar sandalen en van de uppers van de modellen Madrid, Arizona, Florida, Boston en Gizeh. De rechtbank past daarbij het door het HvJ EU in Mio/Konektra [IEF 23142] verduidelijkte toetsingskader voor werken van toegepaste kunst toe. De rechter moet de concrete creatieve keuzes in de vormgeving identificeren; het enkele bestaan van ontwerpvrijheid of een esthetisch effect is onvoldoende. Van het ondergedeelte acht de rechtbank uitsluitend het hoogteverschil beschermd waardoor aan de achterzijde een wand wordt gevormd die naar de voorzijde in hoogte afloopt. De overige aangevoerde kenmerken zijn functioneel of technisch bepaald, dan wel onvoldoende creatief. Van de upper van de Madrid is alleen het verloop van een duidelijk zichtbare smallere strap van circa twee centimeter over een duidelijk zichtbare bredere band van circa vijf centimeter auteursrechtelijk beschermd. De uppers van de Arizona, Florida en Boston voldoen niet aan het oorspronkelijkheidsvereiste. Op de upper van de Gizeh kan Birkenstock evenmin auteursrecht inroepen: het daarop rustende auteursrecht is volgens de rechtbank op 21 december 1998 vervallen doordat na afloop van het toenmalige modelrecht geen tijdige instandhoudingsverklaring als bedoeld in de toen geldende BTMW is afgelegd.