IEF 23365
17 maart 2026
Artikel

Nieuw alumninetwerk voor de Master Intellectueel Eigendomsrecht, Innovatie en Technologie

 
IEF 23364
17 maart 2026
Uitspraak

ANP-vordering wegens online fotogebruik afgewezen bij gebrek aan onderbouwde rechthebbendheid

 
IEF 23354
17 maart 2026
Uitspraak

Gerecht vernietigt weigering van het merk BioTechUSA uitsluitend voor ‘verplaatsbare, gevulde apothekersdozen’

 
IEF 23365

Nieuw alumninetwerk voor de Master Intellectueel Eigendomsrecht, Innovatie en Technologie

Sinds kort is er een alumninetwerk opgericht voor de master Intellectueel Eigendomsrecht, Innovatie en Technologie van de Universiteit Utrecht!

Het doel van het alumninetwerk is om alumni en huidige studenten op een laagdrempelige en toegankelijke manier met elkaar in contact te brengen. Er is een LinkedIn-groep gecreëerd ter ondersteuning van dit initiatief. 

Via de LinkedIn-groep zullen wij activiteiten aankondigen en worden er updates en mijlpalen van alumni toegejuicht.

Wij nodigen alle alumni uit om de LinkedIn-groep te volgen en zich hierbij aan te sluiten!  

Meld je aan via: https://www.linkedin.com/groups/17234018/

IEF 23364

ANP-vordering wegens online fotogebruik afgewezen bij gebrek aan onderbouwde rechthebbendheid

Rechtbank Gelderland 4 mrt 2026, IEF 23364; ECLI:NL:RBGEL:2026:1937 (ANP tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/anp-vordering-wegens-online-fotogebruik-afgewezen-bij-gebrek-aan-onderbouwde-rechthebbendheid

Rb. Gelderland 4 maart 2026, IEF 23364; ECLI:NL:RBGEL:2026:1937 (ANP tegen [gedaagde]). In deze procedure vorderde ANP schadevergoeding van een ondernemer wegens het zonder toestemming gebruiken van een bijgesneden foto van lachgasflessen op de blogpagina van diens website, zonder bronvermelding. De foto was afkomstig uit de beeldbank van ANP, waar bij het betreffende beeld onder meer “Bron ANP”, “Rechten Editorial” en de naam van de fotograaf stonden vermeld; Permission Machine had namens ANP de vermeende inbreuk opgespoord en gedaagde in 2021 gesommeerd € 450 te betalen. Gedaagde voerde onder meer aan dat ANP niet had bewezen dat zij rechthebbende was of bevoegd was om namens de maker op te treden, dat geen sprake was van een relevante openbaarmaking dan wel dat een uitzondering van art. 15 Auteurswet gold, dat ANP geen schade had geleden en dat sprake was van rechtsverwerking. De kantonrechter verwerpt eerst het ontvankelijkheidsverweer: uit de overgelegde correspondentie bleek voldoende dat Rosmalen Gerechtsdeurwaarders gemachtigd was om namens ANP op te treden. Ook oordeelt de kantonrechter dat de foto auteursrechtelijk beschermd is, omdat ANP onweersproken heeft gesteld dat deze het resultaat is van creatieve keuzes van de fotograaf, onder meer ten aanzien van compositie, uitsnede, camerahoek en belichting; het feit dat vergelijkbare foto’s op internet te vinden zijn, doet aan dat oorspronkelijke karakter niet af.

IEF 23354

Gerecht vernietigt weigering van het merk BioTechUSA uitsluitend voor ‘verplaatsbare, gevulde apothekersdozen’

Gerecht EU (voorheen GvEA) 14 jan 2026, IEF 23354; ECLI:EU:T:2026:5 (Atlas Invest BV tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-vernietigt-weigering-van-het-merk-biotechusa-uitsluitend-voor-verplaatsbare-gevulde-apothekersdozen

Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23354; IEFbe 4131; ECLI:EU:T:2026:5 (Atlas Invest BV tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor het figuratieve Uniemerk BioTechUSA voor een groot aantal waren en diensten in de klassen 5, 29, 30, 32 en 35, met name voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen, dranken en detailhandels-, groothandels- en reclamediensten voor die producten. De examinator had de aanvraag gedeeltelijk geweigerd op grond van art. 7 lid 1, onder b en c, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo. De Vierde Kamer van Beroep handhaafde die weigering voor de betrokken waren en diensten, wees het beroep voor andere waren en diensten wél toe en verwees de zaak terug naar de examinator voor onderzoek van het beroep op verkregen onderscheidend vermogen door gebruik. Volgens de Kamer van Beroep was het woordelement “BioTechUSA” beschrijvend, omdat het door het Engelstalige relevante publiek onmiddellijk zou worden opgevat als een verwijzing naar biotechnologie (“biotech”) uit de Verenigde Staten (“USA”). Het teken bracht daarmee volgens de Kamer van Beroep de boodschap over dat de betrokken waren en diensten betrekking hebben op biotechnologie van Amerikaanse oorsprong of op in de Verenigde Staten ontwikkelde biotechnologie. Het Gerecht volgt dat oordeel grotendeels. Het stelt voorop dat voor toepassing van art. 7 lid 1, onder c, UMVo is vereist dat een teken een voldoende rechtstreeks en concreet verband heeft met de betrokken waren of diensten, zodat het relevante publiek daarin onmiddellijk en zonder verdere gedachte een beschrijving van die waren, diensten of een kenmerk daarvan ziet. Aan dat criterium is volgens het Gerecht voldaan voor vrijwel alle geweigerde waren en diensten, omdat voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen, dranken en de daarmee samenhangende handels- en reclamediensten kunnen zijn ontwikkeld op basis van biotechnologie of daarvan kunnen zijn afgeleid. Dat geldt ook voor producten als pindakaas, soep, melkdranken, koffie, thee, rijst, pasta, suiker, honing, specerijen, frisdranken en smoothies. De figuratieve vormgeving doet daar niet aan af, omdat die volgens het Gerecht niet meer inhoudt dan een banale stilering van het woordelement, zonder voldoende creatieve of originele grafische impact om het beschrijvende karakter weg te nemen. Ook eerdere EUIPO-inschrijvingen met “biotech” of zelfs een identiek teken kunnen Atlas Invest niet baten, omdat de rechtmatigheid van een beslissing moet worden beoordeeld aan de hand van de UMVo en niet aan de hand van eerdere beslissingspraktijk.

IEF 23353

Bewegingsmerk voor scharnierend voertuigraam terecht geweigerd wegens technisch bepaalde kenmerken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 14 jan 2026, IEF 23353; ECLI:EU:T:2026:9 (Kct GmbH & Co. KG tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/bewegingsmerk-voor-scharnierend-voertuigraam-terecht-geweigerd-wegens-technisch-bepaalde-kenmerken

Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23353; IEFbe 4130; ECLI:EU:T:2026:9 (Kct GmbH & Co. KG tegen EUIPO). In dit arrest stond de vraag centraal of een aangevraagd Uniemerk, bestaande uit een bewegingsmerk dat het openen en sluiten van een scharnierend voertuigraam weergeeft, kon worden ingeschreven voor “voertuigramen voor transportvoertuigen” in klasse 12. De examinator had de aanvraag aanvankelijk afgewezen wegens gebrek aan onderscheidend vermogen. De Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO verwierp het daartegen ingestelde beroep echter primair op een andere absolute weigeringsgrond, namelijk art. 7 lid 1, onder e, ii, UMVo: het teken zou uitsluitend bestaan uit een kenmerk van het product dat noodzakelijk is voor het bereiken van een technisch resultaat. Subsidiair oordeelde de Kamer van Beroep ook dat het teken onderscheidend vermogen miste in de zin van art. 7 lid 1, onder b, UMVo. Voor het Gerecht voerde Kct aan dat niet alleen de bewegingssequentie als geheel, maar ook andere elementen van het teken in aanmerking moesten worden genomen, zoals de zichtbare zwarte tussenstukken en de kleurverandering van delen van het binnenframe. Volgens Kct waren die elementen niet louter functioneel, maar althans deels decoratief of fantasievol. Het Gerecht stelt voorop dat bij toepassing van art. 7 lid 1, onder e, ii, UMVo eerst de wezenlijke kenmerken van het teken moeten worden vastgesteld en vervolgens moet worden beoordeeld of die kenmerken alle een technische functie vervullen. Die bepaling moet volgens vaste rechtspraak strikt worden toegepast, omdat zij beoogt te voorkomen dat het merkenrecht wordt gebruikt om een potentieel onbeperkt monopolie te verkrijgen op technische oplossingen of gebruikskenmerken van een product.

IEF 23366

Uitdrukkelijke toestemming moet expliciet blijken: geen ruimte voor impliciete instemming onder artikel 60, lid 3, UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 okt 2025, IEF 23366; ECLI:EU:T:2025:972 (Danger Group Co. Ltd tegen EUIPO en Carlos Heredia Casanella), https://www.ie-forum.nl/artikelen/uitdrukkelijke-toestemming-moet-expliciet-blijken-geen-ruimte-voor-impliciete-instemming-onder-artikel-60-lid-3-umvo

Gerecht EU 22 oktober 2025, IEF 23366; IEFbe 4141; ECLI:EU:T:2025:972 (Danger Group Co. Ltd tegen EUIPO en Carlos Heredia Casanella). In deze zaak stond vast dat het bestreden EU-beeldmerk Danger identiek was aan een ouder Spaans beeldmerk van de interveniënt en bovendien was ingeschreven voor dezelfde waren in de klassen 25 en 28. De nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep van het EUIPO hadden het merk daarom nietig verklaard op grond van artikel 60, lid 1, onder a, UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder a, UMVo. Voor het Gerecht bestreed Danger Group die dubbele identiteit van teken en waren niet. Het geschil beperkte zich daarom tot de vraag of de uitzondering van artikel 60, lid 3, UMVo toepassing kon vinden, dat wil zeggen of de houder van het oudere Spaanse merk uitdrukkelijk had ingestemd met de registratie van het latere Uniemerk. Danger Group voerde aan dat die toestemming kon worden afgeleid uit de rol van de interveniënt bij de aanvraag van het merk en uit de omstandigheden rond de registratie en overdracht ervan.

IEF 23363

Gerecht bevestigt nietigheid van het Uniemerk GEOGRAPHICAL NORWAY EXPEDITION wegens kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23363; ECLI:EU:T:2026:188 (SBG tegen EUIPO en VF International Sagl), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-nietigheid-van-het-uniemerk-geographical-norway-expedition-wegens-kwade-trouw

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23363; IEFbe 4140; ECLI:EU:T:2026:188 (SBG tegen EUIPO en VF International Sagl). In deze zaak staat de vraag centraal of het figuratieve Uniemerk GEOGRAPHICAL NORWAY EXPEDITION van Super Brand Licensing (SBG) terecht nietig was verklaard wegens kwade trouw bij de indiening van de merkaanvraag op 1 april 2011. Het Gerecht bevestigt het oordeel van de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO dat dit het geval was. Daarbij stelt het voorop dat voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b, van Verordening nr. 207/2009 beslissend is of uit objectieve, onderling samenhangende omstandigheden blijkt dat de aanvrager het merk niet heeft gedeponeerd om op loyale wijze aan de mededinging deel te nemen, maar om op oneerlijke wijze aan te haken bij de belangen van een derde of een merkrecht voor oneigenlijke doeleinden te verkrijgen. Het relevante tijdstip is het moment van depot, maar ook later gebruik van het bestreden merk mag als aanwijzing voor de oorspronkelijke bedoeling worden meegewogen. Tegen die achtergrond oordeelt het Gerecht dat het EUIPO terecht niet alleen acht heeft geslagen op het oudere ingeschreven merk van VF International, maar ook op het teken NAPAPIJRI geographic zoals dat reeds vóór 2011 daadwerkelijk op de markt werd gebruikt in combinatie met de Noorse vlag. Uit catalogi, advertenties, persartikelen, verkoopinformatie en eerdere rechterlijke beslissingen bleek voldoende dat dit teken al jarenlang commercieel succesvol en bekend was voor onder meer kleding, schoenen en tassen, en dat de rechtsvoorganger van SBG het bestaan en de marktpositie ervan kende of in elk geval niet kon negeren.

IEF 23361

Gerecht bevestigt weigering van 3D-merk voor kurkentrekker wegens technisch bepaalde vorm

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23361; ECLI:EU:T:2026:146 (Empreinte tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-3d-merk-voor-kurkentrekker-wegens-technisch-bepaalde-vorm

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23361; IEFbe 4138; ECLI:EU:T:2026:146 (Empreinte tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor een driedimensionaal Uniemerk bestaande uit de vorm van een kurkentrekker, aangevraagd voor “kurkentrekkers” in klasse 21. De examinator had aanvankelijk een bezwaar wegens gebrek aan onderscheidend vermogen opgeworpen, maar dat later laten vallen en vervangen door een weigering op grond van artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo, omdat het teken volgens hem uitsluitend bestond uit de vorm van het product die noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken. De Kamer van Beroep bevestigde die weigering. Voor het Gerecht vorderde Empreinte niet alleen vernietiging van de bestreden beslissing, maar ook een verklaring voor recht dat artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo niet van toepassing was en een bevel tot inschrijving van het merk. Het Gerecht verklaart zich voor die laatste twee vorderingen onbevoegd, omdat het in een beroep op grond van artikel 263 VWEU geen declaratoire uitspraken kan doen en evenmin bevelen aan EU-instellingen kan geven. Vervolgens verwerpt het Gerecht alle aangevoerde middelen. Het oordeelt allereerst dat de Kamer van Beroep haar beslissing voldoende heeft gemotiveerd in de zin van artikel 94, lid 1, UMVo. De Kamer van Beroep had de wezenlijke kenmerken van het teken geïdentificeerd als een onregelmatige ergonomische handgreep die de vorm van een handafdruk benadert, met uitsparingen voor de vingers en de duim, en een staaf die uitloopt in een spiraal. Daarnaast had zij duidelijk uiteengezet waarom die kenmerken beantwoorden aan de technische functie van het product, namelijk het verwijderen van een kurk uit een fles door het gereedschap vast te nemen, de metalen spiraal in de kurk te draaien en de kurk vervolgens verticaal uit de flessenhals te trekken. Dat Empreinte die beoordeling inhoudelijk bestrijdt, raakt volgens het Gerecht aan de materiële juistheid van de beslissing en niet aan de motiveringsplicht als zodanig.

IEF 23352

Font-trollen – auteursrecht op lettertypes?

Artikel geschreven door Patty de Leeuwe, Visser Schaap & Kreijger.

Steeds meer organisaties worden geconfronteerd met hoge claims voor vermeend ongeautoriseerd gebruik van lettertypes en fontbestanden. Terwijl lettertypen vanwege hun technische beperkingen zelden auteurs- rechtelijke bescherming genieten en fonts lang niet altijd origineel genoeg zijn, leidt onduidelijkheid bij gebruikers en ontwerpers toch regelmatig tot kostbare geschillen. Deze bijdrage schetst de juridische stand van zaken, de werkwijze van zogenoemde font-trollen en biedt praktische handvatten om claims effectief te beoordelen en te weerleggen.

We worden dagelijks zowel op papier als via het beeldscherm met tekst gebombardeerd, en hoe- wel dat vaak genoeg leidt tot controverse of erger, is dat doorgaans als gevolg van de inhoud. Toch is ook de vorm niet onbelangrijk. Zo draaide Marco Rubio, Minister van Buitenlandse Zaken van de VS, onlangs het besluit van zijn voorganger Anthony Blinken terug om de Times New Roman te vervangen voor de Calibri als stan- daardlettertype binnen het State Department: de achter- liggende inclusiviteitsbedoeling (de Calibri zou beter lees- baar zijn voor dyslectici) maakte dit een ‘woke’ initatief dat niet langer kon worden getolereerd. Een extreem voorbeeld, uiteraard. Toch is de vormgeving van tekst ook in normale tijden een bron van (potentieel kostbare) conflicten. Of beter: de auteursrechtelijke bescherming daarvan.

IEF 23351

Uitspraak ingezonden door Lila Qribi

Artificial neural networks in het octrooirecht: het Britse Supreme Court wijzigt de toets voor software-uitvindingen

Overig 11 feb 2026, IEF 23351; UKSC/2024/0131 ([Emotional Perception AI Ltd tegen Comptroller General of Patents, Designs and Trade Marks]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/artificial-neural-networks-in-het-octrooirecht-het-britse-supreme-court-wijzigt-de-toets-voor-software-uitvindingen

Het Britse Supreme Court heeft uitspraak gedaan in Emotional Perception AI Ltd v Comptroller General of Patents, Designs and Trade Marks. In deze zaak staat de vraag centraal of een artificial neural network (ANN) moet worden aangemerkt als een “computerprogramma” in de zin van artikel 1(2)(c) van de Patents Act 1977 en artikel 52(2) van het Europees Octrooiverdrag (EPC). Daarnaast bepaalt het Hof welke beoordelingsmethode moet worden toegepast bij computer-geïmplementeerde uitvindingen.

Het arrest is van belang voor de beoordeling van software- en AI-gerelateerde uitvindingen onder het Britse octrooirecht. Het Supreme Court spreekt zich voor het eerst expliciet uit over de positie van artificial neural networks binnen het octrooirecht en wijzigt daarbij de toets die in het Verenigd Koninkrijk bijna twintig jaar werd toegepast bij computer-geïmplementeerde uitvindingen.

IEF 23350

Uitspraak ingezonden door Fabian Swart, The Legal Group Advocaten.

Proceskosten in IE‑kort geding na onthoudingsverklaring: PetsPlace als in het ongelijk gestelde partij

Rechtbank Den Haag 10 mrt 2026, IEF 23350; C/09/697553 / KG ZA 26-30 (Petjoy c.s. tegen PetsPlace), https://www.ie-forum.nl/artikelen/proceskosten-in-ie-kort-geding-na-onthoudingsverklaring-petsplace-als-in-het-ongelijk-gestelde-partij

Rb. Den Haag 10 maart 2026, IEF 23350; C/09/697553 / KG ZA 26-30 (Petjoy c.s. tegen PetsPlace). In dit kort geding staan Pet Joy B.V., Pet Bros. Exclusive B.V. en hun aandeelhouder tegenover PetsPlace.com B.V. in een geschil dat oorspronkelijk draaide om merkinbreuk op IE-rechten van Petjoy c.s. PetsPlace heeft na dagvaarding, op 4 maart 2026, een onthoudingsverklaring getekend en de vermeende merkinbreuk gestaakt. Daarop heeft Petjoy c.s. bij akte van 6 maart 2026 haar eis gewijzigd en alle inhoudelijke IE‑vorderingen ingetrokken, waardoor uitsluitend nog een veroordeling van PetsPlace in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met wettelijke rente, werd gevorderd. PetsPlace vorderde op haar beurt afwijzing van deze proceskostenvordering, veroordeling van Petjoy c.s. in haar kosten, althans beperking van de aan Petjoy c.s. te vergoeden kosten tot het in de onthoudingsverklaring toegezegde bedrag van € 3.000. De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest HR 3 juni 2016, GIA/Wieland, en stelt vast dat sprake is van de situatie waarin de gedaagde na aanhangig maken van de zaak tegemoetkomt aan de vordering maar geen overeenstemming over kosten wordt bereikt; in zo’n geval kan de eiser de hoofdvorderingen intrekken en uitsluitend een kostenbeslissing vragen, waarbij de gedaagde als in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt. De rechter oordeelt dat Petjoy c.s. in deze situatie een (spoedeisend) belang heeft bij de proceskostenvordering, nu niet gevergd kan worden dat voor alleen de kosten een bodemprocedure wordt gestart, en merkt PetsPlace, die vrijwillig aan de oorspronkelijke vorderingen heeft voldaan, aan als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1019h Rv.