IEF 23481
16 april 2026
Uitspraak

Geen preventief publicatieverbod tegen Follow the Money bij voorgenomen, nog onbekende publicatie

 
IEF 23480
16 april 2026
Artikel

The Logo Trap: OnlyOffice's AGPLv3 gambit and what it means for free and open-source compliance

 
IEF 23479
16 april 2026
Artikel

AP vraagt input op handhavingsbeleid

 
IEF 23481

Uitspraak ingezonden door Otto Volgenant, Boekx

Geen preventief publicatieverbod tegen Follow the Money bij voorgenomen, nog onbekende publicatie

Rechtbank Amsterdam 13 apr 2026, IEF 23481; ECLI:NL:RBAMS:2026:3786 (Accuraat tegen FTM), https://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-preventief-publicatieverbod-tegen-follow-the-money-bij-voorgenomen-nog-onbekende-publicatie

Rb. Amsterdam 13 april 2026, IEF 23481; ECLI:NL:RBAMS:2026:3786 (Accuraat tegen FTM). In dit kort geding vorderde Accuraat Begeleid Wonen B.V. dat Follow the Money (FTM) zou worden verboden een voorgenomen artikel over haar te publiceren. De voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam wees die vordering af. Vooropgesteld werd dat toewijzing van die vordering een inbreuk zou maken op de vrijheid van FTM om zich als journalistiek medium kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend uit te laten over kwesties die in de publieke belangstelling staan. Zo’n beperking van de persvrijheid is alleen toelaatbaar als het belang van Accuraat om niet lichtvaardig te worden blootgesteld aan verdachtmakingen en onterechte aantasting van haar goede naam zwaarder weegt. De bijzonderheid in deze zaak was echter dat het ging om een voorgenomen publicatie, waarvan de inhoud nog niet vaststond. Een publicatieverbod vooraf komt neer op censuur en is in een democratische samenleving slechts in zeer uitzonderlijke gevallen mogelijk, namelijk wanneer publicatie tot onherstelbare schade zal leiden en die schade niet meer kan worden weggenomen door een maatregel achteraf, zoals rectificatie.

IEF 23480

Article written by Maurits Westerik, Coupry Lawyers & TU Delft.

The Logo Trap: OnlyOffice's AGPLv3 gambit and what it means for free and open-source compliance

If you are active in the field of IT law or software development, chances are you will be familiar with open source licensing, and specifically the General Public License (GPL) in its various iterations, GPLv1, GPLv2 and GPLv3, as well as closely-related licenses based on them, like the AGPL. It is one of the most ‘copyleft’ licenses in Free (as in Freedom, also clarified with th addition of ‘Libre’) Open Source Software, or F(L)OSS community. It is a wonderful legal document – yes, that is a thing: open source is a legal construct at heart, and brilliant one at that – and someone just tried to hack it...

IEF 23479

AP vraagt input op handhavingsbeleid

Om duidelijkheid te geven over de inzet van handhavingsinstrumenten, heeft de Autoriteit Persoonsgegevens (AP) een concepthandhavingsbeleid opgesteld. De AP nodigt alle experts, belanghebbenden en geïnteresseerden uit om hierop te reageren (uiterlijk 17 mei 2026). De reacties gebruikt de AP om het conceptbeleid waar nodig te verbeteren en verduidelijken. Dit kan via deze website.

IEF 23477

Ferrari-replica levert merkinbreuk en auteursrechtinbreuk op; slaafse nabootsing afgewezen wegens gebrek aan belang

Rechtbank Den Haag 8 apr 2026, IEF 23477; ECLI:NL:RBDHA:2026:8206 (Ferrari tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/ferrari-replica-levert-merkinbreuk-en-auteursrechtinbreuk-op-slaafse-nabootsing-afgewezen-wegens-gebrek-aan-belang

Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF 23477; ECLI:NL:RBDHA:2026:8206 (Ferrari tegen [gedaagde]). In deze bodemzaak oordeelt de rechtbank Den Haag dat [gedaagde], een Nederlandse autohandelaar en reparateur, met het aanbieden van een op een Toyota MR2 gebaseerde replica van een Ferrari F355 inbreuk heeft gemaakt op zowel de Uniemerken van Ferrari als op het auteursrecht op het ontwerp van de Ferrari F355. Het voertuig was via de eigen website en via Marktplaats aangeboden voor € 59.950 en werd in de advertenties uitdrukkelijk aangeduid als onder meer “Ferrari Turbo F355” en “replica Ferrari F355”; bovendien waren op het voertuig en in de advertenties Ferrari-tekens aangebracht. De rechtbank acht zich voor de merkrechtelijke vorderingen bevoegd voor de gehele Europese Unie, maar voor auteursrecht en slaafse nabootsing slechts voor Nederland. De merkinbreuk wordt aangenomen op grond van art. 9 lid 2 sub a UMVo, omdat [gedaagde] zonder toestemming tekens gebruikte die gelijk zijn aan Ferrari’s Uniemerken voor dezelfde waren, namelijk voertuigen. Dat [gedaagde] had aangeboden de Ferrari-tekens van het voertuig te verwijderen, doet daaraan niet af, omdat de reeds gepleegde inbreuk en de daardoor veroorzaakte schade daarmee niet ongedaan worden gemaakt en evenmin was toegezegd dat in de toekomst geen gelijkende of identieke Ferrari-tekens meer zouden worden gebruikt. Ook de auteursrechtelijke grondslag slaagt. Tussen partijen was niet in geschil dat de Ferrari F355 een auteursrechtelijk beschermd werk is en dat Ferrari rechthebbende is. De rechtbank past vervolgens het door het HvJ EU in Mio geformuleerde criterium toe en onderzoekt of oorspronkelijke creatieve elementen van de Ferrari F355 zonder toestemming zijn gebruikt en of juist die elementen op herkenbare wijze zijn overgenomen in het aangeboden voertuig. Daarbij zijn volgens de rechtbank niet beslissend of beide voertuigen dezelfde algemene visuele indruk wekken of hoe ruim de beschermingsomvang van de Ferrari F355 is. De rechtbank vergelijkt de voertuigen zoals die op de markt zijn gebracht en acht de combinatie van een lange, brede en omhooggerichte voorzijde, een naar achter gerichte cockpit, twee zijsteunen achter de cockpit, luchtinlaten in beide zijkanten en een opvallende horizontale bodyline rondom het voertuig auteursrechtelijk relevante trekken die in het aangeboden voertuig op herkenbare wijze zijn overgenomen. De door [gedaagde] aangevoerde verschillen, onder meer in motorkap, koplampen, grille, daklijn, interieur, motor, achterlichten, velgen, geluid en afwerking, doen daar volgens de rechtbank niet aan af, mede omdat een deel daarvan geen betrekking heeft op de externe vormgeving. De rechtbank concludeert daarom dat de buitenkant van het voertuig auteursrechtinbreuk oplevert. De vordering wegens slaafse nabootsing wordt afgewezen, niet omdat die grondslag inhoudelijk faalt, maar omdat Ferrari naast het toe te wijzen EU-wijde merkenverbod en het Nederlandse auteursrechtverbod onvoldoende zelfstandig belang heeft bij een aanvullend verbod op die grondslag.

IEF 23476

Het Gerecht oordeelt dat tussen CAMALEON EL NATURALISTA en El Naturalista geen verwarringsgevaar bestaat

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23476; ECLI:EU:T:2026:256 (Laboratorios ACPG, SA tegen EUIPO en Laboratorio de Cosmética Armonía, SA), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-camaleon-el-naturalista-en-el-naturalista-geen-verwarringsgevaar-bestaat

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23476; IEFbe 4191; ECLI:EU:T:2026:256 (Laboratorios ACPG, SA tegen EUIPO en Laboratorio de Cosmética Armonía, SA). Het Gerecht heeft het beroep van Laboratorios ACPG verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 26 november 2024 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde figuratieve Uniemerk CAMALEON EL NATURALISTA en het oudere figuratieve Uniemerk El Naturalista geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. De aanvraag betrof klasse 3-waren, namelijk parfumerie, etherische oliën, cosmetica, haarlotions, tandpasta, make-upproducten en cosmetische crèmes. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniemerk El Naturalista, eveneens onder meer ingeschreven voor klasse 3-waren, en voor dat oudere merk was normaal gebruik voor de betrokken klasse 3-producten aangetoond. De Kamer van Beroep had geoordeeld dat het relevante publiek bestond uit professionals en het algemene publiek in de Unie, dat het aandachtsniveau van het algemene publiek normaal was en dat de betrokken producten identiek waren. Voor het Gerecht voerde Laboratorios ACPG aan dat de Kamer van Beroep de onderscheidende en dominante bestanddelen, de mate van overeenstemming tussen de tekens, het intrinsieke onderscheidend vermogen van het oudere merk en de mogelijkheid dat het aangevraagde merk als variant of submerk van het oudere merk zou worden opgevat, onjuist had beoordeeld. Het Gerecht verduidelijkte bovendien dat het niet bevoegd was om, zoals subsidiair verzocht, zelf de inschrijving van het aangevraagde merk te weigeren, zodat dat onderdeel van het petitum wegens onbevoegdheid moest worden afgewezen.

IEF 23475

Het Gerecht oordeelt dat tussen Ibumax-Lysin en ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23475; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-ibumax-lysin-en-ibum-verwarringsgevaar-bestaat-in-de-zin-van-artikel-8-lid-1-onder-b-umvo

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23475, IEFbe 4190; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.). Het Gerecht heeft het beroep van Vitabalans verworpen en daarmee het besluit van de Eerste Kamer van Beroep van het EUIPO van 29 april 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Ibumax-Lysin en het oudere Poolse woordmerk ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vitabalans had Ibumax-Lysin aangevraagd voor “ibuprofen for use as an oral analgesic” in klasse 5, terwijl Hasco TM oppositie had ingesteld op basis van onder meer het oudere Poolse merk ibum, dat onder meer is ingeschreven voor farmaceutische producten en analgesica in klasse 5. Het Gerecht bevestigde allereerst dat de bijlagen A.6 tot en met A.8, die pas voor het eerst voor het Gerecht waren overgelegd, niet-ontvankelijk waren, omdat de rechtmatigheidstoetsing beperkt blijft tot het feitelijke en juridische kader dat voor de Kamer van Beroep bestond. Verder onderschreef het Gerecht dat het relevante publiek zich in Polen bevindt en bestaat uit zowel het algemene publiek als gezondheidsprofessionals, die bij farmaceutische producten een hoog aandachtsniveau hebben. Ook de warenvergelijking hield stand: “ibuprofen for use as an oral analgesic” valt binnen de ruimere categorieën “pharmaceutical products” en meer specifiek “analgesics” van het oudere merk, zodat de betrokken waren identiek zijn.

IEF 23469

Actualiteiten merken-, modellen- en auteursrecht op woensdag 22 april

Op woensdag 22 april 2026 organiseren we de voorjaarseditie van actualiteiten merken- modellen- en auteursrecht.

Blijf op de hoogte van de laatste ontwikkelingen op het gebied van productvormgeving, auteursrecht en merkenrecht, met Selmer Bergsma (De Brauw Blackstone Westbroek), Jesse Hofhuis (HOFHUIS) en Joris van Manen (HOYNG ROKH MONEGIER). In slechts drie uur tijd, tijdens de lunch, heeft u weer het complete overzicht.

IEF 23474

Het Gerecht oordeelt dat tussen Serosan en CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23474; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-serosan-en-clenosan-geen-verwarringsgevaar-bestaat

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23474; IEFbe 4189; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV). Het Gerecht heeft het beroep van Ionfarma verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 22 mei 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Serosan en het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vision Healthcare had Serosan aangevraagd voor een reeks waren in klasse 5, waaronder voedingssupplementen, kruidenpreparaten, vitaminen, sedativa, tonica, probiotica, eiwit- en enzymsupplementen en plantaardige extracten voor farmaceutische doeleinden. Ionfarma stelde oppositie in op basis van het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN voor “soaps, cosmetics” in klasse 3; op verzoek van Vision Healthcare leverde Ionfarma tevens bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De oppositieafdeling wees de oppositie af, waarna ook de Kamer van Beroep het beroep verwierp. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante territorium Spanje is en dat het relevante publiek bestaat uit afnemers van zowel de klasse 3-waren als de klasse 5-waren; voor de waren van het oudere merk geldt een gemiddeld aandachtsniveau en voor de gezondheidsgerelateerde waren van het aangevraagde merk een hoog aandachtsniveau, zodat het relevante aandachtsniveau varieert van gemiddeld tot hoog. Voor de vergelijking van de waren sloot het Gerecht zich aan bij de door de Kamer van Beroep uit proceseconomische redenen gekozen, voor Ionfarma meest gunstige aanname dat de betrokken waren identiek zijn, juist omdat de Kamer van Beroep de warenvergelijking niet inhoudelijk had uitgewerkt en het niet aan het Gerecht is om dat voor het eerst zelf te doen.

IEF 23473

Het Gerecht oordeelt dat tussen LEONHART en EL LEON voor het Spaanse publiek geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23473; ECLI:EU:T:2026:259 (Instanta sp. z o.o. tegen EUIPO en Heineken España, SA), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-leonhart-en-el-leon-voor-het-spaanse-publiek-geen-verwarringsgevaar-bestaat-in-de-zin-van-artikel-8-lid-1-onder-b-umvo

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23473; IEFbe 4188; ECLI:EU:T:2026:259 (Instanta sp. z o.o. tegen EUIPO en Heineken España, SA). In zijn arrest in zaak T-461/25 heeft het Gerecht het besluit van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 12 mei 2025 vernietigd en gewijzigd, omdat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk LEONHART en het oudere Spaanse figuratieve merk EL LEON geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Instanta had LEONHART aangevraagd voor waren in de klassen 30 en 32, waarna Heineken España oppositie instelde op basis van haar oudere Spaanse figuratieve merk EL LEON, dat onder meer was ingeschreven voor waren in klasse 32. De oppositieafdeling had de oppositie toegewezen en de Kamer van Beroep had het daartegen ingestelde beroep verworpen. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek als het professionele publiek in Spanje met een gemiddeld aandachtsniveau, en liet ook in stand dat de betrokken waren identiek dan wel gemiddeld soortgelijk zijn. Wel verklaarde het Gerecht het pas voor het eerst in beroep aangevoerde argument dat het element “hart” door het Spaanse publiek met het woord harto in verband zou kunnen worden gebracht, alsmede het daarbij overgelegde woordenboekuittreksel, niet-ontvankelijk, omdat dit betoog niet reeds voor de Kamer van Beroep was aangevoerd en dus buiten het feitelijke en juridische kader van het geding viel.

IEF 23472

HvJ EU: pastiche-exceptie is geen restcategorie; sampling kan eronder vallen bij een herkenbare artistieke of creatieve dialoog

HvJ EU 14 apr 2026, IEF 23472; ECLI:EU:C:2026:290 (CG en YN tegen Pelham GmbH, SD en OMHOOG), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-pastiche-exceptie-is-geen-restcategorie-sampling-kan-eronder-vallen-bij-een-herkenbare-artistieke-of-creatieve-dialoog

HvJ EU 14 april 2026, IEF 23472; 4187; ECLI:EU:C:2026:290 (CG en YN tegen Pelham GmbH, SD en OMHOOG). In dit arrest geeft het Hof van Justitie een autonome Unierechtelijke uitleg aan het begrip ‘pastiche’ in artikel 5, lid 3, onder k, van Richtlijn 2001/29, in het kader van de langlopende Pelham/Kraftwerk-zaak over de overname van een circa twee seconden durende ritmische sequentie uit Metall auf Metall in het nummer Nur mir. Het Hof stelt voorop dat de pastiche-exceptie geen vangnetbepaling is voor iedere vorm van creatief of artistiek gebruik van bestaand beschermd materiaal. Van een pastiche is slechts sprake bij creaties die aan een of meer bestaande werken herinneren, daarvan waarneembaar verschillen, en bepaalde auteursrechtelijk beschermde kenmerkende elementen van die werken gebruiken om met die werken een als zodanig herkenbare artistieke of creatieve dialoog aan te gaan. Die dialoog kan verschillende vormen aannemen, zoals een openlijke stijlnabootsing, een hommage of een humoristische of kritische confrontatie, maar het Hof benadrukt dat humor, bespotting, stijlnabootsing of eerbetoon geen noodzakelijke vereisten zijn. Tegelijk sluit het Hof uit dat verborgen imitatie of plagiaat onder de exceptie valt: het moet gaan om open en herkenbaar gebruik. Daarmee zoekt het Hof, in het licht van de doelstelling van Richtlijn 2001/29 en de artikelen 11, 13 en 17 van het Handvest, een rechtvaardig evenwicht tussen de bescherming van auteurs- en naburige rechten enerzijds en de vrijheid van meningsuiting en artistieke vrijheid anderzijds.