EU‑breed verstekvonnis bevestigt reikwijdte Uniemerkenbescherming voor Volkswagen
Rb Den Haag 11 februari 2026, IEF 23293; ECLI:NL:RBDHA:2026:1801 (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]). Volkswagen AG trad in deze procedure op tegen een in Nederland gevestigde onderneming die zonder toestemming auto-onderdelen met de bekende Volkswagen‑merken verhandelde, waaronder via onlinekanalen. De vorderingen waren gebaseerd op inbreuk op diverse Uniemerken van Volkswagen, waarbij de Rechtbank Den Haag zich als Uniemerkenrechter bevoegd achtte voor het gehele grondgebied van de EU, omdat gedaagde in Nederland is gevestigd. Gedaagde is niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend en de door Volkswagen gestelde feiten, waaronder de inbreuk en het commerciële karakter daarvan, als vaststaand zijn aangenomen. Volkswagen vorderde onder meer een EU‑breed verbod op verdere merkinbreuk, uitgebreide informatie over de herkomst, voorraden en afnemers van de inbreukmakende producten (met onderliggende documentatie), winstafdracht en aanvullende schadevergoeding, alsmede een dwangsom ter versterking van de bevelen.
Uitspraak ingezonden door Diederik Stols en Shaharzaad Said, Boekx.
Afstemmingsregel in kort geding: Sisley behoudt voorlopig merkinbreukverbod tegen B. Futurist
Hof Den Haag 10 februari 2026, IEF 23291; ECLI:NL:GHDHA:2026:128 (B. Futurist B.V. tegen c.f.e.b. Sisley). Het gerechtshof Den Haag heeft in kort geding in de IE‑zaak tussen merkhouder Sisley en parallelhandelaar B. Futurist de materiële beslissingen in eerste aanleg in stand gehouden. Aanleiding voor het geschil waren grootschalige aanbiedingen van Sisley‑producten door B. Futurist aan ongeveer 9.000 afnemers binnen de EER. Op 24 december 2024 heeft de voorzieningenrechter op grond van deze massa-aanbiedingen een voorlopig inbreukverbod opgelegd aan B. Futurist. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de vordering van Sisley tot inzage in het onder B. Futurist gelegde bewijsbeslag toegewezen. In de bodemprocedure heeft de rechtbank Den Haag op 4 juni 2025 een gelijkluidend inbreukverbod met nevenvorderingen toegewezen. Ook tegen dat vonnis is B. Futurist in hoger beroep gegaan. Dat hoger beroep loopt nog.
‘ProbioDefend’ vs ‘Defendyl’: Gerecht bevestigt verwarringsgevaar en onderscheidend karakter van het element ‘defend’
Gerecht EU 11 februari 2026, IEF 23289; ECLI:EU:T:2026:114 (Nutris We care about you, SL tegen Medis, farmacevtska družba, d.o.o en EUIPO). Deze zaak betreft een door Nutris op 20 oktober 2022 ingediende aanvraag tot inschrijving van het Uniewoord-/beeldmerk ‘ProbioDefend’ voor voedingssupplementen in klasse 5, waaronder probiotica en vitaminen. Tegen deze aanvraag werd oppositie ingesteld door de Sloveense onderneming Medis, farmacevtska družba, d.o.o., houder van het oudere Uniewoordmerk ‘Defendyl’ voor eveneens klasse 5-waren. Volgens Medis bestond er gevaar voor verwarring in de zin van artikel 8, lid 1, onder b, van de Uniemerkenverordening, omdat de betrokken waren identiek waren en de tekens visueel en fonetisch overeenstemden. De oppositie werd toegewezen door de Opposition Division en deze beslissing werd in hoger beroep bevestigd door de Kamer van Beroep van EUIPO. Daarop stelde Nutris beroep in bij het Gerecht en vorderde vernietiging van de beslissing, toelating van de merkregistratie en veroordeling van EUIPO in de kosten.
Oppositie na Brexit: oudere Britse rechten blijven relevant bij ‘APE TEES’
HvJ EU 5 februari 2026, IEF 23290; ECLI:EU:C:2026:71 (EUIPO tegen Nowhere Co. Ltd). In deze zaak staat het geschil tussen de EUIPO en Nowhere Co. Ltd. centraal over de weigering van inschrijving van het Uniemerk ‘APE TEES’. Tegen de merkaanvraag was oppositie ingesteld op basis van oudere, niet-geregistreerde rechten uit het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Uniemerkenverordening. Nadat de oppositie was aanvaard, vernietigde het Gerecht van de Europese Unie de beslissing van de kamer van beroep van EUIPO. Het Gerecht oordeelde dat, gelet op het terugtreden van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en het einde van de overgangsperiode, de betrokken Britse rechten niet langer relevant waren voor de beoordeling van de oppositie [IEF 22907]. EUIPO stelt hogere voorziening in bij het Hof van Justitie van de Europese Unie en vordert vernietiging van het arrest van het Gerecht, stellende dat het Gerecht een onjuiste rechtsopvatting hanteert omtrent het relevante tijdstip waarop het bestaan en de bescherming van oudere rechten moeten worden beoordeeld.
Complementariteit in smart‑homeproducten: Gerecht versterkt bescherming van het oudere merk ATHOM tegen ‘athom Smart Home’
Gerecht EU 11 februari 2026, IEF 23288; ECLI:EU:T:2026:119 (Athom Holding BV tegen Chuhaiya E-Commerce (Shenzhen) Co. Ltd en EUIPO). In juni 2022 diende Chuhaiya E-Commerce (Shenzhen) Co. Ltd een aanvraag in bij het EU-merkbureau EUIPO voor een Europese Unie-beeldmerkregistratie ‘athom Smart Home’ die onder meer elektrische plugs, elektrische sockets, elektrische adapters, inductoren, circuit breakers, lichtbollen en guirlandes omvatte. Athom Holding BV, een Nederlandse onderneming, was eigenaar van een eerder internationaal woordmerk “ATHOM” dat onder meer betrekking had op software en apparatuur voor smart home/apparaatautomatisering. Athom voerde oppositie aan tegen de merkregistratie bij EUIPO op grond van artikel 8(1)(b) van Verordening (EU) 2017/1001, stellende dat er sprake was van verwarringsgevaar tussen het aangevraagde merk en het oudere merk door identieke of gelijkaardige goederen. De oppositie werd door de oppositieafdeling deels toegelaten maar afgewezen voor een aantal goederen, en de Board of Appeal van EUIPO handhaafde dat oordeel deels op 3 oktober 2024, oordelend dat vooral de goederen als generieke elektrische componenten geen nauwe relatie hadden met de goederen/diensten van het oudere merk. Tegen die beslissing startte Athom op 3 december 2024 een beroep bij het Gerecht krachtens artikel 263 VWEU, gevorderd dat het Gerecht de beslissing wijzigt door de oppositie volledig toe te wijzen en de registratie van het merk ‘athom Smart Home’ af te wijzen voor de betwiste goederen, en dat EUIPO wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.
Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026: tot 1 maart met vroegboekkorting
Tegenwoordig bestellen we (bijna) alles via internet. Iedereen die dat wel eens heeft gedaan, kent de kortingsacties die gegeven worden. Van een countdown-timer tot een rad van fortuin: platforms zetten alles in om consumenten te laten klikken en kopen. De digitale wereld is voor consumenten hierdoor niet altijd overzichtelijk. Ook voor juristen is niet alles helder, vooral op de grijze gebieden. Via deceptive interface design ontstaat er een oneerlijke handelspraktijk. Wat betekent dit voor consumenten, retailers, e-tailers, platforms en influencers als dit wordt vastgesteld?
Tijdens ons seminar over consumentenrecht in de digitale sector bespreken we deze onderwerpen. We gaan in op de (omgekeerde) bewijslast in het eerste jaar, op slimme verzekeringen, garanties en andere zogenoemde dark patterns. Wanneer beschermt het consumentenrecht echt, wanneer zit je in het reclamerecht en wanneer blijkt het toch vooral een sigaar uit eigen doos? Tot slot bespreken we de nieuwste EDPB-richtlijnen over de wisselwerking tussen GDPR en DSA, en wat die concreet betekenen voor de praktijk.
HvJ EU over art. 102 VWEU: Onbillijke licentievoorwaarden van collectieve beheersorganisatie bij hotelvergoedingen
HvJ EU 18 december 2025, IEF 23287; IEFbe 4109; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže). De zaak betreft de Tsjechische collectieve beheersorganisatie OSA, die auteursrechten exploiteert voor onder meer hotels en andere accommodaties met televisies op de kamers. De Tsjechische mededingingsautoriteit Úřad pro ochranu hospodářské soutěže (ÚOHS) stelde in 2019 vast dat OSA haar machtspositie misbruikte op de markt voor het verlenen van licenties aan dergelijke accommodatieverstrekkers. OSA hanteerde in haar standaardlicenties een minimumvergoeding die geen rekening hield met de werkelijke bezettingsgraad of het daadwerkelijke gebruik en was bovendien onvoldoende transparant over de berekeningswijze en aanpassingsmogelijkheden. Dit werd gekwalificeerd als het opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden in de zin van artikel 102, onder a), VWEU. OSA kreeg een boete van 10 676 000 CZK en een gedragsverbod opgelegd. In beroep voerde OSA aan dat haar tarieven niet buitensporig waren en dat misbruik alleen via de toets voor excessieve prijzen (zoals ontwikkeld in onder meer United Brands, AKKA/LAA en SABAM) kon worden vastgesteld. De ÚOHS stelde daartegenover dat het zwaartepunt lag bij de onbillijkheid van de contractvoorwaarden, waardoor geen volledige excess-pricing-analyse vereist was.
Politieke satire en reputatiebescherming: EHRM over de grenzen van art. 10 EVRM
EHRM 13 januari 2026, IEF 23286; IEF 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2)). In de zaak Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2) stond de vraag centraal of de veroordeling van de uitgever van het Sloveense weekblad Mladina wegens een satirische publicatie in strijd was met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). De uitgever had in 2011 in de satirische rubriek “Mladinamit” een foto van de bekende Sloveense politicus B.G. met zijn gezin naast een foto van Joseph Goebbels met diens gezin geplaatst. De publicatie vond plaats tegen de achtergrond van een publiek debat waarin B.G. op sociale media met Goebbels was vergeleken. In hetzelfde nummer verscheen een redactioneel stuk waarin parallellen werden getrokken tussen de politieke methoden van B.G.’s partij en die van de nazi-propaganda. B.G. stelde dat de vergelijking, mede gezien de historische connotaties van Goebbels en diens betrokkenheid bij het naziregime, zijn eer en goede naam had aangetast en vorderde schadevergoeding, publicatie van het vonnis en een verontschuldiging. De uitgever voerde aan dat het ging om politieke satire gericht op B.G. als publiek figuur, dat de foto van zijn gezin op een openbare religieuze bijeenkomst was genomen en dat de vergelijking betrekking had op politieke methoden, niet op zijn privéleven of zijn gezin als zodanig. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat met name de visuele vergelijking van de gezinsfoto’s een ontoelaatbare inbreuk vormde. Uiteindelijk werd de uitgever verplicht een verontschuldiging te publiceren en een (na matiging) schadevergoeding van € 3.000 te betalen. Het Sloveense Constitutionele Hof achtte de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op reputatie correct uitgevoerd.
Geen merkinbreuk of handelsnaaminbreuk door “Partij met Lef!
Rb. Rotterdam 30 januari 2026, IEF 23284; ECLI:NL:RBROT:2026:857 (LEF tegen Groep de Rijke). In dit kort geding vordert politieke partij LEF dat Groep de Rijke het gebruik van de naam “Partij met Lef!” staakt wegens inbreuk op haar Benelux-beeldmerk, (spoedgeregistreerde) woordmerk “LEF” en handelsnaam, dan wel wegens onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Bij vergelijking van het volledige geregistreerde beeldmerk van LEF met de door Groep de Rijke gebruikte logo’s ontbreekt voldoende visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming; de verschillen in kleur, typografie, aanvullende woorden (“Partij met”) en grafische elementen maken dat geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van art. 2.20 lid 2 sub b BVIE. Aan het subsidiaire beroep wordt niet toegekomen. Ten aanzien van het woordmerk “LEF” kan in kort geding niet worden vooruitgelopen op de definitieve registratie. Ook van handelsnaaminbreuk (art. 5 en 5a Hnw) is voorshands geen sprake: het enkele gedeelde gebruik van het woord “lef” is, gelet op de totaalindruk en de context, onvoldoende voor verwarringsgevaar. Daarmee is ook onrechtmatig handelen niet aannemelijk.
Laatste week vroegboekkorting voor Duurzaamheid & Recht op 26 maart 2026
Steeds meer organisaties maken duurzaamheid tot kern van hun strategie. Maar wat betekent dat juridisch? Tijdens het congres Duurzaamheid & Recht gaan juristen, beleidsmakers en organisaties met elkaar in gesprek over de rol van duurzaamheid in het intellectuele eigendom- en reclamerecht. Onder leiding van onze dagvoorzitters, Jellien Roelofs (Lasting Legal) en Anne-Fleur Filemon (Hogeschool Leiden), bespreken we belangrijkste duurzaamheidsontwikkelingen en gaan we in op een paar interessante thema's.
Roos van der Poel (Greenpeace International) neemt ons mee in de praktijk bij Greenpeace International. Daarna gaat Edwin van der Velde (Simmons & Simmons) in op Alternatieven voor de vordering tot vernietiging en de proportionaliteit van andere IE-vorderingen. De actualiteiten worden zoals altijd besproken door Roelofs en Filmon.
Daarna geeft Tommi Palumbo (Autoriteit Consument & Markt) een update over het toezicht van de ACM op het gebied van duurzaamheid van het afgelopen jaar en geeft een blik op de toekomst. Hij zal stil staan bij relevante toezichtacties op het gebied van duurzaamheid en geeft inzicht in hoe de ACM het toezicht op de Richtlijn Empowering Consumers for the Green Transition verwacht te gaan inrichten en welke prioriteiten de ACM de komende tijd zal stellen. We sluiten af met een bijdrage van Claire van den Broek (True Price) die laat zien zien waar True Pricing vandaag de dag staat en hoe het zich ontwikkelt van concept naar concrete toepassingen.
Aanmelden met vroegboekkorting kan tot en met 15 februari aanstaande.



























































































