Gerecht bevestigt weigering van het Uniewoordmerk CRYPTOSTAMP wegens beschrijvend karakter
Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23362; IEFbe 4139; ECLI:EU:T:2026:11 (Variuscard Produktions – und Handels GmbH tegen EUIPO). In het arrest beoordeelt het Gerecht de weigering van het woordmerk CRYPTOSTAMP voor goederen en diensten in de klassen 9, 16, 36 en 42, waaronder elektronische postzegels, geïntegreerde circuitpostzegels, postzegelalbums, vouchers, blockchaingerelateerde financiële diensten en software- en platformdiensten. De examinator had de aanvraag afgewezen op grond van artikel 7, lid 1, onder b en c, van Verordening (EU) 2017/1001, en de Tweede Kamer van Beroep had die weigering bevestigd. De Kamer van Beroep baseerde haar beoordeling op het Engelstalige publiek in onder meer Ierland, Cyprus en Malta. Zij oordeelde dat het relevante publiek het teken CRYPTOSTAMP zou begrijpen als de combinatie van het voorvoegsel “crypto”, in de betekenis van versleuteld of cryptografisch, en het woord “stamp”, onder meer in de betekenis van postzegel. Volgens de Kamer van Beroep zou het merk daarom worden opgevat als een “encrypted stamp” of “cryptographic stamp”, en had het een voldoende direct en concreet verband met de betrokken goederen en diensten. Voor sommige goederen, zoals elektronische postzegels en geïntegreerde circuitpostzegels, wees het teken volgens haar rechtstreeks op de aard van de goederen. Voor andere goederen, zoals postzegelhouders, albums, vouchers, gedrukte documenten en ruilkaarten, kon het teken wijzen op hun bestemming of op hun relatie met cryptografische postzegels. Voor de diensten in de klassen 36 en 42 kon het merk volgens de Kamer van Beroep eveneens beschrijven dat deze betrekking hadden op cryptografische postzegels, digitale tweelingen, NFT’s, blockchaintransacties of de technische verwerking daarvan.
Ecovacs/Roborock: schending informatieplicht bij ex parte inspectie
UPC CoA 16 maart 2026, IEF 23372; UPC-COA-0000003/2026 (Ecovacs Robotics Co., Ltd. tegen Roborock (HK) Limited). Ecovacs Robotics, houdster van Europees octrooi EP 3 808 512 voor onder meer een methode voor lokalisering van een robot, vroeg bij de Local Division Düsseldorf van de Unified Patent Court om een ex parte inspectie- en bewijsbeslag op robotstofzuigers van Roborock (o.a. Roborock Saros 10, S8 Max V Ultra, QV 35A) op de IFA 2025 in Berlijn. De Local Division wees dit verzoek op 4 september 2025 toe zonder Roborock te horen, omdat de apparaten klein zijn en gemakkelijk verplaatst of door software-updates gewijzigd kunnen worden, en omdat Ecovacs had gesteld dat zij anders geen mogelijkheid had om bewijs te verkrijgen tegen Roborock, dat vanuit Hongkong opereert. De order verplichtte Roborock de apparaten aan een deskundige af te geven, inclusief het verstrekken van wachtwoorden, liet toe dat deze zo nodig ter plekke in beslag werden genomen en elders werden onderzocht, en omvatte ook inzage in documenten en digitale data; de deskundige moest binnen vier weken een beschrijving aan de rechtbank sturen, onder vertrouwelijkheid en geheimhouding. De inspectie vond op 7 september 2025 plaats, met rapport op 15 oktober 2025. Roborock vroeg vervolgens om herziening. De Local Division vernietigde op 19 december 2025 de inspectieorder volledig, behalve de vertrouwelijkheids- en geheimhoudingsverplichtingen, en legde alle kosten van de inspectie en het deskundigenrapport bij Ecovacs, omdat Ecovacs bij het ex parte verzoek haar op grond van Rule 192.3 RoP bestaande plicht tot volledige en juiste feitenpresentatie had geschonden. Ecovacs had in het verzoek gesuggereerd dat de IFA de enige mogelijkheid was om bewijs tegen Roborock te verkrijgen en dat Roborock geen eigen vestiging in Europa had en via dochterondernemingen distribueerde, terwijl zij al vóór het verzoek wist, en in een vrijwel gelijktijdig aanhangig gemaakte inbreukprocedure had gesteld en met een Amazon‑screenshot onderbouwd, dat Roborock zelf rechtstreeks aan Duitse klanten via Amazon verkocht en dat een andere groepsmaatschappij als fabrikant op de documentatie stond; eerdere testen van de apparaten waren bovendien al uitgevoerd.
Artikel ingezonden door Dirk Visser.
Podcast Dirk Visser - Auteursrecht, AI en de vraag van wie creativiteit eigenlijk is
Hij gooit KitKats door de zaal. Studenten nemen Audi-grilles mee naar college. En hij droomt van een Mitsubishi-voorkant.
Zo ziet intellectueel eigendomsrecht eruit als je het met passie doceert.
Dirk Visser. Hoogleraar in Leiden. Partner bij Visser Schaap & Kreijger. En winnaar van de Gouden Peer IE 2025 van Mr. Magazine Online.
Als je hem in één woord moet omschrijven: enthousiasme. In deze aflevering van Jong Juridisch ontdek je waar dat vandaan komt. En waarom het er nu meer toe doet dan ooit.
Normaal gebruik en verwarringsgevaar tussen AOURA en AURA LOEWE
Gerecht EU 18 maart 2026, IEF 23371; ECLI:EU:T:2026:193 (Debonair Trading Internacional Lda. (Zona Franca da Madeira) tegen EUIPO en Loewe SA). Debonair Trading vraagt inschrijving van het Uniewoordmerk AOURA voor parfumerie en aanverwante cosmetische producten in klasse 3, waartegen Loewe oppositie instelt op basis van haar oudere Uniewoordmerk AURA LOEWE voor “perfumery, cosmetics”. De oppositiedivisie acht normaal gebruik van AURA LOEWE in de periode 26 maart 2016–25 maart 2021 bewezen en wijst de oppositie toe voor alle betrokken waren. Debonair gaat tevergeefs in beroep bij de kamer van beroep en vordert vervolgens bij het Gerecht vernietiging van de beslissing (inclusief de kostenbeslissingen) en vergoeding van haar kosten. Het Gerecht verklaart de globale verwijzing naar de bij EUIPO ingenomen stellingen niet‑ontvankelijk, omdat een beroep zelfstandig de wezenlijke middelen moet bevatten. Inhoudelijk beroept Debonair zich op twee middelen: schending van artikel 47 UMVo (onterecht aanvaarden van het gebruiksbewijs) en artikel 8 lid 1 onder b UMVo (geen verwarringsgevaar). Ten aanzien van artikel 47 bevestigt het Gerecht de gebruiksnorm en oordeelt het dat gebruik van een rebranded variant, waarin LOEWE groter boven AURA staat, een toelaatbare afwijking is die het onderscheidende karakter van het woordmerk AURA LOEWE niet wijzigt. Het bewijs moet globaal worden beoordeeld: persknipsels en social‑mediastukken met mindere kwaliteit kunnen worden ondersteund door onder meer website‑uittreksels, facturen en advertenties; ongedateerde stukken en stukken net buiten de relevante periode mogen meewegen om continuïteit te staven. Dat sommige bewijsstukken geen bronvermelding hebben of producten “out of stock” of met korting tonen, doet aan de vaststelling van normaal gebruik voor parfumeriewaren in klasse 3 niet af. Het eerste middel wordt volledig verworpen.
Gerecht bevestigt weigering van het merk DEINS wegens gebrek aan onderscheidend vermogen
Gerecht EU 21 januari 2026, IEF 23356; IEFbe 4133; ECLI:EU:T:2026:38 (HTG GmbH tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor het woordmerk DEINS voor diverse waren en diensten in de klassen 10, 20, 24, 25, 27 en 35, waaronder medische steunkousen, meubels, textiel, kleding, vloerbedekkingen en detailhandelsdiensten voor die producten. De examinator had de aanvraag geweigerd op grond van art. 7 lid 1, onder b, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo, en de Vijfde Kamer van Beroep had die weigering bevestigd. Het Gerecht laat die beslissing in stand. Het stelt voorop dat onderscheidend vermogen ontbreekt wanneer het relevante publiek het teken niet als aanduiding van commerciële herkomst opvat, maar slechts als een promotionele of informatieve boodschap. Het relevante publiek bestaat hier uit zowel het grote publiek als professionals, waarbij voor de beoordeling met name is gekeken naar het Duitstalige publiek in Duitsland en Oostenrijk. Volgens het Gerecht zal dat publiek het woord DEINS onmiddellijk begrijpen als een informele vorm van “deines”, dus als een bezittelijk voornaamwoord in de betekenis van “van jou”. In de context van de betrokken waren en diensten zal dat woord uitsluitend worden opgevat als een eenvoudige wervende boodschap, bijvoorbeeld dat het product of de dienst voor de consument bestemd is, bij hem past of op zijn behoeften is afgestemd. Het teken mist daarom de originaliteit, pregnantie en interpretatieve inspanning die nodig zijn om, naast die promotionele functie, ook als merk te kunnen functioneren.
Gerecht bevestigt normaal gebruik van het woordmerk Genussländer voor kaas
Gerecht EU 28 januari 2026, IEF 23355; IEFbe 4132; ECLI:EU:T:2026:49 (Land Oberösterreich (Oostenrijk) tegen EUIPO Norma Lebensmittelfilialbetrieb Stiftung & Co. KG). In dit arrest staat een vervallenverklaringsprocedure centraal tegen het Uniewoordmerk Genussländer, dat onder meer was ingeschreven voor kaas in klasse 29. Land Oberösterreich had vervallenverklaring gevorderd op grond van art. 58 lid 1, onder a, UMVo wegens gebrek aan normaal gebruik. De annuleringsafdeling had het merk voor alle betrokken waren vervallen verklaard, behalve voor kaas, en de Kamer van Beroep had dat oordeel bevestigd. Voor het Gerecht voerde verzoeker aan dat Genussländer niet als merk, maar als aanduiding van een kaassoort werd gebruikt, en dat bovendien onvoldoende bewijs van normaal gebruik was geleverd. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Het stelt voorop dat een ingeschreven merk ten minste een minimum aan onderscheidend vermogen heeft en daarom niet zonder meer als soortaanduiding kan worden aangemerkt. Uit de overgelegde etiketten en verpakkingen blijkt volgens het Gerecht dat Genussländer daadwerkelijk als merk is gebruikt. Dat het teken op de verpakking samen voorkwam met Leckerrom, doet daaraan niet af: het relevante publiek zal die tekens opvatten als naast elkaar gebruikte, zelfstandige tekens, waarbij Genussländer eventueel als ondermerk fungeert. Ook de aanvullende afbeeldingen en beschrijvende vermeldingen op de verpakking tasten het onderscheidend vermogen van het ingeschreven merk niet aan. Daarmee is voldaan aan art. 18 lid 1, onder a, UMVo: het merk is gebruikt in een vorm die slechts afwijkt zonder dat het onderscheidend vermogen wordt gewijzigd.
Neoperl / EUIPO: tastbaar positiemerk voor sanitair inzetstuk mist onderscheidend vermogen
Gerecht EU 17 december 2026, IEF 23367; IEFbe 4142; ECLI:EU:T:2025:1120 (Neoperl AG tegen EUIPO). In deze zaak ging het om een Uniemerkaanvraag van Neoperl voor een zogenoemd tastbaar positiemerk, bestaande uit concentrische, elastische, cirkelvormige lamellen aan het uiteinde van een cilindrisch sanitair inzetstuk voor waterafvoer, bestemd voor waren in klasse 11, zoals straalregelaars en straalvormers. De Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO had geoordeeld dat dit teken onderscheidend vermogen miste in de zin van artikel 7, lid 1, onder b), van verordening nr. 207/2009. Nadat het Gerecht die beslissing aanvankelijk had vernietigd, vernietigde het Hof van Justitie dat arrest in hogere voorziening en verwees het de zaak terug. In de verwijzingsprocedure moest het Gerecht nog oordelen over de beoordeling van het onderscheidend vermogen, de motiveringsplicht van artikel 94, lid 1, van verordening 2017/1001, en de verplichting tot ambtshalve onderzoek van de feiten van artikel 95, lid 1, van die verordening.
Nieuw alumninetwerk voor de Master Intellectueel Eigendomsrecht, Innovatie en Technologie
Sinds kort is er een alumninetwerk opgericht voor de master Intellectueel Eigendomsrecht, Innovatie en Technologie van de Universiteit Utrecht!
Het doel van het alumninetwerk is om alumni en huidige studenten op een laagdrempelige en toegankelijke manier met elkaar in contact te brengen. Er is een LinkedIn-groep gecreëerd ter ondersteuning van dit initiatief.
Via de LinkedIn-groep zullen wij activiteiten aankondigen en worden er updates en mijlpalen van alumni toegejuicht.
Wij nodigen alle alumni uit om de LinkedIn-groep te volgen en zich hierbij aan te sluiten!
Meld je aan via: https://www.linkedin.com/groups/17234018/
ANP-vordering wegens online fotogebruik afgewezen bij gebrek aan onderbouwde rechthebbendheid
Rb. Gelderland 4 maart 2026, IEF 23364; ECLI:NL:RBGEL:2026:1937 (ANP tegen [gedaagde]). In deze procedure vorderde ANP schadevergoeding van een ondernemer wegens het zonder toestemming gebruiken van een bijgesneden foto van lachgasflessen op de blogpagina van diens website, zonder bronvermelding. De foto was afkomstig uit de beeldbank van ANP, waar bij het betreffende beeld onder meer “Bron ANP”, “Rechten Editorial” en de naam van de fotograaf stonden vermeld; Permission Machine had namens ANP de vermeende inbreuk opgespoord en gedaagde in 2021 gesommeerd € 450 te betalen. Gedaagde voerde onder meer aan dat ANP niet had bewezen dat zij rechthebbende was of bevoegd was om namens de maker op te treden, dat geen sprake was van een relevante openbaarmaking dan wel dat een uitzondering van art. 15 Auteurswet gold, dat ANP geen schade had geleden en dat sprake was van rechtsverwerking. De kantonrechter verwerpt eerst het ontvankelijkheidsverweer: uit de overgelegde correspondentie bleek voldoende dat Rosmalen Gerechtsdeurwaarders gemachtigd was om namens ANP op te treden. Ook oordeelt de kantonrechter dat de foto auteursrechtelijk beschermd is, omdat ANP onweersproken heeft gesteld dat deze het resultaat is van creatieve keuzes van de fotograaf, onder meer ten aanzien van compositie, uitsnede, camerahoek en belichting; het feit dat vergelijkbare foto’s op internet te vinden zijn, doet aan dat oorspronkelijke karakter niet af.
Gerecht vernietigt weigering van het merk BioTechUSA uitsluitend voor ‘verplaatsbare, gevulde apothekersdozen’
Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23354; IEFbe 4131; ECLI:EU:T:2026:5 (Atlas Invest BV tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor het figuratieve Uniemerk BioTechUSA voor een groot aantal waren en diensten in de klassen 5, 29, 30, 32 en 35, met name voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen, dranken en detailhandels-, groothandels- en reclamediensten voor die producten. De examinator had de aanvraag gedeeltelijk geweigerd op grond van art. 7 lid 1, onder b en c, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo. De Vierde Kamer van Beroep handhaafde die weigering voor de betrokken waren en diensten, wees het beroep voor andere waren en diensten wél toe en verwees de zaak terug naar de examinator voor onderzoek van het beroep op verkregen onderscheidend vermogen door gebruik. Volgens de Kamer van Beroep was het woordelement “BioTechUSA” beschrijvend, omdat het door het Engelstalige relevante publiek onmiddellijk zou worden opgevat als een verwijzing naar biotechnologie (“biotech”) uit de Verenigde Staten (“USA”). Het teken bracht daarmee volgens de Kamer van Beroep de boodschap over dat de betrokken waren en diensten betrekking hebben op biotechnologie van Amerikaanse oorsprong of op in de Verenigde Staten ontwikkelde biotechnologie. Het Gerecht volgt dat oordeel grotendeels. Het stelt voorop dat voor toepassing van art. 7 lid 1, onder c, UMVo is vereist dat een teken een voldoende rechtstreeks en concreet verband heeft met de betrokken waren of diensten, zodat het relevante publiek daarin onmiddellijk en zonder verdere gedachte een beschrijving van die waren, diensten of een kenmerk daarvan ziet. Aan dat criterium is volgens het Gerecht voldaan voor vrijwel alle geweigerde waren en diensten, omdat voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen, dranken en de daarmee samenhangende handels- en reclamediensten kunnen zijn ontwikkeld op basis van biotechnologie of daarvan kunnen zijn afgeleid. Dat geldt ook voor producten als pindakaas, soep, melkdranken, koffie, thee, rijst, pasta, suiker, honing, specerijen, frisdranken en smoothies. De figuratieve vormgeving doet daar niet aan af, omdat die volgens het Gerecht niet meer inhoudt dan een banale stilering van het woordelement, zonder voldoende creatieve of originele grafische impact om het beschrijvende karakter weg te nemen. Ook eerdere EUIPO-inschrijvingen met “biotech” of zelfs een identiek teken kunnen Atlas Invest niet baten, omdat de rechtmatigheid van een beslissing moet worden beoordeeld aan de hand van de UMVo en niet aan de hand van eerdere beslissingspraktijk.