Licentieovereenkomst over ‘Draculatanden’ niet rechtsgeldig opgezegd: overeenkomst loopt door
Hof Amsterdam 31 maart 2026, IEF 23525; ECLI:NL:GHAMS:2026:905 (CBS tegen Copar). In deze zaak oordeelt het Hof Amsterdam over de opzegging van een licentieovereenkomst tussen Continental Sweets Belgium (CSB) en Copar met betrekking tot de merken voor het snoepgoed “Draculatanden”. CSB had de licentie in 2023 opgezegd, onder meer vanwege een wijziging van zeggenschap bij Copar en gestelde gewijzigde marktomstandigheden. Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank [IEF 22515] dat de opzegging geen rechtsgevolg heeft gehad. De door CSB ingeroepen contractuele opzeggingsgrond, gebaseerd op een “change of control”-bepaling, slaagt niet. Hoewel sprake was van een wijziging in de aandeelhoudersstructuur van Copar, is niet voldaan aan de aanvullende eis dat de zeggenschap is overgegaan naar een directe concurrent. Investeringsmaatschappijen en gelieerde vennootschappen die zelf niet actief zijn in de zoetwarenmarkt kwalificeren niet als zodanig.
Geen uitzendverbod voor tv-programma, wel beperking herkenbaarheid [eiser]
Rb. Amsterdam 29 oktober 2025; IEF 23522; IT 5254 ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding vordert een betrokkene een verbod op de uitzending van een aflevering van een televisieprogramma waarin hij wordt geconfronteerd met beschuldigingen van financiële misstanden en benadeling van derden. Volgens [eiser] is de voorgenomen uitzending onrechtmatig, omdat deze zou zijn gebaseerd op onjuiste informatie en omdat hem onvoldoende gelegenheid tot wederhoor zou zijn geboden.
Gerecht EU: promotiebrochure kan bewijs leveren van openbaarmaking ouder model
Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23524; IEFbe 4214; ECLI:EU:T:2026:301 (Doors Bulgaria EOOD tegen EUIPO, Top Ten EOOD). In zaak T-579/25 bevestigt het Gerecht de beslissing van de Derde Kamer van Beroep van het EUIPO in een nietigheidsprocedure over een ingeschreven Uniemodel voor deuren van Doors Bulgaria. Het betwiste model was aangevraagd in 2013 en ingeschreven voor waren in klasse 25.02 van de Locarno-classificatie. Top Ten had in 2023 om nietigverklaring verzocht op grond van artikel 25 lid 1 onder b van Verordening (EG) nr. 6/2002, gelezen in samenhang met de vereisten van nieuwheid en eigen karakter uit de artikelen 4, 5 en 6 van die verordening. Ter onderbouwing beriep Top Ten zich onder meer op een promotiebrochure uit 2010 waarin een vergelijkbaar deurontwerp was afgebeeld. De nietigheidsafdeling verklaarde het model nietig wegens gebrek aan eigen karakter. De Kamer van Beroep bevestigde die beslissing en oordeelde dat de brochure voldoende bewijs vormde dat het oudere model vóór de relevante datum aan het publiek beschikbaar was gesteld in de zin van artikel 7 lid 1 van de verordening. Ten overvloede oordeelde zij dat de betrokken modellen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk wekten.
Gerecht EU: woordmerk '5 Coins' mist onderscheidend vermogen voor spel- en gokgerelateerde producten en diensten
Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23523; IEFbe 4213; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO). Dit arrest betreft een beroep van Wazdan Innovations Ltd. tot vernietiging van de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 10 december 2024, waarbij de inschrijving van het woordmerk "5 Coins" werd geweigerd. De aanvraag was op 21 augustus 2023 ingediend door Wazdan Holding Ltd. voor producten en diensten in de klassen 9, 28, 35, 41 en 42 (Nice-classificatie), waaronder spelletjessoftware, elektronische spelen, loyaliteitsprogramma's, casino- en gokdiensten en softwareontwikkeling. De examinator had de aanvraag bij beslissing van 11 maart 2024 gedeeltelijk afgewezen op grond van zowel art. 7 lid 1 onder b) als onder c) UMVo. Na een door Wazdan doorgevoerde beperking van de lijst van producten en diensten bevestigde de Kamer van Beroep de weigering, maar uitsluitend op grond van het ontbreken van onderscheidend vermogen ex art. 7 lid 1 onder b) UMVo (Verordening (EU) 2017/1001), waarbij zij het beschrijvende karakter ex art. 7 lid 1 onder c) UMVo uitdrukkelijk buiten beschouwing liet. Een beperkt aantal categorieën, waaronder organisatie van sportevenementen, culturele activiteiten en ontwerp van onlinespellen, werd wel toegelaten. Wazdan stelde drie middelen aan: (1) schending van art. 7 lid 1 onder b) UMVo wegens onjuiste kwalificatie als "quasi-beschrijvend" teken en onjuiste toepassing, (2) schending van de beginselen van gelijke behandeling, behoorlijk bestuur en gewettigd vertrouwen wegens afwijking van eerdere EUIPO-beslissingen over vergelijkbare merken, en (3) motiveringsgebrek ex art. 94 lid 1 UMVo jo. art. 296 tweede alinea VWEU. Het Gerecht wees het primaire verzoek tot hervorming, strekkend tot inschrijving van het merk, af wegens onbevoegdheid: het EUIPO neemt geen formeel inschrijvingsbesluit dat vatbaar is voor beroep, en het Gerecht kan in het kader van zijn hervormingsbevoegdheid ex art. 72 lid 3 UMVo niet in de plaats treden van het EUIPO om een inschrijving te bevelen.
Verbod op negatieve reviews: herhaaldelijk plaatsen onder verschillende namen onrechtmatig
Rb. Zeeland West-Brabant 17 april 2026, IEF 23515; IT 5247; ECLI:NL:RBZWB:2026:3455 ([eisende partij] tegen [gedaagde partijen]). In dit kort geding staat centraal of het plaatsen van meerdere negatieve online recensies over een vakantiewoning onrechtmatig is. Gedaagden hadden na klachten over hun verblijf herhaaldelijk negatieve reviews geplaatst op verschillende platforms, deels onder verschillende namen.
Online update: Fictief makerschap op woensdag 20 mei
Woensdag 20 mei neemt Peter Teunissen (Radboud Universiteit) u opnieuw mee in het fictief makerschap. Dit keer bespreekt hij het advies van de Commissie Auteursrecht over de impact van het ONB-arrest op fictief makerschap. Samen met u loopt hij door het advies heen en bespreekt wat erin staat en waarom het advies op die manier is ingericht. Hij bespreekt de drie scenario's en aandachtspunten. Hierbij is zeker ruimte voor vragen. Daarnaast gaat hij kort in op het makerschap in Europa.
Meer weten of aanmelden?
BREIN dwingt blokkade af van illegaal gameplatform
Rb. Rotterdam 4 februari 2026, IEF 23517; ECLI:NL:RBROT:2026:3464 (BREIN tegen DFN). In dit kort geding vordert Stichting BREIN dat internetprovider Delta Fiber Nederland de toegang blokkeert tot een website die op grote schaal illegale Nintendo Switch-games aanbiedt via downloadlinks. Het platform bevat een omvangrijke catalogus en maakt auteursrechtelijk beschermde werken gratis toegankelijk voor gebruikers.
Loop geen kortingen mis en meld u aan vóór morgen, vrijdag 1 mei
Veel van onze vroegboekkorting acties lopen af op vrijdag 1 mei 2026. Meld u vandaag nog aan en loop geen korting mis.
Ruime bescherming voor vrijheid van meningsuiting politici: ‘beetje Andrew Tate vibes’ toegestaan
Rb. Midden-Nederland 24 april 2026, IEF 23511; IT 5243; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]). In dit kort geding staat de vraag centraal of uitlatingen van een politica tijdens een gemeenteraadsvergadering, en de daarna op social media, onrechtmatig zijn tegenover een verhuurder, [eisende partij]. De politica sprak onder meer over “Andrew Tate vibes” en kwalificeerde diens verhuurpraktijken als intimiderend. [eisende partij] verhuurde bijvoorbeeld enkel aan vrouwen.
HvJEU: doorgifte radioprogramma's via intern kabelnetwerk verzorgingstehuis geen 'mededeling aan het publiek' ex art. 3 lid 1 Richtlijn 2001/29
HvJ EU 30 april 2026, IEF 23521; IEFbe 4212; ECLI:EU:C:2026:355 (GEMA tegen VHC 2 Senior Residence and Nursing Home). Dit arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Eerste Kamer, 30 april 2026, C-127/24) betreft een prejudiciële verwijzing van het Bundesgerichtshof (Duitsland) in een geschil tussen GEMA en VHC 2, exploitant van een verzorgingstehuis met 89 permanent wonende bewoners. VHC 2 ontvangt via een eigen satellietantenne radio- en televisieprogramma's en zendt deze tijdgelijktijdig, ongewijzigd en volledig door via een intern kabelnetwerk naar aansluitingen in de individuele bewonerskamers. GEMA stelde dat hiervoor een licentie vereist was en vorderde staking. Na wisselende uitkomsten in feitelijke instanties stelde het Bundesgerichtshof drie prejudiciële vragen: (1) of de bewoners een "onbepaald aantal potentiële adressaten" vormen, (2) of het criterium van het "specifieke technische procedé" nog algemene gelding heeft dan wel beperkt is tot doorgiften via het open internet, en (3) of sprake is van een "nieuw publiek," waarbij ook aan de orde werd gesteld of relevant is dat bewoners de programma's zelfstandig via een antenne hadden kunnen ontvangen en of rechthebbenden reeds een vergoeding hebben ontvangen voor de oorspronkelijke uitzending.