Slaafse nabootsing  

IEF 23653

Rb Overijssel: geen auteursrechtelijke bescherming en geen slaafse nabootsing bij WAGO-verbindingsklemmen

Rechtbank Overijssel 30 jun 2026,, IEF 23653; ECLI:NL:RBOVE:2026:3650 (WAGO tegen Conex), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-overijssel-geen-auteursrechtelijke-bescherming-en-geen-slaafse-nabootsing-bij-wago-verbindingsklemmen

Rb. Overijssel 17 juni 2026, IEF 23653; ECLI:NL:RBOVE:2026:3650 (WAGO tegen Conex). In deze zaak tussen WAGO en Conex staat de vraag centraal of de verbindingsklemmen van WAGO auteursrechtelijke bescherming genieten en of Conex door de verhandeling van vergelijkbare verbindingsklemmen inbreuk maakt op die auteursrechten dan wel onrechtmatig handelt door slaafse nabootsing. Daarnaast moet de rechtbank beoordelen of WAGO voor een deel van haar vorderingen geen beroep meer kan doen op haar gestelde rechten vanwege een eerdere toezegging aan Conex. De rechtbank wijst alle vorderingen af. WAGO ontwikkelt en verkoopt verbindingsklemmen voor elektrotechnische installaties. Nadat zij Conex in 2023 had gesommeerd de verkoop van volgens haar inbreukmakende verbindingsklemmen te staken, zegde Conex toe een aantal productseries definitief uit de handel te nemen. Daarbij kondigde Conex aan voor één serie een aangepast ontwerp op de markt te brengen. WAGO liet daarop weten het geschil ten aanzien van de betreffende serienummers te laten rusten, mits Conex deze producten niet langer zou verhandelen. Tegelijkertijd maakte WAGO duidelijk dat de aangekondigde wijzigingen volgens haar slechts minimale verschillen opleverden en dat zij zich het recht voorbehield opnieuw rechtsmaatregelen te treffen wanneer Conex de betreffende producten toch weer zou aanbieden. Nadat WAGO in 2025 opnieuw meende dat sprake was van inbreuk, startte zij deze procedure. De rechtbank verwerpt het meest verstrekkende verweer van Conex slechts gedeeltelijk. Uit de correspondentie volgt volgens de rechtbank dat WAGO alleen had toegezegd het geschil te laten rusten wanneer de betreffende producten daadwerkelijk van de markt zouden verdwijnen. Conex mocht daaruit niet afleiden dat ook licht gewijzigde versies onder die toezegging vielen, omdat WAGO uitdrukkelijk had laten weten de aangekondigde wijzigingen onvoldoende te vinden. Vast staat dat Conex de CH21-serie in gewijzigde vorm opnieuw op de markt heeft gebracht, zodat de toezegging daarvoor niet geldt. Voor de overige productseries heeft WAGO echter onvoldoende onderbouwd dat deze na de toezegging nog zijn verhandeld. Daarom kan WAGO voor die producten geen aanspraken meer geldend maken. De rechtbank beoordeelt de verschillende verbindingsklemmen vervolgens inhoudelijk gezamenlijk, omdat dat uit praktisch oogpunt het meest doelmatig is. Bij de beoordeling van het auteursrecht stelt de rechtbank voorop dat verbindingsklemmen gebruiksvoorwerpen zijn. Ook dergelijke producten kunnen auteursrechtelijke bescherming genieten, maar alleen wanneer de vormgeving de uitdrukking vormt van vrije en creatieve keuzes die de persoonlijkheid van de maker weerspiegelen. Daarbij mogen creatieve keuzes niet worden verondersteld; zij moeten concreet kunnen worden aangewezen. Dat een product esthetisch aantrekkelijk oogt of dat verschillende vormgevingsmogelijkheden bestaan, is daarvoor onvoldoende. De rechtbank sluit daarmee aan bij de recente rechtspraak van het Hof van Justitie over werken van toegepaste kunst. Volgens de rechtbank heeft WAGO onvoldoende duidelijk gemaakt welke concrete onderdelen van haar verbindingsklemmen voortvloeien uit creatieve keuzes. WAGO beroept zich op auteursrecht voor de verbindingsklemmen als geheel en noemt per serie verschillende uiterlijke kenmerken, maar licht niet toe welke daarvan een eigen intellectuele schepping vormen.

IEF 23651

Geen inbreuk op model- en auteursrechten Cobefa-grasbetonplaten

Rechtbank Den Haag 19 jun 2026,, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 ((Cobefa tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-inbreuk-op-model-en-auteursrechten-cobefa-grasbetonplaten

Rb. Den Haag 19 juni 2026, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 (Cobefa tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter dat er geen sprake is van inbreuk op de model- en auteursrechten van de grasbetonplaten van Cobefa en evenmin slaafse nabootsing. Zowel Cobefa als [gedaagde] zijn producent van betonproducten, waaronder grasbetonplaten. Cobefa houdt verscheidene Uniemodelregistraties voor de grasbetonplaten. Na een sommatiebrief van Cobefa richting [gedaagde] hebben partijen nader overlegd, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. [gedaagde] heeft vervolgens de verkoop niet gestaakt. Cobefa vordert een verbod op inbreuk op haar model- en auteursrechten op de Cobefa-grasbetonplaten en een verbod op slaafse nabootsing, met nevenvorderingen en een dwangsom. Volgens Cobefa maakt [gedaagde] met de verhandeling van de [modelnaam] inbreuk op haar modelrechten, omdat het product bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt dan de Cobefa-modellen. Daarnaast stelt Cobefa dat de grasbetonplaten auteursrechtelijk beschermde werken zijn en dat de creatieve elementen daarvan herkenbaar zijn overgenomen in de [modelnaam]. Ook zou [gedaagde] onrechtmatig handelen door de Cobefa-grasbetonplaten slaafs na te bootsen. [gedaagde] betwist de gestelde inbreuken en voert aan dat de Cobefa-modellen nietig zijn wegens gebrek aan nieuwheid en eigen karakter en omdat de vormgeving technisch bepaald is. Volgens [gedaagde] wekt de [modelnaam] bovendien een andere algemene indruk. Ook is volgens [gedaagde] geen sprake van auteursrechtinbreuk, omdat Cobefa geen auteursrechthebbende zou zijn en de grasbetonplaten geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Voor zover wel sprake is van auteursrechtelijke bescherming, zijn de creatieve elementen niet herkenbaar overgenomen. Verder betwist [gedaagde] dat sprake is van slaafse nabootsing en voert zij aan dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht.

IEF 23603

Rb. Den Haag: mand met bodem valt niet onder beschermingsomvang van model van mand zonder bodem, geen slaafse nabootsing

Rechtbank Den Haag 20 mei 2026,, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-mand-met-bodem-valt-niet-onder-beschermingsomvang-van-model-van-mand-zonder-bodem-geen-slaafse-nabootsing

Rb. Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat de door [gedaagde] aangeboden ‘water baskets’ geen inbreuk maken op de Uniemodelrechten en het auteursrecht van [eiseres] op de Drypot‑manden en evenmin een slaafse nabootsing daarvan opleveren. [eiseres] exploiteert sinds 2013 zogenoemde Drypot‑manden: rotan manden zonder gevlochten bodem, gevlochten rond een plastic binnenpot, waarvoor zij diverse ingeschreven Uniemodellen houdt. [gedaagde] brengt vanaf 2022 “water baskets” (Seline, Bridget, Pauline) op de markt: eveneens rotan manden rond een plastic binnenpot, maar dan met een gevlochten rotanbodem. [eiseres] stelt dat deze water baskets inbreuk maken op haar Uniemodelrechten en auteursrechten op de Drypot‑manden en dat bovendien sprake is van slaafse nabootsing (onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW), en vordert brede verbods‑, recall‑, opgave‑ en afgiftemaatregelen, alsmede schadevergoeding. De Uniemodellen van [eiseres] zijn bij het EUIPO in stand gebleven. Nu [gedaagde] geen reconventionele nietigheidsvordering instelt, gaat de rechtbank uit van geldige modellen, maar bepaalt zij de beschermingsomvang in het licht van het vormgevingserfgoed.

 

 

IEF 23607

Rb. Den Haag bevoegd in geschil over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen

Rechtbank Den Haag 20 mei 2026,, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 ((Betonblock tegen 3A steel)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-bevoegd-in-geschil-over-gestelde-auteursrechtinbreuk-op-betonblokmallen

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 (Betonblock tegen 3A steel). In deze zaak tussen Betonblock en de Bulgaarse producent 3A Steel heeft de Rechtbank Den Haag zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Betonblock over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen en subsidiair slaafse nabootsing. Volgens de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de gestelde schade mede in Nederland is ingetreden, nu de vermeend inbreukmakende producten via de website van 3A Steel in Nederland toegankelijk zijn en ook daadwerkelijk aan Nederlandse afnemers zijn verkocht. De rechtbank oordeelt daarmee dat zij internationaal en relatief bevoegd is; de vraag welke territoriale reikwijdte een eventueel later op te leggen verbod of rectificatie heeft (EU-breed of slechts nationaal), is volgens de rechtbank een inhoudelijke vraag die in de hoofdzaak moet worden beantwoord. De rechtbank wijst het bevoegdheidsincident van 3A Steel daarom af. Over de gestelde auteursrechtinbreuk, slaafse nabootsing en de wederzijdse contractuele vorderingen heeft de rechtbank zich nog niet inhoudelijk uitgelaten. Betonblock ontwikkelt, produceert en verkoopt stalen mallen voor betonblokken. 3A Steel produceerde sinds 2009 dergelijke mallen voor Betonblock. De afspraken tussen partijen waren niet schriftelijk vastgelegd. Tussen 2022 en 2024 ontstonden geschillen over onder meer prijsverhogingen, een gestelde minimumafnameverplichting en mogelijke betalingen aan een voormalig medewerker van Betonblock. In juli 2024 schortte 3A Steel de levering van mallen op wegens volgens haar niet nagekomen minimumafnames en openstaande facturen. Op 29 augustus 2024 verklaarde zij de volgens haar bestaande exclusieve afspraken met Betonblock primair ontbonden en subsidiair opgezegd. Vervolgens opende zij op 14 september 2024 de webshop www.3ablock.com, waarop zij gelijkende mallen aanbood. Volgens Betonblock maken deze producten inbreuk op haar auteursrechten op de betonblokmallen dan wel vormen zij een ontoelaatbare slaafse nabootsing. In de hoofdzaak vordert zij onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van auteursrechtinbreuk, subsidiair onrechtmatig handelen, een verbod op het vervaardigen, aanbieden en verkopen van gelijkende producten, opgave van in- en verkopen, rectificatie, schadevergoeding en een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv. 

IEF 23540

Rb. Rotterdam wijst alle vorderingen van Ravestein af in de langlopende Calais Port 2015-zaak

Rechtbank Rotterdam 8 apr 2026,, IEF 23540; ECLI:NL:RBROT:2026:4497 ((Ravestein tegen Cargotec & MacGregor c.s.)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-rotterdam-wijst-alle-vorderingen-van-ravestein-af-in-de-langlopende-calais-port-2015-zaak

Rb. Rotterdam 8 april 2026, IEF23540; ECLI:NL:RBROT:2026:4497 (Ravestein tegen Cargotec & MacGregor c.s.). Deze zaak draait om een langlopend geschil tussen linkspanbouwer Ravestein en MacGregor en Cargotec over het project Calais Port 2015. Ravestein verwijt MacGregor c.s. dat zij via hoofdaannemer Bouygues vertrouwelijke tekeningen en technische knowhow van Ravestein gebruikten bij de bouw van linkspans voor de haven van Calais. Ravestein beriep zich op auteursrecht, slaafse nabootsing, bedrijfsgeheimen en profiteren van wanprestatie. Daarnaast legde Ravestein in 2020 conservatoir beslag op Linkspan Calais 10, waarna MacGregor c.s. in reconventie schadevergoeding vorderden wegens onrechtmatige beslaglegging. Voor het eindvonnis van 8 april 2026 wees de rechtbank meerdere tussenvonnissen en besliste zij in verschillende incidenten. In 2023 en 2024 draaide de procedure vooral om exhibitie-incidenten op grond van artikel 843a Rv. De rechtbank verplichtte MacGregor toen om onder meer correspondentie met Bouygues en contractstukken over de linkspans te geven, zodat Ravestein bewijs kon verzamelen voor haar stelling dat MacGregor toegang had tot vertrouwelijke ontwerptekeningen en bedrijfsinformatie van Ravestein. Aan de afgifte van deze stukken was een dwangsom verbonden van € 5.000 per dag(deel), tot een maximum van € 100.000, maar in een later tussenvonnis oordeelde de rechtbank dat MacGregor aan deze verplichtingen had voldaan en dat er geen dwangsommen waren verbeurd. In het tussenvonnis van 3 september 2025 oordeelde de rechtbank echter dat Ravestein niet slaagde in de opgedragen bewijslevering. Volgens de rechtbank lieten de stukken, getuigenverklaringen en documenten uit de 843a-procedure onvoldoende zien dat MacGregor de volledige set vertrouwelijke tekeningen en bedrijfsgeheimen van Ravestein had gekregen of gebruikt. Ook onderbouwde Ravestein volgens de rechtbank onvoldoende dat Bouygues en MacGregor verborgen afspraken of schikkingen hadden gemaakt. Daarom kondigde de rechtbank al aan dat zij alle vorderingen van Ravestein zou afwijzen. In reconventie wees de rechtbank daarnaast de vordering van MacGregor c.s. wegens onrechtmatig procederen expliciet af, omdat geen sprake was van misbruik van procesrecht.

IEF 23500

Ingezonden door Paul Trapman, Ploum.

Inbreuk op "Labubu"-rechten: rb. Den Haag beveelt staking, opgave en rectificatie bij verstek

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026,, IEF 23500; C/09/698623 ((Pop Mart c.s. tegen Beursplein Zero)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/inbreuk-op-labubu-rechten-rb-den-haag-beveelt-staking-opgave-en-rectificatie-bij-verstek

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23500; C/09/698623 (Pop Mart c.s. tegen Beursplein Zero). In deze zaak staat de handhaving van intellectuele eigendomsrechten op het figuurtje “Labubu” centraal. Pop Mart c.s., houder van diverse merk- en auteursrechten, heeft geconstateerd dat Beursplein Zero in Nederland namaakproducten heeft verhandeld onder gebruikmaking van overeenstemmende tekens. Beursplein Zero is niet in de procedure verschenen, waarna verstek is verleend. De rechtbank toetst de vorderingen daarom aan de verstekmaatstaf (toewijsbaar, tenzij deze ongegrond of onrechtmatig voorkomen) en gaat uit van de door Pop Mart c.s. gestelde feiten. De rechtbank Den Haag acht zich internationaal en relatief bevoegd. Voor de merkenrechtelijke grondslag baseert zij zich op de UMVo in samenhang met de Uitvoeringswet en het BVIE (vestigingsplaats gedaagde in Nederland). Voor de auteursrechtelijke grondslag volgt de internationale bevoegdheid uit de Brussel I-bis-Verordening, met relatieve bevoegdheid op grond van artikel 99 Rv. De rechtbank stelt vast dat sprake is van inbreuk op de merk- en auteursrechten van Pop Mart c.s. Het gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen, maar beperkt tot Nederland, omdat alleen daar inbreuk is komen vast te staan. Ook de opgaveplicht wordt toegewezen: Beursplein Zero moet vanaf januari 2025 inzicht geven in onder meer aantallen en voorraad, herkomst en distributiekanalen, leveranciers en afnemers/verkoopkanalen, alsook in- en verkoopprijzen, omzet en winst met betrekking tot de inbreukmakende producten. De gevraagde controle van deze opgave door een “gediplomeerde, onafhankelijke administrateur” wordt afgewezen wegens onduidelijkheid over de hoedanigheid van deze functionaris en het risico op executieproblemen, mede gelet op de beroepsregels van accountants bij assurance-achtige opdrachten.

IEF 23477

Ferrari-replica levert merkinbreuk en auteursrechtinbreuk op; slaafse nabootsing afgewezen wegens gebrek aan belang

Rechtbank Den Haag 8 apr 2026,, IEF 23477; ECLI:NL:RBDHA:2026:8206 (Ferrari tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ferrari-replica-levert-merkinbreuk-en-auteursrechtinbreuk-op-slaafse-nabootsing-afgewezen-wegens-gebrek-aan-belang

Rb. Den Haag 8 april 2026, IEF 23477; ECLI:NL:RBDHA:2026:8206 (Ferrari tegen [gedaagde]). In deze bodemzaak oordeelt de rechtbank Den Haag dat [gedaagde], een Nederlandse autohandelaar en reparateur, met het aanbieden van een op een Toyota MR2 gebaseerde replica van een Ferrari F355 inbreuk heeft gemaakt op zowel de Uniemerken van Ferrari als op het auteursrecht op het ontwerp van de Ferrari F355. Het voertuig was via de eigen website en via Marktplaats aangeboden voor € 59.950 en werd in de advertenties uitdrukkelijk aangeduid als onder meer “Ferrari Turbo F355” en “replica Ferrari F355”; bovendien waren op het voertuig en in de advertenties Ferrari-tekens aangebracht. De rechtbank acht zich voor de merkrechtelijke vorderingen bevoegd voor de gehele Europese Unie, maar voor auteursrecht en slaafse nabootsing slechts voor Nederland. De merkinbreuk wordt aangenomen op grond van art. 9 lid 2 sub a UMVo, omdat [gedaagde] zonder toestemming tekens gebruikte die gelijk zijn aan Ferrari’s Uniemerken voor dezelfde waren, namelijk voertuigen. Dat [gedaagde] had aangeboden de Ferrari-tekens van het voertuig te verwijderen, doet daaraan niet af, omdat de reeds gepleegde inbreuk en de daardoor veroorzaakte schade daarmee niet ongedaan worden gemaakt en evenmin was toegezegd dat in de toekomst geen gelijkende of identieke Ferrari-tekens meer zouden worden gebruikt. Ook de auteursrechtelijke grondslag slaagt. Tussen partijen was niet in geschil dat de Ferrari F355 een auteursrechtelijk beschermd werk is en dat Ferrari rechthebbende is. De rechtbank past vervolgens het door het HvJ EU in Mio geformuleerde criterium toe en onderzoekt of oorspronkelijke creatieve elementen van de Ferrari F355 zonder toestemming zijn gebruikt en of juist die elementen op herkenbare wijze zijn overgenomen in het aangeboden voertuig. Daarbij zijn volgens de rechtbank niet beslissend of beide voertuigen dezelfde algemene visuele indruk wekken of hoe ruim de beschermingsomvang van de Ferrari F355 is. De rechtbank vergelijkt de voertuigen zoals die op de markt zijn gebracht en acht de combinatie van een lange, brede en omhooggerichte voorzijde, een naar achter gerichte cockpit, twee zijsteunen achter de cockpit, luchtinlaten in beide zijkanten en een opvallende horizontale bodyline rondom het voertuig auteursrechtelijk relevante trekken die in het aangeboden voertuig op herkenbare wijze zijn overgenomen. De door [gedaagde] aangevoerde verschillen, onder meer in motorkap, koplampen, grille, daklijn, interieur, motor, achterlichten, velgen, geluid en afwerking, doen daar volgens de rechtbank niet aan af, mede omdat een deel daarvan geen betrekking heeft op de externe vormgeving. De rechtbank concludeert daarom dat de buitenkant van het voertuig auteursrechtinbreuk oplevert. De vordering wegens slaafse nabootsing wordt afgewezen, niet omdat die grondslag inhoudelijk faalt, maar omdat Ferrari naast het toe te wijzen EU-wijde merkenverbod en het Nederlandse auteursrechtverbod onvoldoende zelfstandig belang heeft bij een aanvullend verbod op die grondslag.

IEF 23421

Geen IE-bescherming voor verwarmde handschoenen; model vernietigd en eerder gelegd beslag deels opgeheven

Rechtbank Den Haag 11 feb 2026,, IEF 23421; ECLI:NL:RBDHA:2026:6647 (Comfort Products tegen Heat Performance), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-ie-bescherming-voor-verwarmde-handschoenen-model-vernietigd-en-eerder-gelegd-beslag-deels-opgeheven

Rb. Den Haag 11 februari 2026, IEF 23421; ECLI:NL:RBDHA:2026:6647 (Comfort Products tegen Heat Performance). De rechtbank wijst alle vorderingen van Comfort Products af in haar geschil met Heat Performance over verwarmde handschoenen. Comfort Products beriep zich op een ingeschreven Gemeenschapsmodel voor haar Dual Heated Gloves Pro (DHG Pro), op auteursrecht, op haar Uniewoordmerk BERTSCHAT en subsidiair op slaafse nabootsing. Het model houdt echter geen stand. De rechtbank oordeelt dat Comfort Products de eerdere Single Heated Gloves Pro al op 24 oktober 2020 zonder voorbehoud op haar website aan het algemene publiek had aangeboden, dus vóór het begin van de twaalfmaands respijttermijn die terugrekent vanaf de depotdatum van 4 februari 2022. Die eerdere openbaarmaking is daarom nieuwheidsschadelijk. Dat oordeel wordt niet anders doordat de DHG Pro technisch is doorontwikkeld, omdat technische verschillen die niet zichtbaar zijn geen rol spelen bij de modelrechtelijke beoordeling. Uiterlijk verschilt de DHG Pro volgens de rechtbank alleen op een ondergeschikt punt van de oudere handschoen, namelijk de vormgeving van de aan/uitknop; daardoor wekken beide handschoenen bij de geïnformeerde gebruiker dezelfde algemene indruk. Het model wordt daarom in reconventie nietig verklaard. Ook het beroep op auteursrecht faalt: de DHG Pro is geen werk in de zin van art. 10 Aw, omdat de door Comfort Products aangewezen kenmerken, zoals stiksel, klittenbandsluiting, label, manchetlengte en knop, volgens de rechtbank banaal, triviaal of functioneel bepaald zijn, terwijl de interne verwarming volledig technisch bepaald en bovendien niet zichtbaar is. Het beroep op merkinbreuk strandt eveneens, omdat Comfort Products onvoldoende heeft onderbouwd dat Heat Performance het merk BERTSCHAT zelf als zoekterm in Google-advertenties gebruikte; Heat Performance had dat gemotiveerd betwist met een verklaring over keyword insertion en de invloed van zoekgeschiedenis. Ook de subsidiaire grondslag van slaafse nabootsing slaagt niet, omdat Comfort Products onvoldoende heeft gesteld en onderbouwd dat de DHG Pro een eigen gezicht op de relevante markt heeft.

IEF 23296

Geen IE-bescherming voor ‘brandblusser’-waterfles

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 7 jan 2026,, IEF 23296; ECLI:NL:RBZWB:2026:521 (BHV-Specialist tegen 101BHV), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-ie-bescherming-voor-brandblusser-waterfles

Rb. Zeeland-West-Brabant 7 januari 2026, IEF 23296; ECLI:NL:RBZWB:2026:521 (BHV-Specialist tegen 101BHV). In dit kort geding stond de vraag centraal of BHV-Specialist model- en auteursrechtelijke bescherming toekwam voor haar rood uitgevoerde RVS-waterfles met brandblusser-look en of 101BHV daarop inbreuk maakte, dan wel zich schuldig maakte aan slaafse nabootsing. De voorzieningenrechter oordeelt dat het ingeschreven Beneluxmodel geen nieuwheid en geen eigen karakter heeft in de zin van art. 3.1 BVIE. De cilindervormige dubbelwandige RVS-fles, de rode kleur en de brandblusser-uitstraling behoren tot het vormgevingserfgoed. Ook de grafische en tekstuele opdruk (vlam-icoon, stappenplan en woordspelingen als “Thirst Aid”) mist voldoende onderscheidend vermogen; het betreft een uitwerking van een onbeschermde stijl, waarbij eenvoudige teksten en gangbare pictogrammen geen andere algemene indruk wekken bij de geïnformeerde gebruiker dan reeds bestaande vormgeving.

IEF 23087

IE-Klassieker: Hyster Karry Krane

Hoge Raad 26 jun 1953,, IEF 23087; ECLI:NL:HR:1953:76 (Hyster Karry Krane), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/ie-klassieker-hyster-karry-krane

HR 26 juni 1953, IEF 23087; ECLI:NL:HR:1953:76 (Hyster Karry Krane)

Onderwerp:
Nodeloze verwarring (slaafse nabootsing)

Feiten:
Hyster heeft onder de naam “Hyster Karry Krane” een mobiele kraan op de markt gebracht. Thole brengt onder de naam “The Elephant” een kraan op de markt die tot in detail overeenstemt en slechts op miniem punt verschilt. 

Rechtsregel:
Vrij om industriële producten een zo groot mogelijke deugdelijkheid en bruikbaarheid te geven, tenzij IE-rechten daaraan in de weg staan - ten eigen voordele en mogelijk tot nadeel van een concurrent, van in diens producten geopenbaarde resultaten van inspanning, inzicht of kennis gebruik te maken, zelfs wanneer bij het publiek verwarring mocht kunnen ontstaan.