Alle rechtspraak  

IEF 23603

Rb. Den Haag: mand met bodem valt niet onder beschermingsomvang van model van mand zonder bodem, geen slaafse nabootsing

Rechtbank Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-mand-met-bodem-valt-niet-onder-beschermingsomvang-van-model-van-mand-zonder-bodem-geen-slaafse-nabootsing

Rb. Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat de door [gedaagde] aangeboden ‘water baskets’ geen inbreuk maken op de Uniemodelrechten en het auteursrecht van [eiseres] op de Drypot‑manden en evenmin een slaafse nabootsing daarvan opleveren. [eiseres] exploiteert sinds 2013 zogenoemde Drypot‑manden: rotan manden zonder gevlochten bodem, gevlochten rond een plastic binnenpot, waarvoor zij diverse ingeschreven Uniemodellen houdt. [gedaagde] brengt vanaf 2022 “water baskets” (Seline, Bridget, Pauline) op de markt: eveneens rotan manden rond een plastic binnenpot, maar dan met een gevlochten rotanbodem. [eiseres] stelt dat deze water baskets inbreuk maken op haar Uniemodelrechten en auteursrechten op de Drypot‑manden en dat bovendien sprake is van slaafse nabootsing (onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW), en vordert brede verbods‑, recall‑, opgave‑ en afgiftemaatregelen, alsmede schadevergoeding. De Uniemodellen van [eiseres] zijn bij het EUIPO in stand gebleven. Nu [gedaagde] geen reconventionele nietigheidsvordering instelt, gaat de rechtbank uit van geldige modellen, maar bepaalt zij de beschermingsomvang in het licht van het vormgevingserfgoed.

 

 

IEF 23607

Rb. Den Haag bevoegd in geschil over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen

Rechtbank Den Haag 20 mei 2026, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 ((Betonblock tegen 3A steel)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-bevoegd-in-geschil-over-gestelde-auteursrechtinbreuk-op-betonblokmallen

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 (Betonblock tegen 3A steel). In deze zaak tussen Betonblock en de Bulgaarse producent 3A Steel heeft de Rechtbank Den Haag zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Betonblock over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen en subsidiair slaafse nabootsing. Volgens de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de gestelde schade mede in Nederland is ingetreden, nu de vermeend inbreukmakende producten via de website van 3A Steel in Nederland toegankelijk zijn en ook daadwerkelijk aan Nederlandse afnemers zijn verkocht. De rechtbank oordeelt daarmee dat zij internationaal en relatief bevoegd is; de vraag welke territoriale reikwijdte een eventueel later op te leggen verbod of rectificatie heeft (EU-breed of slechts nationaal), is volgens de rechtbank een inhoudelijke vraag die in de hoofdzaak moet worden beantwoord. De rechtbank wijst het bevoegdheidsincident van 3A Steel daarom af. Over de gestelde auteursrechtinbreuk, slaafse nabootsing en de wederzijdse contractuele vorderingen heeft de rechtbank zich nog niet inhoudelijk uitgelaten. Betonblock ontwikkelt, produceert en verkoopt stalen mallen voor betonblokken. 3A Steel produceerde sinds 2009 dergelijke mallen voor Betonblock. De afspraken tussen partijen waren niet schriftelijk vastgelegd. Tussen 2022 en 2024 ontstonden geschillen over onder meer prijsverhogingen, een gestelde minimumafnameverplichting en mogelijke betalingen aan een voormalig medewerker van Betonblock. In juli 2024 schortte 3A Steel de levering van mallen op wegens volgens haar niet nagekomen minimumafnames en openstaande facturen. Op 29 augustus 2024 verklaarde zij de volgens haar bestaande exclusieve afspraken met Betonblock primair ontbonden en subsidiair opgezegd. Vervolgens opende zij op 14 september 2024 de webshop www.3ablock.com, waarop zij gelijkende mallen aanbood. Volgens Betonblock maken deze producten inbreuk op haar auteursrechten op de betonblokmallen dan wel vormen zij een ontoelaatbare slaafse nabootsing. In de hoofdzaak vordert zij onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van auteursrechtinbreuk, subsidiair onrechtmatig handelen, een verbod op het vervaardigen, aanbieden en verkopen van gelijkende producten, opgave van in- en verkopen, rectificatie, schadevergoeding en een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv. 

IEF 23600

Uitspraak ingezonden door Maga Verwoert & Max van Oostrum, Leeway.

Hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigt executievonnis: executie door Stokke onrechtmatig

HvJ EU 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 ((Stokke c.s. tegen Cybex c.s.)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-s-hertogenbosch-bekrachtigt-executievonnis-executie-door-stokke-onrechtmatig

Hof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 (Stokke c.s. tegen Cybex c.s.). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het executievonnis (IEF 23045) tussen Stokke c.s. en Cybex c.s. bekrachtigd. Volgens het hof heeft Cybex geen dwangsommen verbeurd wegens overtreding van het eerder opgelegde verbod met betrekking tot de Iris Chair. De door Stokke ingestelde executiemaatregelen waren daarom onrechtmatig. Aan het geschil ligt een eerder kortgedingvonnis ten grondslag waarin Cybex was verboden de Iris Chair binnen de Europese Unie te verhandelen wegens een aangenomen auteursrechtinbreuk op de Tripp Trapp-stoel van Stokke . Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dat verbod later vernietigd voor de lidstaten buiten Nederland (IEF 23486). Daardoor resteerde in het onderhavige executiegeschil uitsluitend nog de vraag of Cybex binnen Nederland het verbod had overtreden en daardoor dwangsommen had verbeurd. Stokke stelde dat Cybex het verbod had geschonden doordat promotievideo's van de Iris Chair na betekening van het vonnis nog zichtbaar waren op de global social-media-accounts van Cybex Retail op Facebook, Instagram, YouTube en LinkedIn. Ook werd aanvankelijk gewezen op een brief aan afnemers en een vermeend aanbod van de stoel via een website, maar die verwijten werden tijdens de procedure ingetrokken. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een gestelde overtreding niet alleen naar de letterlijke tekst van het dictum moet worden gekeken, maar ook naar de overwegingen waarop de veroordeling berust. Uit het oorspronkelijke kortgedingvonnis volgt volgens het hof dat sprake was van een terughoudend geformuleerd verbod. De voorzieningenrechter had uitdrukkelijk overwogen dat de maatregel uitsluitend was bedoeld als een "standstill" om verdere marktintroductie van de Iris Chair te voorkomen totdat in een bodemprocedure duidelijkheid zou bestaan over de auteursrechtelijke beoordeling. Tegen die achtergrond moet het verbod volgens het hof beperkt worden uitgelegd. Het verbod zag op nieuwe handelingen gericht op verkoop, verhandeling of verdere marktintroductie van de Iris Chair.

IEF 23583

Beperkte schending van geheimhoudingsbeding bij gebruik luikafbeelding

Rechtbank Overijssel 20 mei 2026, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/beperkte-schending-van-geheimhoudingsbeding-bij-gebruik-luikafbeelding

Rb. Overijssel 20 mei 2026, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Tussen [eiseres] en [gedaagde], beide actief in de jachtbouw, gold een inleenovereenkomst op grond waarvan de directeur van [gedaagde] door [eiseres] werd ingeleend voor het opzetten en marktrijp maken van een luikenprogramma. In de toepasselijke algemene voorwaarden waren geheimhoudingsverplichtingen opgenomen, waaronder een verbod om vertrouwelijke informatie bekend te maken of voor andere doeleinden te gebruiken, en een verbod om resultaten van de verrichte diensten zonder toestemming aan derden beschikbaar te stellen. Aan overtreding was een contractuele boete verbonden van € 50.000 per gebeurtenis, vermeerderd met € 5.000 per dag of dagdeel. Nadat [eiseres] in januari 2025 ontdekte dat [gedaagde] op haar eigen website een afbeelding had geplaatst van een tijdens de inleen gemaakte rendering van een scheepsluik, vorderde zij betaling van de contractuele boete. De rechtbank stelt bij de uitleg van de bedingen de tekst centraal, omdat het ging om algemene voorwaarden waarover niet was onderhandeld en partijen geen concrete omstandigheden hadden aangevoerd die een afwijkende uitleg rechtvaardigden. Volgens de rechtbank is geen sprake van schending van artikel 15 lid 1 of lid 5 onder b: uit de afbeelding konden geen technische gegevens worden afgeleid, het grootste deel van het design was al openbaar via de website van [eiseres] zelf, en het nog niet openbare element, het verdiepte kruis in het deksel, was onvoldoende concreet uitgewerkt om als vertrouwelijke informatie te gelden.

IEF 23578

Foto zonder toestemming en naamsvermelding gepubliceerd: schadevergoeding wegens auteursrechtinbreuk

Rechtbank Amsterdam 19 mei 2026, IEF 23578; ECLI:NL:RBAMS:2026:5170 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/foto-zonder-toestemming-en-naamsvermelding-gepubliceerd-schadevergoeding-wegens-auteursrechtinbreuk

Rb. Amsterdam 19 mei 2026, IEF 23578; ECLI:NL:RBAMS:2026:5170 ([eiser] tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt dat gedaagde inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van eiser, een professioneel fotograaf, door een door hem gemaakte foto van een 538-Koningsdagbezoekster zonder toestemming en zonder naamsvermelding op haar website te publiceren. Het verweer dat niet vaststaat dat de foto auteursrechtelijk beschermd is, wordt gepasseerd, onder meer omdat dit pas bij dupliek is aangevoerd en gedaagde in haar conclusie van antwoord nog zelf ervan uitging dat op de foto auteursrecht rustte. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat voldoende aannemelijk is dat de foto auteursrechtelijke bescherming geniet, omdat sprake is van een bewust gekozen hoek en focus die de foto een eigen, oorspronkelijk karakter geven. Ook het beroep van gedaagde op mogelijk rechtmatig gebruik via beeldbanken slaagt niet, omdat zij onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk toestemming had om de foto te gebruiken. Dat gedaagde de inbreuk niet bewust zou hebben gepleegd, doet daaraan niet af: de publicatie zonder toestemming van de maker en zonder diens naam te vermelden levert een schending op van diens exploitatierechten en persoonlijkheidsrechten.

IEF 23575

Geen reactie op nadere toelichting fataal: betalingsveroordeling voor muziekgebruik

Rechtbank Noord-Holland 6 mei 2026, IEF 23575; ECLI:NL:RBNHO:2026:4380 (([eiser 1] en [eiser 2] tegen MED Medemblik)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-reactie-op-nadere-toelichting-fataal-betalingsveroordeling-voor-muziekgebruik

Rb. Noord-Holland 6 mei 2026, IEF 23575; ECLI:NL:RBNHO:2026:4380 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen MED Medemblik). In deze zaak tussen twee collectieve rechtenorganisaties ([eiser 1] en [eiser 2]) en MED Medemblik staat de vraag centraal of de exploitant van een horecagelegenheid gehouden is tot betaling van openstaande vergoedingen voor muziekgebruik op grond van licentieovereenkomsten. De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de vorderingen grotendeels toewijsbaar zijn en passeert het gevoerde verweer, nu dit na nadere onderbouwing onvoldoende is gehandhaafd. MED Medemblik exploiteert een horecagelegenheid waar muziek wordt afgespeeld. Met beide collectieve rechtenorganisaties zijn licentieafspraken gemaakt voor het gebruik van muziekwerken. Over het jaar 2025 blijven meerdere facturen onbetaald, waaronder een factuur van € 1.419,11 van [eiser 1] en twee facturen van in totaal € 2.235,29 van [eiser 2]. Daarnaast worden eerder verleende kortingen van 33,33% na uitblijven van betaling alsnog in rekening gebracht, waardoor de gevorderde hoofdsommen oplopen tot € 2.128,56 respectievelijk € 3.352,77. MED Medemblik betwist de vorderingen en voert aan dat de gehanteerde berekeningsgrondslag onjuist is. Volgens haar is de horecagelegenheid ten onrechte ingedeeld in een hogere oppervlaktecategorie (450 m²), terwijl de feitelijke oppervlakte circa 160 m² bedraagt, wat zou leiden tot lagere tarieven. Daarnaast stelt zij dat geen sprake is van ondertekende licentieovereenkomsten en dat betaling van eerdere facturen niet zonder meer kan worden aangemerkt als aanvaarding van contractuele verplichtingen.

IEF 23564

Auteursrechtinbreuk op productfoto’s van wandpanelen

Rechtbank Midden-Nederland 29 apr 2026, IEF 23564; ECLI:NL:RBMNE:2026:2307 ([eiser] tegen [handelsnaam 2]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/auteursrechtinbreuk-op-productfoto-s-van-wandpanelen

Rb. Midden-Nederland 29 april 2026, IEF 23564; ECLI:NL:RBMNE:2026:2307 ([eiser] tegen [handelsnaam 2]). In dit vonnis van de kantonrechter Midden-Nederland staat het gebruik van productfoto’s en productnamen van wandpanelen op een concurrerende website centraal. [eiser] exploiteert een onderneming in muurbedekking en had door een professionele fotograaf foto’s laten maken van marmerlook-wandpanelen, die hij op zijn eigen website plaatste. [handelsnaam 2], eveneens actief in de verkoop van wandpanelen, gebruikte die foto’s en de bijbehorende productnamen op haar eigen website. De kantonrechter oordeelt dat de vier foto’s waarop de volledige wandpanelen met aankleding te zien zijn auteursrechtelijk beschermde werken zijn, omdat daarin voldoende creatieve keuzes besloten liggen, onder meer in belichting, camerahoek, compositie en enscenering. De vier ingezoomde uitsneden van die foto’s genieten daarentegen geen zelfstandige auteursrechtelijke bescherming, omdat het enkel uitsnijden van een bestaande foto onvoldoende creatieve of artistieke keuzes oplevert. Ook de productnamen, zoals Bianco Carrara Marmerpaneel, Crème Marfil Marmer Wandpaneel, Grigio Carnico Marmerpaneel en Marquina Marmerpaneel, zijn niet auteursrechtelijk beschermd: zij verwijzen vooral beschrijvend naar kleur, marmersoort of groeve en worden ook op vergelijkbare wijze door andere aanbieders gebruikt. Verder is [eiser] niet zelf als maker van de foto’s aan te merken op grond van artikel 6 Auteurswet, omdat niet is gebleken dat hij vrijwel alle creatieve keuzes heeft gemaakt en de fotograaf slechts als uitvoerende “hand” fungeerde. Wel heeft [eiser] de auteursrechten en bijbehorende vorderingsrechten rechtsgeldig verkregen door overdracht bij akte van 13 oktober 2025, zodat hij bevoegd is om ook tegen eerdere inbreuken op te treden.

IEF 23562

Gerecht: “K.”-teken Klarna slechts voor financiële diensten verwarrend ten opzichte van Kutxabank-merk

HvJ EU 13 mei 2026, IEF 23562; ECLI:EU:T:2026:344 ((Kutxabank tegen EUIPO en Klarna Bank)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-k-teken-klarna-slechts-voor-financiele-diensten-verwarrend-ten-opzichte-van-kutxabank-merk

HvJ EU 13 mei 2026, IEF 23562; ECLI:EU:T:2026:344 (Kutxabank tegen EUIPO en Klarna Bank). In deze zaak staan twee vragen centraal: (i) of sprake is van verwarringsgevaar tussen het aangevraagde figuratieve Uniemerk bestaande uit de letter “K.” en de oudere Kutxabank-merken voor diensten in de klassen 35, 39, 42 en 45, en (ii) of dat wél het geval is voor de financiële diensten in klasse 36 ten opzichte van een ouder Kutxabank-beeldmerk met een gestileerde “k”. Aan de procedure ligt een oppositie van Kutxabank ten grondslag tegen een merkaanvraag van Klarna voor een figuratief teken waarin de letter “K” centraal staat, aangevraagd voor diensten in de klassen 35, 36, 39, 42 en 45. Kutxabank beroept zich op twee oudere Uniemerken: (i) een beeldmerk met een gestileerde “k” voor financiële diensten in klasse 36 (oudere merk 1), en (ii) een beeldmerk met een gestileerde “k” in combinatie met de woorden “kutxabank kredit” voor onder meer reclame- en zakelijke diensten in klasse 35 en financiële diensten in klasse 36 (oudere merk 2). Bij de beoordeling van het verwarringsgevaar hanteert het Gerecht de gebruikelijke globale benadering, waarbij de mate van overeenstemming tussen de tekens, de (soort)gelijkheid van de diensten en het onderscheidend vermogen van de oudere merken in onderlinge samenhang worden beoordeeld. Voor oudere merk 1 oordeelt het Gerecht dat de diensten in de klassen 35, 39, 42 en 45 waarvoor de aanvraag is ingediend, niet soortgelijk zijn aan de financiële en monetaire diensten in klasse 36. Het betoog van Kutxabank dat sprake is van een economische samenhang of aanvullende diensten – bijvoorbeeld via software of beveiligingsdiensten – wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing. Alleen de diensten in klasse 36 zijn identiek. Voor oudere merk 2 geldt dat een deel van de diensten in klasse 35 identiek is, maar dat de diensten in de klassen 39, 42 en 45 niet soortgelijk zijn. Voor die laatste diensten ontbreekt daarmee een noodzakelijke voorwaarde voor verwarringsgevaar. De beoordeling concentreert zich vervolgens op de diensten waarvoor wél sprake is van identiteit: klasse 35 ten opzichte van oudere merk 2 en klasse 36 ten opzichte van oudere merk 1.

IEF 23561

Verval van Benelux-beeldmerk "KIF Radio" wegens ontbreken van normaal gebruik

BenGH 18 mrt 2026, IEF 23561; C 2024/18 (([verzoeker] tegen [verweerster])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/verval-van-benelux-beeldmerk-kif-radio-wegens-ontbreken-van-normaal-gebruik

BenGH 18 maart 2026, IEF 23561; IEFbe 4221; C 2024/18 ([verzoeker] tegen [verweerster]). In deze zaak staat de vraag centraal of een Benelux-beeldmerk voor “KIF Radio” vervallen kan worden verklaard wegens het ontbreken van normaal gebruik. Het Benelux-Gerechtshof bevestigt de beslissing van het BBIE en oordeelt dat daarvan sprake is. Het enkele gebruik van tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt, volstaat in dit geval niet als gebruik van het ingeschreven merk. [verzoeker] is houder van een semi-figuratief merk voor onder meer telecommunicatie- en culturele diensten. Mediazone heeft bij het BBIE een vordering tot doorhaling ingesteld, stellende dat het merk tijdens een periode van vijf jaar niet normaal is gebruikt. Het BBIE heeft die vordering toegewezen en het merk vervallen verklaard. In beroep voert [verzoeker] aan dat wel degelijk sprake is van gebruik, omdat Mediazone het teken “KIF” en varianten daarvan heeft gebruikt voor radio-uitzendingen, naar zijn zeggen met zijn toestemming en dus op basis van een licentie. Het Hof stelt voorop dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk daadwerkelijk wordt gebruikt overeenkomstig zijn wezenlijke functie, namelijk het waarborgen van de herkomst van de betrokken diensten, met het oog op het verkrijgen of behouden van afzet. Symbolisch gebruik is onvoldoende. Ook gebruik in een afwijkende vorm kan relevant zijn, mits het onderscheidend vermogen van het merk in de ingeschreven vorm niet wordt gewijzigd. Vaststaat dat Mediazone vanaf 2019 radioactiviteiten verricht onder tekens waarin het woordelement “KIF” voorkomt. Volgens [verzoeker] moet dit worden aangemerkt als gebruik van het merk, omdat het onderscheidend vermogen wordt gedragen door het woordelement en de grafische verschillen ondergeschikt zijn. Het Hof volgt dat betoog niet. Het stelt vast dat de door Mediazone gebruikte tekens op essentiële punten afwijken van het ingeschreven beeldmerk, onder meer wat betreft lettertype, vormgeving van de letters, compositie en de vorm van de achtergrond. Hoewel er overeenkomsten bestaan, zijn de verschillen te groot en te opvallend om als verwaarloosbaar te worden beschouwd. Daarmee kan niet worden gesproken van gebruik van het merk in een vorm die het onderscheidend vermogen onverlet laat.

IEF 23558

Rb. Den Haag: publicatie beeldmateriaal kind en informatie uit jeugdbeschermingsdossier onrechtmatig

Rechtbank Den Haag 23 apr 2026, IEF 23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-publicatie-beeldmateriaal-kind-en-informatie-uit-jeugdbeschermingsdossier-onrechtmatig

Rb. Den Haag 23 april 2026, IEF23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag vindt dat [gedaagde], een rapper met een groot bereik op social media, onrechtmatig handelde met berichten over [eiseres] en het kind van [eiseres]. [eiseres] en [gedaagde] hadden in 2024 een korte relatie, waaruit in 2025 een kind is geboren. Alleen [eiseres] heeft het gezag. [gedaagde], actief als artiest op onder meer Instagram, TikTok, Snapchat en YouTube, is kort voor deze zaak strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer bedreiging. Hij kreeg daarbij ook een contactverbod met [eiseres]. Daarna plaatste hij via zijn socialmediakanalen verschillende berichten. Zo deelde hij beeldmateriaal van het kind, combineerde dat met een audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres], publiceerde informatie uit een jeugdzorgdossier en deed uitspraken over de geestelijke gezondheid van [eiseres] en een vermeende weigering van een DNA-test. Volgens de voorzieningenrechter is er spoed, omdat online publicaties zich snel verspreiden en blijvend zijn, zeker gezien het grote bereik van [gedaagde]. Voor het delen van persoonsgegevens van een kind onder de 16 jaar is toestemming nodig van de wettelijk vertegenwoordiger. Zonder die toestemming is publicatie in principe onrechtmatig. Dat geldt ook voor het gebruik van een geblurde afbeelding in een videoclip. In deze context is het kind toch herkenbaar, onder meer omdat dezelfde afbeelding eerder ongeblurd is gedeeld en wordt gebruikt bij uitspraken over vaderschap. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het kind weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij artistieke vrijheid en inkomsten uit de videoclip.