Geen auteursrechtinbreuk bij ontbreken van ingebracht werk; beëindiging opdrachtovereenkomst kwalificeert als opzegging, niet als ontbinding
Rb. Midden-Nederland 14 januari 2026, IEF 23283; ECLI:NL:RBMNE:2026:385 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank wijst de vorderingen van een marketingbureau af dat stelde dat haar opdrachtgever inbreuk maakte op het auteursrecht op een door haar ontwikkelde huisstijl en webdesign voor MOO-software. De rechtbank oordeelt allereerst dat niet kan worden vastgesteld wat het concrete, gestelde auteursrechtelijk beschermde werk is, omdat het bureau geen kopieën van haar eigen ontwerpen in het geding heeft gebracht, maar enkel een deurwaardersproces-verbaal met screenshots van de (vermeend inbreukmakende) website. Zonder inzicht in het oorspronkelijke werk kan niet worden beoordeeld of sprake is van een eigen intellectuele schepping en evenmin of inbreuk is gemaakt. Bovendien slaagt het beroep van de opdrachtgever op art. 8 Auteurswet: bij een opdrachtrelatie als de onderhavige, waarin een vennootschap het werk als van haar afkomstig openbaar maakt zonder vermelding van een natuurlijke maker, geldt zij als maker en daarmee als auteursrechthebbende, tenzij anders is overeengekomen. Van afwijkende afspraken is niet gebleken. De vorderingen in conventie worden daarom afgewezen en het bureau wordt veroordeeld in de proceskosten.