Alle rechtspraak  

IEF 23808

Hof Amsterdam: blokkering softwaresystemen levert voorshands wanprestatie en persoonlijke onrechtmatige daad op

Hof Amsterdam 4 sep 2026, IEF 23808; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-blokkering-softwaresystemen-levert-voorshands-wanprestatie-en-persoonlijke-onrechtmatige-daad-op

Hof Amsterdam 4 augustus 2026, IEF 23808; 5509; ECLI:NL:GHAMS:2026:2557 ([appellant 1] en [appellant 2] tegen [geïntimeerde]). Na verwijzing door de Hoge Raad beoordeelt het Hof Amsterdam in kort geding een geschil over een samenwerking voor de distributie en verdere ontwikkeling van software voor identiteitsbeveiliging van e-mailadressen. Het hof acht de Nederlandse rechter internationaal bevoegd en gaat voor de contractuele vordering tegen [appellant 1] uit van Nederlands recht, omdat de rechtsverhouding voorshands als distributieovereenkomst moet worden gekwalificeerd; een gestelde rechtskeuze voor Amerikaans recht is onvoldoende aannemelijk. Ook op de vordering uit onrechtmatige daad tegen [appellant 2] is Nederlands recht van toepassing. Het hof gaat bovendien uit van het vereiste spoedeisend belang. Voldoende aannemelijk is dat partijen een langdurige duurovereenkomst waren aangegaan en dat [appellant 1] haar contractuele verplichtingen schond door de overeenkomst met slechts een termijn van een week te beëindigen en [geïntimeerde] de toegang tot haar systemen te ontzeggen. De blokkades belemmerden [geïntimeerde] ernstig in haar bedrijfsvoering. Het hof acht daarom voorshands sprake van wanprestatie door [appellant 1]. Gelet op de persoonlijke betrokkenheid van [appellant 2] bij de blokkades en zijn feitelijke invloed op de bedrijfsvoering van [appellant 1], acht het hof tevens voldoende aannemelijk dat hij persoonlijk onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld. Het geschil over het auteursrecht op de verder ontwikkelde “+software” geeft onvoldoende aanleiding voor een ander oordeel.

IEF 23807

Uitspraak ingezonden door Rogier de Vrey, Jeroen Boelens, Yasar Celebi en Eline Wit, CMS.

Modelrechtelijke beschermingsomvang QiO Compact-fiets beperkt door vormgevingserfgoed

Rechtbank Den Haag 8 sep 2026, IEF 23807; 707086 / KG ZA 26-648 (Hartje tegen Tenways), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/modelrechtelijke-beschermingsomvang-qio-compact-fiets-beperkt-door-vormgevingserfgoed

Rb. Den Haag 3 september 2026, IEF 23807; 707086 / KG ZA 26-648 (Hartje tegen Tenways). In deze zaak tussen Hermann Hartje KG en Tenways Technovation Europe B.V. staat de vraag centraal of de elektrische fiets AGO Compact Performance van Tenways inbreuk maakt op het model- en auteursrecht van Hartje met betrekking tot de QiO Compact bike. Hartje is houdster van een internationaal model met gelding in de EU voor het frame van de QiO Compact en stelt dat Tenways verschillende kenmerkende vormgevingselementen daarvan heeft overgenomen. Tenways betwist de inbreuk en voert aan dat het model slechts een beperkte beschermingsomvang heeft, omdat veel kenmerken al in het vormgevingserfgoed voorkwamen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat de beschermingsomvang van een model mede wordt bepaald door de afstand tot eerdere modellen. Een model dat verschillende bekende elementen uit oudere modellen overneemt, kan daarom een beperktere beschermingsomvang hebben. De geïnformeerde gebruiker zal bovendien meer gewicht toekennen aan elementen die afwijken van het vormgevingserfgoed dan aan reeds bekende elementen. Tegelijkertijd betekent het voorkomen van een afzonderlijk element in het vormgevingserfgoed niet dat de combinatie waarin dat element is opgenomen geen bijdrage meer kan leveren aan het eigen karakter van het model als geheel.

IEF 23806

Hof stelt vertrouwelijkheidsregime in voor bedrijfsgeheime financiële informatie in IE-procedure tegen Pilot

Hof Den Haag 1 sep 2026, IEF 23806; ECLI:NL:GHDHA:2026:2736 (Polmos tegen Pilot), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-stelt-vertrouwelijkheidsregime-in-voor-bedrijfsgeheime-financiele-informatie-in-ie-procedure-tegen-pilot

Hof Den Haag 1 september 2026, IEF 23806; ECLI:NL:GHDHA:2026:2736 (Polmos tegen Pilot). Polmos, rechthebbende op merken die zij op flessen wodka aanbrengt, procedeert tegen distributeur Pilot wegens gestelde merk- en auteursrechtinbreuk en onrechtmatig handelen. De rechtbank had haar vorderingen grotendeels toegewezen en voor de schadevergoeding verwezen naar de schadestaatprocedure. In hoger beroep wil Polmos haar primaire schadevordering van € 10 per namaakfles, althans een ander forfaitair bedrag per fles, nader onderbouwen met aanvullende producties over de inkoop- en verkoopprijzen en nettowinsten van haarzelf en haar licentienemers binnen het Moët Hennessy-concern. Pilot stelt dat Polmos niet-ontvankelijk is in haar incidentele vordering, omdat de schadevergoedingsvordering buiten de omvang van het hoger beroep zou vallen. Het hof verwerpt dit verweer. Polmos heeft nog geen memorie van grieven genomen en haar appeldagvaarding bevat geen beperking van het hoger beroep. Bovendien heeft de rechtbank de schadevordering opgevat als primair een vergoeding van € 10 per fles of een ander forfaitair bedrag en subsidiair schadevergoeding op te maken bij staat, zodat niet aannemelijk is dat sprake was van gelijkwaardige alternatieven zonder onderlinge rangorde. Het hof oordeelt vervolgens dat de aanvullende financiële stukken kwalificeren als bedrijfsgeheimen in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Het gaat om interne, niet algemeen toegankelijke informatie met handelswaarde, die ondanks de datering uit 2022 nog voldoende actueel is en door geheimhoudingsafspraken en technische toegangsbeperkingen wordt beschermd.

IEF 23804

Hof stelt vertrouwelijkheidsregime in voor bedrijfsgeheime financiële informatie in IE-procedure

Hof Den Haag 1 sep 2026, IEF 23804; ECLI:NL:GHDHA:2026:2738 (Polmos tegen Sasha), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-stelt-vertrouwelijkheidsregime-in-voor-bedrijfsgeheime-financiele-informatie-in-ie-procedure

Hof Den Haag 1 september 2026, IEF 23804; ECLI:NL:GHDHA:2026:2738 (Polmos tegen Sasha). Polmos, rechthebbende op merken die zij aanbrengt op flessen wodka, procedeert tegen distributeur Sasha wegens gestelde merk- en auteursrechtinbreuk en onrechtmatig handelen. De rechtbank had haar vorderingen grotendeels toegewezen, maar voor de schadevergoeding verwezen naar de schadestaatprocedure. In hoger beroep wil Polmos haar primaire vordering van € 10 schadevergoeding per namaakfles nader onderbouwen met aanvullende producties over de inkoop- en verkoopprijzen van haar producten en die van licentienemers binnen het Moët Hennessy-concern, alsmede de daarmee behaalde nettowinsten in 2022. Zij verzoekt daarom om een vertrouwelijkheidsregime. Het hof oordeelt dat deze informatie als bedrijfsgeheim in de zin van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen kwalificeert: zij is slechts voor een beperkte groep toegankelijk, vertegenwoordigt handelswaarde omdat concurrenten daarmee hun commerciële positie kunnen verbeteren, is ondanks het feit dat zij uit 2022 dateert nog voldoende actueel en wordt door geheimhoudingsafspraken en technische toegangsbeperkingen beschermd. Het hof benadrukt daarbij dat ook financiële bedrijfsinformatie een bedrijfsgeheim kan vormen.

IEF 23799

Uitspraak ingezonden door Maarten Russchen, Coda Advocaten.

Muziekuitgaveovereenkomsten opzegbaar; auteursrechten moeten na zes maanden worden terug overgedragen

Rechtbank Midden-Nederland 26 aug 2026, IEF 23799; ECLI:NL:RBMNE:2026:6161 (eisers tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/muziekuitgaveovereenkomsten-opzegbaar-auteursrechten-moeten-na-zes-maanden-worden-terug-overgedragen

Rb. Midden-Nederland 26 augustus 2026, IEF 23799; ECLI:NL:RBMNE:2026:6161 (eisers tegen [gedaagde]). Eisers, een artiestenduo, sloten in 1996 met de rechtsvoorganger van gedaagde verschillende overeenkomsten over de exploitatie van hun muziek, waaronder afspraken over twee muziekfondsen, een voorschot van fl. 1,2 miljoen, een winstaandeel van 50% en overdracht van auteursrechten. De rechtbank verwerpt het standpunt van eisers dat de twee fondsen vennootschappen onder firma waren. Uit de inhoud van de overeenkomsten en de wijze waarop partijen daar gedurende ongeveer dertig jaar uitvoering aan hebben gegeven, volgt volgens de rechtbank dat sprake was van muziekuitgaveovereenkomsten met onderfondsen als handelsnaam van de muziekuitgeverij en niet van zelfstandig opererende vof’s. De vorderingen tot ontbinding, vereffening en verdeling worden daarom afgewezen. Ook bestaat geen recht op een aanvullende financiële eindafrekening over de latere jaren: het recht op 50% van de netto-opbrengst gold alleen gedurende de looptijd van de exclusieve optieovereenkomsten, die voor het ene fonds eindigde in 1996 en voor het andere, na verlenging, op 31 december 1998. Over die perioden hebben eisers afgerekend gekregen.

IEF 23797

BGH bevestigt pastiche-exceptie voor sample uit ‘Metall auf Metall’

Duitse Gerechten 3 sep 2026, IEF 23797; https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/bgh-bevestigt-pastiche-exceptie-voor-sample-uit-metall-auf-metall

Bundesgerichtshof 3 september 2026, IEF 23797; IEFbe 4290; I ZR 74/22 (Metall auf Metall VI). In deze zaak tussen Kraftwerk c.s. en Pelham c.s. staat de vraag centraal of het gebruik van een twee seconden durende ritmische sequentie uit het nummer Metall auf Metall door middel van sampling kan worden aangemerkt als een toegestane pastiche. De sample werd gebruikt in het nummer Nur mir van Sabrina Setlur en daarin voortdurend herhaald. De zaak kent een lange voorgeschiedenis. Nadat het Bundesgerichtshof eerder prejudiciële vragen had gesteld over de rechten van fonogrammenproducenten [IEF 18613], legde het in 2023 opnieuw vragen voor aan het Hof van Justitie [IEF 21672], ditmaal over de uitleg van het begrip ‘pastiche’ in artikel 5 lid 3 onder k van Richtlijn 2001/29/EG. Het Hof beantwoordde die vragen op 14 april 2026 [IEF 23472]. Het Bundesgerichtshof oordeelt nu dat de overname van de ritmische sequentie weliswaar een ingreep vormt in de reproductierechten van de fonogrammenproducenten en uitvoerende kunstenaars en in de reproductie- en distributierechten van de auteur, maar dat het gebruik vanaf 7 juni 2021 onder de Duitse pastiche-exceptie van § 51a UrhG valt.

IEF 23795

HvJ EU: socialmediapost kan auteursrechtelijk beschermd werk zijn; algemeen verbod op commercieel voordeel bij actualiteitsverslaggeving niet toegestaan

HvJ EU 3 sep 2026, IEF 23795; ECLI:EU:C:2026:682 (CY tegen Gândul Media Network SRL en HO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-socialmediapost-kan-auteursrechtelijk-beschermd-werk-zijn-algemeen-verbod-op-commercieel-voordeel-bij-actualiteitsverslaggeving-niet-toegestaan

HvJ EU 3 september 2026, IEF 23795; IT 5499; IEFbe 4288; ECLI:EU:C:2026:682 (CY tegen Gândul Media Network SRL en HO). CY, een Roemeense lerares, publiceert op Facebook een tekst van 22 regels waarin zij ouders laat weten geen cadeaus te willen ontvangen bij de start van het schooljaar. Enkele dagen later neemt journalist HO de tekst integraal over in een artikel op de website van het online dagblad Gândul, zonder voorafgaande toestemming van CY. Volgens de verwijzingsbeslissing worden haar naam en een hyperlink naar de Facebookpagina pas later toegevoegd. Nadat de Roemeense rechters in eerste aanleg en hoger beroep oordelen dat de tekst niet voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komt, vraagt de hoogste Roemeense rechter het Hof van Justitie om uitleg van artikel 2 onder a Richtlijn 2001/29. Het Hof oordeelt dat een tekst die op een sociaal netwerk is gepubliceerd en een mening over maatschappelijke praktijken bevat, onder het begrip ‘werk’ kan vallen wanneer hij een eigen intellectuele schepping vormt die de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelt. De lengte van de tekst, de online publicatie en het al dan niet behoren tot een bepaald literair genre zijn daarbij op zichzelf niet relevant. Het is aan de nationale rechter om na te gaan of CY bij het schrijven van de tekst vrije en creatieve keuzes heeft gemaakt die in de tekst tot uitdrukking komen.

IEF 23783

Buma en Sena krijgen schadevergoeding en verbod wegens ongeoorloofd afspelen muziek in winkel

Rechtbank Midden-Nederland 29 jul 2026, IEF 23783; ECLI:NL:RBMNE:2026:6005 (Buma en Sena tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/buma-en-sena-krijgen-schadevergoeding-en-verbod-wegens-ongeoorloofd-afspelen-muziek-in-winkel

Rb. Midden-Nederland 29 juli 2026, IEF 23783; ECLI:NL:RBMNE:2026:6005 (Buma en Sena tegen [gedaagde]). De kantonrechter oordeelt dat [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld tegenover Buma en Sena door zonder de vereiste licenties muziek openbaar te maken in haar winkel. Buma behartigt de belangen van aangesloten componisten, tekstdichters en muziekuitgevers met betrekking tot de openbaarmaking van hun muziekwerken, terwijl Sena op grond van de Wet op de naburige rechten is aangewezen voor het innen van billijke vergoedingen voor het voor commerciële doeleinden ten gehore brengen van muziek. Vaststaat dat [gedaagde] in de periode van 1 oktober 2024 tot en met 31 december 2025 zonder licentie en zonder betaling van een vergoeding muziek openbaar heeft gemaakt. Buma had onder meer op 27 november 2024 en meerdere momenten in 2025 vastgesteld dat muziek uit haar en Sena’s repertoire werd gedraaid; daarnaast stelde een deurwaarder op 24 juli 2025 vast dat in de winkel muziek openbaar werd gemaakt. De schade wordt begroot op de bedragen die Buma en Sena zouden hebben ontvangen wanneer [gedaagde] voor deze periode wel licenties had afgesloten. Omdat de hoogte daarvan niet is betwist, wordt € 416,52 aan Buma en € 219,46 aan Sena toegewezen. De gevorderde handelsrente wordt afgewezen omdat geen sprake is van een handelsovereenkomst; in plaats daarvan wordt de wettelijke rente van artikel 6:119 BW vanaf de vervaldata toegewezen. Ook de gevorderde buitengerechtelijke kosten worden afgewezen, omdat de vordering uit onrechtmatige daad voortvloeit en niet is gesteld dat daarvoor meer werkzaamheden zijn verricht dan aanmaningen en andere eenvoudige correspondentie.

IEF 23779

KPC maakt auteursrechtinbreuk op negen Excel-rekenmodellen van Esset

Hof Arnhem-Leeuwarden 20 jan 2026, IEF 23779; ECLI:NL:GHARL:2026:314 (KPC tegen Esset), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/kpc-maakt-auteursrechtinbreuk-op-negen-excel-rekenmodellen-van-esset

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 20 januari 2026, IEF 23779; ECLI:NL:GHARL:2026:314 (KPC tegen Esset). In deze zaak staat centraal of Excel-rekenmodellen van Esset Financial Services (Esset) auteursrechtelijk beschermde werken zijn en of KPC daarop inbreuk maakt. Esset biedt via internet financiële Excel-rekenmodellen aan kleine ondernemingen aan. KPC biedt via haar eigen website eveneens Excel-rekenmodellen aan. [de partner] van [de ondernemer] achter KPC kocht in 2013 bij Esset een boekhoudpakket met verschillende rekenmodellen. Nadat Esset overeenkomsten tussen zijn modellen en die van KPC constateerde, vorderde hij onder meer een inbreukverbod, rekening en verantwoording en schadevergoeding. De rechtbank beperkte haar beoordeling tot vier concreet toegelichte rekenmodellen en stelde bij drie daarvan auteursrechtinbreuk op de teksten vast. In hoger beroep licht Esset nog vijf rekenmodellen concreet toe, zodat het hof negen modellen beoordeelt.

IEF 23759

Sonna schendt vaststellingsovereenkomst met Vlisco door merk- en auteursrechtinbreuken

Rechtbank Oost-Brabant 4 mrt 2026, IEF 23759; ECLI:NL:RBOBR:2026:1554 (Vlisco tegen Sonna), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/sonna-schendt-vaststellingsovereenkomst-met-vlisco-door-merk-en-auteursrechtinbreuken

Rb. Oost-Brabant 4 maart 2026, IEF 23759; ECLI:NL:RBOBR:2026:1554 (Vlisco tegen Sonna). Vlisco en stoffenhandelaar Sonna sluiten op 1 februari 2024 een vaststellingsovereenkomst om een eerder geschil over inbreuken op de IE-rechten van Vlisco te beëindigen. Sonna verplicht zich daarin onder meer om geen inbreuk te maken op de merken, auteursrechten en modelrechten van Vlisco en om bepaalde inbreukmakende producten te vernietigen. Daarna constateert Vlisco verschillende nieuwe overtredingen. De rechtbank oordeelt onder meer dat de aanduiding SUPER WAX op voor Sonna bestemde stoffen verwarringwekkend overeenstemt met Vlisco’s Uniewoordmerk SUPER-WAX. Ook bepaalde logo’s op de stoffen stemmen verwarringwekkend overeen met een beeldmerk van Vlisco. Voor de afzonderlijke labels geldt dat niet, omdat daarbij volgens de rechtbank meer verschillen dan overeenkomsten bestaan en het verwarringsgevaar gering is. Daarnaast genieten verschillende Vlisco-dessins auteursrechtelijke bescherming. De door Sonna gebruikte versies van onder meer het parasolbloemendessin en dessin 14-2987 maken daarop inbreuk, omdat de verschillen van ondergeschikte aard zijn en de totaalindruk overeenstemt. Ook bij een proefaankoop stelt de rechtbank zowel een merkinbreuk als een auteursrechtinbreuk vast. Verder levert het online tonen van beschermde dessins en het gebruik van de tekens SUPER WAX, SUPERWAX, Superwax en Grand Superwax op de website van Sonna schendingen van de vaststellingsovereenkomst op. Niet alle verwijten van Vlisco slagen. Zo kan de rechtbank op basis van het beschikbare beeldmateriaal niet vaststellen dat een jurk met een stoelendessin auteursrechtinbreuk maakt. Ook leveren de door Vlisco als misleidend aangemerkte aanduidingen op de door de douane tegengehouden stoffen binnen de specifieke afspraken van de vaststellingsovereenkomst geen schending op.