Boetebeding uit onthoudingsverklaring ziet alleen op specifiek genoemde foto’s
Rb. Overijssel 15 september 2026, IEF 23860; ECLI:NL:RBOVE:2026:5540 ([eiser] tegen [gedaagde]). [eiser] en [gedaagde] zijn directe concurrenten op het gebied van elektrotechnische infrastructuur. Nadat [gedaagde] zonder toestemming twee foto’s van [eiser] op haar website had geplaatst, verstrekte zij een onthoudingsverklaring. Daarin erkende zij dat [eiser] rechthebbende was op de in de voorafgaande correspondentie bedoelde foto’s, erkende zij daarop inbreuk te hebben gemaakt, zegde zij toe ieder gebruik van die foto’s te staken en gestaakt te houden en verbond zij daaraan een boete van € 500 per dag met een maximum van € 10.000. Enkele maanden later verscheen een andere, derde foto van [eiser] op de website van [gedaagde]. [eiser] stelde dat daarmee de maximale boete uit de onthoudingsverklaring was verbeurd. De kantonrechter stelt voorop dat partijen het erover eens zijn dat de onthoudingsverklaring een eenzijdige rechtshandeling is. De uitleg daarvan vindt daarom plaats aan de hand van de wilsvertrouwensleer van art. 3:33 en 3:35 BW. Daarbij zijn alle omstandigheden van het geval van belang en komt geen beslissend gewicht toe aan uitsluitend de taalkundige betekenis van de gebruikte bewoordingen.