Alle rechtspraak  

IEF 23651

Geen inbreuk op model- en auteursrechten Cobefa-grasbetonplaten

Rechtbank Den Haag 19 jun 2026,, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 ((Cobefa tegen [gedaagde])), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-inbreuk-op-model-en-auteursrechten-cobefa-grasbetonplaten

Rb. Den Haag 19 juni 2026, IEF 23651; ECLI:NL:RBDHA:2026:16620 (Cobefa tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de voorzieningenrechter dat er geen sprake is van inbreuk op de model- en auteursrechten van de grasbetonplaten van Cobefa en evenmin slaafse nabootsing. Zowel Cobefa als [gedaagde] zijn producent van betonproducten, waaronder grasbetonplaten. Cobefa houdt verscheidene Uniemodelregistraties voor de grasbetonplaten. Na een sommatiebrief van Cobefa richting [gedaagde] hebben partijen nader overlegd, maar dit heeft niet tot een oplossing geleid. [gedaagde] heeft vervolgens de verkoop niet gestaakt. Cobefa vordert een verbod op inbreuk op haar model- en auteursrechten op de Cobefa-grasbetonplaten en een verbod op slaafse nabootsing, met nevenvorderingen en een dwangsom. Volgens Cobefa maakt [gedaagde] met de verhandeling van de [modelnaam] inbreuk op haar modelrechten, omdat het product bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk wekt dan de Cobefa-modellen. Daarnaast stelt Cobefa dat de grasbetonplaten auteursrechtelijk beschermde werken zijn en dat de creatieve elementen daarvan herkenbaar zijn overgenomen in de [modelnaam]. Ook zou [gedaagde] onrechtmatig handelen door de Cobefa-grasbetonplaten slaafs na te bootsen. [gedaagde] betwist de gestelde inbreuken en voert aan dat de Cobefa-modellen nietig zijn wegens gebrek aan nieuwheid en eigen karakter en omdat de vormgeving technisch bepaald is. Volgens [gedaagde] wekt de [modelnaam] bovendien een andere algemene indruk. Ook is volgens [gedaagde] geen sprake van auteursrechtinbreuk, omdat Cobefa geen auteursrechthebbende zou zijn en de grasbetonplaten geen auteursrechtelijk beschermde werken zijn. Voor zover wel sprake is van auteursrechtelijke bescherming, zijn de creatieve elementen niet herkenbaar overgenomen. Verder betwist [gedaagde] dat sprake is van slaafse nabootsing en voert zij aan dat de slaafse nabootsingsleer in strijd is met Europees recht.

IEF 23648

Geen resultaatsverbintenis bij softwareontwikkeling; beslag op auteursrechten blijft in stand

Rechtbank Amsterdam 29 jun 2026,, IEF 23648; ECLI:NL:RBAMS:2026:6075 ((212 tegen DPO)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/geen-resultaatsverbintenis-bij-softwareontwikkeling-beslag-op-auteursrechten-blijft-in-stand

Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23648; ECLI:NL:RBAMS:2026:6075 (212 tegen DPO). In deze zaak tussen 212 Holding B.V. en DPO One B.V. staat de uitleg van een managementovereenkomst centraal die betrekking heeft op de commerciële ontwikkeling van software. De Rechtbank Amsterdam buigt zich over de vraag of de overeengekomen werkzaamheden moeten worden aangemerkt als een inspanningsverplichting of een resultaatsverplichting, of 212 is tekortgeschoten in de uitvoering van haar opdracht en of DPO daarom betaling van managementvergoedingen en terugbetaling van een converteerbare lening mocht weigeren. 212 verrichtte vanaf april 2024 op basis van een managementovereenkomst werkzaamheden als algemeen directeur voor DPO, een onderneming die software en diensten op het gebied van informatietechnologie en dataprivacy ontwikkelt. Tot haar taken behoorden onder meer de groei van het bedrijf, het ontwikkelen van een technische roadmap, het verbeteren van het partnermodel, het uitbreiden van het netwerk van verkooppartners en het aanscherpen van de prijsstrategie. Naast de managementovereenkomst sloten partijen een convertible loan agreement waarbij 212 € 60.000 aan DPO uitleende. Daarbij was overeengekomen dat de lening direct opeisbaar zou worden indien DPO de managementovereenkomst zou beëindigen. Nadat betaling van de managementvergoedingen uitbleef, legde 212 bovendien conservatoir beslag op de auteursrechten die rusten op het Software-as-a-Service-systeem van DPO, naast beslag op de bankrekening van DPO. Na ongeveer zes maanden ontstond een geschil. DPO stelde dat 212 haar opdracht nauwelijks had uitgevoerd, geen resultaten had geboekt, onvoldoende inzicht had gegeven in haar werkzaamheden en daardoor toerekenbaar tekort was geschoten. Volgens DPO mocht de managementovereenkomst daarom worden ontbonden, hoefden de openstaande facturen niet meer te worden betaald en mocht de terugbetaling van de lening worden opgeschort. Daarnaast vorderde DPO schadevergoeding van € 30.000 en opheffing van de door 212 gelegde conservatoire beslagen. 212 stelde daartegenover dat zij haar werkzaamheden overeenkomstig de overeenkomst had uitgevoerd, dat uitsluitend sprake was van een inspanningsverplichting en dat DPO de openstaande managementvergoedingen én de lening moest voldoen. De rechtbank stelt voorop dat de managementovereenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltex-maatstaf, waarbij beslissend is welke betekenis partijen in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs aan elkaars verklaringen en gedragingen mochten toekennen en wat zij over en weer van elkaar mochten verwachten.

IEF 23647

Arubaanse rechter: mandaat Ducapro onvoldoende voor collectieve handhaving muziekrechten

Antilliaanse Gerechten 10 jun 2026,, IEF 23647; ECLI:NL:OGEAA:2026:160 (Ducapro tegen QW), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/arubaanse-rechter-mandaat-ducapro-onvoldoende-voor-collectieve-handhaving-muziekrechten

Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba 10 juni 2026, IEF 23647; ECLI:NL:OGEAA:2026:160 (Ducapro tegen QW). Het Gerecht in Eerste Aanleg van Aruba wijst de vorderingen van Ducapro tegen Q-Waves af. Q-Waves exploiteert een radiostation op Aruba en zendt muziekwerken uit. Ducapro beroept zich op haar rol als vertegenwoordiger van BUMA/STEMRA op Aruba en stelt dat Q-Waves onrechtmatig handelt door zonder toestemming en zonder betaling muziekwerken openbaar te maken van auteurs en rechthebbenden die via BUMA/STEMRA zouden worden vertegenwoordigd. Zij vordert onder meer een verklaring voor recht, een verbod op verder gebruik van die muziekwerken en schadevergoeding. Het Gerecht stelt voorop dat muziekwerken onder de Arubaanse Auteursverordening worden beschermd en in beginsel niet zonder toestemming van de rechthebbende openbaar mogen worden gemaakt. De Nederlandse Auteurswet, de Wet op de naburige rechten en de Wet toezicht collectieve beheersorganisaties gelden echter niet op Aruba, omdat het geen Rijkswetten zijn. Ook behandelt het Gerecht de vordering niet als collectieve actie op grond van artikel 3:305a BW, omdat Ducapro die grondslag niet vanaf het verzoekschrift duidelijk aan haar vordering ten grondslag legt.

IEF 23621

Noot geschreven door Allard Ringnalda, Klos

Annotatie Mio & USM

Nr. 3 Hof van Justitite van de EU 4 december 2025
IEF 23142; ECLI:EU:C:2025:941


(Mio AB e.a./Galleri Mikael & Thomas Asplund Aktiebolag en Konektra GmbH & LN/USM U. Schärer Sohne AG)


(F. Biltgen, T. von Danwitz, I. Ziemele, A. Kumin en S. Gervasoni)


Samenvatting
Art. 2, 3 en 4 Rl. 2001/29 (Auteursrichtlijn, art. 10 en 13 Aw)

Er bestaat geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming enauteursrechtelijke bescherming in die zin dat bij het onderzoek van de oorspronkelijkheid vanvoorwerpen van toegepaste kunst hogere eisen moeten worden gesteld dan die welke gelden voor- andere soorten werken. Onder een werk in de zin van art. 2, 3 en 4 van Richtlijn 2001/29 (Auteursrechtrichtlijn) wordt een voorwerp verstaan dat de persoonlijkheid van de auteur ervanweerspiegelt door uitdruk- king te geven aan de vrije en creatieve keuzen van die auteur. Niet vrij encreatief zijn niet alleen keuzen die zijn ingegeven door verschillende – met name technische – beperkingen waaraan de auteur gebonden is tijdens het creëren van dat voorwerp, maar ookkeuzen die weliswaar vrij zijn maar niet de persoonlijkheid van de auteur weerspiegelen door aanhet voorwerp een uniek aspect te geven. Omstandigheden zoals de bedoelingen van die auteurtijdens het scheppingsproces, zijn inspiratie-bronnen, het gebruik van reeds beschikbare vormen, demogelijkheid dat gelijkaardige voorwerpen onafhankelijk worden gecreëerd of de erkenning vandat voorwerp in de vakkringen, kunnen in voorkomend geval in aanmerking worden genomen,maar zijn in elk geval noch noodzakelijk noch doorslaggevend om de oorspronkelijkheid van het voorwerp waarvoor aanspraak op bescherming wordt gemaakt vast te stellen. Om een inbreuk ophet auteursrecht vast te stellen, dient te worden bepaald of creatieve elementen van het beschermdewerk op een herkenbare manier zijn overgenomen in het vermeend inbreuk-makende voorwerp.Het feit dat dezelfde algemene visuele indruk wordt gewekt door de twee conflicterendevoorwerpen en de mate van oorspronkelijkheid van het betrokken werk zijn irrelevant. Hetmogelijke bestaan van een gelijkaardig voorwerp kan niet rechtvaardigen dat bescherming wordt geweigerd.

IEF 23619

Drie deskundigen benoemd in filmgeschil over credit als coregisseur en billijke vergoeding

Rechtbank Amsterdam 20 mei 2026,, IEF 23619; ECLI:NL:RBAMS:2026:5771 ([eiser] tegen [gedaagden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/drie-deskundigen-benoemd-in-filmgeschil-over-credit-als-coregisseur-en-billijke-vergoeding

Rb. Amsterdam 20 mei 2026, IEF 23619; ECLI:NL:RBAMS:2026:5771 ([eiser] tegen [gedaagden]). In dit tussenvonnis benoemt de Rechtbank Amsterdam drie deskundigen in een geschil tussen twee filmmakers over de bijdrage van [eiser] aan de film [film]. [eiser] vordert in de hoofdzaak onder meer de credit ‘coregisseur’ en een aanvullende vergoeding van € 48.400,-, althans € 34.400,-, plus 5% van de netto-opbrengst van de film. De rechtbank beslist daarover echter nog niet inhoudelijk. Zij laat de beoordeling van die punten afhangen van het deskundigenonderzoek. De rechtbank benoemt Dirk Visser als juridisch deskundige en voorzitter, Mardou Jacobs als deskundige met productie-ervaring en Paul Ruven als deskundige met regie-ervaring. [eiser] had bezwaar tegen de benoeming van Visser, omdat hij als advocaat verbonden is aan een kantoor dat onder meer filmproducenten, uitgevers en platenmaatschappijen bijstaat. De rechtbank verwerpt dat bezwaar, omdat zij geen reden ziet om aan zijn deskundigheid of onpartijdigheid te twijfelen en wijst daarbij op zijn positie als hoogleraar intellectueel eigendomsrecht en zijn publicaties over filmauteursrecht, exploitatiecontracten en vergoedingen.

IEF 23603

Rb. Den Haag: mand met bodem valt niet onder beschermingsomvang van model van mand zonder bodem, geen slaafse nabootsing

Rechtbank Den Haag 20 mei 2026,, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-mand-met-bodem-valt-niet-onder-beschermingsomvang-van-model-van-mand-zonder-bodem-geen-slaafse-nabootsing

Rb. Den Haag 20 mei 2026, IEF 23603; ECLI:NL:RBDHA:2026:12453 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat de door [gedaagde] aangeboden ‘water baskets’ geen inbreuk maken op de Uniemodelrechten en het auteursrecht van [eiseres] op de Drypot‑manden en evenmin een slaafse nabootsing daarvan opleveren. [eiseres] exploiteert sinds 2013 zogenoemde Drypot‑manden: rotan manden zonder gevlochten bodem, gevlochten rond een plastic binnenpot, waarvoor zij diverse ingeschreven Uniemodellen houdt. [gedaagde] brengt vanaf 2022 “water baskets” (Seline, Bridget, Pauline) op de markt: eveneens rotan manden rond een plastic binnenpot, maar dan met een gevlochten rotanbodem. [eiseres] stelt dat deze water baskets inbreuk maken op haar Uniemodelrechten en auteursrechten op de Drypot‑manden en dat bovendien sprake is van slaafse nabootsing (onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW), en vordert brede verbods‑, recall‑, opgave‑ en afgiftemaatregelen, alsmede schadevergoeding. De Uniemodellen van [eiseres] zijn bij het EUIPO in stand gebleven. Nu [gedaagde] geen reconventionele nietigheidsvordering instelt, gaat de rechtbank uit van geldige modellen, maar bepaalt zij de beschermingsomvang in het licht van het vormgevingserfgoed.

 

 

IEF 23607

Rb. Den Haag bevoegd in geschil over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen

Rechtbank Den Haag 20 mei 2026,, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 ((Betonblock tegen 3A steel)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-bevoegd-in-geschil-over-gestelde-auteursrechtinbreuk-op-betonblokmallen

Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 (Betonblock tegen 3A steel). In deze zaak tussen Betonblock en de Bulgaarse producent 3A Steel heeft de Rechtbank Den Haag zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Betonblock over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen en subsidiair slaafse nabootsing. Volgens de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de gestelde schade mede in Nederland is ingetreden, nu de vermeend inbreukmakende producten via de website van 3A Steel in Nederland toegankelijk zijn en ook daadwerkelijk aan Nederlandse afnemers zijn verkocht. De rechtbank oordeelt daarmee dat zij internationaal en relatief bevoegd is; de vraag welke territoriale reikwijdte een eventueel later op te leggen verbod of rectificatie heeft (EU-breed of slechts nationaal), is volgens de rechtbank een inhoudelijke vraag die in de hoofdzaak moet worden beantwoord. De rechtbank wijst het bevoegdheidsincident van 3A Steel daarom af. Over de gestelde auteursrechtinbreuk, slaafse nabootsing en de wederzijdse contractuele vorderingen heeft de rechtbank zich nog niet inhoudelijk uitgelaten. Betonblock ontwikkelt, produceert en verkoopt stalen mallen voor betonblokken. 3A Steel produceerde sinds 2009 dergelijke mallen voor Betonblock. De afspraken tussen partijen waren niet schriftelijk vastgelegd. Tussen 2022 en 2024 ontstonden geschillen over onder meer prijsverhogingen, een gestelde minimumafnameverplichting en mogelijke betalingen aan een voormalig medewerker van Betonblock. In juli 2024 schortte 3A Steel de levering van mallen op wegens volgens haar niet nagekomen minimumafnames en openstaande facturen. Op 29 augustus 2024 verklaarde zij de volgens haar bestaande exclusieve afspraken met Betonblock primair ontbonden en subsidiair opgezegd. Vervolgens opende zij op 14 september 2024 de webshop www.3ablock.com, waarop zij gelijkende mallen aanbood. Volgens Betonblock maken deze producten inbreuk op haar auteursrechten op de betonblokmallen dan wel vormen zij een ontoelaatbare slaafse nabootsing. In de hoofdzaak vordert zij onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van auteursrechtinbreuk, subsidiair onrechtmatig handelen, een verbod op het vervaardigen, aanbieden en verkopen van gelijkende producten, opgave van in- en verkopen, rectificatie, schadevergoeding en een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv. 

IEF 23600

Uitspraak ingezonden door Maga Verwoert & Max van Oostrum, Leeway.

Hof ’s-Hertogenbosch bekrachtigt executievonnis: executie door Stokke onrechtmatig

HvJ EU 26 mei 2026,, IEF 23600; 200.361.497/01 ((Stokke c.s. tegen Cybex c.s.)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-s-hertogenbosch-bekrachtigt-executievonnis-executie-door-stokke-onrechtmatig

Hof ’s-Hertogenbosch 26 mei 2026, IEF 23600; 200.361.497/01 (Stokke c.s. tegen Cybex c.s.). Het gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft het executievonnis (IEF 23045) tussen Stokke c.s. en Cybex c.s. bekrachtigd. Volgens het hof heeft Cybex geen dwangsommen verbeurd wegens overtreding van het eerder opgelegde verbod met betrekking tot de Iris Chair. De door Stokke ingestelde executiemaatregelen waren daarom onrechtmatig. Aan het geschil ligt een eerder kortgedingvonnis ten grondslag waarin Cybex was verboden de Iris Chair binnen de Europese Unie te verhandelen wegens een aangenomen auteursrechtinbreuk op de Tripp Trapp-stoel van Stokke . Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft dat verbod later vernietigd voor de lidstaten buiten Nederland (IEF 23486). Daardoor resteerde in het onderhavige executiegeschil uitsluitend nog de vraag of Cybex binnen Nederland het verbod had overtreden en daardoor dwangsommen had verbeurd. Stokke stelde dat Cybex het verbod had geschonden doordat promotievideo's van de Iris Chair na betekening van het vonnis nog zichtbaar waren op de global social-media-accounts van Cybex Retail op Facebook, Instagram, YouTube en LinkedIn. Ook werd aanvankelijk gewezen op een brief aan afnemers en een vermeend aanbod van de stoel via een website, maar die verwijten werden tijdens de procedure ingetrokken. Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van een gestelde overtreding niet alleen naar de letterlijke tekst van het dictum moet worden gekeken, maar ook naar de overwegingen waarop de veroordeling berust. Uit het oorspronkelijke kortgedingvonnis volgt volgens het hof dat sprake was van een terughoudend geformuleerd verbod. De voorzieningenrechter had uitdrukkelijk overwogen dat de maatregel uitsluitend was bedoeld als een "standstill" om verdere marktintroductie van de Iris Chair te voorkomen totdat in een bodemprocedure duidelijkheid zou bestaan over de auteursrechtelijke beoordeling. Tegen die achtergrond moet het verbod volgens het hof beperkt worden uitgelegd. Het verbod zag op nieuwe handelingen gericht op verkoop, verhandeling of verdere marktintroductie van de Iris Chair.

IEF 23583

Beperkte schending van geheimhoudingsbeding bij gebruik luikafbeelding

Rechtbank Overijssel 20 mei 2026,, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/beperkte-schending-van-geheimhoudingsbeding-bij-gebruik-luikafbeelding

Rb. Overijssel 20 mei 2026, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Tussen [eiseres] en [gedaagde], beide actief in de jachtbouw, gold een inleenovereenkomst op grond waarvan de directeur van [gedaagde] door [eiseres] werd ingeleend voor het opzetten en marktrijp maken van een luikenprogramma. In de toepasselijke algemene voorwaarden waren geheimhoudingsverplichtingen opgenomen, waaronder een verbod om vertrouwelijke informatie bekend te maken of voor andere doeleinden te gebruiken, en een verbod om resultaten van de verrichte diensten zonder toestemming aan derden beschikbaar te stellen. Aan overtreding was een contractuele boete verbonden van € 50.000 per gebeurtenis, vermeerderd met € 5.000 per dag of dagdeel. Nadat [eiseres] in januari 2025 ontdekte dat [gedaagde] op haar eigen website een afbeelding had geplaatst van een tijdens de inleen gemaakte rendering van een scheepsluik, vorderde zij betaling van de contractuele boete. De rechtbank stelt bij de uitleg van de bedingen de tekst centraal, omdat het ging om algemene voorwaarden waarover niet was onderhandeld en partijen geen concrete omstandigheden hadden aangevoerd die een afwijkende uitleg rechtvaardigden. Volgens de rechtbank is geen sprake van schending van artikel 15 lid 1 of lid 5 onder b: uit de afbeelding konden geen technische gegevens worden afgeleid, het grootste deel van het design was al openbaar via de website van [eiseres] zelf, en het nog niet openbare element, het verdiepte kruis in het deksel, was onvoldoende concreet uitgewerkt om als vertrouwelijke informatie te gelden.

IEF 23578

Foto zonder toestemming en naamsvermelding gepubliceerd: schadevergoeding wegens auteursrechtinbreuk

Rechtbank Amsterdam 19 mei 2026,, IEF 23578; ECLI:NL:RBAMS:2026:5170 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/foto-zonder-toestemming-en-naamsvermelding-gepubliceerd-schadevergoeding-wegens-auteursrechtinbreuk

Rb. Amsterdam 19 mei 2026, IEF 23578; ECLI:NL:RBAMS:2026:5170 ([eiser] tegen [gedaagde]). De kantonrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt dat gedaagde inbreuk heeft gemaakt op de auteursrechten en persoonlijkheidsrechten van eiser, een professioneel fotograaf, door een door hem gemaakte foto van een 538-Koningsdagbezoekster zonder toestemming en zonder naamsvermelding op haar website te publiceren. Het verweer dat niet vaststaat dat de foto auteursrechtelijk beschermd is, wordt gepasseerd, onder meer omdat dit pas bij dupliek is aangevoerd en gedaagde in haar conclusie van antwoord nog zelf ervan uitging dat op de foto auteursrecht rustte. Ten overvloede overweegt de kantonrechter dat voldoende aannemelijk is dat de foto auteursrechtelijke bescherming geniet, omdat sprake is van een bewust gekozen hoek en focus die de foto een eigen, oorspronkelijk karakter geven. Ook het beroep van gedaagde op mogelijk rechtmatig gebruik via beeldbanken slaagt niet, omdat zij onvoldoende concreet heeft onderbouwd dat zij daadwerkelijk toestemming had om de foto te gebruiken. Dat gedaagde de inbreuk niet bewust zou hebben gepleegd, doet daaraan niet af: de publicatie zonder toestemming van de maker en zonder diens naam te vermelden levert een schending op van diens exploitatierechten en persoonlijkheidsrechten.