IEF 19778

Sisvel veroordeeld tot betaling proceskosten

Rechtbank Den Haag 17 februari 2021, IEF 19778, IT 3413, ECLI:NL:RBDHA:2021:1266 (Sisvel tegen Oppo en Wiko) [Vervolg op IEF 19293]. Sisvel had verleden jaar een zaak aangespannen tegen Oppo c.s. en Wiko c.s. omdat deze van mening was dat de partijen inbreuk hadden gemaakt op haar octrooi. De rechtbank had haar hierbij in het ongelijk gesteld en verklaarde het octrooi van Sisvel nietig. Sisvel is daarnaast ook veroordeeld tot het vergoeden van de proceskosten van haar tegenpartijen. In deze zaak maakt zij daartegen bezwaar. Zij is van mening dat de proceskosten op onjuiste wijze zijn vastgesteld, wegens het niet in lijn zijn met artikel 1019h Rv en jurisprudentie van de Hoge Raad. Sisvel betoogt evenzeer dat er voor de vaststelling ook in aanmerking moet worden genomen welke van de door de winnende partij aangevoerde argumenten succes hebben gehad en welke niet. De rechtbank gaat in geen van de argumenten van Sisvel mee en wijst haar vorderingen dan ook af, waardoor zij alsnog veroordeeld is tot de proceskosten in de hoofdzaak.

2.5. Sisvel betoogt ten aanzien van alle gedaagden voorts dat, zo al sprake zou zijn van toepasselijkheid van art. 1019h Rv, in deze octrooizaken de indicatietarieven in IE-zaken – die niet gelden voor octrooizaken – analoog moeten worden toegepast. De rechtbank ziet daartoe in de specifieke omstandigheden van deze procedures geen aanleiding.

2.6. Ook de stelling van Sisvel dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad zou volgen dat niet de volledige gemaakte kosten, maar alleen een significant deel daarvan voor vergoeding in aanmerking komt, wordt verworpen. Dit berust op een verkeerde lezing van de bedoelde arresten van de Hoge Raad (en van het arrest van het Hof van Justitie in United Video, genoemd in voetnoot 2). In die zaken is immers (kort gezegd) aangenomen dat indien sprake is van een regeling van forfaitaire tarieven, die regeling minst genomen een vergoeding van de redelijke en evenredige tarieven dient te waarborgen. In deze zaak is als gezegd echter geen sprake van een forfaitaire regeling en probeert Sisvel bovendien het minimum (significant deel) ten onrechte tot maximum te verheffen.

2.7. Wat betreft het door Sisvel in de zaken tegen Oppo en Wiko cs gevoerde verweer dat bij de beoordeling van de redelijkheid en evenredigheid van de gevorderde proceskosten in aanmerking moet worden genomen welke van de door de winnende partij aangevoerde argumenten succes hebben gehad en welke niet (de slagingskans/redelijkheid van het verweer) overweegt de rechtbank (voor zover nodig in aanvulling op het in r.o. 2.4 geoordeelde) als volgt. Sisvel betoogt in dat verband dat rekening moet worden gehouden met het feit dat de rechtbank in beide zaken heeft geoordeeld dat de (voor de inbreuk) relevante conclusies van het octrooi nietig zijn wegens het ontbreken van inventiviteit. Uit het feit dat aan de andere (nietigheids- en niet-technische) argumenten niet is toegekomen, leidt Sisvel af dat die argumenten niet opgaan, zodat de door gedaagden met betrekking tot die argumenten opgevoerde kosten voor hun rekening dienen te blijven. Dit verweer, dat Sisvel niet in eerdere stukken heeft gevoerd terwijl zij dat, ook zonder kennis van de proceskostenspecificatie wel had kunnen voeren, moet worden gekwalificeerd als nieuw en zal derhalve buiten beschouwing blijven, zoals Oppo ook bepleit. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat, hoewel niet valt uit te sluiten dat het in bepaalde, sprekende gevallen, redelijk kan zijn bij de begroting van de kosten rekening te houden met de kans van slagen van de aangevoerde argumenten, zij daarvoor in de onderhavige zaken in elk geval geen aanleiding ziet. Oppo en Wiko cs hebben voorts weersproken, dat de door hen gevoerde weren waarop de rechtbank haar eindoordeel niet heeft gebaseerd, kansloos waren.