DOSSIERS
Alle dossiers

Woord- en of beeldmerk  

IEF 23475

Het Gerecht oordeelt dat tussen Ibumax-Lysin en ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23475; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-ibumax-lysin-en-ibum-verwarringsgevaar-bestaat-in-de-zin-van-artikel-8-lid-1-onder-b-umvo

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23475, IEFbe 4190; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.). Het Gerecht heeft het beroep van Vitabalans verworpen en daarmee het besluit van de Eerste Kamer van Beroep van het EUIPO van 29 april 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Ibumax-Lysin en het oudere Poolse woordmerk ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vitabalans had Ibumax-Lysin aangevraagd voor “ibuprofen for use as an oral analgesic” in klasse 5, terwijl Hasco TM oppositie had ingesteld op basis van onder meer het oudere Poolse merk ibum, dat onder meer is ingeschreven voor farmaceutische producten en analgesica in klasse 5. Het Gerecht bevestigde allereerst dat de bijlagen A.6 tot en met A.8, die pas voor het eerst voor het Gerecht waren overgelegd, niet-ontvankelijk waren, omdat de rechtmatigheidstoetsing beperkt blijft tot het feitelijke en juridische kader dat voor de Kamer van Beroep bestond. Verder onderschreef het Gerecht dat het relevante publiek zich in Polen bevindt en bestaat uit zowel het algemene publiek als gezondheidsprofessionals, die bij farmaceutische producten een hoog aandachtsniveau hebben. Ook de warenvergelijking hield stand: “ibuprofen for use as an oral analgesic” valt binnen de ruimere categorieën “pharmaceutical products” en meer specifiek “analgesics” van het oudere merk, zodat de betrokken waren identiek zijn.

IEF 23474

Het Gerecht oordeelt dat tussen Serosan en CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23474; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-serosan-en-clenosan-geen-verwarringsgevaar-bestaat

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23474; IEFbe 4189; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV). Het Gerecht heeft het beroep van Ionfarma verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 22 mei 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Serosan en het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vision Healthcare had Serosan aangevraagd voor een reeks waren in klasse 5, waaronder voedingssupplementen, kruidenpreparaten, vitaminen, sedativa, tonica, probiotica, eiwit- en enzymsupplementen en plantaardige extracten voor farmaceutische doeleinden. Ionfarma stelde oppositie in op basis van het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN voor “soaps, cosmetics” in klasse 3; op verzoek van Vision Healthcare leverde Ionfarma tevens bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De oppositieafdeling wees de oppositie af, waarna ook de Kamer van Beroep het beroep verwierp. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante territorium Spanje is en dat het relevante publiek bestaat uit afnemers van zowel de klasse 3-waren als de klasse 5-waren; voor de waren van het oudere merk geldt een gemiddeld aandachtsniveau en voor de gezondheidsgerelateerde waren van het aangevraagde merk een hoog aandachtsniveau, zodat het relevante aandachtsniveau varieert van gemiddeld tot hoog. Voor de vergelijking van de waren sloot het Gerecht zich aan bij de door de Kamer van Beroep uit proceseconomische redenen gekozen, voor Ionfarma meest gunstige aanname dat de betrokken waren identiek zijn, juist omdat de Kamer van Beroep de warenvergelijking niet inhoudelijk had uitgewerkt en het niet aan het Gerecht is om dat voor het eerst zelf te doen.

IEF 23473

Het Gerecht oordeelt dat tussen LEONHART en EL LEON voor het Spaanse publiek geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23473; ECLI:EU:T:2026:259 (Instanta sp. z o.o. tegen EUIPO en Heineken España, SA), https://www.ie-forum.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-leonhart-en-el-leon-voor-het-spaanse-publiek-geen-verwarringsgevaar-bestaat-in-de-zin-van-artikel-8-lid-1-onder-b-umvo

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23473; IEFbe 4188; ECLI:EU:T:2026:259 (Instanta sp. z o.o. tegen EUIPO en Heineken España, SA). In zijn arrest in zaak T-461/25 heeft het Gerecht het besluit van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 12 mei 2025 vernietigd en gewijzigd, omdat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk LEONHART en het oudere Spaanse figuratieve merk EL LEON geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Instanta had LEONHART aangevraagd voor waren in de klassen 30 en 32, waarna Heineken España oppositie instelde op basis van haar oudere Spaanse figuratieve merk EL LEON, dat onder meer was ingeschreven voor waren in klasse 32. De oppositieafdeling had de oppositie toegewezen en de Kamer van Beroep had het daartegen ingestelde beroep verworpen. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek als het professionele publiek in Spanje met een gemiddeld aandachtsniveau, en liet ook in stand dat de betrokken waren identiek dan wel gemiddeld soortgelijk zijn. Wel verklaarde het Gerecht het pas voor het eerst in beroep aangevoerde argument dat het element “hart” door het Spaanse publiek met het woord harto in verband zou kunnen worden gebracht, alsmede het daarbij overgelegde woordenboekuittreksel, niet-ontvankelijk, omdat dit betoog niet reeds voor de Kamer van Beroep was aangevoerd en dus buiten het feitelijke en juridische kader van het geding viel.

IEF 23453

Gerecht vernietigt EUIPO-beslissing over het merk déjà vu wegens gebrek aan beoordeling van de gebruiksduur

Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 okt 2025, IEF 23453; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-vernietigt-euipo-beslissing-over-het-merk-deja-vu-wegens-gebrek-aan-beoordeling-van-de-gebruiksduur

Gerecht EU 8 oktober 2025, IEF 23453; IEFbe 4183; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz). In deze zaak vordert Huda Beauty Ltd op grond van art. 263 VWEU gedeeltelijke nietigverklaring van een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 16 april 2024, voor zover die beslissing de vervalvordering tegen het EU-woordmerk déjà vu voor waren in klasse 3 (“parfumerieproducten”) had afgewezen. Het vervalverzoek was gebaseerd op art. 58 lid 1, onder a, UMVo, omdat het merk volgens Huda Beauty gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal was gebruikt. De door de interveniënt opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding wordt door het Gerecht verworpen: de bestreden beslissing was op 22 april 2024 aan Huda Beauty meegedeeld, zodat het op 2 juli 2024 ingestelde beroep, rekening houdend met de beroepstermijn van twee maanden van art. 72 lid 5 UMVo en de forfaitaire afstandstermijn van tien dagen, tijdig was. Ten gronde stelt het Gerecht voorop dat werkelijk gebruik moet worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens, en dat op grond van art. 10 lid 3 van Gedelegeerde Verordening 2018/625 cumulatief moet blijken van de plaats, duur, omvang en aard van het gebruik. De relevante periode liep hier van 21 april 2016 tot en met 20 april 2021. Hoewel voor verval niet is vereist dat het merk onafgebroken gedurende de gehele periode is gebruikt, maar voldoende is dat sprake is van normaal gebruik tijdens een deel daarvan, moet de Kamer van Beroep wel zelfstandig beoordelen of het temporele element van het gebruik voldoende is aangetoond. Juist daarin schoot de bestreden beslissing volgens het Gerecht tekort. Onder het kopje “duur en plaats van het gebruik” bevatte die beslissing slechts één overweging, die geen temporele elementen noemde en in wezen alleen betrekking had op Duitsland als plaats van gebruik. Dat elders in de beslissing bewijsstukken waren opgesomd of in het kader van de omvang van het gebruik enkele stukken waren genoemd die mogelijk ook iets over de duur konden zeggen, maakt dat niet anders: de Kamer van Beroep had in de bestreden beslissing geen zelfstandige beoordeling en geen eigen conclusie gegeven over de duur van het gebruik van het merk. Daarmee heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

IEF 23366

Uitdrukkelijke toestemming moet expliciet blijken: geen ruimte voor impliciete instemming onder artikel 60, lid 3, UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 okt 2025, IEF 23366; ECLI:EU:T:2025:972 (Danger Group Co. Ltd tegen EUIPO en Carlos Heredia Casanella), https://www.ie-forum.nl/artikelen/uitdrukkelijke-toestemming-moet-expliciet-blijken-geen-ruimte-voor-impliciete-instemming-onder-artikel-60-lid-3-umvo

Gerecht EU 22 oktober 2025, IEF 23366; IEFbe 4141; ECLI:EU:T:2025:972 (Danger Group Co. Ltd tegen EUIPO en Carlos Heredia Casanella). In deze zaak stond vast dat het bestreden EU-beeldmerk Danger identiek was aan een ouder Spaans beeldmerk van de interveniënt en bovendien was ingeschreven voor dezelfde waren in de klassen 25 en 28. De nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep van het EUIPO hadden het merk daarom nietig verklaard op grond van artikel 60, lid 1, onder a, UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder a, UMVo. Voor het Gerecht bestreed Danger Group die dubbele identiteit van teken en waren niet. Het geschil beperkte zich daarom tot de vraag of de uitzondering van artikel 60, lid 3, UMVo toepassing kon vinden, dat wil zeggen of de houder van het oudere Spaanse merk uitdrukkelijk had ingestemd met de registratie van het latere Uniemerk. Danger Group voerde aan dat die toestemming kon worden afgeleid uit de rol van de interveniënt bij de aanvraag van het merk en uit de omstandigheden rond de registratie en overdracht ervan.

IEF 23284

Geen merkinbreuk of handelsnaaminbreuk door “Partij met Lef!

Rechtbank Rotterdam 30 jan 2026, IEF 23284; ECLI:NL:RBROT:2026:857 (LEF tegen Groep de Rijke), https://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-merkinbreuk-of-handelsnaaminbreuk-door-partij-met-lef

Rb. Rotterdam 30 januari 2026, IEF 23284; ECLI:NL:RBROT:2026:857 (LEF tegen Groep de Rijke). In dit kort geding vordert politieke partij LEF dat Groep de Rijke het gebruik van de naam “Partij met Lef!” staakt wegens inbreuk op haar Benelux-beeldmerk, (spoedgeregistreerde) woordmerk “LEF” en handelsnaam, dan wel wegens onrechtmatig handelen. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen af. Bij vergelijking van het volledige geregistreerde beeldmerk van LEF met de door Groep de Rijke gebruikte logo’s ontbreekt voldoende visuele, auditieve en begripsmatige overeenstemming; de verschillen in kleur, typografie, aanvullende woorden (“Partij met”) en grafische elementen maken dat geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van art. 2.20 lid 2 sub b BVIE. Aan het subsidiaire beroep wordt niet toegekomen. Ten aanzien van het woordmerk “LEF” kan in kort geding niet worden vooruitgelopen op de definitieve registratie. Ook van handelsnaaminbreuk (art. 5 en 5a Hnw) is voorshands geen sprake: het enkele gedeelde gebruik van het woord “lef” is, gelet op de totaalindruk en de context, onvoldoende voor verwarringsgevaar. Daarmee is ook onrechtmatig handelen niet aannemelijk.

IEF 23276

Normaal gebruik van het merk ZOOM in de Benelux

BenGH 7 mei 2025, IEF 23276; C 2024/10 (Zoom Video Communications, Inc tegen Kabushiki Kaisha Zoom), https://www.ie-forum.nl/artikelen/normaal-gebruik-van-het-merk-zoom-in-de-benelux

BenGH 7 mei 2025, IEF 23276; IEFbe 4105; C 2024/10 (Zoom Video Communications, Inc. tegen Kabushiki Kaisha Zoom). In deze zaak oordeelt het Benelux-Gerechtshof over een verzoek van Zoom Video Communications, Inc. tot vervallenverklaring wegens niet-gebruik van het oudere Benelux-woordmerk ZOOM, dat toebehoort aan Kabushiki Kaisha Zoom. Het geschil draait om de vraag of het merk in de periode 2016–2021 normaal is gebruikt voor de waren waarvoor het is ingeschreven in de klassen 9 en 15. Het Hof bevestigt het uitgangspunt dat van normaal gebruik sprake is wanneer het merk reëel commercieel wordt gebruikt om afzet te vinden of te behouden, waarbij een globale beoordeling plaatsvindt aan de hand van onder meer aard van de waren, marktkenmerken en omvang en frequentie van het gebruik. Bij ruime warenomschrijvingen moet worden onderzocht of zelfstandige subcategorieën kunnen worden onderscheiden op basis van doel en bestemming; alleen dan kan verval gedeeltelijk worden uitgesproken.

IEF 23241

Kort geding: nakoming aandelenoverdracht en teruglevering woordmerk afgedwongen

Rechtbank Amsterdam 25 nov 2025, IEF 23241; ECLI:NL:RBAMS:2025:10092 ([eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] tegen OKA en [gedaagde 2]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-nakoming-aandelenoverdracht-en-teruglevering-woordmerk-afgedwongen

Rb. Amsterdam 25 november 2025, IEF 23241; ECLI:NL:RBAMS:2025:10092 ([eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] tegen OKA en [gedaagde 2]). In dit kort geding bij de rechtbank Amsterdam stond een geschil centraal tussen aandeelhouders/bestuurders van een vennootschap die een cafetaria en broodjeszaak exploiteert. Partijen hadden in een tussenovereenkomst afgesproken dat een derde partij voor 1/3 aandeelhouder zou worden, tegen betaling van € 25.000, met levering via de notaris. Hoewel de oorspronkelijk beoogde leveringsdatum werd overschreden, bleek uit latere correspondentie dat partijen de overeenkomst feitelijk bleven uitvoeren en de termijn stilzwijgend verlengden. Het verweer van gedaagden dat de overeenkomst was beëindigd wegens het verstrijken van de datum werd daarom verworpen. De voorzieningenrechter achtte voldoende aannemelijk dat de bodemrechter nakoming zou toewijzen en gelastte levering van 20 aandelen aan eiser, onder oplegging van een dwangsom.

IEF 23204

Benelux-merk EIFFEL ten onrechte doorgehaald: geen kwade trouw en geen misleiding

BenGH 30 sep 2025, IEF 23204; C 2024/03 (Eiffel World tegen verweerster), https://www.ie-forum.nl/artikelen/benelux-merk-eiffel-ten-onrechte-doorgehaald-geen-kwade-trouw-en-geen-misleiding

BenGH 26 november, IEF 23204; IEFbe 4081; C 2024/03 (Eiffel World tegen verweerster). Het Benelux-Gerechtshof vernietigt het besluit van het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE) waarbij het Benelux-woordmerk EIFFEL van Eiffel World was doorgehaald wegens vermeende kwade trouw en misleiding. Het Hof stelt voorop dat kwade trouw bij merkaanvraag slechts kan worden aangenomen wanneer uit objectieve en samenhangende omstandigheden blijkt dat het merk is aangevraagd met een oneerlijk oogmerk, zoals het schaden van derden of het verkrijgen van een exclusief recht buiten de normale merkrechtelijke functies. Dat Eiffel World en haar bestuurder Philippe Coupérie-Eiffel bekend waren met de Association des descendants de Gustave Eiffel (ADGE) en eerdere geschillen over de naam Eiffel, is daarvoor onvoldoende. Naar Benelux-recht bestaat geen vereiste van voorafgaande toestemming van een familievereniging voor het deponeren van een achternaam als merk, en verplichtingen die Philippe Coupérie-Eiffel in het verleden jegens ADGE is aangegaan binden Eiffel World niet. Ook het gestelde niet-gebruik van het merk vormt op zichzelf geen bewijs van kwade trouw.

IEF 22958

Geen verwarringsgevaar of reputatieschade: Gerecht EU wijst oppositie Tamasu Butterfly af

Gerecht EU (voorheen GvEA) 24 sep 2025, IEF 22958; ECLI:EU:T:2025:892 (Tamasu Butterfly Europa GmbH tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-verwarringsgevaar-of-reputatieschade-gerecht-eu-wijst-oppositie-tamasu-butterfly-af

Gerecht EU 24 september 2025, IEF 22958; IEFbe 3995, ECLI:EU:T:2025:892 (Tamasu Butterfly Europa GmbH tegen EUIPO). Tamasu Butterfly Europa GmbH, een Duitse onderneming actief in onder meer sportartikelen en -kleding, stelt beroep in bij het Gerecht tegen een beslissing van de Kamer van Beroep. Aanleiding is de internationale inschrijving van het woordmerk BTFY door het Britse bedrijf Domu Brands Ltd, waarbij bescherming in de Europese Unie is gevraagd. Tamasu verzet zich tegen deze inschrijving op basis van haar oudere rechten, waaronder het Uniewoordmerk Butterfly, alsook handelsnamen zoals Butterfly en BTY die in Duitsland zouden worden gebruikt. Het EUIPO heeft de oppositie afgewezen, omdat het de tekens onvoldoende gelijkend acht en ook geen sprake ziet van reputatieschade of verwarringsgevaar. De Kamer bevestigt deze beslissing, waarna Tamasu zich tot het Gerecht wendt. Tamasu voert drie middelen aan.Ten eerste zou het EUIPO artikel 8, lid 1, onder b, van de Uniemerkenverordening hebben geschonden door te concluderen dat er geen verwarringsgevaar bestaat tussen Butterfly en BTFY. Het Gerecht bevestigt dit oordeel en stelt vast dat de tekens visueel, fonetisch en conceptueel duidelijk van elkaar verschillen. Zo is Butterfly een betekenisvol Engels woord, terwijl BTFY geen duidelijke betekenis heeft en onvoldoende is aangetoond dat het publiek dit als afkorting van Butterfly zou herkennen. Daarmee kan verwarringsgevaar worden uitgesloten.