DOSSIERS
Alle dossiers

Woord- en of beeldmerk  

IEF 23693

Gerecht bevestigt verwarringsgevaar tussen beeldmerk go VEGE en woordmerk végé’

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 jul 2026,, IEF 23693; ECLI:EU:T:2026:469 (Desimo, Lda. tegen EUIPO en Topas GmbH), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-verwarringsgevaar-tussen-beeldmerk-go-vege-en-woordmerk-vege

Gerecht 15 juli 2026, IEF 23693; IEFbe 4262; ECLI:EU:T:2026:469 (Desimo, Lda. tegen EUIPO en Topas GmbH). Het Gerecht verwerpt het beroep van Desimo tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de inschrijving van het beeldmerk go VEGE gedeeltelijk is geweigerd wegens verwarringsgevaar met het oudere Uniewoordmerk végé’ van Topas. De betrokken waren en diensten bestaan onder meer uit vegetarische en plantaardige voedingsmiddelen in de klassen 29 en 30 en detailhandelsdiensten voor voedingsmiddelen in klasse 35. Desimo betwistte niet dat het relevante publiek bestaat uit het algemene en professionele publiek in de Europese Unie, met een laag tot gemiddeld aandachtsniveau, dat de betrokken waren en diensten deels identiek en deels, ten minste in geringe mate, soortgelijk zijn en dat het oudere merk een zwak onderscheidend vermogen heeft. Volgens het Gerecht mocht de kamer van beroep oordelen dat het woordelement ‘VEGE’ het dominante bestanddeel van het aangevraagde merk vormt. Dit element trekt door zijn centrale positie en omvang in de eerste plaats de aandacht van de consument. Het kleinere woord ‘go’ heeft voor het Engelstalige publiek een zwak onderscheidend karakter, omdat het kan worden opgevat als een aansporing om een vegetarische levensstijl aan te nemen. De groene cirkel en de tak met bladeren zijn hoofdzakelijk decoratief en verwijzen in de context van de betrokken waren en diensten naar een ecologisch of milieuvriendelijk karakter. Een element met een zwak onderscheidend vermogen kan niettemin dominant zijn wanneer het door zijn positie of omvang de totaalindruk van het merk bepaalt.

IEF 23692

Gerecht bevestigt gedeeltelijke weigering van het teken OPENAI wegens beschrijvend karakter

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 jul 2026,, IEF 23692; ECLI:EU:T:2026:472 (OpenAI tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-gedeeltelijke-weigering-van-het-teken-openai-wegens-beschrijvend-karakter

Gerecht EU 15 juli 2026, IEF 23692; IEFbe 4261; ECLI:EU:T:2026:472 (OpenAI tegen EUIPO). Het Gerecht verwerpt het beroep van OpenAI, Inc. tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO om het woordteken OPENAI niet in te schrijven voor bepaalde waren en diensten in de klassen 9, 42 en 45. Het relevante publiek bestaat uit het Engelstalige algemene en professionele publiek in de Europese Unie, met een aandachtsniveau dat varieert van gemiddeld tot hoog. Volgens het Gerecht zal dit publiek het teken gemakkelijk herkennen als een combinatie van ‘open’ en ‘AI’, waarbij ‘AI’ algemeen wordt begrepen als de afkorting van artificial intelligence en ‘open’ in de technologische context onder meer kan verwijzen naar toegankelijke, onbeperkte, transparante of vrij beschikbare kunstmatige intelligentie. Voor toepassing van artikel 7 lid 1 onder c UMVo is voldoende dat ten minste één mogelijke betekenis van een teken een kenmerk van de betrokken waren of diensten beschrijft. De combinatie OPENAI volgt bovendien de gewone Engelse grammaticale structuur en creëert geen indruk die voldoende afwijkt van de som van haar bestanddelen. Dat de woorden zonder spatie zijn samengevoegd en dat de combinatie niet als vaste uitdrukking in een woordenboek voorkomt, neemt het beschrijvende karakter daarom niet weg.

IEF 23684

Gerecht EU laat terugverwijzingsbeslissing over het beschrijvende karakter van ‘MICUIR HANDMADE IN SPAIN’ in stand

Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 jul 2026,, IEF 23684; ECLI:EU:T:2026:448 (Elena Nayra Peña de Paz tegen EUIPO en Cuchy & Charly, SL), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-laat-terugverwijzingsbeslissing-over-het-beschrijvende-karakter-van-micuir-handmade-in-spain-in-stand

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23684; IEFbe 4258; ECLI:EU:T:2026:448 (Elena Nayra Peña de Paz tegen EUIPO en Cuchy & Charly, SL). Cuchy & Charly verzocht om nietigverklaring van het Uniewoordmerk MICUIR HANDMADE IN SPAIN voor waren in de klassen 18 en 25. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af, maar de kamer van beroep vernietigde die beslissing en verwees de zaak terug voor een volledig onderzoek naar het beschrijvende karakter en het gebrek aan onderscheidend vermogen voor alle betrokken waren. Het Gerecht oordeelt dat het beroep van de merkhouder tegen deze terugverwijzingsbeslissing ontvankelijk is. Een beslissing van een kamer van beroep is ook voor beroep vatbaar wanneer de zaak wordt terugverwezen, omdat de nietigheidsafdeling op grond van artikel 71 lid 2 UMVo aan de motivering en het dictum daarvan gebonden is. De merkhouder moest daarom onmiddellijk kunnen opkomen tegen de bindende vaststelling dat een niet te verwaarlozen deel van het Franstalige publiek het teken beschrijvend opvat. Dat zij in de procedures bij het EUIPO geen opmerkingen had ingediend, stond niet aan haar beroep of argumenten in de weg: actieve deelname is daarvoor geen voorwaarde. Het Gerecht legt haar verzoek om de beslissing te “vernietigen of in te trekken” uitsluitend uit als een verzoek tot nietigverklaring, omdat intrekking op grond van artikel 103 UMVo aan het EUIPO zelf is voorbehouden. Ook de overgelegde bijlagen waren ontvankelijk, hetzij omdat zij al tot het EUIPO-dossier behoorden, betrekking hadden op registratiepraktijk of noodzakelijk waren voor het beroep, hetzij omdat zij waren bedoeld om door de kamer van beroep als algemeen bekend aangemerkte feiten te betwisten.

IEF 23683

Gerecht EU vernietigt afwijzing van oppositie tegen BLUE PADEL wegens onvolledige beoordeling van verwarringsgevaar met BULLPADEL

Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 jul 2026,, IEF 23683; ECLI:EU:T:2026:440 (Aguirre y Compañía, SA tegen EUIPO en Maria Margarida Moreira de Almeida Santos), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-vernietigt-afwijzing-van-oppositie-tegen-blue-padel-wegens-onvolledige-beoordeling-van-verwarringsgevaar-met-bullpadel

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23683; IEFbe 4257; ECLI:EU:T:2026:440 (Aguirre y Compañía, SA tegen EUIPO Maria Margarida Moreira de Almeida Santos). Aguirre y Compañía verzette zich tegen de inschrijving van het Uniewoordmerk BLUE PADEL voor “jerseys [kleding]” in klasse 25 op basis van drie oudere Uniebeeldmerken BULLPADEL. Het Gerecht bevestigt dat het relevante publiek bestaat uit het algemene publiek van de Europese Unie met een gemiddeld aandachtsniveau. De jerseys vallen onder de ruimere categorieën kleding en sportkleding van het oudere merk en zijn daarom merkenrechtelijk identiek; ten opzichte van padelrackets zijn zij slechts in geringe mate soortgelijk. Het gemeenschappelijke element ‘padel’ mist onderscheidend vermogen, omdat het rechtstreeks verwijst naar de sport waarvoor de betrokken waren kunnen worden gebruikt. De elementen ‘bull’ en ‘blue’ zijn wel onderscheidend. De tekens zijn visueel en begripsmatig in geringe mate en fonetisch in gemiddelde mate overeenstemmend. Ook mocht de kamer van beroep uitgaan van een normaal intrinsiek onderscheidend vermogen van het oudere merk, omdat de overgelegde stukken wel gebruik aantoonden, maar niet dat BULLPADEL bij een significant deel van het relevante algemene publiek een versterkt onderscheidend vermogen had verkregen.

IEF 23681

Gerecht EU: kamer van beroep onderschat dominante positie van ‘BIOGROUP’ en overeenstemming tussen beeldmerken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 jul 2026,, IEF 23681; ECLI:EU:T:2026:449 (SCM Biogroup tegen EUIPO en Bio Group Medical System Srl), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-kamer-van-beroep-onderschat-dominante-positie-van-biogroup-en-overeenstemming-tussen-beeldmerken

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23681; IEFbe 4255; ECLI:EU:T:2026:449 (SCM Biogroup tegen EUIPO en Bio Group Medical System Srl). SCM Biogroup verzette zich tegen de inschrijving van het Uniebeeldmerk BIO-GROUP MEDICAL SYSTEM voor onderzoeks-, analyse-, test- en controlediensten in klasse 42. De oppositie was onder meer gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk BIOGROUP en op de handelsnaam SCM BIOGROUP en de domeinnaam biogroup.fr. Nadat de oppositieafdeling de oppositie had toegewezen, vernietigde de kamer van beroep die beslissing en wees zij de oppositie volledig af wegens het ontbreken van verwarringsgevaar. Het Gerecht bevestigt dat het relevante publiek hoofdzakelijk bestaat uit beroepsbeoefenaren met een relatief hoog aandachtsniveau. Ook onderschrijft het Gerecht dat het gemeenschappelijke element ‘biogroup’ of ‘bio-group’ slechts zwak onderscheidend is. De woorden ‘bio’ en ‘group’ zijn voor het relevante publiek begrijpelijk en hun samenvoeging levert geen ongebruikelijke of fantasievolle term op die meer is dan de som van de afzonderlijke bestanddelen. De overgelegde bewijzen tonen wel gebruik van het oudere merk aan, maar zijn onvoldoende om een door intensief gebruik of bekendheid versterkt onderscheidend vermogen vast te stellen.

IEF 23565

OBELIX en wapens: EUIPO beoordeelde de reputatiebescherming te beperkt

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 mei 2026,, IEF 23565; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/obelix-en-wapens-euipo-beoordeelde-de-reputatiebescherming-te-beperkt

Gerecht EU 13 mei 2026, IEF 23565; IEFbe 4222; ECLI:EU:T:2026:343 (Les Éditions Albert René tegen EUIPO en WERKEN 11 MICHAŁ LUBIŃSKI). In dit arrest van het Gerecht van de Europese Unie van 13 mei 2026 staat een nietigheidsprocedure centraal over het Uniewoordmerk Obelix, dat door WORKS 11 Michał Lubiński was geregistreerd voor wapens, munitie en aanverwante producten in klasse 13. Les Éditions Albert René, rechthebbende achter de Asterix- en Obelix-franchise, vorderde nietigverklaring op basis van haar oudere Uniewoordmerk OBELIX, geregistreerd voor onder meer waren en diensten in de klassen 9, 16, 25, 28 en 41. De vordering was gebaseerd op artikel 60 lid 1 onder a UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8 lid 1 onder b en artikel 8 lid 5 UMVo. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af wegens onvoldoende bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De Kamer van Beroep liet het normaal gebruik vervolgens uit proceseconomische overwegingen in het midden en beoordeelde de zaak alsof normaal gebruik was aangetoond. Zij oordeelde dat geen verwarringsgevaar bestond, omdat de betrokken waren en diensten ongelijksoortig waren, en dat artikel 8 lid 5 UMVo evenmin toepassing vond, omdat de reputatie van het oudere merk niet voldoende was bewezen en het relevante publiek geen verband zou leggen tussen Obelix voor wapens en het oudere merk OBELIX. Het Gerecht verwerpt de motiveringsklacht van Les Éditions Albert René: de beslissing was niet innerlijk tegenstrijdig, omdat de Kamer van Beroep normaal gebruik slechts hypothetisch aannam en vervolgens afzonderlijk de reputatie van het oudere merk beoordeelde. Ook heeft de Kamer van Beroep daarmee niet de geldigheid van het oudere merk ter discussie gesteld en evenmin geoordeeld dat namen van fictieve personages niet als merk kunnen functioneren.

IEF 23523

Gerecht EU: woordmerk '5 Coins' mist onderscheidend vermogen voor spel- en gokgerelateerde producten en diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026,, IEF 23523; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-woordmerk-5-coins-mist-onderscheidend-vermogen-voor-spel-en-gokgerelateerde-producten-en-diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23523; IEFbe 4213; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO). Dit arrest betreft een beroep van Wazdan Innovations Ltd. tot vernietiging van de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 10 december 2024, waarbij de inschrijving van het woordmerk "5 Coins" werd geweigerd. De aanvraag was op 21 augustus 2023 ingediend door Wazdan Holding Ltd. voor producten en diensten in de klassen 9, 28, 35, 41 en 42 (Nice-classificatie), waaronder spelletjessoftware, elektronische spelen, loyaliteitsprogramma's, casino- en gokdiensten en softwareontwikkeling. De examinator had de aanvraag bij beslissing van 11 maart 2024 gedeeltelijk afgewezen op grond van zowel art. 7 lid 1 onder b) als onder c) UMVo. Na een door Wazdan doorgevoerde beperking van de lijst van producten en diensten bevestigde de Kamer van Beroep de weigering, maar uitsluitend op grond van het ontbreken van onderscheidend vermogen ex art. 7 lid 1 onder b) UMVo (Verordening (EU) 2017/1001), waarbij zij het beschrijvende karakter ex art. 7 lid 1 onder c) UMVo uitdrukkelijk buiten beschouwing liet. Een beperkt aantal categorieën, waaronder organisatie van sportevenementen, culturele activiteiten en ontwerp van onlinespellen, werd wel toegelaten. Wazdan stelde drie middelen aan: (1) schending van art. 7 lid 1 onder b) UMVo wegens onjuiste kwalificatie als "quasi-beschrijvend" teken en onjuiste toepassing, (2) schending van de beginselen van gelijke behandeling, behoorlijk bestuur en gewettigd vertrouwen wegens afwijking van eerdere EUIPO-beslissingen over vergelijkbare merken, en (3) motiveringsgebrek ex art. 94 lid 1 UMVo jo. art. 296 tweede alinea VWEU. Het Gerecht wees het primaire verzoek tot hervorming, strekkend tot inschrijving van het merk, af wegens onbevoegdheid: het EUIPO neemt geen formeel inschrijvingsbesluit dat vatbaar is voor beroep, en het Gerecht kan in het kader van zijn hervormingsbevoegdheid ex art. 72 lid 3 UMVo niet in de plaats treden van het EUIPO om een inschrijving te bevelen.

IEF 23505

Gerecht EU: “FI” is beschrijvend voor financiële en beleggingsdiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026,, IEF 23505; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-fi-is-beschrijvend-voor-financiele-en-beleggingsdiensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23505; IEFbe 4203; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO). In de gevoegde zaken T-465/25 en T-466/25, Fisher Investments Europe Ltd/EUIPO, heeft het Gerecht op 29 april 2026 de beroepen van Fisher Investments Europe Ltd tegen twee beslissingen van de Vijfde kamer van beroep van het EUIPO verworpen. De zaken betroffen twee aanvragen voor Uniebeeldmerken met het element “FI”, voor diensten in klasse 36, waaronder beleggingsbeheer, beleggingsadvies en beheerde beleggingsportefeuilles bestaande uit exchange traded funds, en klasse 41, waaronder seminars, persoonlijke optredens en spreekbeurten op het gebied van beleggingsbeheer en beleggingsadvies. Het EUIPO had de aanvragen geweigerd op grond van artikel 7 lid 1 onder b en c UMVo, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo, omdat de tekens beschrijvend zouden zijn en onderscheidend vermogen zouden missen. De kamer van beroep oordeelde dat het relevante publiek,  voor klasse 36 zowel het algemene als het gespecialiseerde publiek, en voor klasse 41 uitsluitend een professioneel of gespecialiseerd publiek, telkens met een hoog aandachtsniveau, het element “FI” kon begrijpen als afkorting van “financial institution” en/of als landcode voor Finland. Volgens de kamer van beroep konden de tekens daardoor informatie geven over kenmerken van de diensten: zij konden worden opgevat als diensten die worden aangeboden door een financiële instelling, dan wel als diensten die verband houden met investeringen in Finland of op de Finse effectenmarkt. Fisher Investments stelde daartegenover dat het verband tussen “FI” en de diensten onvoldoende direct en specifiek was, dat “FI” meerdere betekenissen kan hebben, dat de figuratieve vormgeving de tekens onderscheidend maakte en dat EUIPO vergelijkbare tekens eerder wél had geregistreerd.

IEF 23475

Het Gerecht oordeelt dat tussen Ibumax-Lysin en ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026,, IEF 23475; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-ibumax-lysin-en-ibum-verwarringsgevaar-bestaat-in-de-zin-van-artikel-8-lid-1-onder-b-umvo

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23475, IEFbe 4190; ECLI:EU:T:2026:257 (Vitabalans Oy tegen EUIPO en Hasco TM sp. z o.o. sp.k.). Het Gerecht heeft het beroep van Vitabalans verworpen en daarmee het besluit van de Eerste Kamer van Beroep van het EUIPO van 29 april 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Ibumax-Lysin en het oudere Poolse woordmerk ibum verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vitabalans had Ibumax-Lysin aangevraagd voor “ibuprofen for use as an oral analgesic” in klasse 5, terwijl Hasco TM oppositie had ingesteld op basis van onder meer het oudere Poolse merk ibum, dat onder meer is ingeschreven voor farmaceutische producten en analgesica in klasse 5. Het Gerecht bevestigde allereerst dat de bijlagen A.6 tot en met A.8, die pas voor het eerst voor het Gerecht waren overgelegd, niet-ontvankelijk waren, omdat de rechtmatigheidstoetsing beperkt blijft tot het feitelijke en juridische kader dat voor de Kamer van Beroep bestond. Verder onderschreef het Gerecht dat het relevante publiek zich in Polen bevindt en bestaat uit zowel het algemene publiek als gezondheidsprofessionals, die bij farmaceutische producten een hoog aandachtsniveau hebben. Ook de warenvergelijking hield stand: “ibuprofen for use as an oral analgesic” valt binnen de ruimere categorieën “pharmaceutical products” en meer specifiek “analgesics” van het oudere merk, zodat de betrokken waren identiek zijn.

IEF 23474

Het Gerecht oordeelt dat tussen Serosan en CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026,, IEF 23474; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/het-gerecht-oordeelt-dat-tussen-serosan-en-clenosan-geen-verwarringsgevaar-bestaat

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23474; IEFbe 4189; ECLI:EU:T:2026:258 (Ionfarma, SL tegen EUIPO en Vision Healthcare BV). Het Gerecht heeft het beroep van Ionfarma verworpen en daarmee het besluit van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 22 mei 2025 in stand gelaten, waarin was geoordeeld dat tussen het aangevraagde Uniewoordmerk Serosan en het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN geen verwarringsgevaar bestaat in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001. Vision Healthcare had Serosan aangevraagd voor een reeks waren in klasse 5, waaronder voedingssupplementen, kruidenpreparaten, vitaminen, sedativa, tonica, probiotica, eiwit- en enzymsupplementen en plantaardige extracten voor farmaceutische doeleinden. Ionfarma stelde oppositie in op basis van het oudere Spaanse woordmerk CLENOSAN voor “soaps, cosmetics” in klasse 3; op verzoek van Vision Healthcare leverde Ionfarma tevens bewijs van normaal gebruik van het oudere merk. De oppositieafdeling wees de oppositie af, waarna ook de Kamer van Beroep het beroep verwierp. Het Gerecht stelde voorop dat het relevante territorium Spanje is en dat het relevante publiek bestaat uit afnemers van zowel de klasse 3-waren als de klasse 5-waren; voor de waren van het oudere merk geldt een gemiddeld aandachtsniveau en voor de gezondheidsgerelateerde waren van het aangevraagde merk een hoog aandachtsniveau, zodat het relevante aandachtsniveau varieert van gemiddeld tot hoog. Voor de vergelijking van de waren sloot het Gerecht zich aan bij de door de Kamer van Beroep uit proceseconomische redenen gekozen, voor Ionfarma meest gunstige aanname dat de betrokken waren identiek zijn, juist omdat de Kamer van Beroep de warenvergelijking niet inhoudelijk had uitgewerkt en het niet aan het Gerecht is om dat voor het eerst zelf te doen.