Alle rechtspraak  

IEF 23534

Verwarringsgevaar tussen proGlan en PRO PLAN

Gerecht EU (voorheen GvEA) 6 mei 2026, IEF 23534; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA), https://www.ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-proglan-en-pro-plan

Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23534, IEFbe 4219; ECLI:EU:T:2026:315 (Ecuphar tegen EUIPO en Société des produits Nestlé SA). In T-291/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken proGlan, aangevraagd voor “medicines for anal gland function for veterinary use” in klasse 5. Nestlé had oppositie ingesteld op basis van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk PRO PLAN, geregistreerd voor “nutritional supplements for veterinary use” en “nutritional supplements for animal consumption” in klasse 5. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht verklaart allereerst dat het niet bevoegd is om zelf registratie van het aangevraagde merk toe te staan en dat het beroep tegen de beslissing van de oppositieafdeling niet-ontvankelijk is, omdat bij het Gerecht alleen beslissingen van de Kamers van Beroep kunnen worden aangevochten. Inhoudelijk bevestigt het Gerecht dat het relevante publiek bestaat uit zowel het algemene publiek, zoals huisdiereigenaren, als professionals, zoals dierenartsen, binnen de Europese Unie. Professionals hebben doorgaans een hoog aandachtsniveau en ook het algemene publiek heeft een hoger dan gemiddeld aandachtsniveau, omdat de betrokken waren de gezondheid en het welzijn van dieren kunnen beïnvloeden. Dat verhoogde aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit.

IEF 23533

Verwarringsgevaar tussen alma FARMACIE en ALMA HYBRID

Gerecht EU (voorheen GvEA) 6 mei 2026, IEF 23533; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd), https://www.ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-alma-farmacie-en-alma-hybrid

Gerecht EU 6 mei 2026, IEF 23533; IEFbe 4218; ECLI:EU:T:2026:317 (Pharma Green Holding SpA SB tegen EUIPO en Alma Lasers Ltd). In T-480/25 bevestigt het Gerecht de weigering van de Uniemerkaanvraag voor het figuratieve teken alma FARMACIE, aangevraagd voor onder meer cosmetica, farmaceutische producten, voedingssupplementen en farmaceutische/medische diensten in de klassen 3, 5 en 44. Alma Lasers had daartegen oppositie ingesteld op grond van haar oudere internationale registratie met werking in de EU voor het woordmerk ALMA HYBRID, geregistreerd voor onder meer medische lasers, medische diensten en hygiëne- en schoonheidsverzorging. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het Gerecht oordeelt dat de Kamer van Beroep haar beoordeling mocht beperken tot het Spaans- en Portugeestalige publiek, omdat voor weigering van een Uniemerk voldoende is dat verwarringsgevaar bestaat in een deel van de Unie. Voor cosmetica en schoonheidsverzorging geldt een gemiddeld aandachtsniveau, terwijl voor farmaceutische producten, voedingssupplementen en medische of farmaceutische diensten een hoog aandachtsniveau kan gelden vanwege het verband met gezondheid. Dat hogere aandachtsniveau sluit verwarringsgevaar echter niet uit, omdat ook oplettende consumenten merken meestal niet rechtstreeks vergelijken en moeten afgaan op hun onvolmaakte herinnering.

IEF 23525

Licentieovereenkomst over ‘Draculatanden’ niet rechtsgeldig opgezegd: overeenkomst loopt door

Hof Amsterdam 31 mrt 2026, IEF 23525; ECLI:NL:GHAMS:2026:905 (CSB tegen Copar), https://www.ie-forum.nl/artikelen/licentieovereenkomst-over-draculatanden-niet-rechtsgeldig-opgezegd-overeenkomst-loopt-door

Hof Amsterdam 31 maart 2026, IEF 23525; ECLI:NL:GHAMS:2026:905 (CBS tegen Copar). In deze zaak oordeelt het Hof Amsterdam over de opzegging van een licentieovereenkomst tussen Continental Sweets Belgium (CSB) en Copar met betrekking tot de merken voor het snoepgoed “Draculatanden”. CSB had de licentie in 2023 opgezegd, onder meer vanwege een wijziging van zeggenschap bij Copar en gestelde gewijzigde marktomstandigheden. Het hof bekrachtigt het oordeel van de rechtbank [IEF 22515] dat de opzegging geen rechtsgevolg heeft gehad. De door CSB ingeroepen contractuele opzeggingsgrond, gebaseerd op een “change of control”-bepaling, slaagt niet. Hoewel sprake was van een wijziging in de aandeelhoudersstructuur van Copar, is niet voldaan aan de aanvullende eis dat de zeggenschap is overgegaan naar een directe concurrent. Investeringsmaatschappijen en gelieerde vennootschappen die zelf niet actief zijn in de zoetwarenmarkt kwalificeren niet als zodanig.

IEF 23523

Gerecht EU: woordmerk '5 Coins' mist onderscheidend vermogen voor spel- en gokgerelateerde producten en diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23523; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-woordmerk-5-coins-mist-onderscheidend-vermogen-voor-spel-en-gokgerelateerde-producten-en-diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23523; IEFbe 4213; ECLI:EU:T:2026:298 (Wazdan Innovations tegen EUIPO). Dit arrest betreft een beroep van Wazdan Innovations Ltd. tot vernietiging van de beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van het EUIPO van 10 december 2024, waarbij de inschrijving van het woordmerk "5 Coins" werd geweigerd. De aanvraag was op 21 augustus 2023 ingediend door Wazdan Holding Ltd. voor producten en diensten in de klassen 9, 28, 35, 41 en 42 (Nice-classificatie), waaronder spelletjessoftware, elektronische spelen, loyaliteitsprogramma's, casino- en gokdiensten en softwareontwikkeling. De examinator had de aanvraag bij beslissing van 11 maart 2024 gedeeltelijk afgewezen op grond van zowel art. 7 lid 1 onder b) als onder c) UMVo. Na een door Wazdan doorgevoerde beperking van de lijst van producten en diensten bevestigde de Kamer van Beroep de weigering, maar uitsluitend op grond van het ontbreken van onderscheidend vermogen ex art. 7 lid 1 onder b) UMVo (Verordening (EU) 2017/1001), waarbij zij het beschrijvende karakter ex art. 7 lid 1 onder c) UMVo uitdrukkelijk buiten beschouwing liet. Een beperkt aantal categorieën, waaronder organisatie van sportevenementen, culturele activiteiten en ontwerp van onlinespellen, werd wel toegelaten. Wazdan stelde drie middelen aan: (1) schending van art. 7 lid 1 onder b) UMVo wegens onjuiste kwalificatie als "quasi-beschrijvend" teken en onjuiste toepassing, (2) schending van de beginselen van gelijke behandeling, behoorlijk bestuur en gewettigd vertrouwen wegens afwijking van eerdere EUIPO-beslissingen over vergelijkbare merken, en (3) motiveringsgebrek ex art. 94 lid 1 UMVo jo. art. 296 tweede alinea VWEU. Het Gerecht wees het primaire verzoek tot hervorming, strekkend tot inschrijving van het merk, af wegens onbevoegdheid: het EUIPO neemt geen formeel inschrijvingsbesluit dat vatbaar is voor beroep, en het Gerecht kan in het kader van zijn hervormingsbevoegdheid ex art. 72 lid 3 UMVo niet in de plaats treden van het EUIPO om een inschrijving te bevelen.

IEF 23520

Hof Den Haag: stakingsbevel wegens merkinbreuk op Uniemerk ICE niet geschorst; rectificatiebevel voorwaardelijk geschorst wegens disproportionele redactie

Hof Den Haag 7 apr 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-stakingsbevel-wegens-merkinbreuk-op-uniemerk-ice-niet-geschorst-rectificatiebevel-voorwaardelijk-geschorst-wegens-disproportionele-redactie

Hof Den Haag 7 april 2026, IEF 23520; ECLI:NL:GHDHA:2026:546 (Ice Labs tegen IEH). Dit arrest van het Gerechtshof Den Haag (7 april 2026) betreft een schorsingsincident ex art. 351 Rv in hoger beroep tegen een kortgedingvonnis van de voorzieningenrechter Den Haag van 6 mei 2025, waarbij Ice Labs, die de cryptomunt "Ice Open Network" (ticker: ICE) op de markt brengt, bij voorlopig oordeel inbreukmakend werd bevonden op het Uniemerk ICE van Intercontinental Exchange Holdings, Inc. (IEH), en werd bevolen iedere inbreuk in de EU te staken, alle exchanges te verzoeken de naam en ticker te wijzigen, en een rectificatie te plaatsen op website en sociale media, op straffe van dwangsommen. Ice Labs vorderde in het incident primair schorsing tot aan de beslissing in de hoofdzaak, subsidiair voor 90 dagen na betekening. Het hof baseert zijn internationale bevoegdheid in dit incident op art. 125 lid 1 UMVo jo. art. 35 Brussel I-bis, nu een reële band met de Nederlandse rechtsorde bestaat; de in de hoofdzaak opgeworpen bevoegdheidskwestie blijft onbesproken. Het hof hanteert de maatstaf uit HR 20 december 2019: uitgangspunt is tenuitvoerlegging, schorsing is slechts gerechtvaardigd indien het belang van de veroordeelde bij behoud van de bestaande toestand zwaarder weegt, waarbij het hof uitgaat van de vaststellingen van de voorzieningenrechter tenzij sprake is van een kennelijke misslag, en, indien de uitvoerbaarheid bij voorraad is gemotiveerd, de veroordeelde nieuwe feiten of omstandigheden moet aanvoeren die zich na de uitspraak hebben voorgedaan en een ander oordeel kunnen rechtvaardigen.

IEF 23516

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR), https://www.ie-forum.nl/artikelen/a-g-geen-gegronde-reden-voor-merkinbreuk-bij-verkoop-hp-cartridges-zonder-buitenverpakking-wel-informatieplicht-over-mogelijke-ouderdom

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR). Deze conclusie van A-G Van Peursem (zitting 24 april 2026) betreft een kort geding tussen HP en Digital Revolution/123inkt over originele, ongebruikte HP-inkt- en lasercartridges die zonder originele buitenverpakking werden aangeboden, aanvankelijk als "milieuverpakking" en sinds 2023 als "milieuproduct". De cartridges waren afkomstig uit retouren, recyclebedrijven of opkopers, konden 10 tot 17 jaar oud zijn en werden verkocht tegen de prijs van nieuwe cartridges. HP vorderde een verbod op grond van merkinbreuk ex art. 9 lid 2 onder a jo. art. 15 lid 2 UMVo, de uitzondering op de uitputtingsregel wegens gegronde redenen, alsmede op grond van onrechtmatige daad, meer in het bijzonder oneerlijke of misleidende handelspraktijken (art. 6:193a-j BW) en misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194 en 6:194a BW). De voorzieningenrechter achtte merkinbreuk aannemelijk en wees vordering I toe, maar het hof oordeelde dat HP geen gegronde redenen had in de zin van art. 15 lid 2 UMVo en vernietigde het vonnis op dat punt. Wel achtte het hof het handelen van DR B.V. deels misleidend ex art. 6:193c lid 1 onder b BW: door de cartridges, die niet alleen uit retouren maar ook uit recyclebakken of opkoop konden stammen en meerdere jaren, soms meer dan tien jaar, oud konden zijn, als nieuw en voor de nieuwprijs aan te bieden zonder die ouderdom te vermelden, verstrekte DR misleidende informatie over de fabricagedatum, waardoor de consument vermoedelijk een aankoopbeslissing nam die hij anders niet had genomen. Dit verbod werd uitsluitend toegewezen ten gunste van HP Europe B.V. en HP Nederland B.V., die als concurrenten van DR B.V. vorderingsgerechtigd zijn; HP Inc. en HPDC staan niet in een concurrentieverhouding tot DR B.V.

IEF 23512

"3 Coins" mist onderscheidend vermogen volgens het Gerecht EU

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23512; ECLI:EU:T:2026:297 ((Wazdan tegen EUIPO)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/3-coins-mist-onderscheidend-vermogen-volgens-het-gerecht-eu

Gerecht EU 29 april 2026, IEF23512, IT5245, ECLI:EU:T:2026:297 (Wazdan tegen EUIPO). In deze zaak heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in het beroep van Wazdan Innovations tegen het EUIPO over de aanvraag van het Uniewoordmerk “3 Coins”. De aanvraag zag op speeljetons, gezelschapsspellen, dobbelstenen, draagbare videospelconsoles, elektronische spellen en diverse softwarediensten in de klassen 28 en 42. De vierde kamer van beroep had geoordeeld dat het teken voor alle betrokken waren en diensten elk onderscheidend vermogen mist. De weigering had geen betrekking op de dienst “ontwerp van onlinespellen” in klasse 42. Wazdan verzocht het Gerecht primair om de bestreden beslissing te wijzigen en subsidiair om vernietiging daarvan. Het Gerecht oordeelde echter dat het niet bevoegd is om de beslissing zodanig te wijzigen dat het merk wordt ingeschreven, en beperkte zich daarom tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vernietiging. Centraal stond de vraag of het teken “3 Coins” onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 7, lid 1, onder b, van Verordening (EU) 2017/1001. Het Gerecht herhaalde dat een merk onderscheidend vermogen heeft wanneer het geschikt is om de betrokken waren of diensten te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming en deze te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Deze beoordeling moet plaatsvinden in het licht van de aard van de betrokken 'waren en diensten' en de perceptie van het relevante publiek. Dat publiek bestaat uit het algemene publiek dat geïnteresseerd is in games, kans- en gokspellen, met daarnaast voor bepaalde diensten in klasse 42 een professioneel publiek. Het Gerecht benadrukte dat een teken ook zonder strikt beschrijvend te zijn niet-onderscheidend kan zijn. Het was dus niet vereist dat EUIPO aantoont dat “3 Coins” een concreet kenmerk van de betrokken waren of diensten rechtstreeks beschrijft, zolang het relevante publiek het teken niet als aanduiding van commerciële herkomst zal opvatten. In dit verband oordeelde het Gerecht dat het element “coin” in de spelcontext een gangbaar en betekenisvol begrip is, bijvoorbeeld als middel om een spel te starten, als speleenheid, als beloning of als (virtuele of crypto) valuta.

IEF 23509

Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ALFAVET en alfavet voor diergerelateerde waren en diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23509; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-verwarringsgevaar-tussen-alfavet-en-alfavet-voor-diergerelateerde-waren-en-diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23509; IEFbe 4205; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH). In zaak T-403/25, bevestigt het Gerecht de beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO over de oppositie tegen de aanvraag voor het Uniebeeldmerk ALFAVET. Groupvet had dit teken aangevraagd voor diergerelateerde waren en diensten in de klassen 3, 10, 18, 21, 31 en 44, waaronder dierverzorgingsproducten, veterinaire hulpmiddelen, diervoeding en veterinaire en dierverzorgingsdiensten. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk alfavet, ingeschreven voor onder meer cosmetica, veterinaire preparaten, voedingssupplementen voor dieren en diervoeding in de klassen 3, 5 en 31. De Oppositieafdeling wees de aanvraag grotendeels af. De Kamer van Beroep draaide die beslissing gedeeltelijk terug voor alle waren in de klassen 18 en 21 en voor enkele waren in klasse 10, maar handhaafde de weigering voor de overige waren en diensten. Voor het Gerecht voerde Groupvet onder meer aan dat de oorspronkelijke opposant geen oppositiebevoegdheid had, dat de houder van het oudere merk te kwader trouw had gehandeld door het merk opnieuw te deponeren om gebruiksbewijs te vermijden, en dat geen verwarringsgevaar bestond. Het Gerecht verwerpt die bezwaren. De oorspronkelijke opposant was op het moment van indiening houdster van het oudere merk en had daarom oppositiebevoegdheid op grond van artikel 46 UMVo. Dat het merk mogelijk feitelijk door de latere interveniënte werd gebruikt, doet daaraan niet af. Ook de gestelde kwade trouw kan in een oppositieprocedure niet worden onderzocht: EUIPO moet in oppositie uitgaan van de geldigheid van het oudere merk. Een beroep op kwade trouw bij de aanvraag van het oudere merk hoort thuis in een nietigheidsprocedure, niet in een oppositieprocedure.

IEF 23508

Rb. Midden-Nederland: Geen inbreuk op woordmerk of handelsnaam

Rechtbank Midden-Nederland 8 apr 2026, IEF 23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-geen-inbreuk-op-woordmerk-of-handelsnaam

Rb. Midden-Nederland 8 april 2026, IEF23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in deze zaak geoordeeld over een geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] over vermeende merkinbreuk en handelsnaaminbreuk. [eiseres] exploiteert een juridisch netwerk, detacheert juristen en is houdster van een woordmerk dat ook als handelsnaam wordt gebruikt. [gedaagde] houdt zich eveneens bezig met het detacheren van juristen. Zij gebruikt een handelsnaam en logo waarin deels dezelfde woorden voorkomen, aangevuld met een werkwoord en vormgegeven in een zogenoemde “I love”-stijl. [eiseres] vordert in kort geding een verbod op het gebruik van deze handelsnaam en het logo, plus nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, gezien de gestelde voortdurende inbreuk en de lopende activiteiten van partijen. Bij de inhoudelijke beoordeling stelt de rechter voorop dat het woordmerk van [eiseres] bestaat uit beschrijvende elementen. Deze verwijzen direct naar de aard van de juridische diensten en de manier waarop die worden georganiseerd. Het merk heeft daarom van huis uit een zeer zwak onderscheidend vermogen. Volgens [eiseres] is door gebruik vanaf 2020 enig onderscheidend vermogen ontstaan. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat sprake is van een zekere toename van onderscheidend vermogen door gebruik, maar oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze toename zodanig is dat het relevante publiek het merk met één specifieke onderneming associeert. Daardoor blijft de beschermingsomvang van het merk en de handelsnaam beperkt. Daarbij weegt mee dat beschrijvende aanduidingen beschikbaar moeten blijven voor andere marktpartijen. Bij de beoordeling van de gestelde merkinbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat de diensten van partijen weliswaar soortgelijk zijn. Ook is er enige overeenstemming tussen de gebruikte aanduidingen. Toch wegen de verschillen in totaalindruk zwaarder. Het teken van [gedaagde] bevat een extra woord dat visueel en auditief opvalt. Daarnaast verschilt de betekenis duidelijk. Gezien het zwakke (en slechts in beperkte mate toegenomen) onderscheidend vermogen van het merk van [eiseres] en het ontbreken van concrete verwarringsgevallen, acht de rechter verwarringsgevaar niet voldoende aannemelijk.

IEF 23505

Gerecht EU: “FI” is beschrijvend voor financiële en beleggingsdiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23505; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-fi-is-beschrijvend-voor-financiele-en-beleggingsdiensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23505; IEFbe 4203; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO). In de gevoegde zaken T-465/25 en T-466/25, Fisher Investments Europe Ltd/EUIPO, heeft het Gerecht op 29 april 2026 de beroepen van Fisher Investments Europe Ltd tegen twee beslissingen van de Vijfde kamer van beroep van het EUIPO verworpen. De zaken betroffen twee aanvragen voor Uniebeeldmerken met het element “FI”, voor diensten in klasse 36, waaronder beleggingsbeheer, beleggingsadvies en beheerde beleggingsportefeuilles bestaande uit exchange traded funds, en klasse 41, waaronder seminars, persoonlijke optredens en spreekbeurten op het gebied van beleggingsbeheer en beleggingsadvies. Het EUIPO had de aanvragen geweigerd op grond van artikel 7 lid 1 onder b en c UMVo, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo, omdat de tekens beschrijvend zouden zijn en onderscheidend vermogen zouden missen. De kamer van beroep oordeelde dat het relevante publiek,  voor klasse 36 zowel het algemene als het gespecialiseerde publiek, en voor klasse 41 uitsluitend een professioneel of gespecialiseerd publiek, telkens met een hoog aandachtsniveau, het element “FI” kon begrijpen als afkorting van “financial institution” en/of als landcode voor Finland. Volgens de kamer van beroep konden de tekens daardoor informatie geven over kenmerken van de diensten: zij konden worden opgevat als diensten die worden aangeboden door een financiële instelling, dan wel als diensten die verband houden met investeringen in Finland of op de Finse effectenmarkt. Fisher Investments stelde daartegenover dat het verband tussen “FI” en de diensten onvoldoende direct en specifiek was, dat “FI” meerdere betekenissen kan hebben, dat de figuratieve vormgeving de tekens onderscheidend maakte en dat EUIPO vergelijkbare tekens eerder wél had geregistreerd.