Alle rechtspraak  

IEF 23681

Gerecht EU: kamer van beroep onderschat dominante positie van ‘BIOGROUP’ en overeenstemming tussen beeldmerken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 jul 2026,, IEF 23681; ECLI:EU:T:2026:449 (SCM Biogroup tegen EUIPO en Bio Group Medical System Srl), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-kamer-van-beroep-onderschat-dominante-positie-van-biogroup-en-overeenstemming-tussen-beeldmerken

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23681; IEFbe 4255; ECLI:EU:T:2026:449 (SCM Biogroup tegen EUIPO en Bio Group Medical System Srl). SCM Biogroup verzette zich tegen de inschrijving van het Uniebeeldmerk BIO-GROUP MEDICAL SYSTEM voor onderzoeks-, analyse-, test- en controlediensten in klasse 42. De oppositie was onder meer gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk BIOGROUP en op de handelsnaam SCM BIOGROUP en de domeinnaam biogroup.fr. Nadat de oppositieafdeling de oppositie had toegewezen, vernietigde de kamer van beroep die beslissing en wees zij de oppositie volledig af wegens het ontbreken van verwarringsgevaar. Het Gerecht bevestigt dat het relevante publiek hoofdzakelijk bestaat uit beroepsbeoefenaren met een relatief hoog aandachtsniveau. Ook onderschrijft het Gerecht dat het gemeenschappelijke element ‘biogroup’ of ‘bio-group’ slechts zwak onderscheidend is. De woorden ‘bio’ en ‘group’ zijn voor het relevante publiek begrijpelijk en hun samenvoeging levert geen ongebruikelijke of fantasievolle term op die meer is dan de som van de afzonderlijke bestanddelen. De overgelegde bewijzen tonen wel gebruik van het oudere merk aan, maar zijn onvoldoende om een door intensief gebruik of bekendheid versterkt onderscheidend vermogen vast te stellen.

IEF 23673

Uniemerk 4011 B552 terecht nietig wegens kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 1 jul 2026,, IEF 23673; ECLI:EU:T:2026:422 ((Driss El Hakmaoui Attilah tegen EUIPO)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/uniemerk-4011-b552-terecht-nietig-wegens-kwade-trouw

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23673; IEFbe 4252; ECLI:EU:T:2026:422 (Driss El Hakmaoui Attilah tegen EUIPO). Het Gerecht van de Europese Unie verwerpt het beroep van Driss El Hakmaoui Attilah tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 23 oktober 2024 (zaak R 403/2024‑2), waarin het Uniebeeldmerk 4011 B552 nietig wordt verklaard wegens kwade trouw. Bella Tawziaa II en Groupe Bellakhdar vorderen op 31 maart 2022 bij het EUIPO nietigverklaring van het in 2013 aangevraagde Uniebeeldmerk (nr. 11 674 413) voor waren in klasse 30 (waaronder koffie, thee en aanverwante producten). Zij beroepen zich daarbij op oudere rechten die onder meer de elementen 4011 en B552, Arabische woordelementen en een leeuwconcept of leeuwafbeelding bevatten. De nietigheidsvordering is formeel gebaseerd op art. 59 lid 1 sub b Verordening (EU) 2017/1001 (Uniemerkverordening 2017), maar omdat de merkaanvraag dateert van 21 maart 2013, beoordeelt het Gerecht de zaak materieel aan de hand van art. 52 lid 1 sub b Verordening (EG) nr. 207/2009. Het Gerecht benadrukt dat bij kwade trouw niet dezelfde vergelijking plaatsvindt als bij verwarringsgevaar: het gaat niet om een precieze mate van overeenstemming vanuit het perspectief van de gemiddelde consument, maar om de bedoeling van de aanvrager op het moment van indiening van de merkaanvraag. Die bedoeling moet objectief worden vastgesteld aan de hand van alle relevante omstandigheden, waarbij ook feiten van na het depot in aanmerking mogen worden genomen voor zover zij licht werpen op de intentie ten tijde van het depot.

IEF 23675

Hof Den Haag: merkinbreuk door levering van namaak-Puma-boxershorts en uitputting voor afzonderlijke handelspartijen

Hof Den Haag 23 jun 2026,, IEF 23675; ECLI:NL:GHDHA:2026:1975 (Sporttrading tegen Puma), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-den-haag-merkinbreuk-door-levering-van-namaak-puma-boxershorts-en-uitputting-voor-afzonderlijke-handelspartijen

Hof Den Haag 23 juni 2026, IEF 23675; ECLI:NL:GHDHA:2026:1975 (Sporttrading tegen Puma). Puma verweet Sporttrading inbreuk op haar Benelux- en Uniemerken door 10.500 dubbelverpakkingen Puma-boxershorts aan de Noorse detailhandelaar Europris te verkopen en te leveren. Omdat Sporttrading daarbij aan de Puma-merken identieke tekens gebruikte voor identieke waren, stond in beginsel merkinbreuk vast op grond van artikel 2.20 lid 2 onder a BVIE en artikel 9 lid 2 onder a UMVo. Sporttrading beriep zich op uitputting en stelde dat zij de boxershorts had gekocht van GTS, die deze van Puma’s licentienemer Stichd zou hebben verkregen. Het hof oordeelt echter dat vier onderzochte, van Europris afkomstige boxershorts namaak waren. De PO- of PID-nummers op de verpakkingen verwezen naar productie in 2017, terwijl de boxershorts waren voorzien van securitylabels met QR-codes die toen nog niet werden gebruikt. Voor één ander onderzocht exemplaar, sample 3, was namaak onvoldoende onderbouwd. Sporttrading had evenwel niet onderbouwd betwist dat uit de meerdere steekproefsgewijs vastgestelde namaakproducten, behoudens bijzondere omstandigheden, mocht worden afgeleid dat de gehele aan Europris geleverde partij namaak was. Het beroep op uitputting slaagt daarom niet. Toestemming van de merkhouder moet bovendien betrekking hebben op ieder afzonderlijk exemplaar en kan niet worden afgeleid uit toestemming voor andere, soortgelijke producten. Dat een licentienemer mogelijk meer producten heeft vervaardigd of verhandeld dan was toegestaan, betekent dus niet dat de merkrechten voor die extra exemplaren zijn uitgeput.

IEF 23674

Vzr. Rb. Den Haag: model- en merkinbreuk door verkoop van gelijkende stuiterballen onder MOON BALL-aanduidingen

Rechtbank Den Haag 3 jul 2026,, IEF 23674; ECLI:NL:RBDHA:2026:17694 (Waboba tegen UP), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/vzr-rb-den-haag-model-en-merkinbreuk-door-verkoop-van-gelijkende-stuiterballen-onder-moon-ball-aanduidingen

Rb. Den Haag 3 juli 2026, IEF 23674; ECLI:NL:RBDHA:2026:17694 (Waboba tegen UP). Waboba verkoopt stuiterballen onder het Uniewoordmerk MOON BALL en is houdster van een ingeschreven Uniemodel voor een multi-gefacetteerde bal met afgeronde hoeken en cirkelvormige, ondiepe uitsparingen in twee verschillende groottes. UP International bood via haar wederverkopers vergelijkbare stuiterballen aan onder aanduidingen als ‘Bouncing Rainbow Moon’, ‘Epic-Bouncy Moon Ball’ en ‘Epic Return Moon Ball’. De voorzieningenrechter gaat voorshands uit van de geldigheid van het Uniemodel. UP heeft onvoldoende onderbouwd dat de vormgeving uitsluitend door de technische functie van de bal wordt bepaald en heeft geen relevant vormgevingserfgoed overgelegd waaruit blijkt dat het model niet nieuw is of geen eigen karakter heeft. Hoewel de ontwerpvrijheid bij een stuiterbal door de gebruikelijke ronde vorm beperkt is, heeft de ontwerper daarvan volgens de rechter opvallend gebruikgemaakt, zodat het model een ruime beschermingsomvang heeft. Omdat het model in zwart-wit is ingeschreven, speelt kleur bij de vergelijking geen rol. De stuiterballen van UP vertonen dezelfde bepalende kenmerken en wekken bij de geïnformeerde gebruiker geen andere algemene indruk, zodat voorshands sprake is van modelrechtinbreuk in de zin van artikel 10 lid 1 UModVo.

IEF 23665

Philips krijgt ex parte IE-maatregelen tegen OneBlade-inbreuk

Rechtbank Den Haag 12 jun 2026,, IEF 23665; ECLI:NL:RBDHA:2026:16624 ((Philips ten verzoeke van [gerekwestreerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/philips-krijgt-ex-parte-ie-maatregelen-tegen-oneblade-inbreuk

Rb. Den Haag 12 juni 2026, IEF 23665; ECLI:NL:RBDHA:2026:16624 (Philips ten verzoeke van [gerekwestreerde]). In deze ex parte‑verzoekschriftprocedure op grond van artikel 1019e Rv wijst de voorzieningenrechter van de rechtbank Den Haag het door Philips gevraagde stakingsbevel toe en wijst hij een aantal aanvullende verzoeken gedeeltelijk af. Philips verzoekt onmiddellijke maatregelen tegen [gerekwestreerde], tevens handelend onder [handelsnaam] LTD, wegens gestelde inbreuk op haar Uniemerkrechten en het OneBlade‑model. Volgens Philips worden via online platforms producten aangeboden die inbreuk maken op haar IE‑rechten en is een onmiddellijke voorziening noodzakelijk om verdere verhandeling te voorkomen.

IEF 23662

Rb. Den Haag: geen auteursrecht op PANARA-schoencollectie, wel verbod op merkgebruik

Rechtbank Den Haag 6 jul 2026,, IEF 23662; ECLI:NL:RBDHA:2026:18180 ([partij A] tegen [partij B] c.s. en Commerbas), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-geen-auteursrecht-op-panara-schoencollectie-wel-verbod-op-merkgebruik

Rb. Den Haag 3 juli 2026, IEF 23662; ECLI:NL:RBDHA:2026:18180 ([partij A] tegen [partij B] c.s. en Commerbas). In deze zaak tussen [partij A] en [partij B] c.s. staat de vraag centraal of [partij B] c.s. met de verkoop van Borgesa-schoenen inbreuk maakt op de auteursrechten op de PANARA-schoencollectie en op het Beneluxwoordmerk PANARA. De voorzieningenrechter wijst de auteursrechtelijke vorderingen af, maar verbiedt [partij B] c.s. wel het PANARA-merk nog langer te gebruiken voor de verkoop van schoenen in de Benelux. [partij A] ontwerpt en verkoopt sinds de jaren tachtig schoenen onder het merk PANARA. De productie vond plaats bij het Italiaanse Commerbas. [partij B] c.s. exploiteert sinds 2010 een Panara-winkel in Den Haag en verkocht jarenlang uitsluitend PANARA-schoenen op basis van een overeenkomst met [partij A]. Nadat die overeenkomst feitelijk was beëindigd, liet [partij B] c.s. vergelijkbare schoenen produceren door Commerbas en verkocht zij deze onder de naam Borgesa. De voorzieningenrechter oordeelt dat de mondelinge opzegging rechtsgeldig was, ook al ontbrak de contractueel voorgeschreven aangetekende brief. Volgens de voorzieningenrechter was voor [partij B] c.s. duidelijk dat de overeenkomst was beëindigd en heeft zij zich daar ook naar gedragen. Volgens [partij A] zijn die schoenen identiek aan de PANARA-modellen en maakt [partij B] c.s. daarnaast zonder toestemming gebruik van het PANARA-merk in de winkelnaam, domeinnaam en promotie. De voorzieningenrechter ziet onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat de PANARA-schoencollectie auteursrechtelijk beschermd is. [partij A] heeft niet duidelijk gemaakt op welke afzonderlijke schoenmodellen zij zich beroept, welke creatieve keuzes daarin zijn gemaakt en welke kenmerken voor auteursrechtelijke bescherming in aanmerking komen.

IEF 23661

Rb. Amsterdam: geen voorzieningen voor toegang tot bedrijfssystemen en gebruik merknaam Coconaut

Rechtbank Amsterdam 6 jul 2026,, IEF 23661; ECLI:NL:RBAMS:2026:6427 (NoNonz tegen [gedaagden]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-voorzieningen-voor-toegang-tot-bedrijfssystemen-en-gebruik-merknaam-coconaut

Rb. Amsterdam 12 juni 2026, IEF 23661; ECLI:NL:RBAMS:2026:6427 (NoNonz tegen [gedaagden]). In deze zaak tussen NoNonz en [gedaagde 1] en [gedaagde 2] (samen: [gedaagden]) staat de vraag centraal of [gedaagden] in kort geding kunnen worden verplicht volledige toegang te verschaffen tot de digitale bedrijfssystemen van NoNonz, de volledige bedrijfsadministratie af te geven en zich te onthouden van het handelen namens NoNonz of het gebruik van de merknaam Coconaut(drinks). De voorzieningenrechter oordeelt dat NoNonz haar vorderingen onvoldoende heeft onderbouwd en wijst deze volledig af. NoNonz exploiteert onder meer de drank Coconaut op basis van een licentie. De aandelen in NoNonz worden gehouden door twee persoonlijke holdings, die ieder 50% van de aandelen bezitten en ook bestuurder zijn. Sinds halverwege 2024 is de samenwerking tussen de indirect bestuurders ernstig verstoord. [gedaagde 1] liet zich op 7 april 2025 met terugwerkende kracht per 31 december 2024 uitschrijven als bestuurder in het handelsregister van de KvK. Partijen probeerden hun geschil onder meer met een uitkoop op te lossen, maar dat lukte niet. Volgens NoNonz heeft [gedaagde 1] zich zonder besluit van de algemene vergadering van aandeelhouders als bestuurder uitgeschreven. Ook zouden [gedaagden] buiten medeweten van NoNonz Coconaut hebben verkocht, voorraad en administratie hebben achtergehouden en klanten van NoNonz hebben benaderd. Volgens NoNonz heeft zij sinds november 2024 bovendien geen toegang meer tot haar digitale bedrijfsomgeving, waaronder Google Workspace, Shopify, Zoho en de bijbehorende domeinnaam. Daarom vordert zij toegang tot de bedrijfssystemen, afgifte van de administratie en een verbod om namens NoNonz of onder de merknaam Coconaut op te treden. [gedaagden] betwisten deze verwijten. Volgens hen is juist de andere aandeelhouder verantwoordelijk voor het buitensluiten van [gedaagden] uit de onderneming. Volgens [gedaagde 1] liet zij zich als bestuurder uitschrijven omdat zij geen zicht meer had op de bedrijfsvoering en niet aansprakelijk wilde zijn voor vermeende privéonttrekkingen. Verder beroept [gedaagde 1] zich op een overeenkomst waarin is afgesproken dat haar aandelen zouden worden overgenomen tegen betaling van € 30.000, waarna de toegang tot de onderneming zou worden overgedragen. [gedaagden] stellen bovendien niet over de gevorderde bedrijfssystemen of administratie te beschikken en ontkennen nog namens NoNonz of onder het merk Coconaut te handelen.

IEF 23660

Gerecht EU: ARYUNA mag naast ARMUNIA worden ingeschreven

Gerecht EU (voorheen GvEA) 2 jul 2026,, IEF 23660; ECLI:EU:T:2026:421 (Sandoz tegen EUIPO en Be Healthy), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-aryuna-mag-naast-armunia-worden-ingeschreven

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23660; ECLI:EU:T:2026:421 (Sandoz tegen EUIPO en Be Healthy). In deze zaak tussen Sandoz en EUIPO, met Be Healthy als wederpartij in de oppositieprocedure, staat de vraag centraal of het Uniewoordmerk ARYUNA wegens verwarringsgevaar niet kan worden ingeschreven tegenover de oudere Benelux- en Oostenrijkse woordmerken ARMUNIA voor farmaceutische producten. Sandoz betoogt dat de Kamer van Beroep ten onrechte heeft geoordeeld dat geen sprake is van verwarringsgevaar, met name omdat bij geneesmiddelen patiëntveiligheid en het risico op vergissingen tussen geneesmiddelen een zwaardere rol zouden moeten spelen. Be Healthy diende in 2022 een Uniemerkaanvraag in voor het woordmerk ARYUNA voor onder meer jodiumtincturen, medicinale kruiden en kruidengeneesmiddelen in klasse 5. Novartis, inmiddels opgevolgd door Sandoz, stelde oppositie in op basis van de oudere merken ARMUNIA, die bescherming genieten voor farmaceutische producten, waaronder orale anticonceptiva. Zowel de oppositieafdeling als de Kamer van Beroep wezen de oppositie af omdat, ondanks (gedeeltelijk) identieke waren, geen sprake was van verwarringsgevaar. Het Gerecht verklaart allereerst een reeks door Sandoz voor het eerst in beroep overgelegde stukken niet-ontvankelijk. Het gaat onder meer om rapporten, persartikelen, studies en websitefragmenten waarmee Sandoz wilde onderbouwen dat zorgverleners en patiënten regelmatig geneesmiddelen met vergelijkbare namen verwisselen. Omdat deze stukken niet tijdens de administratieve procedure bij EUIPO zijn ingebracht en niet alleen een juridische context schetsen, kunnen zij niet alsnog in de beroepsprocedure worden betrokken. Ten aanzien van het relevante publiek ondersteund het Gerecht het oordeel van de Kamer van Beroep dat medische professionals en het algemene publiek tot het relevante publiek behoren. Voor de globale beoordeling moet worden uitgegaan van het algemene publiek, omdat dat de laagste mate van aandacht heeft binnen de relevante groepen. Die aandacht is echter nog steeds relatief hoog. Geneesmiddelen en andere gezondheidsproducten raken namelijk rechtstreeks aan de gezondheid van de consument, zodat ook producten die zonder recept verkrijgbaar zijn met verhoogde oplettendheid worden gekocht.

IEF 23659

Verworven onderscheidend vermogen van merkondeel maakt samengesteld merk niet intrinsiek onderscheidend

Gerecht EU (voorheen GvEA) 1 jul 2026,, IEF 23659; ECLI:EU:T:2026:432 (Veikkaus Oy tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/verworven-onderscheidend-vermogen-van-merkondeel-maakt-samengesteld-merk-niet-intrinsiek-onderscheidend

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23659, IEFbe 4247; ECLI:EU:T:2026:432 (Veikkaus Oy tegen EUIPO). In deze zaak vordert Veikkaus gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO over haar aanvraag voor het Uniewoordmerk FOR BETTER GAMING - VEIKKAUS. De aanvraag zag onder meer op diensten in de klassen 35, 41 en 42, waaronder retaildiensten voor game- en goksoftware, online entertainment-, spel-, gok-, wed- en casinodiensten en ontwerp-, ontwikkel- en onderhoudsdiensten voor online goksoftware en gokwebsites. De kamer van beroep had het beroep slechts gedeeltelijk toegewezen voor enkele diensten, maar de inschrijving voor de overige diensten geweigerd wegens gebrek aan intrinsiek onderscheidend vermogen op grond van artikel 7 lid 1 onder b, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2, Verordening 2017/1001. Volgens de kamer van beroep zou het Finstalige relevante publiek het teken begrijpen als “voor beter gokken/spelen – weddenschap, gokvoorspelling” en dus niet als herkomstaanduiding, maar als een zuiver promotionele boodschap voor de betrokken diensten. De subsidiaire stelling van Veikkaus dat het teken door gebruik onderscheidend vermogen had verkregen, was nog niet inhoudelijk beoordeeld en was door de kamer van beroep terugverwezen naar de onderzoeker.

IEF 23652

Rb. Den Haag: logistieke dienstverleners maken geen merkinbreuk door verwerking Temu- en AliExpress-pakketten

Rechtbank Den Haag 29 jun 2026,, IEF 23652; ECLI:NL:RBDHA:2026:16647 ((Puma tegen Shaoke NL en E-Com)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-logistieke-dienstverleners-maken-geen-merkinbreuk-door-verwerking-temu-en-aliexpress-pakketten

Rb. Den Haag 17 juni 2026, IEF 23652; ECLI:NL:RBDHA:2026:16647 (Puma tegen Shaoke NL en E-Com). In deze zaak tussen Puma en Shaoke Logistics B.V. en E-Com Global Logistics (samen Shaoke NL c.s.) staat de vraag centraal of een logistieke dienstverlener en een douaneverlener merkinbreuk plegen of onrechtmatig handelen door pakketjes met mogelijk inbreukmakende Puma-producten afkomstig van Chinese webshops te verwerken. Puma meent dat de ondernemingen een essentiële schakel vormen in de distributieketen van namaak- en parallel geïmporteerde goederen die via platforms als Temu en AliExpress rechtstreeks aan Nederlandse consumenten worden verkocht. De rechtbank wijst alle vorderingen af. Van merkinbreuk is geen sprake, omdat Shaoke NL c.s. de Puma-merken niet gebruiken in hun eigen commerciële communicatie. Evenmin handelen zij onrechtmatig door hun logistieke en douanediensten te verlenen. De rechtbank verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad. Puma is houdster van diverse Uniemerken voor sportkleding, schoenen en accessoires. Shaoke Logistics verwerkt in Nederland zogenoemde overpacks met pakketjes die afkomstig zijn van Chinese verkopers en maakt deze gereed voor bezorging door vervoerders als PostNL en DHL. E-Com verzorgt daarbij de douaneformaliteiten. Tijdens douanecontroles en door Puma gelegde beslagen zijn in sommige pakketten goederen aangetroffen die waren voorzien van Puma-merken. Volgens Puma had zij geen toestemming verleend voor invoer vanuit China, zodat iedere dergelijke zending inbreuk opleverde. Daarnaast stelde Puma dat Shaoke NL c.s. de handel in inbreukmakende producten faciliteerden door onder meer de inklaring te verzorgen, goederen tijdelijk op te slaan en als retouradres te fungeren. Zij vorderde onder meer een verbod, opgave van gegevens, vernietiging van de goederen (onder meer door DWZ op kosten van gedaagden te laten vernietigen), schadevergoeding en volledige proceskosten. De rechtbank stelt voorop dat voor merkinbreuk vereist is dat een derde het merk zelf gebruikt in het economische verkeer. Daarbij moet sprake zijn van een actieve gedraging en van rechtstreekse of indirecte controle over het gebruik van het merk, waarbij het merk bovendien wordt gebruikt in de eigen commerciële communicatie. Puma baseert haar merkinbreukgrondslag op gebruik in de zin van artikel 9 lid 2 van de Uniemerkenverordening. De rechtbank verwijst daarbij naar vaste rechtspraak van het Hof van Justitie, waaronder Daimler, Google France, Coty Germany en TOP Logistics.