Alle rechtspraak  

IEF 23321

Gerecht bevestigt weigering van Pol’s FREEZE FRESH wegens reputatie van PAUL

Gerecht EU (voorheen GvEA) 4 mrt 2026, IEF 23321; ECLI:EU:T:2026:169 (Pols Erm Tarim Anonim Sirketi tegen EUIPO en Holder SAS), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-pol-s-freeze-fresh-wegens-reputatie-van-paul

Gerecht EU 4 maart 2026, IEF 23321; IEFbe 4115; ECLI:EU:T:2026:169 (Pols Erm Tarim Anonim Sirketi tegen EUIPO en Holder SAS). Het Gerecht heeft het beroep van Pols Erm Tarim Anonim Sirketi volledig verworpen en daarmee in stand gelaten dat het Uniemerk Pol’s FREEZE FRESH voor het grootste deel van de betrokken waren niet kan worden ingeschreven. Het geschil draaide uiteindelijk niet om verwarringsgevaar in de zin van artikel 8, lid 1, onder b, UMVo, maar om de ruimere reputatiebescherming van artikel 8, lid 5, UMVo. Alleen voor “live animals, organisms for breeding” in klasse 31 had de kamer van beroep de oppositie al afgewezen; voor de overige waren in de klassen 29, 30, 31 en 32 bleef de oppositie dus overeind. Het Gerecht oordeelde bovendien dat het niet bevoegd is EUIPO op te dragen de oppositie opnieuw te onderzoeken. Voor de inhoudelijke beoordeling nam het Gerecht alleen het oudere merk PAUL depuis 1889 als uitgangspunt, omdat de reputatie van PAUL LE CAFE niet was aangetoond. Volgens het Gerecht heeft PAUL in het oudere merk een normaal onderscheidend vermogen, terwijl “freeze fresh” voor de betrokken levensmiddelen en dranken beschrijvend of niet-onderscheidend is en “pol’s” het meest onderscheidende element van het aangevraagde merk vormt.

IEF 23313

Overnamegeschil over BLOS-merk: geen aansprakelijkheid van verkopers

Rechtbank Amsterdam 21 jan 2026, IEF 23313; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers), https://www.ie-forum.nl/artikelen/overnamegeschil-over-blos-merk-geen-aansprakelijkheid-van-verkopers

Rb. Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23313; ECLI:NL:RBAMS:2026:252 (BFNL tegen Verkopers). In deze zaak staat de vraag centraal of de verkopers van MC Child Holding aansprakelijk zijn tegenover koper BFNL. Na de overname spreekt Stichting Blosse BFNL aan, omdat het merk BLOS mogelijk inbreuk maakt op het oudere Benelux-woordmerk BLOSSE. BFNL stelt dat de verkopers vóór de overname informatie hadden moeten delen over een merkonderzoek uit 2018, waarin wordt gewaarschuwd dat BLOS een mogelijk “fataal obstakel” vormt vanwege het oudere merk BLOSSE. Ook beroept BFNL zich op garanties in de SPA, onder meer over de aanwezigheid van benodigde IE-rechten en over het niet achterhouden van materiële informatie in de Data Room. De rechtbank oordeelt dat de uitzondering in de SPA voor fraud (bedrog), wilful misconduct en intentional concealment (opzettelijke verzwijging) in beginsel ook geldt ten opzichte van de contractuele vervaltermijnen: als van zulke gedragingen sprake is, kan aansprakelijkheid dus niet alleen op die termijnen afstuiten. De rechtbank legt daarbij uit dat voor bedrog wordt aangesloten bij art. 3:44 lid 3 BW, en dat wilful misconduct in deze SPA niet wordt opgevat als roekeloosheid, maar als opzettelijk wangedrag.

IEF 23305

VIVA: Gerecht bevestigt (deels) behoud van Uniemerk na vervallenverklaring wegens normaal gebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23305; ECLI:EU:T:2026:154 (Viva Credit IFN SA tegen EUIPO en Viva Wallet AE Symmetochon – Anaptyxis Logismikoy), https://www.ie-forum.nl/artikelen/viva-gerecht-bevestigt-deels-behoud-van-uniemerk-na-vervallenverklaring-wegens-normaal-gebruik

Gerecht EU 25 februari 2026; IEF 23305; 4111; ECLI:EU:T:2026:154 (Viva Credit IFN SA tegen EUIPO en Viva Wallet AE Symmetochon – Anaptyxis Logismikoy). In deze zaak vraagt Viva Credit IFN SA om (gedeeltelijke) vernietiging/wijziging van een beslissing van de Vierde Kamer van Beroep van EUIPO in een vervallenverklaringsprocedure tegen het Uniemerk (beeldmerk) “Viva” van Viva Wallet. Viva Credit had vervallenverklaring gevorderd wegens niet-normaal gebruik (art. 58(1)(a) en (2) Verordening 2017/1001), waarna de Cancellation Division het merk grotendeels (deels) had laten vervallen voor een breed dienstenpakket in de klassen 35, 36, 38, 39, 41 en 42. In hoger beroep bij EUIPO bracht Viva Wallet aanvullend bewijs in; de Kamer van Beroep accepteerde dat bewijs en oordeelde dat het merk in de periode 6 april 2017 – 5 april 2022 normaal was gebruikt in de EU (met name Griekenland, maar ook o.a. Cyprus en **Roemenië) voor een reeks diensten, waaronder (kort gezegd) commerciële platform-/intermediairdiensten en e-payment brokerage (klasse 35), betalings- en financiële (ook deels niet-elektronische) diensten en ticketing-/boekingsbemiddeling (klasse 36), elektronische communicatiediensten die samenhangen met card payments en user authorisation (klasse 38), reis-/ticketdiensten en informatieverstrekking (klasse 39), reserverings-/boekingsdiensten inclusief e-tickets (klasse 41) en tijdelijke toegang tot online authenticatiesoftware (klasse 42). Viva Credit betoogde o.a. dat de motivering tekortschoot en dat het bewijs onvoldoende was voor plaats, omvang en aard van het gebruik.

IEF 23304

BRAMANI vs BRAHMA: verwarringsgevaar voor mode- en textielwaren

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23304; ECLI:EU:T:2026:145 (PFP Monaco tegen EUIPO en Stanton SAS), https://www.ie-forum.nl/artikelen/bramani-vs-brahma-verwarringsgevaar-voor-mode-en-textielwaren

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23304; IEFbe 4110; ECLI:EU:T:2026:145 (PFP Monaco tegen EUIPO en Stanton SAS). PFP Monaco vroeg een Uniemerk aan voor het woordteken BRAMANI voor (onder meer) uitgebreide textielwaren (klasse 24) en kleding/schoenen/hoofdbedekkingen (klasse 25). Stanton SAS tekende oppositie aan op basis van het oudere Uniemerk BRAHMA, ingeschreven voor leer en imitatieleer (als zodanig) en lederwaren (klasse 18) en kleding/schoenen/hoofdbedekkingen (klasse 25). De Oppositieafdeling wees de aanvraag voor de betwiste waren gedeeltelijk af; het beroep bij de Kamer van Beroep faalde omdat zij verwarringsgevaar aannam, in elk geval voor het Spaanstalige deel van het publiek in de EU. PFP Monaco stelde daarop beroep in bij het Gerecht op grond van art. 263 VWEU en voerde één middel aan: schending van artikel 8(1)(b) Verordening 2017/1001 (verwarringsgevaar).

IEF 23303

Parallelimport en “decoderen” van merkdranken: geen gegronde reden voor merkhouders om verkoop te verbieden

Antilliaanse Gerechten 24 feb 2026, IEF 23303; ECLI:NL:OGHACMB:2026:34 (Hennessy c.s. tegen Penha c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/parallelimport-en-decoderen-van-merkdranken-geen-gegronde-reden-voor-merkhouders-om-verkoop-te-verbieden

Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba 24 februari 2026, IEF 23303; ECLI:NL:OGHACMB:2026:34 (Hennessy c.s. tegen Penha c.s.). Het Gemeenschappelijk Hof van Justitie beoordeelt in hoger beroep een geschil tussen merkhouders van Hennessy-cognac, Moët & Chandon/Veuve Clicquot-champagne en Belvedere-wodka (Hennessy c.s.) en Curaçaose detailhandelaren (Penha c.s.). De merkhouders verzetten zich tegen het te koop aanbieden van “gedecodeerde” flessen: flessen waarvan identificatiecodes/lotcodes onleesbaar zijn gemaakt (bijv. met stickers, gaatjes onder de capsule of het wegslijpen van lasercodering), en stellen daarnaast dat dit strijd oplevert met etiketteringsregels en (impliciet) risico’s voor kwaliteit/veiligheid. Zij vorderen o.a. een verbod en staking op straffe van dwangsommen, een recall en uitgebreide opgaven over herkomst/afzet. Het Hof stelt het Caribische merkenrechtelijke uitgangspunt centraal: wereldwijde uitputting (art. 23 lid 8 Mlv), met slechts een uitzondering bij “gegronde redenen” om verdere verhandeling tegen te houden (zoals wijziging/verslechtering), waarbij het Hof, in lijn met Diageo/Esperamos en Diageo/[naam], een belangenafweging toepast en het concordantiebeginsel beperkt acht waar de Caribische wetgever bewust afwijkt van Europees (regionaal) uitputtingsrecht.

IEF 23300

Conservatoir derdenbeslag gedeeltelijk opgeheven in kort geding tussen Stretchtent Pro B.V. en The Nomad Company

Rechtbank Den Haag 31 dec 2025, IEF 23300; ECLI:NL:RBDHA:2025:27116 (STRETCHTENT PRO B.V. tegen THE NOMAD COMPANY), https://www.ie-forum.nl/artikelen/conservatoir-derdenbeslag-gedeeltelijk-opgeheven-in-kort-geding-tussen-stretchtent-pro-b-v-en-the-nomad-company

Rb Den Haag 31 december 2026, IEF 23300; ECLI:NL:RBDHA:2025:27116 (STRETCHTENT PRO B.V. tegen THE NOMAD COMPANY). De zaak is een kort geding tussen STRETCHTENT PRO B.V. en The Nomad Company. Nomad is groothandel in textielwaren (reis‑ en campingproducten) en houdster van diverse NOMAD‑merken. In een eerdere bodemprocedure tegen Nomadik heeft de rechtbank Den Haag op 3 september 2025 geoordeeld dat Nomadik met gebruik van het teken “Nomadik” inbreuk heeft gemaakt op de NOMAD‑merken, Nomadik verboden verdere inbreuk te maken, haar tot opgave van afzet- en winstgegevens veroordeeld en haar schadeplichtig verklaard jegens Nomad, waarbij de schade nader bij staat moet worden opgemaakt. Op basis van dat bodemvonnis heeft Nomad op 17 december 2025 conservatoir derdenbeslag laten leggen onder ING ten laste van Stretchtent Pro, nadat de voorzieningenrechter de (nog op te maken) schadevordering voorlopig had begroot op circa € 391.261,26. Stretchtent Pro vordert in dit kort geding opheffing van het beslag en voert onder meer aan dat zij zelf geen winst heeft gemaakt met de exploitatie van stretchtenten met het teken “Nomadik”, dat de door Nomad gestelde schade en onderliggende winstcijfers van Nomadik ondeugdelijk zijn onderbouwd, en dat daarom geen voldoende aannemelijk vorderingsrecht van Nomad bestaat dat een beslag van deze omvang rechtvaardigt.

IEF 23297

Perfect Hygiene/Continental Supply Co: afwijzing kort geding wegens onduidelijke grondslag merkinbreuk en onrechtmatige daad

Rechtbank Noord-Holland 27 nov 2025, IEF 23297; ECLI:NL:RBNHO:2025:15858 (PERFECT HYGIENE GMBH tegen CONTINENTAL SUPPLY CO B.V.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/perfect-hygiene-continental-supply-co-afwijzing-kort-geding-wegens-onduidelijke-grondslag-merkinbreuk-en-onrechtmatige-daad

Rb Noord-Holland 27 november 2025, IEF 23297; ECLI:NL:RBNHO:2025:15858 (PERFECT HYGIENE GMBH tegen CONTINENTAL SUPPLY CO B.V.). Perfect Hygiene GmbH is exclusief distributeur van onder meer natte doekjes onder het merk Sleepy, geproduceerd door het Turkse [bedrijf], dat zowel voor EER- als niet-EER-markten levert. Perfect Hygiene heeft een volmacht van [bedrijf] om de Sleepy-producten in onder meer Nederland te importeren, distribueren en de rechten en belangen rond die producten te behartigen. Continental Supply Co B.V. is groothandel en levert onder meer Sleepy-producten aan supermarkten en groothandels. De advocaat van Perfect Hygiene trof bij Basis Groothandel Sleepy-doekjes aan die volgens de etikettering bestemd waren voor markten buiten de EER; Basis verklaarde dat deze via Continental waren betrokken. Perfect Hygiene sommeerde vervolgens zowel Continental als Basis tot staking en vorderde in kort geding onder meer een verbod op invoer en verkoop binnen de EER van Sleepy-producten die niet voor de EER bestemd zijn, op straffe van dwangsommen, een uitgebreide rekening- en verantwoordingsplicht (afnemersgegevens, aantallen verhandelde en voorradige producten) en overdracht/afgifte van nog aanwezige voorraad ter vernietiging of verdere bewaring, alsmede proceskosten ex art. 1019 Rv. Aanvankelijk baseerde Perfect Hygiene haar vorderingen op merkinbreuk op grond van art. 9 lid 2 sub a UMVo. Nadat Continental had gewezen op de tegen de Sleepy-merkaanvraag ingestelde opposities, waarvan er één is geslaagd en één nog aanhangig is, wijzigde Perfect Hygiene de grondslag naar onrechtmatige daad. Zij voerde onder meer aan dat het zonder toestemming invoeren en verkopen van niet-EER-producten leidt tot verlies van overzicht over distributiestromen, risico’s bij eventuele product recalls, mogelijke productaansprakelijkheid en aantasting van de integriteit en presentatie van de producten. Daarnaast stelde zij dat, indien de opposities niet zouden slagen, het merkrecht met terugwerkende kracht bescherming zou bieden. Continental voerde onder meer aan dat de eis en grondslagen onduidelijk en wisselend waren (onduidelijk namens wie precies werd opgetreden en of nog een merkenrechtelijke basis werd gehandhaafd), dat van merkinbreuk geen sprake kon zijn wegens het ontbreken van een geldige merkinschrijving, en dat de vereisten van onrechtmatige daad onvoldoende waren gesteld en onderbouwd.

IEF 23294

Uitspraak ingezonden door Paul Tjiam en Edwin van der Velde, Simmons & Simmons.

Brand Outlet veroordeeld wegens grootschalige SHEIN‑merkinbreuk en schending onthoudingsverklaring

Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, IEF 23294; C/09/681422 / HA ZA 25-217 (ROADGET BUSINESS PTE. LTD. Tegen INTELMAGAZIJN B.V., TARDU B.V., ALVAR B.V., KDER B.V., GROOT B.V., FAMOSO B.V.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/brand-outlet-veroordeeld-wegens-grootschalige-shein-merkinbreuk-en-schending-onthoudingsverklaring

Rb Den Haag 11 februari 2026, IEF 23294; C/09/681422 / HA ZA 25-217 (ROADGET BUSINESS PTE. LTD. Tegen INTELMAGAZIJN B.V., TARDU B.V., ALVAR B.V., KDER B.V., GROOT B.V., FAMOSO B.V.). In deze zaak stelde SHEIN vast dat onder de gezamenlijke handelsnaam Brand Outlet in Nederland in fysieke winkels en pop-up stores op grote schaal SHEIN-kleding werd verkocht. Daarbij werden de SHEIN-merken zonder toestemming van SHEIN gebruikt in gevels, advertenties, winkeluitingen en op prijskaartjes. Brand Outlet had zich eerder in een onthoudingsverklaring tegenover SHEIN verbonden om iedere merkinbreuk te staken, geen SHEIN-producten meer te kopen, te adverteren of te verkopen (behoudens een korte uitverkoopperiode onder strikte voorwaarden), volledige informatie en documentatie te verstrekken over herkomst, voorraad en distributiekanalen, de resterende SHEIN-voorraad te vernietigen en een bijdrage in de kosten van SHEIN te voldoen, een en ander versterkt met aanzienlijke contractuele boetes in de zin van artikel 6:91 BW. Ondanks deze afspraken constateerde SHEIN via test-aankopen en processen-verbaal van deurwaarders dat in meerdere winkels van Brand Outlet nog steeds SHEIN-kleding werd aangeboden en verkocht. Daarbij waren labels vaak afgeknipt, maar bleven de kledingstukken voorzien van QR-codes die naar de SHEIN-website leidden. De voorgeschreven disclaimer ontbrak bovendien of was niet correct aangebracht. In de procedure beriep Brand Outlet zich onder meer op uitputting in de zin van artikel 15 UMVo, stellende dat uitsluitend in de EER in het verkeer gebrachte retourwaren werden verhandeld. Daarnaast voerde zij aan dat (delen van) de onthoudingsverklaring nietig waren wegens strijd met het kartelverbod van artikel 101 VWEU en dat de verklaring vernietigbaar was wegens het ontbreken van echtelijke toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW.

IEF 23293

EU‑breed verstekvonnis bevestigt reikwijdte Uniemerkenbescherming voor Volkswagen

Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, IEF 23293; ECLI:NL:RBDHA:2026:1801 (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/eu-breed-verstekvonnis-bevestigt-reikwijdte-uniemerkenbescherming-voor-volkswagen

Rb Den Haag 11 februari 2026, IEF 23293; ECLI:NL:RBDHA:2026:1801 (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]). Volkswagen AG trad in deze procedure op tegen een in Nederland gevestigde onderneming die zonder toestemming auto-onderdelen met de bekende Volkswagen‑merken verhandelde, waaronder via onlinekanalen. De vorderingen waren gebaseerd op inbreuk op diverse Uniemerken van Volkswagen, waarbij de Rechtbank Den Haag zich als Uniemerkenrechter bevoegd achtte voor het gehele grondgebied van de EU, omdat gedaagde in Nederland is gevestigd. Gedaagde is niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend en de door Volkswagen gestelde feiten, waaronder de inbreuk en het commerciële karakter daarvan, als vaststaand zijn aangenomen. Volkswagen vorderde onder meer een EU‑breed verbod op verdere merkinbreuk, uitgebreide informatie over de herkomst, voorraden en afnemers van de inbreukmakende producten (met onderliggende documentatie), winstafdracht en aanvullende schadevergoeding, alsmede een dwangsom ter versterking van de bevelen.

IEF 23291

Uitspraak ingezonden door Diederik Stols en Shaharzaad Said, Boekx.

Afstemmingsregel in kort geding: Sisley behoudt voorlopig merkinbreukverbod tegen B. Futurist

Hof Den Haag 10 feb 2026, IEF 23291; ECLI:NL:GHDHA:2026:128 (B. Futurist B.V. tegen c.f.e.b. Sisley), https://www.ie-forum.nl/artikelen/afstemmingsregel-in-kort-geding-sisley-behoudt-voorlopig-merkinbreukverbod-tegen-b-futurist

Hof Den Haag 10 februari 2026, IEF 23291; ECLI:NL:GHDHA:2026:128 (B. Futurist B.V. tegen c.f.e.b. Sisley). Het gerechtshof Den Haag heeft in kort geding in de IE‑zaak tussen merkhouder Sisley en parallelhandelaar B. Futurist de materiële beslissingen in eerste aanleg in stand gehouden. Aanleiding voor het geschil waren grootschalige aanbiedingen van Sisley‑producten door B. Futurist aan ongeveer 9.000 afnemers binnen de EER. Op 24 december 2024 heeft de voorzieningenrechter op grond van deze massa-aanbiedingen een voorlopig inbreukverbod opgelegd aan B. Futurist. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de vordering van Sisley tot inzage in het onder B. Futurist gelegde bewijsbeslag toegewezen. In de bodemprocedure heeft de rechtbank Den Haag op 4 juni 2025 een gelijkluidend inbreukverbod met nevenvorderingen toegewezen. Ook tegen dat vonnis is B. Futurist in hoger beroep gegaan. Dat hoger beroep loopt nog.