DOSSIERS
Alle dossiers

Rechtspraak  

IEF 23942

Uitspraak ingezonden door Bertil van Kaam en Pascal Steijvers, Van Kaam Advocaten.

Rechtbank gebiedt gemeenteraadslid PRO beschuldigingen jegens speelparkeigenaar te rectificeren

Rechtbank Den Haag 20 okt 2026, IEF 23942; ECLI:NL:RBDHA:2026:30325 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-gebiedt-gemeenteraadslid-pro-beschuldigingen-jegens-speelparkeigenaar-te-rectificeren

Rb. Den Haag 20 oktober 2026, IEF 23942; ECLI:NL:RBDHA:2026:30325 ([eiser] tegen [gedaagde]). Eiser in deze zaak is een ondernemer en eigenaar van een speelpark. Hij heeft dit speelpark op 21 april 2026 op een executieveiling gekocht en heeft het park op 21 juli 2026 geopend voor het publiek. Gedaagde is een gemeenteraadslid in de gemeente waar het speelpark gelegen is en houdt zich bezig met woningbouw. Het gemeenteraadslid heeft zich via diverse (sociale media)kanalen herhaaldelijk negatief uitgelaten over de speelparkeigenaar. In een radio-interview met Rijnmond op 22 april 2026 kwalificeert hij hem onder meer als "een spijkerharde speculant" die "de Samaritaan speelt", dat het hem "puur om het geld gaat" en dat hij later op het terrein van het speelpark "peperdure woningen" wil bouwen terwijl "hij net doet of hij het voor de kinderen in de wijk doet" (uitlating 1). Uitlating 1 is in diverse media overgenomen. Op 21 augustus 2026 beschuldigt het gemeenteraadslid de speelparkeigenaar er in een interview op YouTube daarnaast van de lokale Amsterdamse fracties van de Partij voor de Deuren en het CDA te hebben omgekocht door hen elk € 100.000,00 te doneren om hun stemgedrag te beïnvloeden (uitlating 2). Het gemeenteraadslid weigert voornoemde beschuldigingen te rectificeren, waarna de speelparkeigenaar een procedure bij de voorzieningenrechter in Den Haag start. Het gemeenteraadslid stelt dat sprake zou zijn van een SLAPP.

IEF 23935

Leeuwarder Courant hoeft kritisch artikel over snackbarhouder niet te verwijderen

Rechtbank Noord-Nederland 16 okt 2026, IEF 23935; ECLI:NL:RBNNE:2026:4470 ([eiser] tegen LC), https://www.ie-forum.nl/artikelen/leeuwarder-courant-hoeft-kritisch-artikel-over-snackbarhouder-niet-te-verwijderen

Rb. Noord-Nederland 16 oktober 2026, IEF 23935; IT 5601; ECLI:NL:RBNNE:2026:4470 ([eiser] tegen LC). Een horecaondernemer vordert in kort geding dat de Leeuwarder Courant (LC) een artikel over zijn voormalige snackbar van haar website verwijdert en rectificeert. In het artikel verklaren oud-medewerkers en leveranciers dat de ondernemer salarissen en facturen niet of te laat betaalde. Volgens de ondernemer bevat de publicatie feitelijke onjuistheden, is onvoldoende wederhoor toegepast en wordt zijn eer en goede naam aangetast. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een afweging moet plaatsvinden tussen de vrijheid van meningsuiting van LC en het recht van de ondernemer op bescherming van zijn eer, goede naam en persoonlijke levenssfeer. Daarbij weegt mee dat de ondernemer als bekende lokale horecaondernemer als publiek figuur moet worden aangemerkt en daarom meer publiciteit en kritiek moet dulden dan een willekeurig ander persoon.

IEF 23775

Accreditatievoorwaarden Persrichtlijn 2025 onverbindend wegens strijd met artikel 10 EVRM

Rechtbank Den Haag 13 mei 2026, IEF 23775; ECLI:NL:RBDHA:2026:11505 (de VVJ c.s. tegen de de Staat), https://www.ie-forum.nl/artikelen/accreditatievoorwaarden-persrichtlijn-2025-onverbindend-wegens-strijd-met-artikel-10-evrm

Rb. Den Haag 13 mei 2026, IEF 23775; IT 5472; ECLI:NL:RBDHA:2026:11505 (de VVJ c.s. tegen de Staat). De Rechtbank Den Haag oordeelt dat de accreditatievoorwaarden van artikel 2.1 van de Persrichtlijn 2025 onrechtmatig en onverbindend zijn wegens strijd met artikel 10 EVRM. Sinds 1 juni 2025 is voor toegang tot de bijzondere persfaciliteiten van de gerechten vereist dat iemand beschikt over een NVJ-perskaart, IFJ-perskaart of politieperskaart, dan wel lid is van de Buitenlandse Persvereniging (BPV). Tot die faciliteiten behoren onder meer het maken van beeld- en geluidsopnamen en foto's en het live verslag doen vanuit de zittingszaal. Volgens de rechtbank vormen deze voorwaarden een inmenging in de door artikel 10 EVRM beschermde vrijheid van nieuwsgaring. De inmenging heeft een grondslag in het nationale recht en dient legitieme doelen, waaronder de bescherming van de privacy en veiligheid van procesdeelnemers en hun recht op een eerlijk proces. De Staat heeft echter onvoldoende aangetoond dat het gekozen accreditatiesysteem noodzakelijk en proportioneel is. Voor journalisten die niet voor buitenlandse media werken, bepaalt in feite de NVJ wie voor accreditatie in aanmerking komt, terwijl onvoldoende inzichtelijk is gemaakt waarom voor deze constructie is gekozen, welke afspraken daarover met de NVJ bestaan en op welke wijze uitzonderingen op de voorwaarden worden toegepast. De andere accreditatiemogelijkheden bieden bovendien niet voor iedereen een redelijk en werkbaar alternatief.

IEF 23768

EHRM: weigering openbaarmaking notulen over aanpak MH17-ramp schendt art. 10 EVRM niet

EHRM 21 apr 2026, IEF 23768; ECLI:CE:ECHR:2026:0421JUD002006618 (Nederlandse Omroep Stichting e.a. tegen Nederland), https://www.ie-forum.nl/artikelen/ehrm-weigering-openbaarmaking-notulen-over-aanpak-mh17-ramp-schendt-art-10-evrm-niet

EHRM 21 april 2026, IEF 23768; IEFbe 4284; nr. 20066/18, ECLI:CE:ECHR:2026:0421JUD002006618 (Nederlandse Omroep Stichting e.a./Nederland). In deze zaak tussen Nederlandse Omroep Stichting, RTL Nederland en De Volkskrant enerzijds en Nederland anderzijds staat de vraag centraal of de gedeeltelijke weigering om overheidsdocumenten over de aanpak van de MH17-ramp openbaar te maken in strijd is met artikel 10 EVRM. De mediaorganisaties hadden in 2014 verzocht om documenten over de wijze waarop de Nederlandse regering de nasleep van de ramp had behandeld, waaronder de notulen van de Ministeriële Commissie Crisisbeheersing en de Interdepartementale Commissie Crisisbeheersing. Van de 225 aangetroffen documenten weigerde de minister er aanvankelijk 79 geheel openbaar te maken; andere documenten werden geheel of gedeeltelijk verstrekt. De minister baseerde de weigering onder meer op het belang van vertrouwelijke en onbelemmerde beraadslaging binnen de crisiscommissies, de bescherming van persoonsgegevens, internationale betrekkingen en de veiligheid van Nederlands personeel in het rampgebied. In de daaropvolgende procedures werden nog aanvullende documenten openbaar gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde uiteindelijk dat bij de resterende documenten de belangen die zich tegen openbaarmaking verzetten zwaarder wogen dan het belang bij openbaarmaking.

IEF 23641

HvJ EU verduidelijkt bevoegdheid bij grensoverschrijdende aantasting persoonlijkheidsrechten door televisieserie

HvJ EU 18 jun 2026, IEF 23641; C-232/25 ((Z.R. en Ś tegen U. en Z.)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-verduidelijkt-bevoegdheid-bij-grensoverschrijdende-aantasting-persoonlijkheidsrechten-door-televisieserie

HvJ EU 18 juni 2026, IEF 23641; C-232/25 (Z.R. en Ś tegen U. en Z.). In deze zaak tussen Z.R. en Ś. enerzijds en de Duitse producenten U. en Z. anderzijds staat de internationale bevoegdheid centraal bij een gestelde schending van persoonlijkheidsrechten door een televisieserie over de Tweede Wereldoorlog. Z.R. is een voormalig lid van een Poolse verzetsorganisatie (formatie X) en Ś. is een vereniging die de nagedachtenis en reputatie van die organisatie bewaakt. Volgens hen worden de leden van de formatie in de serie afgeschilderd als antisemieten en collaborateurs, waardoor hun eer, waardigheid en nationale identiteit zijn aangetast. Zij vorderen onder meer excuses op televisie en internet en vergoeding van immateriële schade. De zaak wordt beoordeeld aan de hand van artikel 5, punt 3, Brussel I, dat ratione temporis van toepassing is. De Poolse rechter vraagt het Hof van Justitie of de Poolse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de volledige schade, nu de serie weliswaar in Duitsland is geproduceerd maar ook in Polen is uitgezonden en online beschikbaar is. Daarbij rijst in het bijzonder de vraag of de rechtspraak over internetpublicaties, waarin het 'centrum van de belangen' van de benadeelde een aanknopingspunt vormt voor bevoegdheid, ook geldt voor televisieseries die in meerdere lidstaten worden uitgezonden. Het Hof maakt een duidelijk onderscheid tussen televisie-uitzendingen en internetpublicaties. Bij televisie is de verspreiding territoriaal begrensd tot het ontvangstgebied van het televisiesignaal. Anders dan online content is een televisie-uitzending niet van nature overal en gelijktijdig toegankelijk. Daarom kan de benadeelde weliswaar procederen in iedere lidstaat waar de serie is uitgezonden en waar hij stelt reputatieschade te hebben geleden, maar die rechter is uitsluitend bevoegd voor de schade die op zijn eigen grondgebied is ontstaan (mozaïekbevoegdheid in de lijn van Shevill). Het centrum van de belangen van de benadeelde vormt in deze situatie geen grondslag voor een vordering die ziet op de volledige schade. Dat geldt ook als de serie gelijktijdig via internet wordt verspreid: eventuele versnippering van het geding neemt niet weg dat de benadeelde voor de volledige schade nog steeds kan procederen bij de rechter van de woonplaats van de verweerder of van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (de zetel van de producenten). Voor online verspreide inhoud bevestigt het Hof zijn eerdere rechtspraak dat de rechter van de lidstaat waar het centrum van de belangen van de benadeelde ligt bevoegd kan zijn om kennis te nemen van de volledige schade. Daarvoor geldt echter een belangrijke voorwaarde: de betrokken inhoud moet objectieve en controleerbare gegevens bevatten die het mogelijk maken de benadeelde direct of indirect als individu te identificeren.

IEF 23630

Rectificatie bevolen na misleidende publicatie over oud-werknemer

Rechtbank Rotterdam 21 apr 2026, IEF 23630; ECLI:NL:RBROT:2026:5250 (([eiser] tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rectificatie-bevolen-na-misleidende-publicatie-over-oud-werknemer

Rb. Rotterdam 21 april, IT 5317; IEF 23630; ECLI:N:RBROT:2026:5250 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen [eiser] en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door klanten van haar beautysalon te berichten dat [eiser], een voormalig werknemer, zonder haar medeweten Tikkie-betalingen van klanten zou hebben ontvangen. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam oordeelt dat sprake is van een feitelijk onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie. De beschuldigingen vinden onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal en tasten de goede naam van [eiser] aan. [gedaagde] moet daarom een rectificatie versturen en inzage verschaffen in de geadresseerden van zowel het oorspronkelijke bericht als de rectificatie, op straffe van een dwangsom, en wordt veroordeeld in de proceskosten. [eiser] was van mei 2023 tot februari 2025 in dienst bij [gedaagde]. Nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over onder meer achterstallig loon, stuurde [gedaagde] in februari 2026 een e-mail aan een aantal klanten. Daarin schreef zij dat "gebleken" was dat [eiser] zonder haar medeweten klanten had verzocht betalingen via Tikkie naar haar persoonlijke rekening over te maken, dat inmiddels aangifte was gedaan en dat voor een politieonderzoek en een rechtszaak bewijs werd verzameld. Aan de ontvangers werd gevraagd hun bankgegevens te controleren en eventuele Tikkie-betalingen aan [eiser] te melden. Volgens [eiser] waren deze beschuldigingen onjuist en schadelijk voor haar reputatie. Zij wees erop dat zij meerdere betalingen via Tikkie juist op instructie of met toestemming van [gedaagde] had ontvangen. Nadat [gedaagde] weigerde haar bericht in te trekken of een rectificatie te versturen, startte [eiser] dit kort geding. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sprake is van een botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] en het recht van [eiser] op bescherming van haar goede naam. Een rectificatie kan worden bevolen wanneer sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van feitelijke gegevens die onrechtmatig is jegens een ander. Daarbij zijn onder meer van belang de ernst van de beschuldiging, de mate waarin de goede naam wordt aangetast en de vraag of de beschuldiging voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Volgens de voorzieningenrechter is daarvan hier sprake. Het bericht vermeldt dat "gebleken" zou zijn dat [eiser] zonder medeweten van [gedaagde] betalingen via Tikkie heeft ontvangen. Uit door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt echter dat [gedaagde] in meerdere gevallen juist instructie of toestemming heeft gegeven voor dergelijke betalingen. Ook heeft [eiser] per e-mail een overzicht van ontvangen betalingen aan [gedaagde] verstrekt. [gedaagde] erkent bovendien dat voor een deel van de betalingen toestemming bestond, maar stelt dat andere betalingen onterecht zijn ontvangen. Daarmee strookt haar bericht niet.

IEF 23617

Rb. Gelderland: geen preventief verbod op boek over zedenzaak binnen gezin

Rechtbank Gelderland 6 jun 2026, IEF 23617; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 ((de zussen tegen [gedaagden])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-gelderland-geen-preventief-verbod-op-boek-over-zedenzaak-binnen-gezin

Rb. Gelderland 6 juni 2026, IEF nummer; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 (de zussen tegen [gedaagden]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft de vorderingen van de zussen afgewezen, die waren gericht op het voorkomen van de publicatie van een boek dat door een andere zus is geschreven over haar levensverhaal in relatie tot een omvangrijke zedenzaak binnen het gezin. Volgens de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de voorgenomen publicatie onrechtmatig is. Ook de gevorderde inzage in het manuscript wordt afgewezen. Aanleiding voor het geschil vormt een strafzaak waarin de ouders van partijen in eerste aanleg zijn veroordeeld wegens seksueel misbruik en mishandeling van hun dochters. Tegen die veroordelingen loopt nog hoger beroep. Eén van de dochters heeft samen met een journalist een boek geschreven waarin haar ervaringen centraal staan. Kort voor de geplande publicatie startten [eiser 1] en [eiser 2] een kort geding tegen [gedaagden]. De zussen vorderden inzage in het manuscript en een verbod op publicatie totdat het hoger beroep in de strafzaak tegen hun ouders zou zijn afgerond. Volgens hen levert publicatie een ontoelaatbare inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer op en bestaat het risico op psychische schade en hernieuwd slachtofferschap. Daarnaast vrezen zij dat het boek gevolgen kan hebben voor het nog lopende strafproces, bijvoorbeeld doordat getuigenverklaringen worden beïnvloed of aanvullende getuigenverhoren noodzakelijk worden. [gedaagden] beriepen zich op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van publicatie. Zij voerden aan dat het boek een onderwerp van maatschappelijk belang behandelt, dat gebruik wordt gemaakt van gefingeerde namen en dat geen nieuwe strafrechtelijk relevante informatie of bijzonder privacygevoelige gegevens over [eiser 1] en [eiser 2] worden openbaar gemaakt. Volgens [gedaagden] is een preventief publicatieverbod slechts in uitzonderlijke gevallen toelaatbaar. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een voorafgaand publicatieverbod een zeer ingrijpende beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. Voor een dergelijke maatregel geldt daarom een hoge drempel.

IEF 23580

Podcast over restitutie roofkunst niet onrechtmatig jegens Mondex en haar oprichter

Rechtbank Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC), https://www.ie-forum.nl/artikelen/podcast-over-restitutie-roofkunst-niet-onrechtmatig-jegens-mondex-en-haar-oprichter

Rb. Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC). De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat NRC met de achtdelige podcastserie Hier hing een schilderij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Mondex en haar oprichter [eiser 2]. De podcast reconstrueert de restitutie van het schilderij Bild mit Häusern aan de erfgenamen van de voormalige eigenaar. Mondex en [eiser 2] stelden dat NRC een onjuist, tendentieus en grievend narratief had gecreëerd, waarin zij zouden worden neergezet als partijen die profiteren van restitutie van roofkunst, onder meer door verwijzingen naar termen als “ambulance chaser”, “premiejager”, “holocaustindustrie” en “Shoah business”. De rechtbank stelt voorop dat het recht van NRC op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid op grond van artikel 10 EVRM moet worden afgewogen tegen het belang van Mondex en [eiser 2] bij bescherming van hun eer en goede naam, waarbij artikel 6:162 BW het wettelijke aanknopingspunt vormt voor een eventuele beperking van die uitingsvrijheid. Daarbij weegt zwaar dat restitutie van roofkunst, het functioneren van het restitutiebeleid en de commerciële bijstand aan rechthebbenden of erfgenamen onderwerpen van publiek belang zijn. NRC kwam daarom ruime journalistieke en redactionele vrijheid toe om daarover kritisch, informerend en opiniërend te publiceren. Het beroep van [eiser 2] op artikel 8 EVRM slaagt niet, omdat de gewraakte uitlatingen zien op zijn professionele hoedanigheid bij Mondex en onvoldoende is onderbouwd dat zijn privéleven daardoor zodanig is geraakt dat artikel 8 EVRM bescherming biedt.

IEF 23558

Rb. Den Haag: publicatie beeldmateriaal kind en informatie uit jeugdbeschermingsdossier onrechtmatig

Rechtbank Den Haag 23 apr 2026, IEF 23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-publicatie-beeldmateriaal-kind-en-informatie-uit-jeugdbeschermingsdossier-onrechtmatig

Rb. Den Haag 23 april 2026, IT 5269 IEF 23558; ECLI:NL:RBDHA:2026:9790 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Den Haag vindt dat [gedaagde], een rapper met een groot bereik op social media, onrechtmatig handelde met berichten over [eiseres] en het kind van [eiseres]. [eiseres] en [gedaagde] hadden in 2024 een korte relatie, waaruit in 2025 een kind is geboren. Alleen [eiseres] heeft het gezag. [gedaagde], actief als artiest op onder meer Instagram, TikTok, Snapchat en YouTube, is kort voor deze zaak strafrechtelijk veroordeeld voor onder meer bedreiging. Hij kreeg daarbij ook een contactverbod met [eiseres]. Daarna plaatste hij via zijn socialmediakanalen verschillende berichten. Zo deelde hij beeldmateriaal van het kind, combineerde dat met een audio-opname van de slachtofferverklaring van [eiseres], publiceerde informatie uit een jeugdzorgdossier en deed uitspraken over de geestelijke gezondheid van [eiseres] en een vermeende weigering van een DNA-test. Volgens de voorzieningenrechter is er spoed, omdat online publicaties zich snel verspreiden en blijvend zijn, zeker gezien het grote bereik van [gedaagde]. Voor het delen van persoonsgegevens van een kind onder de 16 jaar is toestemming nodig van de wettelijk vertegenwoordiger. Zonder die toestemming is publicatie in principe onrechtmatig. Dat geldt ook voor het gebruik van een geblurde afbeelding in een videoclip. In deze context is het kind toch herkenbaar, onder meer omdat dezelfde afbeelding eerder ongeblurd is gedeeld en wordt gebruikt bij uitspraken over vaderschap. De bescherming van de persoonlijke levenssfeer van het kind weegt zwaarder dan het belang van [gedaagde] bij artistieke vrijheid en inkomsten uit de videoclip.

IEF 23546

HvJ EU geeft duidelijkheid over vergoeding voor nieuwscontent op platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF 23546; ECLI:EU:C:2026:395 ((Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni) ), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-geeft-duidelijkheid-over-vergoeding-voor-nieuwscontent-op-platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF23546; ECLI:EU:C:2026:395 (Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni). In deze zaak draait het om de uitleg van artikel 15 DSM-richtlijn. De zaak speelt tussen Meta Platforms Ireland en de Italiaanse communicatieautoriteit AGCOM. Centraal staat een Italiaanse regeling die persuitgevers exclusieve rechten geeft op online gebruik van hun perspublicaties door online platforms. De regeling bepaalt daarnaast dat uitgevers aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding en legt verschillende verplichtingen op aan platforms. Meta maakte bezwaar tegen een besluit van AGCOM waarin criteria waren vastgesteld voor de berekening van die vergoeding. Volgens Meta geeft artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers uitsluitend exclusieve rechten, zoals reproductie en beschikbaarstelling, en geen zelfstandig vergoedingsrecht. Ook zou de Italiaanse regeling te ver ingrijpen in de contractsvrijheid en ondernemingsvrijheid van platforms, onder meer doordat zij verplicht worden te onderhandelen, gegevens te delen en de zichtbaarheid van perscontent tijdens onderhandelingen niet te beperken. Meta beriep zich daarnaast op strijd met verschillende bepalingen van Unierecht, waaronder artikel 109 en 119 VWEU en de e-commercerichtlijn. Het Hof heeft die onderdelen echter niet inhoudelijk beoordeeld, maar de betreffende prejudiciële vragen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet relevant waren voor de beslechting van het hoofdgeding. Het Hof stelt voorop dat artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers exclusieve rechten verleent om online gebruik van hun perspublicaties toe te staan of te verbieden. De inhoud van die rechten volgt uit Richtlijn 2001/29. Lidstaten mogen deze exclusieve rechten niet vervangen door een louter vergoedingsrecht. Tegelijkertijd sluit artikel 15 DSM-richtlijn niet uit dat toestemming voor gebruik wordt gekoppeld aan betaling van een vergoeding, zolang het exclusieve karakter van het recht behouden blijft. Dat betekent dat persuitgevers toestemming moeten kunnen weigeren en hun rechten ook kosteloos moeten kunnen licentiëren, bijvoorbeeld via royaltyvrije licenties. Platforms mogen bovendien niet verplicht worden een vergoeding te betalen wanneer zij de publicaties niet gebruiken of niet willen gebruiken. Volgens het Hof mogen lidstaten regels vaststellen die het gebruik van deze rechten structureren, mits die regels de exclusieve rechten niet uithollen en aansluiten bij de doelstellingen van de DSM-richtlijn, waaronder een hoog beschermingsniveau en een sterkere onderhandelingspositie voor persuitgevers.