DOSSIERS
Alle dossiers

Onrechtmatige publicaties  

IEF 23522

Geen uitzendverbod voor tv-programma, wel beperking herkenbaarheid [eiser]

Rechtbank Amsterdam 29 okt 2025, IEF 23522; ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-uitzendverbod-voor-tv-programma-wel-beperking-herkenbaarheid-eiser

Rb. Amsterdam 29 oktober 2025; IEF 23522; IT 5254 ECLI:NL:RBAMS:2025:11439 ([eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding vordert een betrokkene een verbod op de uitzending van een aflevering van een televisieprogramma waarin hij wordt geconfronteerd met beschuldigingen van financiële misstanden en benadeling van derden. Volgens [eiser] is de voorgenomen uitzending onrechtmatig, omdat deze zou zijn gebaseerd op onjuiste informatie en omdat hem onvoldoende gelegenheid tot wederhoor zou zijn geboden.

IEF 23515

Verbod op negatieve reviews: herhaaldelijk plaatsen onder verschillende namen onrechtmatig

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 17 apr 2026, IEF 23515; ECLI:NL:RBZWB:2026:3455 ([eisende partij] tegen [gedaagde partijen]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/verbod-op-negatieve-reviews-herhaaldelijk-plaatsen-onder-verschillende-namen-onrechtmatig

Rb. Zeeland West-Brabant 17 april 2026, IEF 23515; IT 5247; ECLI:NL:RBZWB:2026:3455 ([eisende partij] tegen [gedaagde partijen]). In dit kort geding staat centraal of het plaatsen van meerdere negatieve online recensies over een vakantiewoning onrechtmatig is. Gedaagden hadden na klachten over hun verblijf herhaaldelijk negatieve reviews geplaatst op verschillende platforms, deels onder verschillende namen.

IEF 23511

Ruime bescherming voor vrijheid van meningsuiting politici: ‘beetje Andrew Tate vibes’ toegestaan

Rechtbank Midden-Nederland 24 apr 2026, IEF 23511; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/ruime-bescherming-voor-vrijheid-van-meningsuiting-politici-beetje-andrew-tate-vibes-toegestaan

Rb. Midden-Nederland 24 april 2026, IEF 23511; IT 5243; ECLI:NL:RBMNE:2026:1870 ([eisende partij] tegen Volt en [gedaagde partij sub 2]). In dit kort geding staat de vraag centraal of uitlatingen van een politica tijdens een gemeenteraadsvergadering, en de daarna op social media, onrechtmatig zijn tegenover een verhuurder, [eisende partij]. De politica sprak onder meer over “Andrew Tate vibes” en kwalificeerde diens verhuurpraktijken als intimiderend. [eisende partij] verhuurde bijvoorbeeld enkel aan vrouwen.

IEF 23498

Uitspraak ingezonden door Charissa Koster, DayOne Legal

Rb. Amsterdam: vermelding naam, strafrechtelijke antecedenten en familiebanden in De Limburger niet onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 15 apr 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-vermelding-naam-strafrechtelijke-antecedenten-en-familiebanden-in-de-limburger-niet-onrechtmatig

Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt in kort geding dat De Limburger niet onrechtmatig heeft gehandeld door in twee online artikelen uit 2022 en 2026 de eiser met naam en toenaam te noemen en daarbij te verwijzen naar zijn strafrechtelijke antecedenten, eerdere witwasverdenking, zijn in 2012 geliquideerde broer en, in het artikel uit 2022, zijn vroegere zakelijke banden met een vastgoedondernemer die volgens justitie betrokken zou zijn bij witwaspraktijken. Het eerste artikel ging over de integriteit van het openbaar bestuur, meer specifiek over een private investering van een topman van het Limburgs Energiefonds in een omstreden vakantiepark van de familie van eiser. Het tweede artikel ging over de verlening van een exploitatievergunning voor datzelfde vakantiepark ondanks een deels negatief Bibob-advies. Volgens de voorzieningenrechter raken beide publicaties daarmee aan kwesties van algemeen belang en had Mediahuis voldoende toegelicht waarom ook de rol en achtergrond van eiser in die context journalistiek relevant waren. Daarbij weegt mee dat eiser de juistheid van de in de artikelen genoemde feiten niet betwistte.

IEF 23465

Uitingen van fan op sociale media vallen binnen vrijheid van meningsuiting

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IEF 23465; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/uitingen-van-fan-op-sociale-media-vallen-binnen-vrijheid-van-meningsuiting

Rb. Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23465; IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van een Australische singer-songwriter tegen een Nederlandse fan af. Partijen hebben gedurende ongeveer 2,5 jaar een persoonlijke relatie gehad, die in het najaar van 2025 definitief eindigde. Nadat de artiest op 30 oktober 2025 op Instagram had gereageerd op beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag jegens jonge vrouwelijke fans, plaatste de fan berichten op Instagram, TikTok en YouTube over haar ervaringen. De artiest vorderde in kort geding onder meer een verbod op uitlatingen waarin hij volgens hem werd beschuldigd van verkrachting, mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, alsmede verwijdering van berichten, een contactverbod, rectificatie en een auteursrechtelijk verbod met betrekking tot niet-uitgebrachte muziek. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden afgewogen tussen het recht van de fan op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM en de belangen van de artiest bij bescherming van zijn eer, goede naam en privacy. Alleen als de uitingen onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW, kan die vrijheid worden beperkt. Daarbij geldt dat ook uitingen die beledigen, choqueren of verontrusten onder de bescherming van art. 10 EVRM kunnen vallen.

IEF 23440

Totaalverbod op online kansspelen niet in strijd met art. 56 VWEU; afwijzing vordering tot rectificatie van OM-persbericht

Hof Den Haag 10 mrt 2026, IEF 23440; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/totaalverbod-op-online-kansspelen-niet-in-strijd-met-art-56-vweu-afwijzing-vordering-tot-rectificatie-van-om-persbericht

Hof Den Haag 10 maart 2026, IEF 23440; IT 5179; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.). In deze civiele hogerberoepszaak stonden appellanten, onder wie natuurlijke personen en vennootschappen die tussen 2007 en 2014 belangen hielden in vennootschappen die vanuit Malta online kansspelen aanboden, tegenover de Staat en de Kansspelautoriteit. Zij vorderden onder meer een verklaring voor recht dat het in de relevante periode geldende Nederlandse totaalverbod op het aanbieden van online kansspelen in strijd was met art. 56 VWEU, dat het daarop gebaseerde optreden van de Staat en de Kansspelautoriteit onrechtmatig was, schadevergoeding op te maken bij staat, een bevel om de gestelde Unierechtelijke inbreuk te staken en rectificatie van een OM-persbericht van 24 juni 2021. Het hof verwerpt eerst het ontvankelijkheidsverweer van de Staat c.s. en oordeelt dat in elk geval de appellanten die geen verdachten zijn voldoende belang hebben bij hun schadevorderingen, terwijl daarnaast ook voldoende belang bestaat bij de rectificatievordering. Inhoudelijk stelt het hof voorop dat het totaalverbod op online kansspelen weliswaar een beperking vormt van het vrij verkeer van diensten, maar dat die beperking gerechtvaardigd kan zijn door dwingende redenen van algemeen belang, zoals consumentenbescherming en fraudebestrijding. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie benadrukt het hof dat lidstaten op het terrein van kansspelen, en in het bijzonder online kansspelen, over een ruime beoordelingsmarge beschikken. Een algemeen verbod op online kansspelen kan daarom in beginsel een geschikte maatregel zijn, juist gelet op de specifieke risico’s van online aanbod, zoals anonimiteit, permanente toegankelijkheid en verhoogde risico’s op fraude en gokverslaving. Het hof verwerpt vervolgens ook het betoog dat het verbod wegens beperkte effectiviteit, beperkte uitzonderingen binnen het gereguleerde aanbod of het latere vergunningstelsel van de Wet kansspelen op afstand zijn samenhang of geschiktheid had verloren. Volgens het hof verlangt het Unierecht niet dat steeds de meest effectieve of minst vergaande maatregel wordt gekozen, en evenmin dat de feitelijke effectiviteit van een verbod beslissend is voor de Unierechtelijke toelaatbaarheid ervan.

IEF 23443

Uitspraak ingezonden door Femmetje de Wind, ABC Legal

Onrechtmatige socialmediaposts over vermeende bedreiging; bevel tot verwijdering en rectificatie in kort geding bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 mrt 2026, IEF 23443; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/onrechtmatige-socialmediaposts-over-vermeende-bedreiging-bevel-tot-verwijdering-en-rectificatie-in-kort-geding-bekrachtigd

Hof 's-Hertogenbosch 31 maart 2026, IEF 23433; IT5181; ECLI:NL:GHSHE:2026:855 ([appellanten] tegen [geïntimeerden]). In dit kort geding in hoger beroep stond de vraag centraal of door [appellant sub 1] geplaatste posts op sociale media over [geïntimeerde sub 1] en diens onderneming onrechtmatig waren. Aanleiding was een voicemailbericht van 13 september 2024 waarin [geïntimeerde sub 1], na vergeefse pogingen om met [appellant sub 1] in contact te komen over langer lopende kwesties, had gezegd: “Als jij denkt dat het vanzelf over gaat ehhh zo, dan ehhh heb je het echt mis hoor. Word alleen maar bozer en teleurgestelder. Dus mijn advies, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken en kom ik het uitpraten met je.” Op 31 oktober 2024 plaatste [appellant sub 1] op LinkedIn en op 1 november 2024 op X een ingekort fragment van dat bericht, namelijk: “mijn advies is, bel me terug, maak een afspraak. Als je dat niet doet, kom ik je opzoeken”, met begeleidende teksten waarin hij sprak van een voicemail van een “dreiger” en verwees naar de onderneming van [geïntimeerde sub 1]. Op 17 en 18 december 2024 verwees hij opnieuw naar die posts op respectievelijk X en Instagram. Het hof stelt voorop dat moet worden afgewogen welk fundamenteel recht in dit geval zwaarder weegt: het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM of het recht van [geïntimeerden] op eer en goede naam ex art. 8 EVRM. Daarbij past het hof de in de rechtspraak ontwikkelde maatstaf toe voor botsende grondrechten. Het hof oordeelt dat [appellant sub 1] het voicemailbericht onvolledig en daarmee misleidend heeft weergegeven. Door de woorden “en kom ik het uitpraten met je” weg te laten, heeft hij aan het bericht een andere, duidelijk dreigendere strekking gegeven dan het volledige voicemailbericht had. Dat oordeel weegt des te zwaarder omdat [geïntimeerde sub 1] nog op 13 september 2024 per e-mail had uitgelegd dat het bericht geen dreigement was, maar bedoeld was om een afspraak tot stand te brengen. Ondanks die toelichting heeft [appellant sub 1] de ingekorte versie alsnog geplaatst, voorzien van de kwalificatie “dreiger”. De door [appellanten] aangevoerde omstandigheden dat zij zich om andere redenen bedreigd voelden, zoals veelvuldige telefoontjes, een anonieme verklaring over vuurwapengevaarlijkheid en een latere uitlating van [geïntimeerde sub 1], acht het hof onvoldoende onderbouwd of niet relevant als rechtvaardiging voor juist deze publicaties.

IEF 23433

Kort geding over gevorderde rectificatie en verbod wegens gemeentelijke uitlatingen over speelpark; vorderingen afgewezen

Rechtbank Midden-Nederland 17 mrt 2026, IEF 23433; ECLI:NL:RBMNE:2026:1023 (speelpark Oud Valkeveen tegen de Gemeente), https://www.ie-forum.nl/artikelen/kort-geding-over-gevorderde-rectificatie-en-verbod-wegens-gemeentelijke-uitlatingen-over-speelpark-vorderingen-afgewezen

Rb. Midden-Nederland 17 maart 2026, IEF 23433; ECLI:NL:RBMNE:2026:1023 (speelpark Oud Valkeveen tegen de Gemeente). Speelpark Oud Valkeveen vordert in dit kort geding dat de Gemeente Gooise Meren twee op 29 januari 2026 op haar website geplaatste uitlatingen rectificeert en dat het de gemeente wordt verboden om dergelijke uitlatingen op basis van het thans bekende feitenmateriaal te herhalen. Het gaat om de mededelingen dat het speelpark in de afgelopen jaren een gestage groei heeft doorgemaakt die spanning oplevert met het omliggende natuurgebied en omwonenden, en dat de grenzen van het speelpark ten aanzien van stikstofuitstoot en natuur zijn bereikt. Volgens het speelpark zijn dit ongefundeerde beschuldigingen die schadelijk zijn voor zijn eer en goede naam, reputatie en bedrijfsvoering. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang gegeven, omdat het speelpark stelt schade te lijden en herhaling vreest. Vervolgens zet de rechtbank het toetsingskader uiteen: tegenover elkaar staan het belang van het speelpark bij bescherming tegen reputatieschade en het belang van de gemeente bij vrijheid van meningsuiting en deelname aan het publieke debat. Daarbij noemt de rechtbank de gebruikelijke gezichtspunten, zoals inhoud en vorm van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen, de positie van de spreker, de feitelijke onderbouwing en de bijdrage aan een debat van algemeen belang. Voor rectificatie op grond van art. 6:167 BW is bovendien vereist dat sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van gegevens van feitelijke aard.

IEF 23422

Uitspraak ingezonden door Merel Teunissen, Liaise Advocaten.

Uitingen fan over relatie met zanger niet onrechtmatig bevonden

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IEF 23422; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (Lewis tegen Van Ooijen), https://www.ie-forum.nl/artikelen/uitingen-fan-over-relatie-met-zanger-niet-onrechtmatig-bevonden

Rb Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23422, IT 5168; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (eiser tegen gedaagde). De zaak betreft een Australische singer-songwriter (eiser) en een Nederlandse fan/therapeut (gedaagde) die circa 2,5 jaar een affectieve/seksuele relatie hebben gehad nadat eiser haar via Instagram benaderde en zij elkaar in Amsterdam ontmoetten. In het najaar van 2025 is die relatie geëindigd, waarna op sociale media en in de fan-omgeving (Discord) beschuldigingen tegen eiser over grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik rond jonge vrouwelijke fans naar buiten kwamen. Eiser reageerde daarop met een publieke Instagrampost met excuses. Gedaagde heeft vervolgens op TikTok, Instagram en YouTube berichten geplaatst waarin zij spreekt over een “abusive relationship”, therapie/coaching rond narcissistic abuse en persoonlijk haar ervaringen deelt, maar zij noemt eiser daarin niet bij naam. Eiser stelt dat haar posts, één-op-één Instagram-DM’s en spraakberichten feitelijk neerkomen op beschuldigingen van verkrachting, (seksuele en psychische) mishandeling van vrouwen, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, en dat zij bovendien niet-uitgebrachte nummers van hem (zoals ‘Butterfly’) online heeft laten verschijnen. Hij vordert in kort geding een breed verbod op dergelijke uitlatingen (zowel openbaar als in privé- of groepsberichten), verwijdering van alle berichten over hem of in elk geval de berichten met genoemde beschuldigingen, een contactverbod ten opzichte van hem, zijn relaties en (toekomstige) partners, rectificaties op haar socialemediakanalen, staking van iedere auteursrechtinbreuk en oplegging van dwangsommen, plus veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Gedaagde voert aan dat zij uitsluitend haar eigen ervaringen en beleving van de relatie deelt binnen haar vrijheid van meningsuiting, dat de term “abusive” breder is dan alleen strafbare mishandeling, dat de DM’s privé waren en door derden zijn gelekt, dat eiser nergens met naam wordt genoemd en dat zij geen muziek van hem online heeft gezet.

IEF 23399

Hof Den Haag: zorgvuldigheid vereist bij online beschuldigingen op sociale media

Hof Den Haag 17 mrt 2026, IEF 23399; ECLI:NL:GHDHA:2026:368 ([appellante] tegen [geïntimeerde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-zorgvuldigheid-vereist-bij-online-beschuldigingen-op-sociale-media

Hof Den Haag 17 maart 2026, IEF 23399; IT 5155; ECLI:NL:GHDHA:2026:368 ([appellante] tegen [geïntimeerde]). Na een kortstondige relatie plaatste [appellante] TikTok-video’s waarin zij de indruk wekte dat [geïntimeerde] zich schuldig maakte aan (seksuele) contacten met minderjarigen. [geïntimeerde] reageerde daarop in zijn YouTube-programma met beledigende en seksueel getinte uitlatingen, waaronder suggesties dat [appellante] in de porno-industrie werkzaam zou zijn. Het gerechtshof Den Haag oordeelt dat beide partijen onrechtmatig hebben gehandeld door uitlatingen over elkaar te doen via sociale media.