Overige  

IEF 23884

Rechtbank Noord-Holland ontbindt arbeidsovereenkomst BumaStemra wegens verstoorde arbeidsverhouding

Rechtbank Noord-Holland 14 okt 2026, IEF 23884; ECLI:NL:RBNHO:2026:12034 (BumaStemra tegen [verweerder]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-noord-holland-ontbindt-arbeidsovereenkomst-bumastemra-wegens-verstoorde-arbeidsverhouding

Rb. Noord-Holland 14 september 2026, IEF 23884; ECLI:NL:RBNHO:2026:12034 (BumaStemra tegen [verweerder]). BumaStemra verzoekt ontbinding van de arbeidsovereenkomst met een werknemer wegens een verstoorde arbeidsverhouding als bedoeld in artikel 7:669 lid 3 onder g BW. De kantonrechter oordeelt dat sprake is van een ernstige en duurzame verstoring, zodanig dat van BumaStemra redelijkerwijs niet kan worden gevergd de arbeidsovereenkomst te laten voortduren. Na de volledige herstelmelding van de werknemer in januari 2026 hebben partijen veelvuldig gesproken en gecorrespondeerd over haar plaatsing in een nieuw team en de inhoud van haar functie. Volgens de kantonrechter heeft BumaStemra die functie voldoende toegelicht en geconcretiseerd, rekening gehouden met de zorgen van de werknemer over werkdruk en overbelasting en aangeboden het takenpakket gefaseerd op te bouwen. De standpunten van partijen zijn vervolgens verder verhard. Daarbij bleef de werknemer haar bezwaren tegen de nieuwe werksituatie verbinden aan het conflict uit 2024 met haar voormalige leidinggevende en aan haar bredere wantrouwen binnen de organisatie. BumaStemra heeft volgens de kantonrechter wel degelijk pogingen gedaan om de arbeidsrelatie te herstellen: er zijn meerdere gesprekken gevoerd, mediation is aangeboden en BumaStemra heeft uiteindelijk ingestemd met de wens van de werknemer om daarin ook haar klacht over haar voormalige leidinggevende te bespreken. Nadat de werknemer formele klachten indiende en vervolgens liet weten niet meer aan enige vorm van mediation te willen meewerken, ontstond een patstelling. De ernstige verwijten van de werknemer over intimidatie en pestgedrag zijn bovendien niet voldoende onderbouwd en zijn ook in de klachtenprocedure niet komen vast te staan. Deze omstandigheden bevestigen volgens de kantonrechter de ernst en duurzaamheid van de verstoorde arbeidsverhouding.

IEF 23879

Hof Den Haag: waarborgen bij raadpleging en plaatsing ANPR-camera’s schieten tekort; oordeel over noodzaak aangehouden

Hof Den Haag 29 sep 2026, IEF 23879; ECLI:NL:GHDHA:2026:2898 (Privacy First tegen de Staat), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-waarborgen-bij-raadpleging-en-plaatsing-anpr-camera-s-schieten-tekort-oordeel-over-noodzaak-aangehouden

Hof Den Haag 29 september 2026, IEF 23879; IT 5542; ECLI:NL:GHDHA:2026:2898 (Privacy First tegen de Staat). Privacy First komt in hoger beroep op tegen de afwijzing van haar vorderingen over artikel 126jj Sv, op grond waarvan politie en Koninklijke Marechaussee met ANPR-camera’s het kenteken, de locatie, het tijdstip en een foto van passerende voertuigen kunnen vastleggen en deze gegevens vier weken kunnen bewaren. Het hof stelt voorop dat deze systematische verwerking een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer uit artikel 8 EVRM en tevens binnen het bereik van de artikelen 7 en 8 Handvest valt. De inmenging is volgens het hof wel “bij wet voorzien”: uit artikel 126jj Sv, het Besluit en de Regeling is voldoende voorzienbaar onder welke omstandigheden gegevens worden verzameld, hoe lang zij worden bewaard en onder welke voorwaarden zij kunnen worden geraadpleegd. De verwerking van ANPR-passagegegevens verschilt volgens het hof in aard en intensiteit van de bewaring van telecommunicatiegegevens, maar kan vanwege de schaal van de verwerking en de mogelijkheid om verplaatsingspatronen af te leiden wel degelijk een ernstige inmenging in de persoonlijke levenssfeer vormen. Daarom moeten de in de rechtspraak van het HvJ ontwikkelde eisen ten aanzien van toegang, toezicht en toetsing mede worden betrokken bij de beoordeling van de ANPR-regeling.

IEF 23871

N-ION moet octrooirechten en -aanvragen voor grounding-technologie overdragen aan SG Football

Rechtbank Amsterdam 23 sep 2026, IEF 23871; ECLI:NL:RBAMS:2026:9606 (SGH en SGF tegen NIS), https://www.ie-forum.nl/artikelen/n-ion-moet-octrooirechten-en-aanvragen-voor-grounding-technologie-overdragen-aan-sg-football

Rb. Amsterdam 23 september 2026, IEF 23871; ECLI:NL:RBAMS:2026:9606 (SGH en SGF tegen NIS). SG Holding en N-ION Sports Technology sloten op 11 juni 2025 een Joint Venture Agreement voor de gezamenlijke ontwikkeling, marketing en commerciële exploitatie van zogenoemde grounding-technologie. Op grond van die overeenkomst werd SG Football opgericht, waarin SG Holding 80% en N-ION 20% van de aandelen houdt. Artikel 11 van de overeenkomst verplicht N-ION om de voor de overeengekomen activiteiten relevante intellectuele eigendomsrechten zonder vergoeding aan SG Football over te dragen en mee te werken aan de formalisering daarvan. N-ION weigerde de overdracht nadat zij de overeenkomst buitengerechtelijk had vernietigd wegens dwaling en subsidiair bedrog. Zij stelde onder meer dat zij ervan was uitgegaan dat haar economische positie in de joint venture, waaronder een winstrecht van 40%, duurzaam zou blijven bestaan. De voorzieningenrechter acht echter onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter zal oordelen dat de overeenkomst vernietigbaar is wegens dwaling of bedrog. Daarbij speelt mee dat partijen in artikel 14.11 een beroep op vernietiging hebben uitgesloten en dat de regeling over de winstverdeling en de gevolgen van toetreding van nieuwe aandeelhouders onderwerp is geweest van onderhandelingen tussen professionele partijen die ieder door een advocaat werden bijgestaan. De overgelegde correspondentie biedt in dit kort geding, waarin geen ruimte bestaat voor nader feitenonderzoek, onvoldoende grond voor een voorlopig oordeel dat sprake is van dwaling in de zin van artikel 6:228 BW of bedrog in de zin van artikel 3:44 lid 3 BW.

IEF 23851

Gevangenisstraf voor opzettelijk in voorraad hebben van valse merken

Hof Amsterdam 2 sep 2026, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gevangenisstraf-voor-opzettelijk-in-voorraad-hebben-van-valse-merken

Hof Amsterdam 2 september 2026, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Op 16 oktober 2021 is in Amsterdam onder de verdachte een grote partij kleding, tassen, schoenen en een zonnebril in beslag genomen. Het hof acht bewezen dat de verdachte deze goederen, valselijk voorzien van onder meer de beschermde woord- en/of beeldmerken Adidas, Balenciaga, Burberry, Christian Dior, Dolce & Gabbana, Givenchy, Gucci, Louis Vuitton, Moncler, Prada en Stone Island, opzettelijk in voorraad heeft gehad. De verdediging heeft vrijspraak bepleit vanwege onzorgvuldigheden en discrepanties in het dossier, onder meer tussen de aantallen goederen in het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgevingen van inbeslagname en vanwege een aanvankelijk onjuist proces-verbaalnummer bij de aangifte. Het hof verwerpt dit verweer. De processen-verbaal stemmen op de relevante onderdelen, waaronder de merken en soorten kleding, in overwegende mate overeen en de verschillen in aantallen zijn volgens het hof van ondergeschikt belang en aan te merken als kennelijke telfouten. Ook staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat de aan de controleur getoonde monsters afkomstig waren uit de partij die onder de verdachte was inbeslaggenomen. Het voorwaardelijke verzoek om twee verbalisanten als getuigen te horen wordt afgewezen, omdat hun verhoor volgens het hof onmiskenbaar irrelevant of overbodig is. De relevante feiten waren reeds buiten redelijke twijfel komen vast te staan en op verzoek van de verdediging waren bovendien drie aanvullende processen-verbaal opgesteld waarin de gesignaleerde discrepanties voldoende waren toegelicht. Het gebruik van de bevindingen van de verbalisanten is daarom volgens het hof verenigbaar met art. 6 EVRM en de vereiste ‘overall fairness of the trial’.

IEF 23848

Verbod op uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag jegens zakenrelatie blijft grotendeels in stand

Hof Amsterdam 15 sep 2026, IEF 23848; ECLI:NL:GHAMS:2026:2550 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/verbod-op-uitlatingen-over-grensoverschrijdend-gedrag-jegens-zakenrelatie-blijft-grotendeels-in-stand

Hof Amsterdam 15 september 2026, IEF 23848; ECLI:NL:GHAMS:2026:2550 ([appellanten] tegen [geïntimeerde]). Na het beëindigen van een zakelijke samenwerking tussen [appellant 1] en [geïntimeerde] ontstond een geschil over onder meer de uitvoering van een SaaS-overeenkomst voor de ontwikkeling en ondersteuning van een NFT-handelsplatform. [appellant 2] heeft namens [appellant 1] vervolgens berichten gestuurd aan aandeelhouders en investeerders van [geïntimeerde], waarin onder meer werd geklaagd over tekortkomingen in de samenwerking, niet-nagekomen afspraken, nevenactiviteiten, gebrek aan transparantie en grensoverschrijdend gedrag door een bestuurder van [geïntimeerde], waaronder pesterijen en discriminerende of racistische opmerkingen op de werkvloer. De voorzieningenrechter had [appellanten] verboden verdere uitlatingen te doen over dergelijk grensoverschrijdend gedrag. Het hof stelt bij de beoordeling het recht van [appellanten] op vrijheid van meningsuiting als bedoeld in art. 10 EVRM tegenover het belang van [geïntimeerde] bij bescherming van haar reputatie, eer en goede naam als bedoeld in art. 8 EVRM. Voor de beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag ontbreekt volgens het hof voorshands een behoorlijke feitelijke basis. De aangevoerde voorbeelden hebben deels geen betrekking op gedrag op de werkvloer of jegens medewerkers, het bestaan van gestelde aangiften van (ex-)medewerkers is niet aangetoond en [appellanten] konden niet concreet aangeven op welke specifieke voorvallen zij hun beschuldigingen baseerden. Gelet op de ernst en mogelijke reputatieschade van dergelijke aantijgingen valt de belangenafweging op dit punt in het voordeel van [geïntimeerde] uit. Het hof laat het verbod op verdere uitlatingen over grensoverschrijdend gedrag daarom in stand.

IEF 23837

Rb. Den Haag: Staat aansprakelijk voor onrechtmatige strafvervolging en OM-publicaties na gebleken onschuld

Rechtbank Den Haag 2 sep 2026, IEF 23837; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-staat-aansprakelijk-voor-onrechtmatige-strafvervolging-en-om-publicaties-na-gebleken-onschuld

Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23837; IT 5519; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat). De rechtbank oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die een advocaat heeft geleden als gevolg van haar strafrechtelijke vervolging. De advocaat werd onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, overtreding van de Wet op de kansspelen, witwassen en valsheid in geschrift in verband met haar werkzaamheden voor aanbieders van online kansspelen. Zij werd door de rechtbank vrijgesproken en vervolgens in 2024 ook door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch integraal vrijgesproken. Volgens de rechtbank slaagt haar beroep op de b-grond uit het Begaclaim-arrest. Uit de motivering van het arrest van het hof blijkt dat zij onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten en dat de verdenkingen achteraf ongefundeerd zijn gebleken. Het beroep op de a-grond slaagt niet, omdat niet kan worden vastgesteld dat vanaf het begin een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden ontbrak. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die de advocaat als gevolg van de vervolging heeft geleden. De inkomensschade wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast kent de rechtbank € 15.000 toe wegens immateriële schade door de vervolging, € 572.526,52 voor kosten die verband houden met de strafrechtelijke vervolging en € 21.486,67 voor de kosten van een bankgarantie.

IEF 23831

Inzage in bewijsbeslag deels toegestaan bij vermoeden van schending geheimhoudingsverplichtingen

Hof Arnhem-Leeuwarden 1 sep 2026, IEF 23831; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/inzage-in-bewijsbeslag-deels-toegestaan-bij-vermoeden-van-schending-geheimhoudingsverplichtingen

Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2026, IEF 23831; IT 5518; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]). Axign en haar Amerikaanse moedermaatschappij Monolithic Power Systems, gezamenlijk MPS c.s., vorderen in kort geding inzage in en afschrift van gegevens die in Nederland conservatoir in bewijsbeslag zijn genomen op privéapparaten van een voormalig werknemer van MPS die tijdelijk bij Axign was gedetacheerd. Na onderzoek van zijn werklaptop was het vermoeden ontstaan dat interne documenten waren overgebracht naar onder meer zijn iPhone, iPad en een Microsoft Surface laptop. Van deze apparaten, inclusief bepaalde cloud- en Discordgegevens, is op 6 oktober 2025 een forensische kopie gemaakt. In een parallelle Amerikaanse procedure bleek later dat na toepassing van zoektermen 1.405 documenten en foto's op de iPad waren aangetroffen, waarvan volgens MPS c.s. 112 interne of aan haar gerelateerde documenten waren. [Geïntimeerde] betwistte in hoger beroep niet meer dat deze 1.405 bestanden waren aangetroffen en dat 112 daarvan interne of aan MPS c.s. gerelateerde documenten betroffen. Ook stond onvoldoende ter discussie dat ten minste enkele aangetroffen stukken geheime en bedrijfsgevoelige informatie bevatten, waaronder een presentatie met omzet- en winstcijfers per grote klant en een bestand met klanten, onderdelen en prijzen. Het hof hoeft voor de inzagevordering niet vast te stellen hoe deze documenten op de apparaten terecht zijn gekomen. De deskundigenrapporten spreken elkaar daarover tegen en een dergelijk technisch onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Voor toepassing van art. 194 lid 1 Rv hoeft MPS c.s. bovendien niet eerst voldoende aannemelijk te maken dat zij daadwerkelijk een vorderingsrecht heeft. Zij moet wel voldoende belang bij de gevraagde inzage aannemelijk maken. Daarvan is volgens het hof sprake, omdat de aanwezigheid van interne en bedrijfsgevoelige documenten op de privéapparaten een begin van feitelijke onderbouwing vormt voor een mogelijke tekortkoming in de arbeids- en detacheringafspraken en, indien uit nader onderzoek blijkt dat documenten met derden zijn gedeeld, mogelijk onrechtmatig handelen.

IEF 23788

Publicatie over cyberbullying door schaakgrootmeester niet onrechtmatig; kort geding kwalificeert niet als SLAPP

Rechtbank Amsterdam 1 sep 2026, IEF 23788; ECLI:NL:RBAMS:2026:8773 ([eiser] tegen New in Chess c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/publicatie-over-cyberbullying-door-schaakgrootmeester-niet-onrechtmatig-kort-geding-kwalificeert-niet-als-slapp

Rb. Amsterdam 1 september 2026, IEF 23788; ECLI:NL:RBAMS:2026:8773 ([eiser] tegen New in Chess c.s.). Een gerenommeerde schaakgrootmeester en voormalig wereldkampioen vordert in kort geding van New In Chess c.s. onder meer verwijdering en rectificatie van een artikel, een verbod op toekomstige vergelijkbare uitlatingen en schadevergoeding. Het artikel behandelt de controverse in de internationale schaakwereld rond de inmiddels overleden schaakgrootmeester Daniel Naroditsky en neemt als uitgangspunt dat hij slachtoffer was van cyberbullying door eiser. De voorzieningenrechter stelt voorop dat toewijzing van de vorderingen een beperking van de uitingsvrijheid van New In Chess c.s. als bedoeld in artikel 10 EVRM zou opleveren. Die beperking is slechts gerechtvaardigd indien de publicatie jegens eiser onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. Daarbij moeten het belang van eiser om niet te worden blootgesteld aan lichtvaardige verdachtmakingen en aantasting van zijn eer en goede naam en het belang van New In Chess c.s. om zich als journalistiek medium kritisch, informerend, opiniërend en waarschuwend te kunnen uitlaten over zaken van publiek belang tegen elkaar worden afgewogen.

IEF 23765

Bindend advies blijft in stand na klacht over vermeend namaakproduct via Bol.com

Rechtbank Midden-Nederland 22 jul 2026, IEF 23765; ECLI:NL:RBMNE:2026:5084 ([eiser] tegen Bol), https://www.ie-forum.nl/artikelen/bindend-advies-blijft-in-stand-na-klacht-over-vermeend-namaakproduct-via-bol-com

Rb. Midden-Nederland 22 juli 2026, IEF 23765; ECLI:NL:RBMNE:2026:5084 ([eiser] tegen Bol). Een consument kocht in 2022 via het platform van Bol.com een product bij een externe verkoper. Volgens de consument ging het om een namaakproduct. Nadat hij hierover bij Bol.com had geklaagd, legden partijen hun geschil voor aan de Geschillencommissie Thuiswinkel, die de klacht in september 2025 bij bindend advies ongegrond verklaarde. De consument stelde daarna te hebben ontdekt dat de betreffende verkoper niet bestond en wilde dat het bindend advies werd vernietigd. Hij vorderde daarnaast onder meer een verklaring voor recht dat Bol.com was tekortgeschoten in haar zorgplicht, verstrekking van informatie over de verwijdering van de verkoper van het platform en vergoeding van zijn schade.

IEF 23745

Nakoming franchiseovereenkomst afgewezen na aannemelijke vernietiging wegens niet-naleving informatieplicht

Rechtbank Den Haag 7 jul 2026, IEF 23745; ECLI:NL:RBDHA:2026:20264 (Cocovaro tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/nakoming-franchiseovereenkomst-afgewezen-na-aannemelijke-vernietiging-wegens-niet-naleving-informatieplicht

Rb. Den Haag 7 juli 2026, IEF 23745; ECLI:NL:RBDHA:2026:20264 (Cocovaro tegen [gedaagde]). Cocovaro exploiteert de franchiseformule Meat & Chips en sloot met [gedaagde] een franchiseovereenkomst voor een fastfoodrestaurant. [gedaagde] betaalde de overeengekomen instapfee van € 12.000 niet en opende in het betreffende pand een eigen restaurant met een vergelijkbaar assortiment. Zij vernietigde de franchiseovereenkomst vervolgens omdat Cocovaro volgens haar niet had voldaan aan de precontractuele informatieplichten van art. 7:913 BW. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat de bodemrechter dit beroep op vernietiging zal laten slagen. Niet is gebleken dat Cocovaro vóór het sluiten van de overeenkomst alle voorgeschreven informatie heeft verstrekt, waaronder de bijlagen bij de franchiseovereenkomst, informatie over de verschuldigde vergoedingen en financiële gegevens over de beoogde locatie. Evenmin blijkt dat vervolgens de vier weken durende standstill-periode van art. 7:914 BW in acht is genomen. De enkele ondertekening van de franchiseovereenkomst bewijst niet dat [gedaagde] de bijlagen, laat staan vier weken vóór ondertekening, had ontvangen. Het beroep van Cocovaro op de redelijkheid en billijkheid maakt dit niet anders. De informatieplicht strekt juist tot bescherming van de franchisenemer en voor het buiten toepassing laten van die bescherming geldt volgens de voorzieningenrechter een hoge drempel. Cocovaro kan daarom in dit kort geding geen beroep doen op de franchiseovereenkomst. De vordering tot nakoming wordt afgewezen. De gevorderde instapfee wordt eveneens afgewezen, zowel omdat een beroep op de overeenkomst voorshands niet slaagt als omdat voor deze geldvordering onvoldoende spoedeisend belang bestaat.