Overige  

IEF 23548

Rb. Midden-Nederland wijst verzoek tot inzage in scenario RTL-serie af wegens risico op preventieve censuur

Rechtbank Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-verzoek-tot-inzage-in-scenario-rtl-serie-af-wegens-risico-op-preventieve-censuur

Rb. Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland). De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 mei 2026 een verzoek afgewezen van een man die vooraf inzage wilde krijgen in het scenario van een nog niet gepubliceerde dramaserie van RTL en Videoland over het Nederlandse koningshuis. In de serie komt een verhaallijn voor over prinses [A], de voormalige echtgenote van verzoeker. Verzoeker stelde dat hij vreesde voor ongewenste en onjuiste berichtgeving over hem en wilde kunnen beoordelen of de wijze waarop hij in de serie wordt genoemd, verbeeld of herkenbaar in beeld komt, een onrechtmatige publicatie zou opleveren. Op grond van art. 196 en 197 Rv verzocht hij daarom om een voorlopige bewijsverrichting in de vorm van inzage in de relevante delen van het scenario. RTL en Videoland voerden aan dat zij de vrijheid hebben om een dramaserie te maken zonder de inhoud daarvan vooraf aan betrokkenen te hoeven voorleggen. De rechtbank stelt voorop dat verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen in beginsel worden toegewezen, tenzij zich een van de wettelijke uitzonderingsgronden voordoet, waaronder het bestaan van “gewichtige redenen” die zich tegen toewijzing verzetten.

IEF 23542

Rb. Amsterdam: geen geldige overdracht van Puri Safe-merken voorafgaand aan faillesement

Rechtbank Amsterdam 29 apr 2026, IEF 23542; ECLI:NL:RBAMS:2026:3937 ((Indsun tegen de curator en TransHeroes)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-geen-geldige-overdracht-van-puri-safe-merken-voorafgaand-aan-faillesement

Rb. Amsterdam 29 april 2026, IEF23542; ECLI:NL:RBAMS:2026:3937 (Indsun tegen de curator en TransHeroes). In deze zaak staat de vraag centraal of twee Benelux-beeldmerken van het failliete bedrijf Puri Safe Pharmaceuticals rechtsgeldig vóór het faillissement waren overgedragen aan gelieerde vennootschap Indsun Holdings B.V. De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat daarvan geen sprake is. Volgens de rechtbank ontbrak een geldige titel voor de overdracht van de merken, waardoor deze onderdeel zijn gebleven van de faillissementsboedel en rechtsgeldig door de curator konden worden verkocht aan TransHeroes. Aan het geschil lag een interne transactie binnen de groep ten grondslag. Indsun stelde dat de merken al vóór het faillissement aan haar waren overgedragen op basis van een lening van € 250.000 van aandeelhouders aan Puri Safe Pharmaceuticals, gecombineerd met een koopovereenkomst voor de IE-rechten van 17 januari 2024. Volgens Indsun zou € 60.000 van die lening zijn verrekend met de koopprijs van de merken. De curator en TransHeroes betwistten dat die overeenkomsten daadwerkelijk bestonden op het moment van de overdracht. De curator vernietigde bovendien buitengerechtelijk de gestelde overdracht op grond van de faillissementspauliana (art. 42 Fw, subsidiair art. 47 Fw). De rechtbank onderzoekt eerst of de overdracht van de merken überhaupt geldig tot stand is gekomen. Daarbij kent zij groot gewicht toe aan de administratie van Puri Safe Pharmaceuticals. In de boekhouding ontbreekt ieder spoor van de gestelde lening van € 250.000, van een terugbetalingsverplichting of van de verrekening van € 60.000 als koopprijs voor de merken. Dat gebrek aan administratieve verwerking acht de rechtbank reeds doorslaggevend. Daarnaast constateert de rechtbank onduidelijkheden over de datum waarop de leningsovereenkomst daadwerkelijk tot stand is gekomen en inconsistenties tussen de feitelijke gang van zaken en de tekst van de koopovereenkomst. Op basis daarvan concludeert de rechtbank dat de koopovereenkomst ten tijde van de levering nog niet bestond. Daardoor ontbrak een geldige titel als bedoeld in artikel 3:84 BW en is de overdracht van de merken niet rechtsgeldig tot stand gekomen. Puri Safe Pharmaceuticals bleef daarom rechthebbende van de merken, zodat deze in de faillissementsboedel vielen.

IEF 23529

Dropshipping via Bol.com: betaling terecht opgeschort na verkoop van mogelijke namaakproducten

Rechtbank Midden-Nederland 15 apr 2026, IEF 23529; ECLI:NL:RBMNE:2026:1895 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/dropshipping-via-bol-com-betaling-terecht-opgeschort-na-verkoop-van-mogelijke-namaakproducten

Rb. Midden-Nederland 15 april 2026, IEF 23529; RB 4006; ECLI:NL:RBMNE:2026:1895 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak oordeelt de kantonrechter over een geschil tussen partijen die samen via een Bol.com-account producten verkochten op basis van een dropshipping-constructie. Partijen waren overeengekomen dat 20% van de winst aan de accounthouder ([gedaagde]) toekwam en 80% aan [eiseres]. [eiseres] vordert uitbetaling van haar winstdeel van ruim €6.000. De kantonrechter wijst de vordering af. Hoewel [gedaagde] erkent dat hij in beginsel een deel van de opbrengst moet afdragen, mocht hij de betaling opschorten.

IEF 23518

A-G: registratie persoonsgegevens door ING in IVR en Gebeurtenissenadministratie niet in strijd met AVG

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23518; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING), https://www.ie-forum.nl/artikelen/a-g-registratie-persoonsgegevens-door-ing-in-ivr-en-gebeurtenissenadministratie-niet-in-strijd-met-avg

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23518; IT 5249; ECLI:NL:PHR:2026:435 ([eiser] tegen ING). Deze conclusie van A-G Drijber (zitting 24 april 2026) betreft een geschil tussen een ondernemer (eiser) en ING over de verwerking van zijn persoonsgegevens in de Gebeurtenissenadministratie en het Intern Verwijzingsregister (IVR) van ING. ING had de zakelijke bankrelatie beëindigd omdat zij onvoldoende kon uitsluiten dat eisers cashgelden betrokken waren bij heling, witwassen en andere criminele activiteiten, mede vanwege het ontbreken van een adequate inkoopadministratie en schending van de registratieplicht ex art. 437 Sr. Eiser vorderde verwijdering van zijn persoonsgegevens uit het IVR en de Gebeurtenissenadministratie. Zowel de rechtbank als het hof wezen de vorderingen af. Het hof oordeelde dat de geregistreerde gegevens geen strafrechtelijke persoonsgegevens zijn in de zin van art. 10 AVG, de vastgelegde feiten en omstandigheden (grote cashuitgaven zonder verantwoording, het ontbreken van een adequate boekhouding en onvoldoende maatregelen om betrokkenheid bij strafbare feiten uit te sluiten) kunnen geen bewezenverklaring in de zin van art. 350 Sv dragen, en dat de verwerking een gerechtvaardigd doel dient op grond van art. 6 lid 1 onder f AVG (waarborging van de veiligheid en integriteit van de financiële sector, mede gelet op de Wwft-verplichtingen van ING), dat de persoonsgegevens uitsluitend intern toegankelijk zijn, dat eiser niet in zijn toegang tot financiële diensten elders is belemmerd, en dat de aantekening een correcte weergave vormt van de redenen voor de beëindiging van de bankrelatie.

IEF 23516

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR), https://www.ie-forum.nl/artikelen/a-g-geen-gegronde-reden-voor-merkinbreuk-bij-verkoop-hp-cartridges-zonder-buitenverpakking-wel-informatieplicht-over-mogelijke-ouderdom

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR). Deze conclusie van A-G Van Peursem (zitting 24 april 2026) betreft een kort geding tussen HP en Digital Revolution/123inkt over originele, ongebruikte HP-inkt- en lasercartridges die zonder originele buitenverpakking werden aangeboden, aanvankelijk als "milieuverpakking" en sinds 2023 als "milieuproduct". De cartridges waren afkomstig uit retouren, recyclebedrijven of opkopers, konden 10 tot 17 jaar oud zijn en werden verkocht tegen de prijs van nieuwe cartridges. HP vorderde een verbod op grond van merkinbreuk ex art. 9 lid 2 onder a jo. art. 15 lid 2 UMVo, de uitzondering op de uitputtingsregel wegens gegronde redenen, alsmede op grond van onrechtmatige daad, meer in het bijzonder oneerlijke of misleidende handelspraktijken (art. 6:193a-j BW) en misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194 en 6:194a BW). De voorzieningenrechter achtte merkinbreuk aannemelijk en wees vordering I toe, maar het hof oordeelde dat HP geen gegronde redenen had in de zin van art. 15 lid 2 UMVo en vernietigde het vonnis op dat punt. Wel achtte het hof het handelen van DR B.V. deels misleidend ex art. 6:193c lid 1 onder b BW: door de cartridges, die niet alleen uit retouren maar ook uit recyclebakken of opkoop konden stammen en meerdere jaren, soms meer dan tien jaar, oud konden zijn, als nieuw en voor de nieuwprijs aan te bieden zonder die ouderdom te vermelden, verstrekte DR misleidende informatie over de fabricagedatum, waardoor de consument vermoedelijk een aankoopbeslissing nam die hij anders niet had genomen. Dit verbod werd uitsluitend toegewezen ten gunste van HP Europe B.V. en HP Nederland B.V., die als concurrenten van DR B.V. vorderingsgerechtigd zijn; HP Inc. en HPDC staan niet in een concurrentieverhouding tot DR B.V.

IEF 23501

Gerecht EU: registratie van “Irish Grass Fed Beef” als BGA blijft in stand ondanks discussie over nationale oppositieprocedure

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23501; ECLI:EU:T:2026:255 (Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen European Commission), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-registratie-van-irish-grass-fed-beef-als-bga-blijft-in-stand-ondanks-discussie-over-nationale-oppositieprocedure

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23501; 4201; ECLI:EU:T:2026:255 (Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen European Commission). Het Gerecht verwerpt het beroep van de Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2666, waarbij “Irish Grass Fed Beef” als beschermde geografische aanduiding is geregistreerd. De oorspronkelijke aanvraag was in 2020 door An Bord Bia ingediend namens Ierland en had aanvankelijk betrekking op rundvlees uit Ierland. De Ierse landbouworganisatie had in de nationale Ierse oppositieprocedure bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar werd afgewezen. Nadat de aanvraag op EU-niveau was gepubliceerd, diende het Verenigd Koninkrijk een ontvankelijke oppositie in, onder meer omdat het betrokken rundvlees ook in Noord-Ierland wordt geproduceerd en de term “Irish” historisch ook op producten uit dat gebied betrekking kan hebben. Na overleg tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk werd de productspecificatie substantieel gewijzigd, met name doordat het beschermde geografische gebied werd uitgebreid tot Noord-Ierland. De Commissie onderzocht de gewijzigde aanvraag opnieuw, publiceerde deze opnieuw in het Publicatieblad en registreerde de naam nadat op EU-niveau geen nieuwe oppositie was ingediend. De Ierse organisatie stelde vervolgens dat zij door de Commissie had moeten worden gehoord, dat de gewijzigde aanvraag als een nieuwe of gezamenlijke aanvraag had moeten worden behandeld, dat artikel 4 van Gedelegeerde Verordening 664/2014 was geschonden, dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur had miskend en, subsidiair, dat Verordening 1151/2012 onrechtmatig was voor zover die geen effectieve participatie mogelijk zou maken.

IEF 23498

Uitspraak ingezonden door Charissa Koster, DayOne Legal

Rb. Amsterdam: vermelding naam, strafrechtelijke antecedenten en familiebanden in De Limburger niet onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 15 apr 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-vermelding-naam-strafrechtelijke-antecedenten-en-familiebanden-in-de-limburger-niet-onrechtmatig

Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt in kort geding dat De Limburger niet onrechtmatig heeft gehandeld door in twee online artikelen uit 2022 en 2026 de eiser met naam en toenaam te noemen en daarbij te verwijzen naar zijn strafrechtelijke antecedenten, eerdere witwasverdenking, zijn in 2012 geliquideerde broer en, in het artikel uit 2022, zijn vroegere zakelijke banden met een vastgoedondernemer die volgens justitie betrokken zou zijn bij witwaspraktijken. Het eerste artikel ging over de integriteit van het openbaar bestuur, meer specifiek over een private investering van een topman van het Limburgs Energiefonds in een omstreden vakantiepark van de familie van eiser. Het tweede artikel ging over de verlening van een exploitatievergunning voor datzelfde vakantiepark ondanks een deels negatief Bibob-advies. Volgens de voorzieningenrechter raken beide publicaties daarmee aan kwesties van algemeen belang en had Mediahuis voldoende toegelicht waarom ook de rol en achtergrond van eiser in die context journalistiek relevant waren. Daarbij weegt mee dat eiser de juistheid van de in de artikelen genoemde feiten niet betwistte.

IEF 23471

Samenwerking eventtechbedrijven: Amplify geen product van de samenwerking dus geen onrechtmatige toe-eigening of onrechtmatige concurrentie

Rechtbank Amsterdam 1 apr 2026, IEF 23471; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov), https://www.ie-forum.nl/artikelen/samenwerking-eventtechbedrijven-amplify-geen-product-van-de-samenwerking-dus-geen-onrechtmatige-toe-eigening-of-onrechtmatige-concurrentie

Rb. Amsterdam 1 april 2026, IEF 23471; IT 5204; ECLI:NL:RBAMS:2026:3311 (Howler tegen Woov). De Rechtbank Amsterdam wijst alle vorderingen van Howler af in haar geschil met Woov over de najaar 2022 gestarte samenwerking, die zag op de integratie van Howlers ticketing- en cashlessdiensten in de bestaande Woov-app en op het toewerken naar een mogelijke fusie. Volgens Howler had Woov het huidige product Amplify onrechtmatig aan de samenwerking onttrokken, omdat dit product door en voor de samenwerking zou zijn ontwikkeld en daarom als gezamenlijke corporate opportunity moest worden beschouwd. De rechtbank volgt dat niet. Zij oordeelt dat uit de Partnership Agreement niet blijkt dat partijen waren overeengekomen om naast de integratie van bestaande diensten ook een geheel nieuw product te ontwikkelen. Verder heeft Woov volgens de rechtbank voldoende onderbouwd dat zij Amplify zelfstandig buiten de samenwerking om heeft ontwikkeld. Daarbij acht de rechtbank van belang dat Woov Amplify in juni 2023 als nieuwe propositie aan Howler presenteerde, dat partijen contractueel hadden vastgelegd dat intellectuele eigendom toekomt aan de partij die het desbetreffende product ontwikkelt, en dat in de EPA Term Sheet 2023 uitdrukkelijk is opgenomen dat alle IP op Amplify en Woov-diensten bij Woov ligt. Ook de door Howler betaalde exclusiviteitsvergoeding bewijst volgens de rechtbank niet dat Howler aan de ontwikkeling van Amplify heeft meebetaald, omdat die vergoeding zag op de afgesproken samenwerkingsdiensten, met name de integratie, en niet op de ontwikkeling van een nieuw product. De rechtbank oordeelt bovendien dat Amplify wezenlijk verschilt van de geïntegreerde Woov-app: Amplify is een AI-gedreven enterprise product, technologisch anders ingericht, agnostisch ten aanzien van ticketing- en cashlessaanbieders en alleen op de zakelijke markt gericht. Dat Amplify tijdens de samenwerking en in het kader van de fusiebesprekingen aan klanten en aandeelhouders is gepresenteerd, maakt het nog niet tot een product van de samenwerking, nu de rechtbank nadrukkelijk onderscheid maakt tussen de contractuele samenwerking en het parallelle fusietraject. Daarom is geen sprake van onrechtmatige toe-eigening.

IEF 23465

Uitingen van fan op sociale media vallen binnen vrijheid van meningsuiting

Rechtbank Amsterdam 27 mrt 2026, IEF 23465; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/uitingen-van-fan-op-sociale-media-vallen-binnen-vrijheid-van-meningsuiting

Rb. Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23465; IT 5201; ECLI:NL:RBAMS:2026:3130 ([eiser] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst alle vorderingen van een Australische singer-songwriter tegen een Nederlandse fan af. Partijen hebben gedurende ongeveer 2,5 jaar een persoonlijke relatie gehad, die in het najaar van 2025 definitief eindigde. Nadat de artiest op 30 oktober 2025 op Instagram had gereageerd op beschuldigingen van grensoverschrijdend gedrag jegens jonge vrouwelijke fans, plaatste de fan berichten op Instagram, TikTok en YouTube over haar ervaringen. De artiest vorderde in kort geding onder meer een verbod op uitlatingen waarin hij volgens hem werd beschuldigd van verkrachting, mishandeling, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, alsmede verwijdering van berichten, een contactverbod, rectificatie en een auteursrechtelijk verbod met betrekking tot niet-uitgebrachte muziek. De voorzieningenrechter stelt voorop dat moet worden afgewogen tussen het recht van de fan op vrijheid van meningsuiting ex art. 10 EVRM en de belangen van de artiest bij bescherming van zijn eer, goede naam en privacy. Alleen als de uitingen onrechtmatig zijn in de zin van art. 6:162 BW, kan die vrijheid worden beperkt. Daarbij geldt dat ook uitingen die beledigen, choqueren of verontrusten onder de bescherming van art. 10 EVRM kunnen vallen.

IEF 23466

Uitspraak ingezonden door Otto Swens, Vondst Advocaten.

Parallelhandel en concernrelaties: het CBG verduidelijkt de uitleg van het begrip ‘gelieerdheid’

Overig 27 mrt 2026, IEF 23466; VE/4494182 ([bezwaarmaker] tegen het College), https://www.ie-forum.nl/artikelen/parallelhandel-en-concernrelaties-het-cbg-verduidelijkt-de-uitleg-van-het-begrip-gelieerdheid

CBG 27 maart 2026, LS&R 2377, VE/4494182, ([bezwaarmaker] tegen het College). In een beslissing op bezwaar van 27 maart 2026 heeft het College ter Beoordeling van Geneesmiddelen (CBG) een eerder verleende parallelhandelsvergunning voor pethidine HCl injectie herroepen. De bezwaarprocedure was aangespannen door een (potentiële) concurrent. Het CBG verklaart het bezwaar gegrond en trekt de parallelhandelsvergunning in, omdat de parallelimporteur – via concernstructuur en/of concerted practices – te nauw gelieerd is aan de handelsvergunninghouder (MAH) in het land van herkomst. Volgens het CBG stond daarmee de parallelimportroute (art. 48 Geneesmiddelenwet) niet open en had in de plaats daarvan de Mutual Recognition Procedure (MRP) moeten worden gevolgd. Aansluitend bij vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) en het College van Beroep voor het bedrijfsleven (Cbb) bevestigt het CBG dat een concurrent als belanghebbende kan worden aangemerkt wanneer deze actief is in hetzelfde marktsegment en verzorgingsgebied. Het CBG trekt deze lijn expliciet door naar potentiële concurrenten. Beslissend is niet of reeds schade is geleden, maar of het risico daarop aannemelijk is. Het CBG acht daarvoor voldoende dat de bezwaarmaker concrete plannen heeft om de markt te betreden en met de uitvoering daarvan is begonnen. Onzekere toekomstige gebeurtenissen staan belanghebbendheid niet in de weg, mits deze voldoende concreet zijn en er sprake is van een begin van besluitvorming, alvorens bezwaar wordt ingediend. In de voorliggende zaak werd dat begin onder meer aangenomen op basis van procedurele stappen gericht op het verkrijgen van een eigen handelsvergunning. De inhoudelijke kern van de beslissing betreft de vraag of de parallelhandelsvergunning überhaupt gevalideerd en vergund had mogen worden. Op grond van de Notice to Applicants en het beleidsdocument MEB 14 is parallelimport uitgesloten wanneer de importeur dezelfde is als, of gelieerd is aan, de MAH in het land van herkomst. In dergelijke gevallen dient, met het oog op Europese harmonisatie, de MRP-route te worden gevolgd. Het CBG geeft aan dit begrip ‘gelieerdheid’ een functionele, Europeesrechtelijke invulling. Onder verwijzing naar het ondernemingsbegrip uit het mededingingsrecht wordt beoordeeld of sprake is van één economische eenheid. Daarvoor is juridische zelfstandigheid niet doorslaggevend; bepalend is de feitelijke economische verwevenheid tussen de betrokken partijen.