Rectificatie bevolen na misleidende publicatie over oud-werknemer
Rb. Rotterdam 21 april, IEF 23630; ECLI:N:RBROT:2026:5250 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak tussen [eiser] en [gedaagde] staat de vraag centraal of [gedaagde] onrechtmatig heeft gehandeld door klanten van haar beautysalon te berichten dat [eiser], een voormalig werknemer, zonder haar medeweten Tikkie-betalingen van klanten zou hebben ontvangen. De voorzieningenrechter van de Rechtbank Rotterdam oordeelt dat sprake is van een feitelijk onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie. De beschuldigingen vinden onvoldoende steun in het beschikbare feitenmateriaal en tasten de goede naam van [eiser] aan. [gedaagde] moet daarom een rectificatie versturen en inzage verschaffen in de geadresseerden van zowel het oorspronkelijke bericht als de rectificatie, op straffe van een dwangsom, en wordt veroordeeld in de proceskosten. [eiser] was van mei 2023 tot februari 2025 in dienst bij [gedaagde]. Nadat tussen partijen een geschil was ontstaan over onder meer achterstallig loon, stuurde [gedaagde] in februari 2026 een e-mail aan een aantal klanten. Daarin schreef zij dat "gebleken" was dat [eiser] zonder haar medeweten klanten had verzocht betalingen via Tikkie naar haar persoonlijke rekening over te maken, dat inmiddels aangifte was gedaan en dat voor een politieonderzoek en een rechtszaak bewijs werd verzameld. Aan de ontvangers werd gevraagd hun bankgegevens te controleren en eventuele Tikkie-betalingen aan [eiser] te melden. Volgens [eiser] waren deze beschuldigingen onjuist en schadelijk voor haar reputatie. Zij wees erop dat zij meerdere betalingen via Tikkie juist op instructie of met toestemming van [gedaagde] had ontvangen. Nadat [gedaagde] weigerde haar bericht in te trekken of een rectificatie te versturen, startte [eiser] dit kort geding. De voorzieningenrechter stelt voorop dat sprake is van een botsing tussen het recht op vrijheid van meningsuiting van [gedaagde] en het recht van [eiser] op bescherming van haar goede naam. Een rectificatie kan worden bevolen wanneer sprake is van een onjuiste of door onvolledigheid misleidende publicatie van feitelijke gegevens die onrechtmatig is jegens een ander. Daarbij zijn onder meer van belang de ernst van de beschuldiging, de mate waarin de goede naam wordt aangetast en de vraag of de beschuldiging voldoende steun vindt in het beschikbare feitenmateriaal. Volgens de voorzieningenrechter is daarvan hier sprake. Het bericht vermeldt dat "gebleken" zou zijn dat [eiser] zonder medeweten van [gedaagde] betalingen via Tikkie heeft ontvangen. Uit door [eiser] overgelegde WhatsApp-berichten blijkt echter dat [gedaagde] in meerdere gevallen juist instructie of toestemming heeft gegeven voor dergelijke betalingen. Ook heeft [eiser] per e-mail een overzicht van ontvangen betalingen aan [gedaagde] verstrekt. [gedaagde] erkent bovendien dat voor een deel van de betalingen toestemming bestond, maar stelt dat andere betalingen onterecht zijn ontvangen. Daarmee strookt haar bericht niet.