Rb. Den Haag: Staat aansprakelijk voor onrechtmatige strafvervolging en OM-publicaties na gebleken onschuld
Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23837; IT 5519; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat). De rechtbank oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die een advocaat heeft geleden als gevolg van haar strafrechtelijke vervolging. De advocaat werd onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, overtreding van de Wet op de kansspelen, witwassen en valsheid in geschrift in verband met haar werkzaamheden voor aanbieders van online kansspelen. Zij werd door de rechtbank vrijgesproken en vervolgens in 2024 ook door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch integraal vrijgesproken. Volgens de rechtbank slaagt haar beroep op de b-grond uit het Begaclaim-arrest. Uit de motivering van het arrest van het hof blijkt dat zij onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten en dat de verdenkingen achteraf ongefundeerd zijn gebleken. Het beroep op de a-grond slaagt niet, omdat niet kan worden vastgesteld dat vanaf het begin een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden ontbrak. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die de advocaat als gevolg van de vervolging heeft geleden. De inkomensschade wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast kent de rechtbank € 15.000 toe wegens immateriële schade door de vervolging, € 572.526,52 voor kosten die verband houden met de strafrechtelijke vervolging en € 21.486,67 voor de kosten van een bankgarantie.