Overige  

IEF 23618

Reclameovereenkomst kansspelpromotie: voorinvesteringen zonder terugbetalingsplicht, maar geen aanspraak op resterende termijnen

Rechtbank Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken), https://www.ie-forum.nl/artikelen/reclameovereenkomst-kansspelpromotie-voorinvesteringen-zonder-terugbetalingsplicht-maar-geen-aanspraak-op-resterende-termijnen

Rb. Amsterdam 27 mei 2026, IEF 23618; RB 4022; IT 5307; ECLI:NL:RBAMS:2026:5703 (Sagevas tegen FC Afkicken). De Rechtbank Amsterdam oordeelt in deze zaak over de afwikkeling van een exclusieve samenwerkingsovereenkomst tussen Sagevas, exploitant van kansspelaanbieder betFIRST, en sportmediaproducent FC Afkicken. Op grond van die overeenkomst zou FC Afkicken betFIRST exclusief promoten in haar sportmedia, maar de samenwerking is feitelijk niet uitgevoerd nadat gewijzigde wet- en regelgeving voor kansspelreclame de beoogde promotie bemoeilijkte. Sagevas had inmiddels € 420.000 aan FC Afkicken betaald en vorderde terugbetaling, primair omdat de overeenkomst volgens haar rechtsgeldig was ontbonden en de betalingen slechts voorschotten waren op nog te verrichten diensten. Daarnaast stelde Sagevas dat FC Afkicken de exclusiviteitsverplichting had geschonden en daarom een contractuele vergoeding van € 25.000 verschuldigd was. FC Afkicken voerde daartegen aan dat de betalingen geen voorschotten waren, maar voorinvesteringen in de groei van haar kanalen en onderneming, en vorderde in reconventie nog € 150.000 op basis van een niet-ondertekend addendum waarin de totale pre-payment zou zijn verhoogd naar € 570.000. De rechtbank acht zich bevoegd op grond van de forumkeuze voor de Rechtbank Amsterdam en past Nederlands recht toe op basis van de rechtskeuze in de overeenkomst; ook de subsidiaire grondslag van ongerechtvaardigde verrijking wordt wegens nauwe samenhang met de overeenkomst naar Nederlands recht beoordeeld.

IEF 23617

Rb. Gelderland: geen preventief verbod op boek over zedenzaak binnen gezin

Rechtbank Gelderland 6 jun 2026, IEF 23617; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 ((de zussen tegen [gedaagden])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-gelderland-geen-preventief-verbod-op-boek-over-zedenzaak-binnen-gezin

Rb. Gelderland 6 juni 2026, IEF nummer; ECLI:NL:RBGEL:2026:4331 (de zussen tegen [gedaagden]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland heeft de vorderingen van de zussen afgewezen, die waren gericht op het voorkomen van de publicatie van een boek dat door een andere zus is geschreven over haar levensverhaal in relatie tot een omvangrijke zedenzaak binnen het gezin. Volgens de rechtbank is onvoldoende aannemelijk geworden dat de voorgenomen publicatie onrechtmatig is. Ook de gevorderde inzage in het manuscript wordt afgewezen. Aanleiding voor het geschil vormt een strafzaak waarin de ouders van partijen in eerste aanleg zijn veroordeeld wegens seksueel misbruik en mishandeling van hun dochters. Tegen die veroordelingen loopt nog hoger beroep. Eén van de dochters heeft samen met een journalist een boek geschreven waarin haar ervaringen centraal staan. Kort voor de geplande publicatie startten [eiser 1] en [eiser 2] een kort geding tegen [gedaagden]. De zussen vorderden inzage in het manuscript en een verbod op publicatie totdat het hoger beroep in de strafzaak tegen hun ouders zou zijn afgerond. Volgens hen levert publicatie een ontoelaatbare inbreuk op hun persoonlijke levenssfeer op en bestaat het risico op psychische schade en hernieuwd slachtofferschap. Daarnaast vrezen zij dat het boek gevolgen kan hebben voor het nog lopende strafproces, bijvoorbeeld doordat getuigenverklaringen worden beïnvloed of aanvullende getuigenverhoren noodzakelijk worden. [gedaagden] beriepen zich op de vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van publicatie. Zij voerden aan dat het boek een onderwerp van maatschappelijk belang behandelt, dat gebruik wordt gemaakt van gefingeerde namen en dat geen nieuwe strafrechtelijk relevante informatie of bijzonder privacygevoelige gegevens over [eiser 1] en [eiser 2] worden openbaar gemaakt. Volgens [gedaagden] is een preventief publicatieverbod slechts in uitzonderlijke gevallen toelaatbaar. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een voorafgaand publicatieverbod een zeer ingrijpende beperking vormt van de vrijheid van meningsuiting, beschermd door artikel 10 EVRM en artikel 7 Grondwet. Voor een dergelijke maatregel geldt daarom een hoge drempel.

IEF 23615

Uitspraak ingezonden door Rogier de Vrey, CMS.

Rb. Amsterdam: minimumgarantie in advertentieovereenkomst moet worden berekend op basis van ongewijzigde CIM-kijkcijfers

Rechtbank Amsterdam 10 jun 2026, IEF 23615; C/13/774442 ((Paramount tegen Ads)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-minimumgarantie-in-advertentieovereenkomst-moet-worden-berekend-op-basis-van-ongewijzigde-cim-kijkcijfers

Rb. Amsterdam 10 juni 2026, IEF 23615; C/13/774442 (Paramount tegen Ads). In deze zaak tussen Paramount en Ads & Data stond de uitleg centraal van een advertentieverkoopovereenkomst voor de Vlaamse zenders MTV Vlaanderen en Comedy Central Vlaanderen. Paramount verleende Ads daarin een exclusief recht om advertentieruimte te verkopen, terwijl Ads zich verbond tot betaling van een jaarlijkse minimumgarantie. De hoogte van die minimumgarantie werd mede bepaald door de zogenoemde Break Rating: het gemiddelde kijkcijfer van de reclameblokken op de zenders, gemeten door het Centrum voor Informatie over de Media (CIM). De overeenkomst bepaalde uitdrukkelijk dat deze Break Rating werd vastgesteld aan de hand van de door het CIM gemeten cijfers. In juli 2024 constateerde Ads een sterke stijging van de kijkcijfers van Comedy Central Vlaanderen. Naar aanleiding daarvan werd contact opgenomen met het CIM. Het CIM bevestigde dat de stijging in belangrijke mate samenhing met twee panelleden uit hetzelfde huishouden die sinds april 2024 intensief naar de zender waren gaan kijken. Hoewel het CIM sprak van een statistische uitschieter als gevolg van de beperkingen van panelonderzoek, stelde het instituut tevens vast dat deze panelleden correct waren gerekruteerd en alle onderzoeksregels volgden, zodat geen aanleiding bestond de cijfers te corrigeren. Ads stelde zich vervolgens op het standpunt dat de CIM-cijfers daardoor geen representatief beeld meer gaven van de werkelijke commerciële waarde van de zendtijd en corrigeerde de gegevens eigenhandig bij de berekening van de minimumgarantie. Paramount betwistte dat en vorderde betaling van het resterende bedrag. Bij de uitleg van de overeenkomst past de rechtbank de Haviltex-maatstaf toe. Daarbij benadrukt zij dat ook bij commerciële contracten tussen professionele partijen alle omstandigheden van het geval van belang blijven, maar dat onder omstandigheden groot gewicht kan toekomen aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen. Dat geldt volgens de rechtbank in het bijzonder wanneer sprake is van professionele partijen die met juridische bijstand uitvoerig over de inhoud van de overeenkomst hebben onderhandeld. In dit geval verwijst de contractuele definitie van Break Rating rechtstreeks naar de door het CIM gemeten cijfers.

IEF 23610

Samenvatting geschreven door Bertil van Kaam & Pascal Steijvers, Van Kaam

Rb. Noord-Holland verbiedt het opnieuw verspreiden van ernstige beschuldigingen en legt een contactverbod op

Rechtbank Noord-Holland 4 jun 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 ((VNV tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-noord-holland-verbiedt-het-opnieuw-verspreiden-van-ernstige-beschuldigingen-en-legt-een-contactverbod-op

Rb. Noord-Holland 4 juni 2026, IEF 23610; ECLI:NL:RBNHO:2026:6422 (VNV tegen [gedaagde]). Eiseres in deze zaak is de Vereniging Nederlandse Verkeersvliegers (VNV). De VNV is een vakbond en beroepsvereniging van Nederlandse burgerluchtvaartpiloten. Als vakbond onderhandelt zij namens haar leden met luchtvaartmaatschappijen, zoals KLM, over uiteenlopende collectieve regelingen. Gedaagde is een natuurlijke persoon met een herstructureringsbedrijf. Hij is tevens toegevoegd gerechtsdeurwaarder. Volgens gedaagde zijn er organisatorische en financiële problemen bij KLM en is dat om uiteenlopende redenen de schuld van de VNV. Tegen deze achtergrond uit gedaagde in 2025 in diverse e-mailberichten aan de VNV, KLM, en andere vakbonden die betrokken zijn in de luchtvaartbranche, uiteenlopende beschuldigingen aan het adres van de VNV. De VNV zou om verschillende redenen onrechtmatig handelen jegens onder meer KLM. Daarnaast beschuldigt hij de VNV ervan KLM op te lichten, af te persen en zou de VNV meineed hebben gepleegd, de rechterlijke macht hebben voorgelogen, een criminele organisatie zijn en journalisten intimideren. Bovendien dreigt gedaagde in zijn berichten bij herhaling met het doen van aangifte tegen de VNV en met naam genoemde (oud-)bestuurders en kondigt hij meerdere keren aan op het kantoor van de VNV langs te komen om "het een en ander te bespreken". De VNV vordert bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland een verbod op het opnieuw verspreiden van voornoemde beschuldigingen jegens de VNV. Daarnaast vordert de VNV inzage in de lijst met namen van alle partijen aan wie gedaagde de beschuldigingen heeft verspreid en een contactverbod van 2 jaar. De voorzieningenrechter beoordeelt dit geschil in het licht van de afweging tussen twee in beginsel gelijkwaardige fundamentele grondrechten. Namelijk enerzijds het recht op vrijheid van meningsuiting van gedaagde en anderzijds het recht op de bescherming van de eer, goede naam, reputatie en eerbiediging van de persoonlijke levensfeer van de VNV.

IEF 23585

Stellantis-dealers en reparateurs kwalificeren volgens de A-G niet als franchisenemers

Hoge Raad 22 mei 2026, IEF 23585; ECLI:NL:PHR:2026:506 (VODN c.s. tegen Stellantis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/stellantis-dealers-en-reparateurs-kwalificeren-volgens-de-a-g-niet-als-franchisenemers

Parket bij de Hoge Raad 22 mei 2026, IEF 23585; ECLI:NL:PHR:2026:506 (VODN c.s. tegen Stellantis). In deze conclusie gaat het om de vraag of oude dealer- en reparateurovereenkomsten met Stellantis franchiseovereenkomsten zijn. VODN en VGPCN treden op voor voormalige Opel-, Peugeot-, Citroën- en DS-dealers en reparateurs. Zij willen dat wordt vastgesteld dat deze contracten onder de Wet franchise vallen. De rechtbank wees dat af. Volgens de rechtbank was niet duidelijk dat de betalingen of voordelen voor Stellantis een vergoeding waren voor het recht om een franchiseformule te gebruiken. Het hof wees de vordering ook af, maar om een andere reden. Volgens het hof was niet genoeg gesteld om aan te nemen dat alle betrokken dealers en reparateurs een Stellantis-formule moesten exploiteren. Voor franchise is meer nodig dan het verkopen of repareren van producten van een bepaald merk. Er moet sprake zijn van een formule die bepalend is voor een uniforme identiteit en uitstraling van de ondernemingen. Ook moet de formule onder meer bestaan uit een merk, handelsnaam, huisstijl of tekening én uit geheime, wezenlijke en geïdentificeerde knowhow. De A-G sluit daarbij aan. Voor de kwalificatie is niet de naam van het contract beslissend, maar de inhoud van de rechtsverhouding.

IEF 23583

Beperkte schending van geheimhoudingsbeding bij gebruik luikafbeelding

Rechtbank Overijssel 20 mei 2026, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/beperkte-schending-van-geheimhoudingsbeding-bij-gebruik-luikafbeelding

Rb. Overijssel 20 mei 2026, IEF 23583; ECLI:NL:RBOVE:2026:2921 ([eiseres] tegen [gedaagde]). Tussen [eiseres] en [gedaagde], beide actief in de jachtbouw, gold een inleenovereenkomst op grond waarvan de directeur van [gedaagde] door [eiseres] werd ingeleend voor het opzetten en marktrijp maken van een luikenprogramma. In de toepasselijke algemene voorwaarden waren geheimhoudingsverplichtingen opgenomen, waaronder een verbod om vertrouwelijke informatie bekend te maken of voor andere doeleinden te gebruiken, en een verbod om resultaten van de verrichte diensten zonder toestemming aan derden beschikbaar te stellen. Aan overtreding was een contractuele boete verbonden van € 50.000 per gebeurtenis, vermeerderd met € 5.000 per dag of dagdeel. Nadat [eiseres] in januari 2025 ontdekte dat [gedaagde] op haar eigen website een afbeelding had geplaatst van een tijdens de inleen gemaakte rendering van een scheepsluik, vorderde zij betaling van de contractuele boete. De rechtbank stelt bij de uitleg van de bedingen de tekst centraal, omdat het ging om algemene voorwaarden waarover niet was onderhandeld en partijen geen concrete omstandigheden hadden aangevoerd die een afwijkende uitleg rechtvaardigden. Volgens de rechtbank is geen sprake van schending van artikel 15 lid 1 of lid 5 onder b: uit de afbeelding konden geen technische gegevens worden afgeleid, het grootste deel van het design was al openbaar via de website van [eiseres] zelf, en het nog niet openbare element, het verdiepte kruis in het deksel, was onvoldoende concreet uitgewerkt om als vertrouwelijke informatie te gelden.

IEF 23580

Podcast over restitutie roofkunst niet onrechtmatig jegens Mondex en haar oprichter

Rechtbank Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC), https://www.ie-forum.nl/artikelen/podcast-over-restitutie-roofkunst-niet-onrechtmatig-jegens-mondex-en-haar-oprichter

Rb. Amsterdam 13 mei 2026, IEF 23580; ECLI:NL:RBAMS:2026:4602 (Mondex en [eiser 2] tegen NRC). De Rechtbank Amsterdam oordeelt dat NRC met de achtdelige podcastserie Hier hing een schilderij niet onrechtmatig heeft gehandeld jegens Mondex en haar oprichter [eiser 2]. De podcast reconstrueert de restitutie van het schilderij Bild mit Häusern aan de erfgenamen van de voormalige eigenaar. Mondex en [eiser 2] stelden dat NRC een onjuist, tendentieus en grievend narratief had gecreëerd, waarin zij zouden worden neergezet als partijen die profiteren van restitutie van roofkunst, onder meer door verwijzingen naar termen als “ambulance chaser”, “premiejager”, “holocaustindustrie” en “Shoah business”. De rechtbank stelt voorop dat het recht van NRC op vrijheid van meningsuiting en persvrijheid op grond van artikel 10 EVRM moet worden afgewogen tegen het belang van Mondex en [eiser 2] bij bescherming van hun eer en goede naam, waarbij artikel 6:162 BW het wettelijke aanknopingspunt vormt voor een eventuele beperking van die uitingsvrijheid. Daarbij weegt zwaar dat restitutie van roofkunst, het functioneren van het restitutiebeleid en de commerciële bijstand aan rechthebbenden of erfgenamen onderwerpen van publiek belang zijn. NRC kwam daarom ruime journalistieke en redactionele vrijheid toe om daarover kritisch, informerend en opiniërend te publiceren. Het beroep van [eiser 2] op artikel 8 EVRM slaagt niet, omdat de gewraakte uitlatingen zien op zijn professionele hoedanigheid bij Mondex en onvoldoende is onderbouwd dat zijn privéleven daardoor zodanig is geraakt dat artikel 8 EVRM bescherming biedt.

IEF 23559

OM-persbericht niet onrechtmatig: geen verwijdering of rectificatie toegewezen

Rechtbank Den Haag 1 mei 2026, IEF 23559; ECLI:NL:RBDHA:2026:10277 (([eiseres] tegen de Staat)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/om-persbericht-niet-onrechtmatig-geen-verwijdering-of-rectificatie-toegewezen

Rb. Den Haag 1 mei 2026, IEF23559; ECLI:NL:RBDHA:2026:10277 ([eiseres] tegen de Staat). In een kort geding bij de Rechtbank Den Haag staat de vraag centraal of een persbericht van het OM over een sepotbeslissing jegens politieagenten onrechtmatig is tegenover de ouders van een overleden man. De voorzieningenrechter wijst de vorderingen tot verwijdering en rectificatie af. De zaak vindt haar oorsprong in een incident in augustus 2020, waarbij de zoon van [eisers] in Amsterdam na een confrontatie met de politie om het leven is gekomen. Hij verkeerde in verwarde toestand en had een mes bij zich. Na een achtervolging werd hij ingesloten en werd geprobeerd hem onder controle te krijgen met onder meer pepperspray en een politiehond. Toen dat niet lukte, hebben twee agenten geschoten. De zoon is ter plaatse overleden. Na onderzoek door de Rijksrecherche besloot het OM de betrokken agenten niet te vervolgen, omdat sprake zou zijn geweest van noodweer. In een persbericht van 17 mei 2021 heeft het OM deze beslissing toegelicht. Daarin is onder meer vermeld dat een agent met een mes op zijn vest werd geraakt. [eisers] stellen dat dit persbericht een onjuiste en misleidende voorstelling van zaken geeft. Volgens hen is niet vastgesteld dat daadwerkelijk in het vest is gestoken; uit later forensisch onderzoek zou blijken dat geen steeksporen zijn aangetroffen. Ook menen zij dat het OM ten onrechte niet heeft vermeld dat nog een klachtprocedure ex artikel 12 Sv loopt tegen de sepotbeslissing. De publicatie zou daarom onrechtmatig zijn en hun eer en goede naam aantasten, ook zou het de nagedachtenis van hun zoon schaden. Zij vorderen verwijdering van het persbericht en plaatsing van een rectificatie. De voorzieningenrechter stelt voorop dat bij de beoordeling een belangenafweging moet plaatsvinden tussen enerzijds het belang van [eisers] om niet te worden geconfronteerd met onjuiste of schadelijke publicaties, en anderzijds het belang van het OM om het publiek te informeren over beslissingen van algemeen belang, zoals een sepot in een zaak met dodelijke afloop.

IEF 23553

Rb. Den Haag: geen overdracht auteursrechten aan Clingendael op rapportages West-Afrika

Rechtbank Den Haag 29 apr 2026, IEF 23553; ECLI:NL:RBDHA:2026:10358 ([eiser] tegen Clingendael), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-geen-overdracht-auteursrechten-aan-clingendael-op-rapportages-west-afrika

Rb. Den Haag 29 april 2026, IEF 23553; ECLI:NL:RBDHA:2026:10358 ([eiser] tegen Clingendael). De Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat Clingendael geen auteursrechten heeft verkregen op rapportages van een onafhankelijk adviseur over geweldsincidenten in West-Afrika. Partijen werkten van 2022 tot en met 2024 samen op basis van opdrachtovereenkomsten waarbij de adviseur informatie uit zijn eigen netwerk verzamelde en verwerkte in wekelijkse rapportages voor Clingendael. Nadat de samenwerking over 2025 stukliep wegens een discussie over overdracht van het netwerk van de adviseur, weigerde Clingendael een openstaande factuur van €7.000 te betalen en stelde zij dat de adviseur met een later voor de Konrad-Adenauer-Stiftung opgesteld rapport inbreuk maakte op haar auteursrechten, bedrijfsgeheimen en databankenrechten. De rechtbank verwerpt die stellingen. Volgens de rechtbank voorziet artikel 9 van de opdrachtovereenkomsten niet in overdracht van auteursrechten. De bepaling dat “all rights of usage, including all secondary rights” eigendom van Clingendael zouden zijn, ziet volgens de rechtbank op gebruiksrechten en niet op overdracht van auteursrechten als vermogensrechten. Daarbij benadrukt de rechtbank dat art. 2 Auteurswet voor overdracht van auteursrechten een daadwerkelijke akte vereist die expliciet op die overdracht is gericht. Omdat tussen professionele partijen geen dergelijke overdrachtsakte was opgenomen, blijven eventuele auteursrechten bij de adviseur rusten. De rechtbank hoeft daarom niet meer te beoordelen of de rapportages of de daarin opgenomen nieuwsfeiten auteursrechtelijk beschermd zijn. Ook de stelling dat de adviseur verplicht was Clingendael toegang te geven tot zijn netwerk wordt verworpen: uit de overeenkomsten, correspondentie en financiering van het netwerk volgt volgens de rechtbank geen dergelijke verplichting.

IEF 23548

Rb. Midden-Nederland wijst verzoek tot inzage in scenario RTL-serie af wegens risico op preventieve censuur

Rechtbank Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-verzoek-tot-inzage-in-scenario-rtl-serie-af-wegens-risico-op-preventieve-censuur

Rb. Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland). De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 mei 2026 een verzoek afgewezen van een man die vooraf inzage wilde krijgen in het scenario van een nog niet gepubliceerde dramaserie van RTL en Videoland over het Nederlandse koningshuis. In de serie komt een verhaallijn voor over prinses [A], de voormalige echtgenote van verzoeker. Verzoeker stelde dat hij vreesde voor ongewenste en onjuiste berichtgeving over hem en wilde kunnen beoordelen of de wijze waarop hij in de serie wordt genoemd, verbeeld of herkenbaar in beeld komt, een onrechtmatige publicatie zou opleveren. Op grond van art. 196 en 197 Rv verzocht hij daarom om een voorlopige bewijsverrichting in de vorm van inzage in de relevante delen van het scenario. RTL en Videoland voerden aan dat zij de vrijheid hebben om een dramaserie te maken zonder de inhoud daarvan vooraf aan betrokkenen te hoeven voorleggen. De rechtbank stelt voorop dat verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen in beginsel worden toegewezen, tenzij zich een van de wettelijke uitzonderingsgronden voordoet, waaronder het bestaan van “gewichtige redenen” die zich tegen toewijzing verzetten.