Inzage voor Micha Kat in getuigenverklaringen Chipshol-zaak
Hof 's-Hertogenbosch 8 september 2015, IEF 15254; ECLI:NL:GHSHE:2015:3479 (Micha Kat tegen Westenberg)
Incidentele vordering van journalist Micha Kat tegen voormalig rechter Westerberg, strekkende tot het verkrijgen van inzage in processen-verbaal die door de rechtbank Amsterdam in eerder bedoelde procedure zijn opgemaakt van de verklaringen van de getuigen (artikel 843a Rv), wordt toegewezen. Voldoende is dat de verlangde stukken relevant kunnen zijn ter onderbouwing van de vordering in de hoofdzaak. Dat de stukken in eerdere procedures gedeeltelijk zijn geciteerd of geparafraseerd neemt het belang bij inzage niet weg.
3.5.1.
[appellant] wenst inzage te verkrijgen in processen-verbaal die door de rechtbank Amsterdam in eerder bedoelde procedure zijn opgemaakt van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] ('naam 6') en [geïntimeerde] , alsmede in de brief van [betrokkene] aan [geïntimeerde] van 12 december 1994. Deze stukken kunnen volgens [appellant] de grondslag van zijn vordering in de hoofdzaak ondersteunen. [appellant] wenst kort gezegd aan te tonen dat tussen [geïntimeerde] , die destijds rechter was bij de rechtbank 's-Gravenhage, en advocaten voorafgaand aan een pleidooi in de zogenaamde Chipshol-zaak (inhoudelijke) telefoongesprekken hebben plaatsgevonden.
[appellant] is van mening dat [geïntimeerde] , stellende dat dergelijke gesprekken niet hebben plaatsgevonden, bij de rechtbank Rotterdam (zaaknr. 216253/HA ZA 04-1275, hierna ook: de Rotterdamse procedure) tegen beter weten in een verklaring voor recht heeft gevorderd dat [appellant] jegens hem onrechtmatig heeft gehandeld door de publicatie van het boek 'Topadvocatuur in Nederland' waarin dat bellen aan de orde is gesteld. In de onderhavige procedure vordert [appellant] veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding, gegrond op de stelling dat [geïntimeerde] misbruik van procesrecht heeft gemaakt, en daarmee jegens [appellant] onrechtmatig heeft gehandeld, door bij de rechtbank Rotterdam bedoelde procedure te beginnen.
3.5.2.
[geïntimeerde] heeft op zichzelf niet betwist dat de verlangde stukken voldoende bepaald zijn en zich onder hem bevinden, noch dat de stukken een rechtsbetrekking tussen partijen aangaan als bedoeld in artikel 843a lid 1 Rv. Het hof gaat hiervan uit, zodat in zoverre aan de vereisten voor een geslaagd beroep op artikel 843a Rv is voldaan.
[geïntimeerde] heeft zich (subsidiair) in de eerste plaats op het standpunt gesteld dat het (rechtmatig) belang van [appellant] bij kennisneming van die stukken ontbreekt. Daartoe heeft [geïntimeerde] aangevoerd dat de rechtbank in het bestreden eindvonnis (rechtsoverweging 4.6) heeft geoordeeld dat de Rotterdamse procedure niet zozeer ging om de vraag of de telefoongesprekken al dan niet hebben plaatsgevonden, maar om de vraag of ten aanzien van de passage in het boek hoor en wederhoor had moeten worden toegepast. Voorts wijst [geïntimeerde] op rechtsoverweging 4.9 van het bestreden eindvonnis, waarin de rechtbank heeft overwogen dat, ook indien zou komen vast te staan dat de telefoongesprekken hebben plaatsgevonden, die enkele omstandigheid niet tot het oordeel kan leiden dat het entameren van de Rotterdamse procedure als misbruik van procesrecht moet worden aangemerkt. Omdat tegen deze overwegingen geen grieven zijn gericht, kan het in de onderhavige procedure in hoger beroep alleen nog maar gaan om de vraag of [geïntimeerde] al dan niet misbruik van procesrecht heeft gemaakt door [appellant] in rechte te betrekken wegens het niet toepassen van hoor en wederhoor. [appellant] heeft er daarom geen belang bij om door middel van de verlangde stukken aan te tonen dat de telefoongesprekken hebben plaatsgevonden, aldus [geïntimeerde] .
3.5.3.
Zoals hiervoor is overwogen, is voor het hebben van een rechtmatig belang voldoende dat de stukken relevant kunnen zijn voor de vordering. Uit de door [appellant] ingestelde grieven blijkt dat [appellant] ook in hoger beroep mede aan zijn vordering ten grondslag legt dat [geïntimeerde] zijn vordering in de Rotterdamse procedure tevens baseerde op de stelling dat hij geen contact had gehad met de advocaten hetgeen, naar hij wist, niet juist was. Daarmee kunnen de verlangde stukken relevant zijn voor de vordering. Naar het oordeel van het hof geldt bovendien dat de vraag of [geïntimeerde] in zijn eer en goede naam was aangetast, zodat [appellant] volgens de stelling van [geïntimeerde] wederhoor had moeten toepassen, ook volgens de eigen stellingen van [geïntimeerde] in de Rotterdamse procedure niet losgezien kan worden van de vraag of juist was dat [geïntimeerde] met de advocaten had gebeld. Het verweer faalt.
Ook het door Westendorp opgeworpen verweer dat bewijslevering in de fase waarin de hoofdzaak zich thans bevindt - de memorie van antwoord is nog niet genomen en het processuele debat is in hoger beroep dus niet afgerond - nog niet aan de orde is, verwerpt het hof. Voldoende is dat de verlangde verklaringen relevant kunnen zijn ter onderbouwing van het door [appellant] in de hoofdzaak ingenomen standpunt.
Op andere blogs:
https://www.advocatie.nl/never-ending-westenberg-moet-kat-inzage-geven-stukken
Mediarecht. Raadsman-cliëntverhouding. Staking dwangsommen. Bij een in 2010 gewezen kortgedingvonnis is het een advocaat op straffe van een dwangsom verboden om zich publiekelijk op diskwalificerende wijze uit te laten over een voormalige cliënt. De voormalige cliënt stelt zich op het standpunt dat de advocaat het verbod heeft overtreden en dwangsommen heeft verbeurd door in 2014 een boek te publiceren waarin passages voorkomen die op hem betrekking hebben [IEF 14640]. De advocaat vordert in kort geding staking van de executie van dwangsommen. Het hof bekrachtigt het vonnis van de voorzieningenrechter waarbij de vordering is toegewezen. Daarbij is rekening gehouden met een tuchtuitspraak van het Hof van Discipline waarin is geoordeeld dat van een normale relatie advocaat-cliënt geen sprake is geweest. Het in 2010 opgelegde verbod correspondeert thans niet meer met het doel dat daarmee was beoogd.
Contractenrecht. Procesrecht. Toepassing liquidatietarief. Beroep op art. 2 lid 1 Handhavingsrichtlijn en artikel 1019 Rv zijn slechts van toepassing in procedures betreffende een dreigende inbreuk op IE-rechten en de daaraan inherente rechtsgang. Er is geen overeenkomst tussen partijen tot stand gekomen. Jack Daniel's mocht onderhandelingen afbreken en er is geen verplichting tot dooronderhandelen omdat er geen gerechtvaardigd vertrouwen was aan de kant van Kamstra. Het verband met de handhaving van IE-rechten is in deze zaak te ver verwijderd. Jack Daniel's wordt in de proceskosten veroordeeld.
Uitspraak ingezonden door Timme Geerlof,
Mediarecht. Geen afgifte ruw materiaal. Voorzieningenrechter heeft ex artikel 27 Rv op voorhand het verzoek voor het houden van een zitting in kort geding achter gesloten deuren en geanonimiseerd procederen, afgewezen. Gedaagde is misdaadverslaggever en maakt tv-uitzendingen. Het onrechtmatige karakter van de tv-uitzending is er volgens eiser - veroordeeld tot gevangenisstraf van zes jaar - omdat ontlastend ruw beeld- en geluidsmateriaal niet wordt getoond in de tv-uitzending; ten onrechte wordt hij als opdrachtgever tot huurmoord neergezet. Eiser stelt dat hij minutenlang herkenbaar en volledig in beeld is. De
Uitspraak ingezonden door Merle Hafkamp,
Beschikking ingezonden door Thomas Kriense, 
Bewijs. Procesrecht. Afwijzing van de vordering tot opheffing van het bewijsbeslag. Gedaagden hebben er belang bij dat bewijsmateriaal veilig gesteld blijft totdat is beslist of zij recht op afgifte of inzage daarvan hebben. Het belang van eiseressen om dat te voorkomen weegt daartegen niet op. De voorzieningenrechter verbiedt gebruik te maken van de beslagen documentatie anders dan ten behoeve van bewijsvoering door PGG.