UPC staat private transcripties van zittingsopnamen toe in InterDigital/Amazon‑zaak
UPC CoA 30 maart 2026, IEF 23434; UPC-COA-0000012/2026 (Amazon.com, Inc., Amazon Digital UK Limited, Amazon Europe Core S.à.r.l., Amazon EU S.à.r.l., Amazon Technologies, Inc., v. InterDigital VC Holdings, Inc., InterDigital Patent Holdings, Inc., InterDigital Madison Patent Holdings, SAS, InterDigital CE Patent Holdings, SAS). De zaak betreft een incident in een SEP-geschil tussen Amazon en InterDigital bij de Local Division Mannheim, waarin op 14 november 2025 een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden en daarvan op grond van Rule 115 RoP een geluidsopname is gemaakt. Amazon verzocht kort nadien op basis van Rule 115 om toegang tot die opname bij de Local Division Düsseldorf en om, met behulp van een door haar in te schakelen professionele transcribent, aantekeningen te kunnen maken die in feite neerkomen op een (nagenoeg) volledige transcriptie. InterDigital schaarde zich achter het verzoek tot toegang, maar liet de vraag of een stenograaf mocht worden ingezet aan het hof. De rechter-rapporteur in eerste aanleg stond het beluisteren van de opname in Düsseldorf wel toe, maar wees het gebruik van een stenograaf en het maken van een volledige private transcriptie af, onder meer uit vrees voor ongecontroleerde verspreiding buiten de UPC, mogelijke misbruikscenario’s (zoals “beauty contests” door advocatenkantoren) en het ontbreken van een grondslag in Rule 115 RoP. Het panel van de Local Division bekrachtigde dit bij beschikking van 16 januari 2026, oordeelde dat de belangen van het Hof bij een “open atmosphere of exchange” zwaarder wogen dan het belang van partijen bij een niet‑autoritatieve woordelijke weergave, en achtte private transcripties nutteloos omdat zij geen bewijskracht hebben naast de officiële audio. Amazon stelde vervolgens hoger beroep in, voerde aan dat de tekst en ontstaansgeschiedenis van Rule 115 RoP een veel minder restrictieve lezing vereisen, dat “shall be made available” geen rechterlijke beoordelingsruimte laat voor toegang, dat het zwijgen van Rule 115 over private transcripties eerder duidt op toelating dan op een verbod en dat praktische en ethische waarborgen eventuele misbruiken kunnen ondervangen. Volgens Amazon is een schriftelijke transcriptie, desnoods via een assistent of stenograaf onder toezicht van haar UPC‑raadsman, een legitiem hulpmiddel voor interne dossiervorming, internationale coördinatie en eventuele verdere processtappen, zowel binnen als buiten de UPC, zonder dat daarmee de audio‑opname als enige authentieke bron wordt aangetast.
Artikel door Fulco Blokhuis, Boekx Advocaten.
Vibe coding en het probleem van de auteursrechtelijke bescherming van software (preview)
Artikel door Fulco Blokhuis. Oorspronkelijk verschenen in AI-Forum 2026-1.
Inleiding: Vibe coding - een revolutie in softwareontwikkeling
Het werk van veel ontwikkelaars wordt steeds meer door generatieve AI (GenAI) gedaan. Software tools, zoals Lovable, Cursor, Claude Cowork, Codex en AI Studio kunnen werkende software ontwikkelen, testen en uitvoeren op basis van een of meerdere prompts. Deze vorm van programmeren wordt – sinds februari 2025[1] – vibe coding genoemd. Vibe coding is inmiddels mainstream aan het worden.
Met behulp van Claude wordt nu in een paar uur of dagen software gebouwd waar dat normaal maanden kostte. Ontwikkelaars in Silicon Valley sturen meerdere AI agents aan, ook wel agent coding genoemd. De agents schrijven zelf code, of delegeren die taak aan andere AI agents. OpenAI maakte bekend dat haar AI Agents een miljoen regels aan code hadden geschreven, aan de hand van een uitgebreide instructie, maar zonder menselijke interventie. Het aantal apps in de appstore is in december 2025 met 60% toegenomen.
Deze verschuiving van handmatig programmeren naar "prompten" heeft fundamentele gevolgen voor de juridische bescherming van software. Het traditionele auteursrechtelijke model gaat uit van menselijke creativiteit die zich uit in code, maar bij vibe-coding is de menselijke creativiteit verschoven naar de prompt, terwijl de AI de code schrijft. Dat roept de vraag op: is software nog te beschermen door het auteursrecht?
In dit artikel worden de auteursrechtelijke gevolgen van deze ontwikkeling geschetst.
Conclusie A-G over exportvrijstelling bij ABC’s: geen vooraf vereiste handelsvergunning, geen eis van reeds rechtenvrije exportlanden en ruimte voor voorraadvorming voor export
Parket bij de Hoge Raad 27 maart 2026, IEF 23435; ECLI:NL:PHR:2026:318 (Janssen tegen SB). In Conclusie A-G Van Peursem staat de uitleg centraal van de productie-voor-export-vrijstelling van art. 5 lid 2, onder a, sub i en ii, van Verordening (EG) nr. 469/2009 inzake aanvullende beschermingscertificaten voor geneesmiddelen, zoals gewijzigd door Verordening (EU) 2019/933. Janssen is houdster van aanvullende beschermingscertificaten voor ustekinumab in onder meer Denemarken en Italië en stelt dat Samsung Bioepis NL B.V. (SB) inbreuk maakt door een biosimilar van ustekinumab (SB17) in die landen te vervaardigen en/of op te slaan voor export naar derde landen zoals het VK, Canada en Zuid-Korea. SB heeft in oktober 2023 kennisgevingen gedaan bij de Deense en Italiaanse autoriteiten waarin zij productie en opslag aankondigt met het oog op “export and storing”, en heeft later de beoogde exportlanden en uiteindelijk ook de referentienummers van de handelsvergunningen meegedeeld zodra die publiek beschikbaar kwamen. Tussen partijen staat vast dat SB voor productie voor de Uniemarkt voldeed aan de afzonderlijke EU-stockpile-vrijstelling; het geschil ziet dus alleen op de exportvrijstelling. In eerste aanleg en in hoger beroep is Janssen in het ongelijk gesteld. In cassatie betoogt zij dat het hof de doelstellingen van de gewijzigde ABC-Verordening verkeerd heeft uitgelegd, ten onrechte voorraadvorming voor toekomstige export naar derde landen heeft aanvaard, en heeft miskend dat bij kennisgeving of uiterlijk bij aanvang van de productie al een handelsvergunning moet bestaan en dat de exportlanden dan ook al rechtenvrij moeten zijn. De A-G concludeert echter dat deze cassatieklachten niet slagen en ziet in dit kort geding ook geen noodzaak om prejudiciële vragen te stellen, hoewel hij onderkent dat hierover in Europa uiteenlopende rechtspraak bestaat.
Kort geding over verwijdering van door de Arbeidsinspectie gekopieerde camerabeelden; vordering afgewezen wegens belang bij behoud van bewijsmateriaal
Rb. Gelderland 25 februari 2026, IEF 23432; IT 5173; ECLI:NL:RBGEL:2026:1384 ([eiser] tegen De Staat). In dit kort geding vordert [eiser], exploitant van een supermarkt, dat de Staat wordt bevolen om door de Arbeidsinspectie gemaakte kopieën van camerabeelden definitief te verwijderen. Aanleiding is een controle van de Arbeidsinspectie op 5 december 2025 in de supermarkt van eiseres op grond van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag, de Wet arbeid vreemdelingen en de Arbeidstijdenwet. Tijdens die controle neemt de Arbeidsinspectie meerdere harde schijven mee waarop onder meer camerabeelden van de supermarkt zijn opgeslagen. Eiseres verzoekt vervolgens om teruggave van de harde schijven en verwijdering van eventuele kopieën. Nadat de Staat kopieën van de camerabeelden heeft gemaakt, worden de harde schijven op 19 december 2025 aan eiseres teruggegeven. Daarna verzoeken ook een aantal medewerkers zowel eiseres als de Staat op grond van de AVG om vernietiging van de camerabeelden. In dit kort geding vordert eiseres daarop dat de Staat de camerabeelden onmiddellijk en definitief verwijdert. Een tijdens de procedure gedaan aanvullend verzoek om ook eventuele “vervolgacties” op basis van die beelden te laten verwijderen, wijst de voorzieningenrechter af, omdat niet duidelijk is wat daarmee wordt bedoeld en omdat dit niet in het petitum is gevorderd.
Eindvonnis na tussentijds hoger beroep over bestuurdersaansprakelijkheid voor onbetaalde Buma- en Sena-vergoedingen bij exploitatie van Fresh FM
Rb. Amsterdam 10 december 2025, IEF 23431; ECLI:NL:RBAMS:2025:11296 (Buma/Sena tegen Scoezh, [gedaagde 2], [verweerder 1 (art.29 Fw)] Holding en de curator [gedaagde 2]). Deze zaak betreft een eindvonnis na tussentijds hoger beroep in een procedure van Buma en Sena tegen SCOEZH, haar indirect bestuurder dan wel feitelijk beleidsbepaler [gedaagde 2], diens holding en diens curator. Aanleiding is dat SCOEZH de radiozender Fresh FM exploiteerde en over de jaren 2010 tot en met mei 2016 vergoedingen verschuldigd was aan Buma en Sena wegens uitzending van muziek uit hun repertoire, maar die vergoedingen niet betaalde en evenmin de benodigde opgaven deed over inkomsten en muziekgebruik. Daardoor konden Buma en Sena hun vergoedingen niet volledig berekenen en brachten zij in elk geval minimumvergoedingen en voorschotten in rekening. De procedure tegen SCOEZH zelf is geschorst wegens haar faillissement in 2018 en niet door de curator voortgezet. In een eerder tussenvonnis had de rechtbank al geoordeeld dat [gedaagde 2] persoonlijk een ernstig verwijt kon worden gemaakt, maar het hof heeft in zijn arrest van 14 mei 2024 geoordeeld dat dit oordeel prematuur was zolang de hoogte van de vorderingen op SCOEZH nog niet was vastgesteld. Daarom moet de rechtbank nu eerst bepalen welke vorderingen Buma en Sena nog daadwerkelijk op SCOEZH hebben, en pas daarna beoordelen in hoeverre [gedaagde 2] daarvoor persoonlijk aansprakelijk is. Buma en Sena vorderen onder meer een verbod voor [gedaagde 2] om nog inbreuk te (doen) maken op hun rechten, verificatie van hun vorderingen in het faillissement van [gedaagde 2], erkenning daarvan door de curator en een bevel tot aanvullende opgave conform de modelovereenkomst. De rechtbank wijst het gevorderde inbreukverbod toe, maar wijst de gevorderde opgave af omdat die verplichting op SCOEZH rustte en niet op [gedaagde 2] in persoon. Daarna beoordeelt de rechtbank per post welke bedragen nog als vordering op SCOEZH kunnen gelden. Voor Buma accepteert zij onder meer een deel van de vordering uit het oude vonnis van 26 mei 2010, een deel van de voorschotfacturen voor etheruitzendingen en latere proceskostenveroordelingen, maar niet de aanvullende licentievergoeding van € 55.000, omdat die nooit aan SCOEZH is gefactureerd en dus niet opeisbaar is geworden, en ook niet de gevorderde webcastingvergoeding, omdat onvoldoende is gebleken dat SCOEZH daarvoor contractueel of anderszins aansprakelijk was. Voor Sena accepteert de rechtbank een deel van de facturen voor etheruitzendingen, een belangrijk deel van de facturen voor webcasting op basis van de tussen Sena, SCOEZH en [gedaagde 2] gesloten vaststellingsovereenkomst, en een proceskostenveroordeling uit een eerder kort geding. Zo komt de rechtbank uit op een vordering van € 124.403,61 voor Buma en € 60.124,60 voor Sena op SCOEZH.
Tussenvonnis over kwalificatie van bijdrage aan filmproductie, naamsvermelding en billijke vergoeding; rechtbank overweegt deskundigenbericht
Rb. Amsterdam 21 januari 2026, IEF 23429; ECLI:NL:RBAMS:2026:1669 ([eiser] tegen [gedaagde 1] c.s.). In dit tussenvonnis staat een geschil centraal over de bijdrage van eiser aan de totstandkoming van een film van gedaagden en de vraag hoe die bijdrage juridisch moet worden gekwalificeerd. Partijen hebben in februari 2023 een medewerkersverklaring ondertekend waarin eiser voor 25 draaidagen als regieassistent wordt aangesteld tegen een vergoeding van € 1.600 exclusief btw, maar eiser stelt dat zijn feitelijke werkzaamheden verder gingen en dat hij als coregisseur moet worden aangemerkt. Hij vordert daarom onder meer een verklaring voor recht dat hij als coregisseur moet worden vermeld, aanpassing van de credits in intro, aftiteling en IMDb, een billijke vergoeding op grond van art. 25c jo. 45d Aw, een aanvullende billijke vergoeding op grond van art. 25d jo. 45d lid 7 Aw, en exploitatie-informatie op grond van art. 25ca Aw. Gedaagden erkennen dat eiser creatieve inbreng heeft geleverd en dus maker is in de zin van de Auteurswet, en ook dat hij recht heeft op een billijke vergoeding, maar betwisten dat hij als coregisseur heeft gefungeerd. De rechtbank stelt vast dat de oorspronkelijke afspraak inderdaad uitgaat van de functie van regieassistent, maar dat niet is uitgesloten dat de samenwerking tijdens de productie anders is gaan lopen. Dat betekent echter nog niet dat eiser juridisch als coregisseur moet worden aangemerkt. De rechtbank merkt bovendien op dat de vorderingen tegen [gedaagde 1] in privé uiteindelijk in ieder geval zullen worden afgewezen, omdat onvoldoende is weersproken dat diens onderneming in de BV is ingebracht.
Kort geding bij verstek over YouTube-video’s: verwijdering, rectificatie, verbod op diffamerende uitlatingen en staking van portret- en auteursrechtinbreuk
Rb. Amsterdam 23 februari 2026, IEF 23430; IT 5172; ECLI:NL:RBAMS:2026:3000 (ONLINE TRADING CAMPUS LLC en [eiser] tegen [gedaagde]). In dit kort geding bij verstek staan Online Trading Campus LLC en [eiser] tegenover [gedaagde] naar aanleiding van op YouTube geplaatste video’s en andere uitlatingen over eisers. Gedaagde verschijnt niet op de mondelinge behandeling van 17 februari 2026, waarna de voorzieningenrechter vaststelt dat de formaliteiten zijn nageleefd en verstek verleent. De rechtbank overweegt vervolgens dat de vorderingen van eisers grotendeels niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen en wijst deze daarom in hoofdzaak toe, zij het met aanpassing van enkele termijnen, beperking van de dwangsom en aanpassing van de tekst van de gevorderde rectificatie, juist omdat het om een verstekvonnis gaat. De voorzieningenrechter beveelt gedaagde om binnen 48 uur na betekening de drie in de dagvaarding genoemde video’s van internet en meer in het bijzonder van het YouTube-kanaal [naam kanaal] te verwijderen en verwijderd te houden. Daarnaast moet gedaagde binnen diezelfde termijn de inbreuk op de portretrechten van eiser sub 2 staken en gestaakt houden door diens portret niet langer openbaar te maken in de video’s en bijbehorende thumbnails. Ook moet hij binnen 48 uur de inbreuk op de auteursrechten van eisers staken en gestaakt houden door de in de dagvaarding omschreven beelden niet langer openbaar te maken of te verveelvoudigen. Verder verbiedt de voorzieningenrechter gedaagde om binnen 48 uur na betekening, online en offline, al dan niet met inschakeling van derden, nog langer onrechtmatige en diffamerende uitlatingen over eisers te doen.
Uitspraak ingezonden door Merel Teunissen, Liaise Advocaten.
Uitingen fan over relatie met zanger niet onrechtmatig bevonden
Rb Amsterdam 27 maart 2026, IEF 23422, IT 5168; C/13/783721 / KG ZA 26-127 MdV/EvK (eiser tegen gedaagde). De zaak betreft een Australische singer-songwriter (eiser) en een Nederlandse fan/therapeut (gedaagde) die circa 2,5 jaar een affectieve/seksuele relatie hebben gehad nadat eiser haar via Instagram benaderde en zij elkaar in Amsterdam ontmoetten. In het najaar van 2025 is die relatie geëindigd, waarna op sociale media en in de fan-omgeving (Discord) beschuldigingen tegen eiser over grensoverschrijdend gedrag en machtsmisbruik rond jonge vrouwelijke fans naar buiten kwamen. Eiser reageerde daarop met een publieke Instagrampost met excuses. Gedaagde heeft vervolgens op TikTok, Instagram en YouTube berichten geplaatst waarin zij spreekt over een “abusive relationship”, therapie/coaching rond narcissistic abuse en persoonlijk haar ervaringen deelt, maar zij noemt eiser daarin niet bij naam. Eiser stelt dat haar posts, één-op-één Instagram-DM’s en spraakberichten feitelijk neerkomen op beschuldigingen van verkrachting, (seksuele en psychische) mishandeling van vrouwen, seksueel grensoverschrijdend gedrag en een narcistische persoonlijkheidsstoornis, en dat zij bovendien niet-uitgebrachte nummers van hem (zoals ‘Butterfly’) online heeft laten verschijnen. Hij vordert in kort geding een breed verbod op dergelijke uitlatingen (zowel openbaar als in privé- of groepsberichten), verwijdering van alle berichten over hem of in elk geval de berichten met genoemde beschuldigingen, een contactverbod ten opzichte van hem, zijn relaties en (toekomstige) partners, rectificaties op haar socialemediakanalen, staking van iedere auteursrechtinbreuk en oplegging van dwangsommen, plus veroordeling van gedaagde in de proceskosten. Gedaagde voert aan dat zij uitsluitend haar eigen ervaringen en beleving van de relatie deelt binnen haar vrijheid van meningsuiting, dat de term “abusive” breder is dan alleen strafbare mishandeling, dat de DM’s privé waren en door derden zijn gelekt, dat eiser nergens met naam wordt genoemd en dat zij geen muziek van hem online heeft gezet.
Eerste inzageverzoek kan buitensporig zijn, maar schending van het inzagerecht kan wél tot AVG-schadevergoeding leiden
HvJ EU 19 maart 2026, IEF 23428; IEFbe 4172; ECLI:EU:C:2026:216 (Brillen Rottler GmbH & Co. KG tegen TC). In C-526/24 verduidelijkt het Hof de verhouding tussen art. 12 lid 5, art. 15 lid 1 en art. 82 lid 1 AVG. Aanleiding is een geschil tussen een Duits opticiensbedrijf en een particulier die zich eerst aanmeldt voor de nieuwsbrief van dat bedrijf, daarbij persoonsgegevens verstrekt, en dertien dagen later een inzageverzoek op grond van art. 15 AVG indient. Nadat het bedrijf dat verzoek afwijst met een beroep op art. 12 lid 5 AVG en stelt dat sprake is van misbruik van recht, vordert de betrokkene bovendien € 1.000 schadevergoeding op grond van art. 82 AVG. Volgens het bedrijf blijkt uit openbaar toegankelijke bronnen dat deze betrokkene stelselmatig volgens een vast patroon handelt: hij verstrekt persoonsgegevens, dient daarna een inzageverzoek in en probeert vervolgens schadevergoeding te verkrijgen wegens een vermeende AVG-schending. De verwijzende rechter vraagt het Hof daarom onder meer of ook een eerste inzageverzoek al als “buitensporig” kan gelden, of schending van het inzagerecht zelfstandig tot schadevergoeding kan leiden, en of verlies van controle of onzekerheid over persoonsgegevens als immateriële schade kan worden aangemerkt.
Het nieuwe AI-Forum tijdschrift is verschenen (auteursrecht, aansprakelijkheid, cybersecurity & meer)
Wat is de stand van zaken op het gebied van AI en auteursrecht? Hoe zit dat met aansprakelijkheid en cybersecurity? Wat is de wisselwerking tussen de AVG en de AI-verordening in de praktijk? En last but not least: zijn we te afhankelijk geworden van Big Tech?
In het nieuwe AI-Forum tijdschrift (2026-1) brengen wij deze actuele thema’s samen.
Met dank aan de bijdragen van:
Daniel Gervais (Vanderbilt University);
Roeland de Bruin (Kienhuis Legal);
Julie Petersen (Artes Law);
Thijs Kelder en Wouter Seinen (Pinsent Masons) ;
Fulco Blokhuis (Boekx);
Menno Weij (The Data Lawyers).
Nog geen abonnee? Het volledige tijdschrift is vrij toegankelijk via ons proefabonnement.
























































































