Procesrecht  

IEF 2870

Uitvoering aan de overeenkomst

lms.gifRechtbank Amsterdam, 28 september 2006, LJN:AZ1187. JG Entertainment B.V tegen de vereniging Bart’s Neverending Network (BNN).

Kort geding vonnis van vorige maand met weinig IE-vlees aan het bot. Uitleg van bedoelingen van partijen van een exploitatie-overeenkomst.

BNN en JG Entertainment (JGE) hebben een mondelinge overeenkomst gesloten over de exploitatie van een DVD van de Lama’s. Partijen geven uitvoering aan de overeenkomst, maar ondertekenen het schriftelijke concept-contract niet. BNN reageert pas een half jaar na het ontvangen van het contract met opmerkingen. Daarop ontstaat er discussie voor welke duur de overeenkomst is aangegaan en of JGE de verschuldigde royalty’s moet afdragen aan BNN.

NN laat convervatoir beslag leggen op bankrekeningen van JGE. JGE vordert opheffing beslag, waarop BNN in reconventie voldoening van de vordering tot royalty’s instelt. JGE beroept zich op verrekening, doordat zij schade lijdt omdat BNN zich niet houdt aan de meerjarenovereenkomst.

De voorzieningenrechter overweegt: dat “de vordering van BNN op JGE is gebaseerd op de samenwerkingsovereenkomst tussen partijen, over de precieze inhoud waarvan zij van mening verschillen. Het door JGE aan BNN op 3 oktober 2005 toegezonden concept is niet ondertekend, zodat niet zonder meer van de inhoud daarvan kan worden uitgegaan.”

“De enkele omstandigheid dat BNN, na de intern in december 2005 geuite bedenkingen, pas in mei 2006 jegens JGE heeft gereageerd op de conceptovereenkomst van 3 oktober 2005, en daarvóór niet heeft meegedeeld het niet (geheel) met de tekst eens te zijn, betekent niet dat er vanuit mag worden gegaan dat BNN zonder meer instemde met alle daarin weergegeven afspraken.

JGE heeft vooralsnog niet aannemelijk gemaakt dat hetgeen zij in het concept van 3 oktober 2005 heeft vastgelegd slechts een weerslag was van hetgeen reeds mondeling was overeengekomen. (…) Aannemelijk is wel dat sprake zou zijn van een overeenkomst voor meerdere jaren, - BNN heeft dat zelf ook in haar concept opgenomen - maar dat impliceert niet dat de overeenkomst ook alle toekomstige DVD’s van de Lama’s zou omvatten. De exploitatie van de tweede DVD beperkt zich immers ook niet tot één kalenderjaar.”

”Evenmin heeft JGE voldoende aannemelijk kunnen maken dat BNN bij haar het gerechtvaardigde vertrouwen heeft gewekt dat JGE ook de toekomstige DVD’s van De Lama’s zou kunnen (mee-) exploiteren.”

De reconventionele vordering wordt echter wel toegewezen:

“Zoals hiervoor reeds werd overwogen is voldoende aannemelijk dat de vordering van BNN in een eventuele bodemprocedure zal worden toegewezen en bestaat er vooralsnog geen grond om het beroep op verrekening, althans opschorting van JGE te honoreren. JGE heeft verder onvoldoende gesteld om aan te nemen dat BNN niet in staat zou zijn het ontvangen bedrag terug te betalen, indien zij in een nadere gerechtelijke procedure alsnog in het ongelijk zou worden gesteld. Ook een eventueel restitutierisico biedt dus, anders dan JGE heeft aangevoerd, geen grond voor afwijzing van de vordering in reconventie. Nu BNN een spoedeisend belang heeft bij toewijzing van het gevorderde bedrag, gelegen in haar bedrijfsbelang, is de slotsom dat de vordering van BNN zal worden toegewezen. Het conservatoire beslag wordt daarmee een executoriaal beslag, zodat BNN met zekerheidstelling geen genoegen behoeft te nemen. Het vorenstaande neemt overigens niet weg dat het JGE vrij staat voor de door haar gestelde vorderingen zekerheden te verlangen dan wel verlof voor het treffen van conservatoire maatregelen te vragen.”

Lees het vonnis hier.

IEF 2850

Hermès/FHT

(voorlopige maatregelingen)

HvJ EG 16 juni 1998, zaak C-53/96, Hermès/FHT
Artikel 50 lid 6 TRIPs

Voorlopige maatregelen maatregelen opgelegd in kort geding moeten gevolgd worden door een bodemprocedure.

Hermès verkreeg met succes een voorlopige voorziening tegen FHT met betrekking tot de verkoop van inbreukmakende stropdassen.

Op grond van artikel 50 lid 6 TRIPs worden voorlopige maatregelen op verzoek van de verweerder herroepen of houden zij anderszins op gevolg te hebben, indien de procedure die leidt tot een beslissing ten principale niet wordt aangevangen binnen een redelijke termijn, te bepalen door de rechterlijke autoriteit die de maatregelen gelast wanneer het nationale recht zulks toestaat of, wanneer geen termijn wordt bepaald, binnen een termijn van ten hoogste twintig werkdagen of eenendertig kalenderdagen, naar gelang van welke van beide termijnen de langste is.

‘Als ‘voorlopige maatregel’ in de zin van artikel 50 van de Overeenkomst inzake de handelsaspecten van de intellectuele eigendom, als bijlage 1 C gevoegd bij de Overeenkomst tot oprichting van de Wereldhandelsorganisatie, moet worden aangemerkt een maatregel die een einde beoogt te maken aan vermeende inbreuken op een merkrecht en die wordt getroffen in een procedure met de volgende kenmerken:

  • De maatregel wordt in het nationale recht aangemerkt als ‘onmiddellijke voorziening bij voorraad’ en moet vereist zijn ‘uit hoofde van onverwijlde spoed’.
  • De wederpartij wordt gedagvaard en wordt, indien zij verschijnt, gehoord.
  • De beslissing over de maatregel wordt schriftelijk en gemotiveerd gegeven na een inhoudelijke beoordeling van de zaak door de kortgedingrechter.
  • Tegen deze beslissing staat hoger beroep open.
  • Hoewel partijen steeds een bodemprocedure aanhangig kunnen maken, aanvaarden zij de beslissing veelal als ‘definitieve’ beslechting van hun geschil’. (Dictum).

Zie verder, voor antwoorden op allerlei detail-vragen over (directe werking van) artikel 50 lid 6: HvJ EG 13 september 2001, zaak C-89/99, Schieving-Nijstad/Groeneveld; Route 66 (niet opgenomen), IER 2001/59, m.nt. Red. Artikel 50 lid 6 TRIPs is inmiddels geïmplementeerd in art. 260 Rv (binnenkort in art. 1019i Rv).

IEF 2838

Stüssy

(bewijslast)

HvJ EG 8 april 2003, zaak C-244/00, Van Doren + Q/Lifestyle; Stüssy
Artikel 7 lid 1 Merkenrichtlijn

De parallelimporteur moet bewijzen dat sprake is van parallelimport van binnen de EU. Als er een reëel gevaar bestaat dat markten worden afgeschermd kan de bewijslast echter bij de merkhouder komen te liggen.

Lifestyle parallelimporteert in Duitsland kleding van het merk Stüssy. Van Doren is exclusief importeur en maakt bezwaar.

BIE 2004/11
IER 2003/49
AA 2004, p. 185, m.nt. ChG
NTER 2003/9, m.nt. HMHS

‘Een bewijsregel krachtens welke de uitputting van het merkrecht voor de door de merkhouder gedagvaarde derde een verweermiddel vormt, zodat de voorwaarden voor deze uitputting in principe moeten worden bewezen door de derde die zich erop beroept, is in overeenstemming met het gemeenschapsrecht, met name de artikelen 5 en 7 [Merkenrichtlijn].

De vereisten van de onder andere in de artikelen 28 EG en 30 EG verankerde bescherming van het vrije verkeer van goederen kunnen echter tot een wijziging van deze bewijsregel nopen. Wanneer de derde erin slaagt aan te tonen dat er een reëel gevaar bestaat dat de nationale markten worden afgeschermd wanneer hij dit zelf moet bewijzen, met name wanneer de merkhouder zijn waren binnen de Europese Economische Ruimte in de handel brengt door middel van een exclusief distributiesysteem, moet de merkhouder aantonen dat de waren aanvankelijk door hemzelf of met zijn toestemming buiten de Europese Economische Ruimte in de handel zijn gebracht. Indien dat bewijs wordt geleverd, is het dan aan de derde om aan te tonen dat de merkhouder met het daarna in de handel brengen binnen de Europese Economische Ruimte heeft ingestemd.’ (Dictum).

IEF 2723

Scheepsrecht (2)

Bericht op bordermeasures.com over Rechtbank Rotterdam. 22 augustus 2006, KG ZA 06-591. Adidas International, Atomic Austria, BMW, Canon Ferrari e.v.a. tegen China Shipping Agency  (eerder bericht + vonnis hier):

"Landmark decision on the scope of EC Regulation 1383/2003 in the Netherlands.  On 22 August 2006, the President of the Rotterdam District Court (the Netherlands) handed down a decision which, though in summary proceedings, may have a significant impact on the interpretation of EC Regulation 1383/2003 on border measures in the Benelux, not to say in the European Union. The ruling, however, if not immune to criticism.

(…) The Court’s reasoning concerning the simplified procedure of Article 11 is - unfortunately - not convincing. Indeed, though Articles 28(1) of the Dutch Copyright Act, Article 13bis(1) of the Benelux Trade Marks Act and Article 14bis(1) of the Benelux Design Act do allow right-holders to dispose of goods which they claim infringe their rights, these provisions are presumably only applicable once the goods are recognised by a Court or any other authority entitled to decide on this issue as infringing a copyright, trade mark or design rights. The right-holders’ (or customs’) personal opinion is clearly not relevant when applying these provisions. Therefore, it is all but persuasive to contend, as the Court did, that these provisions provide ground for the simplified procedure set out in Article 11 of the Regulation, and that for that purpose "customs’ suspicion that the goods may infringe intellectual property rights should be sufficient to presume that they do infringe such rights".”

Lees het volledige commentaar hier

IEF 2708

Herstel

Herstelvonnis Rechtbank ’s-Gravenhage, in kort geding van 6 oktober 2006, KG ZA 06-1088. The Procter & Gamble Company tegen Reckitt Benckiser  B.V.

"De advocaat van Procter & Gamble, mr. W.A. Hoyng te Amsterdam, heeftverzocht het vonnis te verbeteren aangezien Reckitt Benckiser heeft aangegeven niet aan de kostenveroordeling te willen voldoen nu deze niet in het dictum is opgenomen. (…) Nu duidelijk sprake is van een kennelijke fout in het vonnis die zich vooreenvoudig herstel leent als bedoeld in artikel 31 lid 1 van het Wetboek van Burgerlijke echtsvordering, zal het verzoek tot verbetering worden toegewezen."

Lees het herstelvonnis hier.Oorspronkelijk vonnis hier.

IEF 2680

Voor rechters en rechtzoekenden

Prof. mr. D.J.G. Visser en Mr. A. Tsoutsanis:  De volledige proceskostenveroordeling in IE-zaken. Gepubliceerd in NJB 2006/34.

 

“De financiële risico's van procederen in IE-zaken zijn flink toegenomen en er is nog veel onduidelijk. Er is al gesuggereerd dat er snel een nieuw, hoger en eventueel gedifferentieerd liquidatietarief zou moeten komen voor IE-zaken om het voor rechters en rechtzoekenden eenvoudiger en overzichtelijker te maken. Daarvan wordt dan weer opgemerkt dat het in strijd met de richtlijn zou zijn. Misschien zou de wetgever meer moeten doen door een aparte 'kostenvaststellingsprocedure' in het leven te roepen zoals in Engeland bestaat, of andere meer gedetailleerde regels zoals in Duitsland. Misschien is het inderdaad een goed idee om de volledige proceskostenveroordeling naar de bodemprocedure te verwijzen. Omdat de nationale wetgever echter vrijwel niets heeft gedaan en zekerheid alleen door het HvJ EG kan worden geboden, zal het mogelijk nog jaren duren voor er meer duidelijkheid is.”

 

Lees het artikel hier.

IEF 2614

Glashandel 2: De Grosse

Update 19 september: Lees het herstelvonnis hier.nacbav.bmp  Correctie bij Voorzieningenrechter Rechtbank Breda , 13 september 2006, LJN: AY8140. International Facility & Support Partners B.V. tegen  NAC B.V, Houdstermaatschappij NAC B.V. & Bavaria N.V.

Mr. Olaf van Haperen van Lawton Advocaten & Belastingadviseurs  laat  weten dat het met betrekking tot de bovengenoemde zaak op rechtspraak.nl gepubliceerde vonnis inhoudelijk afwijkt van grosse van het vonnis (zie onderstaande link).

De afwijking betreft de overwegingen met betrekking tot de vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten. Anders dan in de tekst op rechtspraak.nl is in de grosse de kostenveroordeling van NAC op basis van de IE-handhavingsrichtlijn niet opgenomen. Uit de grosse blijkt dat de geraamde en onbetwiste proceskosten van Bavaria volledig worden toegewezen.

Tekst op Rechtspraak.nl, r.o. 4: 

“4. De kosten.

Als de in conventie overwegend in het ongelijk te stellen partij dient NAC te worden veroordeeld in de proceskosten van IFSP. Op haar beurt zal IFSP worden veroordeeld in de proceskosten van de houdstermaatschappij, te stellen op nihil vanwege de samenhang met het door NAC gevoerde verweer, alsmede in de proceskosten van Bavaria.
Ter zake van de kostenveroordelingen ten laste van NAC en Bavaria zal, gelet op richtlijn 2004/48/EG van het Europees parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende de handhaving van intellectuele eigendomsrechten, met toepassing van een richtlijnconforme uitleg van de artikelen 237 e.v. Rv, naast het griffierecht en verschotten het reële bedrag aan advocaatkosten worden toegewezen, waarvan de gestelde hoogten noch door NAC, noch door IFSP zijn betwist en de voorzieningenrechter ook niet onredelijk voorkomen.

In reconventie wordt IFSP veroordeeld in de proceskosten nu de vorderingen van NAC deels toewijsbaar zijn. Geen van de toegewezen vorderingen van NAC in reconventie houdt verband met intellectuele eigendom, zodat een toekenning van een proceskostenvergoeding zal worden berekend zoals gebruikelijk.”

Grosse, r.o. 3.10

“3.10.
Voor het toekennen van een vergoeding aan reële advocaatkosten bestaat slechts aanleiding in zaken waarin de vordering is gebaseerd op een moedwillige inbreuk op een intellectueel eigendomsrecht. De vordering van IFSP in conventie is een dergelijke vordering, maar in dat kader komt NAC geen vergoeding van proceskosten toe. Geen van de vorderingen van NAC in reconventie houdt verband met intellectuele eigendom, zodat een eventuele toekenning van een proceskostenvergoeding zal worden berekend zoals gebruikelijk..”

“4. De kosten.

Als de overwegend in het ongelijk te stellen partij dient NAC te worden veroordeeld in de proceskosten van IFSP. Op haar beurt zal IFSP worden veroordeeld in de proceskosten van de houdstermaatschappij en de proceskosten van Bavaria. In het laatste geval zal, in de lijn van de uitspraak d.d. 8 augustus 2006 van de rechtbank ‘s-Gravenhage, naast het griffierecht en verschotten het reële bedrag aan advocaatkosten worden toegewezen, waarvan de gestelde hoogte niet door eiseres is betwist en de voorzieningenrechter ook niet onredelijk voorkomt.

In reconventie worden NAC en IFSP over en weer in het gelijk gesteld. Daarin ziet de voorzieningenrechter aanleiding de proceskosten te compenseren.”


Lees de grosse van het vonnis hier. Eerder bericht hier.


 

IEF 2598

Duidelijk verschil

hq.bmpRechtbank Utrecht, 7 september 2006, KG ZA 06-746. High Quality Detachering en Interim Management B.V. tegen HighQ B.V. (Met dank aan Jerry Considine, Considine Group).

Eerste Utrechtse werkelijk-gemaakte-proceskostenveroordeling: Eiser High Quality wordt in de proceskosten veroordeeld, maar de vordering tot vergoeding van de werkelijk gemaakte proceskosten wordt afgewezen:

“Weliswaar is de implementatietermijn van de Richtlijn 2004/48/EG verstreken, maar Richtlijnconforme interpretatie van artikel 237 leidt niet tot het oordeel dat de werkelijk gemaakte kosten door High Qualitty moeten worden vergoed. Hiertoe wordt overwogen dat de Richtlijn beoogt de handhaving van intellectuele eigendomsrechten te harmoniseren teneinde namaak en piraterij efficiënter te kunnen bestrijden. Nu de procedure geen betrekking heeft op een door High Quality beweerdelijk gepleegde inbreuk op het merkrecht van HighQ, wordt geen aanleiding gezien High Quality te veroordelen de daadwerkelijk door HighQ gemaakte kosten te vergoeden.”

In deze zaak sommeert High Quality branchegenoot HighQ het gebruik van de aanduiding HighQ op welke wijze dan ook te staken. High Quality detacheert, werft en selecteert financiële specialisten. High Quality is eigenaar van het het Beneluxbeeldmerk High Quality. HighQ is een financieel interimbureau en eigenaar van het Beneluxwoordmerk HighQ.

De Handelsnamen wijken v olgens de voorzieningenrechter in voldoende mate van elkaar af. ‘Quality’ en ‘Q’ verschillen zo duidelijk van elkaar, dat niet valt te vrezen voor verwarringsgevaar.

Dat de KvK na een uitgevoerd onderzoek naar o.a. de naam ‘High Q Interim’ heeft geadviseerd deze en soortgelijke handelsnamen niet te gebruiken omdat er meerdere ondernemingen met een gelijkende naam zijn ingeschreven in het handelsregister, leidt niet tot een ander oordeel, nu uit dit onderzoek niet zonder meer kan worden afgeleid dat de namen HighQ en High Qusality zodanig op elkaar lijken dat vrees voor verwarring te duchten is. Concrete verwarring is niet aangetoond.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding in het kader van de BMW anders over het gevaar voor verwarring te oordelen, zodat ook de merkenrechtelijke claim van High Quality wordt afgewezen.

Met betrekking tor de stelling van High Quality dat HighQ te kwader trouw het het merk HighQ van bedenker Namewordks zou hebben overgenomen, wordt overwogen dat in de BMW geen nietigheids- en/of vervalgronden opgenomen zijn die betrekking hebben op de overdracht van een merk zodat - nu in het onderhavige geval sprake is van de overdracht van een  merk - niet geoordeeld kan worden dat deze overdracht nietig is, Bovendien is gesteld noch gebleken dat de nietigheid van het depot door Nameworks van het woordinerk HighQ is ingeroepen binnen vijf jaar na de inschrijving.

Lees het vonnis hier.

IEF 2551

Naschrift

wp.bmpWouter Pors, (Bird & Bird Den Haag),Naschrift bij mr. De Nooijer: Scheiden doet lijden

“Het is al lastig genoeg om vast te stellen wat het Hof van Justitie in zijn uitspraken precies heeft gezegd, laat staan om vast te stellen wat het Hof niet heeft gezegd, maar misschien wel had willen zeggen, nog daargelaten dat dit weer de vraag oproept waarom het Hof dat dan niet gewoon gezegd heeft. Toch waagt mr. De Nooijer zich daar aan, waarbij hij tot de conclusie komt dat het Hof van Justitie in GAT / LuK de Engelse leer over internationale bevoegdheid had willen volgen. Probleem is natuurlijk nog wel dat dit niet in het arrest staat.

Mr. De Nooijer gaat allereerst niet in op het arrest zelf, maar op de door prof. Hoyng voorgestelde en door mij onderschreven oplossingen. Bij de mogelijkheid van schorsing van de inbreukprocedure voor zover die andere landen dan Nederland betreft, merkt hij op dat er een probleem ontstaat als wel een nietigheidsverweer wordt gevoerd, maar geen nietigheidsacties worden ingesteld. Dit probleem lijkt mr. De Nooijer onoplosbaar.”


Lees hier verder. Eerder commentaar De Nooijer hier. Aangehaald vonnis in de zaak BT tegen Plumettaz  hier.

IEF 2533

Hopeloos complexe procesregimes

idn.JPGIvo de Nooijer (NautaDutilh): Scheiden doet lijden, GAT / Luk en Roche / Primus: gescheiden inbreuk en geldigheidsprocedures? Amsterdam,  24 augustus 2006.

“Naar aanleiding van de recente uitspraken in GAT / Luk (zaak C-4/03) en Roche / Primus (zaak C-539/03) van het Hof van Justitie zijn in korte tijd al diverse commentaren verschenen. Onder andere Willem Hoyng (hier). Berber Brouwer (hier) en Wouter Pors (hier) hebben op deze plaats hun commentaar gegeven op de uitspraken en de mogelijke consequenties geschetst.  (...) Er is echter een intrigerende vraag die door de commentaren wordt opgeroepen. De aangereikte oplossingen overtuigen niet, ook niet in een "klassiek" artikel 2 EEX geval.

(...) Wat is nu het gevolg van het inroepen van de nietigheid van een octrooi voor de inbreukvordering op dat octrooi wanneer het een buitenlands octrooi betreft? Alle genoemde oplossingen lijken in de praktijk hopeloos complexe procesregimes op te leveren wanneer de inbreuk procedure (centraal) en de nietigheidsprocedures (gefragmenteerd) gescheiden worden benaderd. Daarnaast is een dergelijke oplossing niet in lijn met de door het Hof nagestreefde voorzienbaarheid en rechtszekerheid.

lees het volledige commentaar hier.