IEF 20996
30 september 2022
Uitspraak

Conclusie tot verwerping van principale cassatieberoep Maytronics

 
IEF 20995
30 september 2022
Uitspraak

Prejudiciële vragen over bevoegdheid rechter bij merkinbreuk

 
IEF 20994
29 september 2022
Artikel

Mr. S.K. Martens Academie 2022/2023

 
IEF 11547

Geen reden tot uitstel Mediawet vanwege Dataco

Wetsvoorstel Wijziging van onder meer de Mediawet 2008, Kamerstukken I, 2011-2012, vergaderingnr. 33.

Interessante aankondiging inzake wijziging mediawet [33 019] en een advies over Dataco [IEF 10977]: "De regeling in de Mediawet staat namelijk los van de auteursrechtelijke vraagstukken. Dat heeft ook de kortgedingrechter vorige week duidelijk aangegeven. Ook de Commissie Auteursrecht heeft mondeling laten weten dat dit het geval is. Het advies van de Commissie Auteursrecht over Dataco en de geschriftenbescherming komt waarschijnlijk half juli aanstaande. Dat is vrij snel. Daarna bepaalt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zijn visie."

Mevrouw Ter Horst en de heer Flierman vroegen beiden of hetgeen wij nu doen, moet worden uitgesteld in afwachting van uitspraken van staatssecretaris Teeven. Ik denk dat dat niet nodig is, want die komen eraan. De ingangsdatum is 2013. Vanwege de belangen van de bezuiniging, et cetera, en duidelijkheid voor de Wereldomroep, verzoek ik de Kamer dringend dit wetsvoorstel te laten doorgaan, als zij dit wil natuurlijk. Het lijkt mij een redelijke termijn. Wij hebben hiervoor nog een halfjaar te gaan. Ook de Tweede Kamer wil uitdrukkelijk dat dit snel is geregeld. Ik zie geen reden tot uitstel, ook niet vanwege het Europese Dataco-arrest dat vragen oproept over de bescherming van geschriften. De regeling in de Mediawet staat namelijk los van de auteursrechtelijke vraagstukken. Dat heeft ook de kortgedingrechter vorige week duidelijk aangegeven. Ook de Commissie Auteursrecht heeft mondeling laten weten dat dit het geval is. Het advies van de Commissie Auteursrecht over Dataco en de geschriftenbescherming komt waarschijnlijk half juli aanstaande. Dat is vrij snel. Daarna bepaalt de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie zijn visie. Ik zal hem zeker vragen te zorgen om dit op tijd te doen omdat de wet op 1 januari aanstaande in werking treedt met het amendement dat er nu in zit. Nogmaals, dat is geen reden voor uitstel, want de regeling in de Mediawet staat op zichzelf. Die twee zaken hebben niet direct met elkaar van doen, maar de Kamer heeft wel voor die tijd de informatie.

Dit is wat ik had te melden. Volgens mij heb ik alle vragen beantwoord.

IEF 11546

Teeven overweegt om in te grijpen bij amvb

Kamerbrief onderzoek CvTA over Buma-Stemra, 5 juli 2012, kenmerk 282238.

Uit't bericht van VOI©E: In een brief aan de Tweede Kamer d.d. 5 juli reageert staatssecretaris Teeven op het onderzoeksrapport van het College van Toezicht [red. IEF 11311, en nadere lezing IEF 11313] over het functioneren van Buma/Stemra naar aanleiding van de claim van componist M. Rietveldt en de betrokkenheid van voormalig Stemra-bestuurder J. Gerrits. Teeven kondigt als mosterd na de maaltijd een aantal maatregelen bij AMvB aan. De beoogde verbeteringen zijn echter al beter door de leden van VOI©E geregeld.

VOI©E spreekt in haar artikel met de sprekende titel "Teeven wil bij AMvB regelen wat al (beter) is geregeld" van een onterecht verwijt aan het adres van Buma-Stemra, omdat er in overleg met CvTA Richtlijnen voor goed bestuur en integriteit zijn gemaakt. Over de verdere onderwerpen 'tegenstrijdig belang regeling', klachtafhandeling, transparantie en inspraak in de Socu-gelden, laat zij weten dat al dit soort zaken reeds goed en flexibel zijn geregeld, o.a. in het jaarlijks onafhankelijk gecontroleerde CBO-Keurmerk.

Uit de brief: Omgaan met integriteitskwesties en tegenstrijdig belang situaties Het College concludeert dat er binnen Buma-Stemra geen procedurele waarborgen bestaan waarmee kan worden voorkomen dat er een ongewenste verstrengeling van belangen, dan wel de schijn daarvan, kan ontstaan. In de ogen van het College is dit een lacune in de geldende governance regels van BumaStemra. Het College adviseert Buma-Stemra voorts om te voorzien in een klachtenprocedure die duidelijk onderscheid maakt tussen commentaren en daadwerkelijke klachten en in een kenbare procedure voor het behandelen van klachten en geschillen met rechthebbenden wanneer de procedure bij de afdeling Member Services niet leidt tot een tijdig of voor de rechthebbende aanvaardbaar besluit. (...)

De voorgestelde organisatiestructuur van Buma-Stemra gaat dus uit van vertegenwoordiging van bloedgroepen in het bestuur, terwijl datzelfde bestuur uiteindelijk verantwoordelijk is voor de afhandeling van klachten, waarbij bestuurders een eigen belang kunnen hebben dat tegengesteld is aan het belang van Buma-Stemra. Indien Buma-Stemra vasthoudt aan deze organisatiestructuur, zou daar een stevige regeling voor tegenstrijdig belang situaties tegenover moeten staan. Daarom ben ik voornemens om naar aanleiding van de bevindingen van het College een tegenstrijdig belang regeling op te nemen in een amvb “good governance collectief beheer”. Op grond van het wetsvoorstel toezicht (artikel 2, derde lid) kunnen bij amvb regels worden gegeven voor de inrichting en het bestuur van een collectieve beheersorganisatie. Dit heeft als voordeel dat de regeling niet alleen geldt voor Buma-Stemra maar ook voor de andere onder toezicht gestelde collectieve beheersorganisaties. Een duidelijke norm voor omgaan met tegenstrijdig belang situaties van bestuurders en directeuren is bij alle collectieve beheersorganisaties essentieel. Op dit moment vindt er bijvoorbeeld ook bij SENA en Lira een herziening van de bestuurlijke organisatie plaats. Ook bij LIRA krijgt de functie van onafhankelijke bestuursvoorzitter een centrale rol in de nieuwe governance structuur. Naast de amvb “Good governance collectief beheer” zal ik, zoals toegezegd, ook een amvb voorbereiden die zorgt voor een nadere uitwerking van de onderwerpen uit het wetsvoorstel toezicht die betrekking hebben op de financiële aspecten van collectieve beheersorganisaties, zoals het beleggingsverbod en de normering van de beheerskosten

Klachtafhandeling bij Buma-Stemra
Ten aanzien van de klachtafhandeling binnen Buma-Stemra concludeert het College dat Buma-Stemra tekort is geschoten in de behandeling van de claim van M. Rietveldt. Volgens het College heeft de behandeling van de klacht te lang geduurd en heeft Buma-Stemra de onduidelijkheid over de omvang van de claim lange tijd laten voortduren. In algemene zin constateert het College dat het klachtafhandelingssysteem van Buma-Stemra geen duidelijk onderscheid maakt tussen wat wordt aangeduid als “commentaren” en klachten en onvoldoende voorziet in een duidelijke procedure ingeval een commentaar escaleert tot een geschil. Het College adviseert Buma-Stemra om duidelijk onderscheid te maken tussen commentaren en daadwerkelijke klachten en te voorzien in een kenbare procedure voor het behandelen van klachten en geschillen met rechthebbenden.

Ook ten aanzien van de afhandeling van klachten van rechthebbenden ben ik voornemens om een regeling te treffen in de amvb “Good governance collectief beheer”. In die amvb zal uitgangspunt zijn dat een klachtenregeling, anders dan thans het geval is bij Buma-Stemra, ook moet gelden voor vorderingen die een bedrag van 100.000 euro te boven gaan. Het College heeft in dit verband terecht aangegeven dat juist bij dergelijke grotere vorderingen het gevaar voor escalatie aanwezig is. In de amvb “Good governance collectief beheer” zal een overgangsregeling worden opgenomen die de collectieve beheersorganisaties in staat stelt om maatregelen te nemen die nodig zijn om aan de amvb te voldoen.

Buma Cultuur
Blijkens het jaarverslag over 2010 houdt Buma Cultuur zich bezig met het ondersteunen en promoten van het Nederlands muziekauteursrecht in zowel Nederland als de belangrijkste exportmarkten voor de Nederlandse muziek met als doel enerzijds het aandeel op de Nederlandse markt te vergroten en anderzijds een hogere inkomstenstroom door het gebruik van Nederlands muziekauteursrecht uit buitenlandse markten te stimuleren. Buma Cultuur wordt voornamelijk gefinancierd uit een bijdrage van de Vereniging Buma.

Het College adviseert om ten aanzien van Buma Cultuur wijzigingen door te voeren die de inspraak van de leden in de bestedingen en de transparantie van het beleid van Buma Cultuur vergroten, waaronder maatregelen die de integriteit binnen het bestuur van Buma Cultuur waarborgen.

Ook op dit punt overweeg ik om in te grijpen bij amvb. Daarbij denk ik aan een regeling die ervoor zorgt dat de aangesloten rechthebbenden inspraak hebben in het beleid ten aanzien van collectieve bestemming van gelden en dat collectieve beheersorganisaties inzage moeten geven in dat beleid. Dit sluit aan bij eerdere aanbevelingen van het College in de notitie Socubeleid.

IEF 11545

'Thuiswinkelen' in marktonderzoek al beschrijvend gebruikt

Beschikking Hof 's-Gravenhage 3 juli 2012, LJN BX9637, zaaknr. 200.100.3003/01 (Nederlandse Thuiswinkel Organisatie tegen Qualitymark Ltd.)

Beschikking ingezonden door Tinga Kleefman, Kneppelhout & Korthals N.V..

In navolging van BBIE 2004070. Merkenrecht. Aanvrager van het beeldmerk Thuiswinkelkeurmerk komt in de oppositieprocedure de houdster van de beeldmerken Thuiswinkel.org en thuiswinkel  waarborg tegen. De oppositie wordt, ondanks dat zij beiden een aantal niet onderscheidende woordelementen bevatten, afgewezen, omdat de beeldelementen verschillend zijn zodat de tekens in hun totaalindruk niet overeenstemmend zijn.

NTO gaat tegen de afwijzing in beroep. Het hof onderschrijft in hoofdlijnen de analyse die het Bureau heeft gemaakt. Het verwarringsgevaar, aldus het hof, ontbreekt vanwege te zeer afwijkende beeldelementen tussen de oudere merken en het jongere merk, waardoor de totaalindrukken voldoende verschillen.

Het betoog van NTO dat het woordelement 'thuiswinkel' niet beschrijvend zou zijn, wordt verworpen. Dat winkelen op afstand zich niet louter thuis afspeelt, is niet beslissend. Dat NIPO in dit in opdracht van NTO verrichte marktonderzoek het begrip 'thuiswinkel(en)' in puur beschrijvende zin hanteert. Dat een en ander vormt een indicatie dat het Bureau het bij het juiste eind heeft in zijn overweging dat aan de beeldelementen beslissende betekenis toekomt.

8. (...) Een (sterke) aanwijzing voor voormeld oordeel dat het totaalbeeld in overwegende mate) wordt bepaald door de beeldelementen vormt ook het overlegde marktonderzoek. (...) Overigens wijst Qualitymark er terecht op dat NIPO in dit in opdracht van NTO verrichte marktonderzoek het begrip 'thuiswinkel(en)' in puur beschrijvende zin hanteert. Dat een en ander vormt een indicatie dat het Bureau het bij het juiste eind heeft in zijn overweging dat aan de beeldelementen beslissende betekenis toekomt bij de vraag naar verwarringsgevaar gemeten naar de totaalindruk die daarbij aan de consument wordt gepresenteerd. Zo bezien is dan sprake van zodanig voldoende afwijking qua totaalindruk, dat geen gevaar voor verwarring kan worden aangenomen. Ook NTO weerspreekt bij pleidooi niet dat de gemeten 'bekendheid' van het 'Thuiswinkel waarborg' merk in het marktonderzoek ziet op het merk als geheel, derhalve met inbegrip van de figuratieve elementen.

Lees een afschrift zaaknr. 200.100.3003/01, LJN BX9637.

Op andere sites besproken:
Dirkzwagerieit (Strijd om Thuiswinkel merk)

IEF 11544

Opmerkingen Parlement in adviesprocedure ACTA

JURI Report, Newsletter of the European Parliament Legal Affairs Committe, july 2012, nr. 7/2012-7L, p.6..

Op de agenda: Aanstaande maandag 9 juli zal de JURI-commissie in camera de opmerkingen van het Europees Parlement behandelen die betrekking hebben op het verzoek van de Europese Commissie om een advies [red. IEF 11529] van het Hof van Justitie over het [red. weggestemde, IEF 11531] ACTA-Verdrag.

Ook is verzocht om aan de Voorzitter een aanbeveling te geven om in deze adviesprocedure namens het Parlement opmerkingen in te zenden ex 128 lid 4 Reglement van het Europees Parlement.

IEF 11543

Shakespeare-merken: voordeel uit prestige ouder merk

Gerecht EU 6 juli 2012, zaak T-60/10 (Jackson International Trading Company tegen OHIM/The Royal Shakespeare Company (ROYAL SHAKESPEARE) - perscommuniqué

Gemeenschapsmerkenrecht. Ongerechtvaardigd voordeel trekken uit reputatie ouder merk.

In de nietigheidsprocedure komt de houder van het woordmerk ROYAL SHAKESPEARE (klasse 32, 33 & 42) de houder van het oudere gemeenschapswoordmerk RSC-ROYAL SHAKESPEARE COMPANY (klasse 41) en aanverwanten merken tegen. De nietigheidsafdeling wijst de vordering tot nietigverklaring af, de beslissing van de nietigheidsafdeling wordt door de Kamer van Beroep vernietigd. Daarmee is er sprake van de nietigverklaring van het ingeschreven gemeenschapsmerk. Het middel dat ten overstaan van het Gerecht wordt gevoerd door Jackson International Trading Company: Er is geen associatiegevaar en Jackson trekt geen ongerechtvaardigd voordeel trekken uit de reputatie en het onderscheidend vermogen van het oudere merk RSC-ROYAL SHAKESPEARE COMPANY.

Het Gerecht oordeelt dat het betwiste merk visueel, fonetisch en begripsmatig overeenstemt met het oudere merk van the Royal Shakespeare Company. De gemiddelde consument zal de merken met elkaar associëren. Het nieuwere merk bestaat namelijk exclusief uit het centrale onderscheidende element 'royal shakespeare'. Het Gerecht stelt vast dat het oudere merk (RSC-ROYAL SHAKESPEARE) een 'uitzonderlijke' reputatie in de EU heeft met betrekking tot theaterproducties. Het Gerecht oordeelt dat door het nieuwe merk ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit de reputatie en het onderscheidend vermogen van het oudere merk van the Royal Shakespeare Company. Aanvrager van het merk ROYAL SHAKESPEARE  zal voordeel halen uit de aantrekkingskracht, reputatie en het prestige van het oudere merk voor haar eigen producten: bier en andere dranken.

Het Gerecht EU wijst de klacht af.

Gelijkheid en associatiegevaar.
28 In the present case, the earlier mark with a reputation is made up of the words ‘royal shakespeare company’ and the contested trade mark of the words ‘royal shakespeare’. There is a partial identity between the signs at issue as they share the expression ‘royal shakespeare’, the contested trade mark being made up of those two words, which are contained in the earlier trade mark. The signs at issue share that expression as a common element. That common element, ‘royal shakespeare’, is the most distinctive part of the earlier trade mark. The group of letters ‘rsc’ is understood as a simple abbreviation of the words ‘royal shakespeare company’, and the word ‘company’ as a simple reference to the fact that a company is involved. Neither the combination of the three letters ‘rsc’ nor the word ‘company’ has a strong distinctive character. The word ‘royal’ is an adjective, which may refer to something ‘royal’, or even a laudatory adjective, which refers, as in the present case, to royal patronage. The surname of the famous English poet, playwright and writer William Shakespeare is well known and, as such, in and of itself, is not highly distinctive for theatre productions. Although the words ‘royal’ and ‘shakespeare’ are not highly distinctive when considered in isolation, their combination creates a distinctive sign. The central and most distinctive element of the earlier trade mark is thus the expression ‘royal shakespeare’, which is reproduced verbatim by the contested trade mark, with no additions or differentiation.

29 As the contested trade mark is exclusively made up of the central and distinctive element of the earlier trade mark, namely the expression ‘royal shakespeare’, the signs at issue are visually, phonetically and conceptually similar. Therefore, the average consumer will establish a link between those signs.


Reputatie oudere merk
36 For the sake of completeness, the Court also draws attention to the fact that, as was discussed with the parties during the hearing, it is common ground that, as is the case for a number of theatre productions in general, the intervener’s theatre productions are also broadcast via television and radio. The Court notes that those media also address the public at large.


Onrechtmatig voordeel trekken uit de reputatie van het oudere merk
61 In the present case, the applicant would benefit from the power of attraction, the reputation and the prestige of the earlier trade mark for its own goods, such as beer and other beverages, and for its services. In the beverages market, those goods would attract the consumer’s attention thanks to the association with the intervener and its earlier trade mark, which would give the applicant a commercial advantage over its competitors’ goods. That economic advantage would consist of exploiting the effort expended by the intervener in order to establish the reputation and the image of its earlier trade mark, without paying any compensation in exchange. That equates to an unfair advantage taken by the applicant of the repute of the earlier trade mark within the meaning of Article 8(5) of Regulation No 207/2009.

62 It follows from the considerations listed above that there is a likelihood of association between the signs at issue by reason of the earlier trade mark’s reputation.

63 It must therefore be concluded that the Board of Appeal was right to consider that there is a strong likelihood that the use of the contested trade mark would take unfair advantage of the earlier trade mark’s reputation.

Op andere blogs:
Alicante News (B. General Court, case T-60/10)
IPKat (Shakespeare not for snobs; ROYAL SHAKESPEARE not for Austrians, rules Court)

IEF 11542

Vragen HvJ EU filtermaatregel access-provider, kopie illegale bron

Oberste Gerichtshof (Oostenrijk), 11 mei 2012, 4Ob6/12d (Kino.to) - persbericht

Getipt door Dirk Visser, Klos Morel Vos & Schaap.

Het Handelsgericht en het Oberlandesgericht beiden te Wenen hebben een access provider via een Einstweiliger verfüging (vergelijkbaar met een ex parte-procedure) verboden om klanten de toegang tot kino.to te verschaffen zolang daar bepaalde films onrechtmatig ter beschikking worden gesteld. Hoewel de website kino.to ondertussen offline is gehaald, blijven er fundamentele vragen die de getroffen access provider in de Revisionrekurs bij het Oberste Gerichtshof.

Op grond van artikel 8 lid 3 van de info-richtlijn [red. "De lidstaten zorgen ervoor dat de rechthebbenden kunnen verzoeken om een verbod ten aanzien van tussenpersonen wier diensten door een derde worden gebruikt om inbreuk te maken op een auteursrecht of naburige rechten"] vraagt de access provider zich af in hoeverre een onrechtmatig handelende aanbieder (kino.to) gebruik maakt van de diensten van de access provider, daar waar de 'opvrager' slechts via hun eigen provider toegang heeft op het aanbod.

Indien dit gebruik door de aanbieder niet wordt aangeboden, dan rest de vraag of ook klanten, als zij downloaden van of het aanbod van kino.to bekijken, een inbreuk maken op het auteursrecht dan wel naburige rechten. Dat is niet vanzelfsprekend, immers is een digitale privékopie en een tijdelijke verveelvoudiging (streaming) onder bepaalde voorwaarden toegestaan.

Is de access provider dan alsnog verantwoordelijk, dan is een algemeen verbod op de bemiddeling van het aanbod of de inrichting van specifieke maatregelen (filterverplichting) denkbaar. Daarbij moet worden bepaald of zulke maatregelen verenigbaar zijn met het evenredigheidsbeginsel uit het Unierecht.

Dirk Visser voegt toe: Dit is nogal van belang voor de Brein/providers-zaken (over The Pirate Bay) én voor de zaak ACI c.s. / Thuiskopie [red. IEF 11299] over de vraag of privé kopiëren uit illegale bron mag c.q. mag worden meegenomen bij de bepaling van de hoogte van de Thuiskopie-vergoeding.

De exacte vragen (Duitstalig):

1. Ist Art 8 Abs 3 RL 2001/29/EG (Info-RL) dahin auszulegen, dass eine Person, die ohne Zustimmung des Rechteinhabers Schutzgegenstände im Internet zugänglich macht (Art 3 Abs 2 Info-RL), die Dienste der Access-Provider jener Personen nutzt, die auf diese Schutzgegenstände zugreifen?

2. Wenn Frage 1 verneint wird:

Sind eine Vervielfältigung zum privaten Gebrauch (Art 5 Abs 2 lit b Info-RL) und eine flüchtige und begleitende Vervielfältigung (Art 5 Abs 1 Info-RL) nur dann zulässig, wenn die Vorlage der Vervielfältigung rechtmäßig vervielfältigt, verbreitet oder öffentlich zugänglich gemacht wurde?

3. Wenn Frage 1 oder Frage 2 bejaht wird und daher gegen den Access-Provider des Nutzers gerichtliche Anordnungen nach Art 8 Abs 3 Info-RL zu erlassen sind:

Ist es mit dem Unionsrecht, insbesondere mit der danach erforderlichen Abwägung zwischen den Grundrechten der Beteiligten, vereinbar, einem Access-Provider ganz allgemein (also ohne Anordnung konkreter Maßnahmen) zu verbieten, seinen Kunden den Zugang zu einer bestimmten Website zu ermöglichen, solange dort ausschließlich oder doch weit überwiegend Inhalte ohne Zustimmung der Rechteinhaber zugänglich gemacht werden, wenn der Access-Provider Beugestrafen wegen Verletzung dieses Verbots durch den Nachweis abwenden kann, dass er ohnehin alle zumutbaren Maßnahmen gesetzt hat?

4. Wenn Frage 3 verneint wird:

Ist es mit dem Unionsrecht, insbesondere mit der danach erforderlichen Abwägung zwischen den Grundrechten der Beteiligten, vereinbar, einem Access-Provider bestimmte Maßnahmen aufzutragen, um seinen Kunden den Zugang zu einer Website mit einem rechtswidrig zugänglich gemachten Inhalt zu erschweren, wenn diese Maßnahmen einen nicht unbeträchtlichen Aufwand erfordern, aber auch ohne besondere technische Kenntnisse leicht umgangen werden können?

IEF 11541

Aanvullende internationale nieuwheidsonderzoeken onder the PCT zijn geen succes

Een bijdrage van Cees Mulder, Maastricht University.

Afbeelding van CWKFT.com

In 2007 heeft de PCT Assembly besloten de optie van het verrichten van zogenoemde “Aanvullende internationale nieuwheidsonderzoeken” (Engels: supplementary international search system; PCT Regel 45bis) in te voeren in het Verdrag tot samenwerking inzake octrooien (Patent Cooperation Treaty; PCT).

Vandaag de dag zijn er zes Instanties voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek (“Supplementary International Searching Authorities”; afgekort SISA) die dergelijke aanvullende internationale searches uitvoeren: de Russische, Zweedse, Finse en Oostenrijkse nationale octrooiautoriteiten, het Nordic Patent Instituut en het Europees Octrooibureau (EOB). De talen waarin deze aanvullende nieuwheidsonderzoeken worden verricht zijn: Deens, Fins, Duits, IJslands, Noorweegs, Zweeds en Russisch.

De taks die betaald moet worden voor het aanvullende internationale searches is in de meeste gevallen gelijk aan de taks voor de “gewone” internationale nieuwheidsonderzoeken, hetgeen het aanvullende onderzoek erg duur maakt.
Wat ontbreekt in het systeem zijn Instanties voor Internationaal Nieuwheidsonderzoek die documenten “full text” in Aziatische talen in hun search betrekken. Japan heeft van het begin af aan gezegd tegen de invoering van PCT Regel 45bis te zijn en heeft aangegeven nooit mee te gaan doen aan het systeem van de aanvullende internationale nieuwheidsonderzoeken (mede veroorzaakt door de hoge werkdruk in Japanse octrooiautoriteit). Wellicht als de Koreaanse octrooiautoriteit (voor een redelijke prijs) mee gaat doen in het systeem, dat het alsnog een succes kan worden.

Recent is het systeem door de PCT Working Group van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom (WIPO, Geneve) tegen het licht gehouden, zie hier, en daarbij bleek dat slechts zeer weinig octrooiaanvragers gebruik maken van het systeem. In de periode 2009-2011 zijn minder dan 120 verzoeken voor aanvullende internationale nieuwheidsonderzoeken ingediend op een totaal van meer 500.000 internationale (PCT) aanvragen:

  • 2009: 24 verzoeken;
  • 2010: 41 verzoeken;
  • 2011: 41 verzoeken;
  • Tot eind februari 2012: 13 verzoeken.

Opgemerkt hierbij zij nog dat de top vier aanvragers van aanvullende internationale searches goed zijn voor bijna 80% van alle aanvragen. In de recente vergadering van de PCT Working Group heeft men zich afgevraagd of je een systeem waarnaar de vraag zo laag is wel in stand moet houden. Zoals zo vaak heeft men de beslissing hierover voor zich uitgeschoven: het Internationaal Bureau is verzocht door te gaan met het monitoren van het systeem van aanvullende internationale searches zodat men in 2015 het systeem opnieuw tegen het licht kan houden…

Cees Mulder

IEF 11540

Modelgaranties voor grote internationale sportevenementen

Rapport Modelgaranties voor grote internationale sportevenementen, 5 juli 2012. Bijlage bij Kamerbrief

Intellectuele eigendomsrecht als onderdeel van de modelgaranties voor grote internationale sportevenementen. De Nederlandse wetgeving kent geen specifieke wet voor “ambush marketing” [red. leestip: Arnoldus, Bescherming tegen ambush marketing, Amsterdam: deLex 2012].

Nederland heeft de ambitie om te behoren tot de beste 10 topsport landen van de wereld. Voor het realiseren van deze Top 10 ambitie en het opbouwen van een track record, is het opdoen van ervaringen met de organisatie van grote internationale (top)sportevenementen belangrijk. Nederland wil daartoe zelf een podium bieden aan de internationale sportwereld en de eigen topsporters. Geconstateerd kan worden dat in toenemende mate internationale sportfederaties bij het maken van hun keuze voor de toewijzing van hun topsportevenementen bepaalde garanties van nationale overheden vragen. (...)

Hoofdstuk 6: Commerciële rechten

Nederland garandeert dat alle in dit document genoemde intellectuele-eigendomsrechten worden beschermd door de Nederlandse wetgeving inzake intellectuele eigendom. Wat betreft de octrooi-, merk- en modelrechten rondom een evenement, is het aan de organisator van het evenement de benodigde formaliteiten af te handelen (het op tijd registreren van de betreffende rechten bij de verantwoordelijke autoriteiten met gebruikmaking van de juiste volgens het nationale recht van toepassing zijnde maatregelen om aanspraak te kunnen maken op de bescherming) en ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de materiële en wettelijke vereisten voor die bescherming.

De Nederlandse wetgeving kent geen specifieke wet voor “ambush marketing”. In Nederland wordt “ambush marketing” gedekt door a) de wetgeving inzake intellectuele eigendom, in het bijzonder de wetten inzake het auteursrecht en merken, b) de wetgeving inzake oneerlijke mededinging, in het bijzonder de wetgeving inzake misleiding en vergelijkende reclame en inzake oneerlijke handelspraktijken, en c) de wetgeving inzake onrechtmatige daden. Er zijn ook (civielrechtelijke) mogelijkheden om door middel van toegangsrechten nadere voorwaarden op te leggen.

IEF 11539

Actieve polospelers te paard zijn begripsmatig overeenstemmend

Rechtbank 's-Gravenhage 4 juli 2012, HA ZA 11-2558 (Best Items c.s. tegen Quilate Services)

Uitspraak mede ingezonden door Remco van Leeuwen, Van Doorne.

Merkenrecht. Verklaring van niet-inbreuk gevorderd, niet gekregen. Dat vele kledingbeeldmerken gelijk zijn, is onvoldoende om beperkt onderscheidend vermogen en geringe beschermingsomvang vast te stellen. Aan marktonderzoek wordt voorbij gegaan omdat 'bekend merk' niet wordt gesteld. De reconventionele vorderingen worden toegewezen.

Best Items is licentienemer van het woordmerk L'ARGENTINA en ontwerpt, produceert en verhandelt onder het merk L’ARGENTINA een (vrijetijds)kledinglijn voor vrouwen die is geïnspireerd op de polosport. Quilate verhandelt sinds de jaren tachtig waren die verband houden met de polosport onder het van oorsprong Argentijnse merk LA MARTINA en het logo dat tevens als beeldmerk is gedeponeerd. Best Items c.s. vordert een verklaring voor recht dat zij door het gebruik in de Europese Unie van het L’ARGENTINA teken geen inbreuk maakt op de merkrechten van Quilate.

Het LA MARTINA beeldmerk betreft een afbeelding van twee polospelers, beiden op een galopperend paard, beiden met opgeheven polo sticks waarbij de spelers elkaar raken. De polospelers en de paarden zijn in silhouet en van opzij weergegeven en op tamelijk realistische wijze gestileerd. Naar het oordeel van de rechtbank stemt het L’ARGENTINA teken visueel overeen met het LA MARTINA beeldmerk. (r.o. 4.17)

Ook begripsmatig stemmen het L’ARGENTINA teken en het LA MARTINA beeldmerk naar het oordeel van de rechtbank overeen. In beide gevallen wordt immers verwezen naar het concept van twee polospelers op een galopperend paard in een actieve spelhouding.

Dat er vele kledingmerken zijn die verband houden met het thema ‘paarden en polospelers’, is naar het oordeel van de rechtbank op zich zelf onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een beperkt onderscheidend vermogen van het LA MARTINA beeldmerk resulterend in een geringe beschermingsomvang. De verklaring van niet-inbreuk wordt niet afgegeven, de reconventionele vorderingen worden wel toegewezen (zij het beperkt).

4.4. Tijdens de zitting heeft Best Items c.s. betoogd dat het L’ARGENTINA teken

alleen decoratief werd gebruikt en niet als merk. Dit verweer faalt. Het L’ARGENTINA teken werd linksboven op de voorzijde van de kleding aangebracht, zie hiervoor in 2.5, of te

wel op de gebruikelijke plaats voor een merk op (boven)kleding. Het relevante publiek zal naar het oordeel van de rechtbank het L’ARGENTINA teken zoals dat werd gebruikt op kleding dan ook opvatten als onderscheidingsteken.


4.7. Het LA MARTINA beeldmerk betreft een afbeelding van twee polospelers, beiden op een galopperend paard, beiden met opgeheven polo sticks waarbij de spelers elkaar raken. De polospelers en de paarden zijn in silhouet en van opzij weergegeven en op tamelijk realistische wijze gestileerd. Naar het oordeel van de rechtbank stemt het L’ARGENTINA teken visueel overeen met het LA MARTINA beeldmerk.

4.8. Ook begripsmatig stemmen het L’ARGENTINA teken en het LA MARTINA beeldmerk naar het oordeel van de rechtbank overeen. In beide gevallen wordt immers verwezen naar het concept van twee polospelers op een galopperend paard in een actieve spelhouding. De rechtbank verwerpt het standpunt van Best Items c.s. dat er sprake zou zijn van een begripsmatig verschil omdat bij het LA MARTINA beeldmerk de gekruiste polo sticks een ereboog vormen hetgeen een houding is die in het spel niet voorkomt waarbij de spiegeling leidt tot een symmetrisch totaalbeeld hetgeen lijkt te zijn ingegeven door redenen van decoratie en elegantie, terwijl het L’ARGENTINA teken ziet op een daadwerkelijk in het polospel voorkomende houding van de polospelers te paard met opgeheven sticks alsof zij klaar zijn om de bal te slaan. Naar het oordeel van de rechtbank zal deze nuance de gemiddelde consument met onvolledig herinneringsbeeld ontgaan.

Intensief gebruikt, bekend merk niet gesteld
4.15. Quilate stelt niet dat het LA MARTINA beeldmerk intensief is gebruikt noch dat het merk bekend is en daardoor een groot onderscheidend vermogen heeft. Het door Best Items c.s. overgelegde marktonderzoek van april/mei 2012 (productie 21 van Best Items c.s., hierna: het marktonderzoek) naar de bekendheid van het LA MARTINA beeldmerk behoeft in dit verband dan ook geen bespreking.

Vele merken die verband houden met paarden polospelers
4.16. Het feit dat er vele merken zijn geregistreerd met gelding in de Europese Unie voor kleding die op enigerlei wijze verband houden met het thema ‘paarden en polospelers’ zoals blijkt uit het door Best Items c.s. overgelegde beeldmerkenonderzoek (productie 28 van Best Items c.s.) is naar het oordeel van de rechtbank op zich zelf onvoldoende om te concluderen dat sprake is van een beperkt onderscheidend vermogen van het LA MARTINA beeldmerk resulterend in een geringe beschermingsomvang, nu een aanzienlijk aantal daarvan wezenlijk anders zijn dan het LA MARTINA beeldmerk.


Co-existentie van Polo Ralph Lauren

4.19. De rechtbank is met Best Items c.s. van oordeel dat het gebruik van de merken en logo’s van derden en dan met name van het Polo Ralph Lauren logo, het U.S. Polo Association merk en het Cavalaro logo, die net als het LA MARTINA beeldmerk bestaan uit twee polospelers te paard in een actieve spelhouding, leidt tot een beperkt onderscheidend vermogen van het LA MARTINA beeldmerk en dus ook tot een beperkte beschermingsomvang. Het feit dat er een vreedzame co-existentie bestaat tussen Polo Ralph Lauren en Quilate, zoals Quilate onweersproken heeft gesteld, betekent niet dat de Polo Ralph Lauren merken en logo’s geen invloed kunnen hebben op het onderscheidend vermogen van het LA MARTINA beeldmerk.

4.20. Hoewel het onderscheidend vermogen van het LA MARTINA beeldmerk gering is, moet naar het oordeel van de rechtbank worden geconcludeerd dat, gegeven het feit dat het L’ARGENTINA teken en het LA MARTINA beeldmerk in sterke mate overeenstemmen en het L’ARGENTINA teken wordt gebruikt voor exact dezelfde waren als waarvoor het LA MARTINA beeldmerk is ingeschreven maar ook waarvoor het merk feitelijk wordt gebruikt, door het gebruik van het L’ARGENTINA teken verwarring bij het publiek kan ontstaan, ofwel omdat het publiek het LA MARTINA beeldmerk en het L’ARGENTINA teken met elkaar verwart (directe verwarring), ofwel omdat het publiek op grond van het gebruikte teken op zijn minst zal menen dat de merkhouder op een of andere manier, vanwege een economisch band met de gebruiker van het teken, iets te maken heeft met de onder het overeenstemmende teken aangeboden waren of diensten (indirecte verwarring).

IEF 11538

Kamerbrief: positie van kwekers in unitair octrooi

Kamerbrief over de positie van kwekers in het unitair octrooi, 4 juli 2012, DGBI-I&K_12081716.

Kwekersrechtvrijstelling in unitair octrooirecht. Zetel.

Op 29 juni jongstleden bereikte de Europese Raad een akkoord over de zetelverdeling van het octrooigerecht [red. IEF 11510]. Daarnaast besloot de Europese Raad om ook veranderingen aan te brengen in de materiële bepalingen van het octrooipakket. Dat betreft in het bijzonder de aanbeveling van de Europese Raad om de artikelen 6-8 van de verordening met betrekking tot het unitair octrooi te schrappen.

(...) De aanbeveling van de Europese Raad om de artikelen 6-8 uit de verordening te verwijderen [plenary focus 2 - 5 july] steun ik inhoudelijk. Met deze aanbeveling wordt tegemoetgekomen aan de wensen van het bedrijfsleven en de rechtspraktijk, die bevreesd zijn voor langdurige procedures voor het Hof van Justitie met onzekere uitkomst. Daar is niemand bij gebaat.

Ik wijs erop dat het verwijderen van deze bepalingen uit de verordening, niet betekent dat deze bepalingen van materieel octrooirecht helemaal verdwijnen. In het verdrag met betrekking tot de unitaire octrooirechtspraak zijn parallelle bepalingen opgenomen, die inhoudelijk overeenstemmen met de betreffende bepalingen uit de verordening. Voor wat betreft de kwekersvrijstelling betekent dit dat de vrijstelling die was voorzien in een amendement met betrekking tot de verordening, nu zal moeten worden vervat in het octrooirechtspraakverdrag. Het rechtspraakverdrag is gekoppeld aan de verordening met betrekking tot het unitair octrooi, doordat het een octrooi slechts unitair effect kan hebben in die landen die het octrooirechtspraakverdrag hebben geratificeerd.

Nederland is er voorstander van dat een kwekersvrijstelling met unitair effect (dat wil zeggen: eenzelfde juridisch effect in alle aan de versterkte samenwerking deelnemende lidstaten)wordt geïntroduceerd en zet zich daar actief voor in. Nu dat niet kan worden gerealiseerd door een aanpassing van de verordening, zal ik mij ervoor inzetten dat dit in het octrooirechtspraakverdrag zal worden opgenomen. Daarmee wordt eenzelfde effect gegarandeerd.

Tot slot, ik heb er begrip voor dat het Europees Parlement heeft besloten de stemming met betrekking tot de verordening unitair octrooi uit te stellen. Dat biedt tijd om, in samenwerking tussen Raad, Commissie en Europees Parlement, nu een goede oplossing voor de ontstane problematiek te vinden, die recht doet aan alle belangen, zowel die van de industrie als van de kwekers. Uiteraard zal ik uw Kamer hieromtrent op de gebruikelijke weg op de hoogte houden.