Merkenrecht  

IEF 6079

Eerst even voor jezelf lezen

Hof van Beroep te Brussel, 22 april 2008, A.R. Nr. 2007/AR/326, N.V. Janssen Pharmaceutica tegen De Benelux-Organisatie voor de Intellectuele Eigendom(met dank aan Philippe Péters  en  Tanguy de Haan, NautaDutilh, Brussel).

Postkantoormerk. Het Hof van Beroep te Brussel veroordeelt het BBIE tot inschrijving van het woordmerk SUMMER SKIN voor cosmetische producten en toiletverzorgingsmiddelen voor de huid; haarverzorgings- en reinigingsmiddelen (klasse 3) en medicinale preparaten voor de topische behandeling en bescherming van de huid en de hoofdhuid (klasse 5).

“26. In het voorliggende geval is duidelijk dat de beide termen in het merk. ieder op zich genomen, tot de termen behoren waaraan de betrokken consument een duidelijke betekenis kan toeschrijven in zijn omgangstaal al zijn het Engelse woorden.

Ze hebben ook een beschrijvend karakter aangezien ze in de handel kunnen dienen om de waren te duiden naar hun bestemming. Ze kunnen aangeven dal ze enerzijds dienen voor de huid en anderzijds om tijdens of met het oog op de zomer te worden gebruikt. 

Nochtans zijn de twee termen onderling bij elkaar gebracht in een verband dat als geheel niet kan gereduceerd worden tot hun enkele combinatie. Boven is al vastgesteld dat de combinatie van de twee termen als zodanig geen bepaalde betekenis heeft, maar daarentegen wel refereert aan een gegeerd (begeerd in NL-IEF) resultaat na gebruik van de producten of aan behaaglijke omstandigheden.”

Lees het arrest hier.

Rechtbank van Koophandel te Antwerpen, 22 april 2008, A/07/08620, BVBA Kawimara-Advies tegen Oranje B.V.  (met dank aan Philippe Péters, NautaDutilh, Brussel)

Nietigverklaring woordmerk ROYAL CARE. “Dezelfde beoordeling wordt aangehouden m.b.t. de combinatie van ROYAL en CARE voor onderhoudsproducten voor meubelen. De samenvoeging van beide elementen ontneemt beide elementen niet van zijn beschrijvend kenmerk, méér nog het ene begrip versterkt het andere begrip.”

Lees het vonnis hier.

Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 29 april 2008, KG ZA 08-262, Farmersgolf International B.V. c.s. tegen Grooters (tevens h.o.d.n. De Blikvanger).

Boerengolf. “4.7. Voor het voorgaande is niet relevant dat Weenink niet de bedenker is van het spel dat hij onder de merken aanbiedt. Onderscheid moet worden gemaakt tussen enerzijds de waar of dienst die wordt aangeboden, het spel, en anderzijds het merk waaronder dat gebeurt. Weenink c.s. kunnen Grooters of anderen niet de exploitatie van het spel verbieden. Weenink c.s. onderkennen dat. Maar waar het hier om gaat is de vraag of Grooters tekens gebruikt, gelijk aan of overeenstemmend aan de merken, ter onderscheiding van dezelfde of soortgelijk waren en diensten als waarvoor de merken zijn ingeschreven.”

Lees het vonnis hier.

Vzr. Rechtbank ’s-Gravenhage, 29 april 2008, KG ZA 08-171, Mad Dogg Athletics, Inc. tegen Batavus B.V.

“4.13. Aan voorgaande conclusie wordt niet afgedaan door het door Mad Dogg aangevoerde gegeven dat in de meerderheid van de gevallen waar het woord spinning wordt gebruikt, het relevante publiek daarbij het oog heeft op de officiële vorm van spinning welke onder het merk SPINNING wordt aangeboden. Dit gegeven is het onvermijdelijk gevolg van de positie als marktleider van Mad Dogg.

4.14. Dit tezamen voert voorshands tot de conclusie dat wat betreft het Nederlandse taalgebied het woord spinning is aan te merken als de generieke benaming van de door Mad Dogg gepromote activiteit. In zoverre is het merk SPINNING in Nederland dan ook verworden tot een soortnaam.

 4.15. Voor SPINNEN en SPINNER geldt hetzelfde. (…)

Lees het vonnis hier.

IEF 6078

Inbreuk (niet verwarrend)

Netherlands Roundtable (INTA) on  ‘Non Confusion Infringement And Dilution in EU Trademark Law’, Wednesday June 25, 2008, 4-6 p.m, Offices of NautaDutilh NV, Strawinskylaan 1999, Amsterdam, The Netherlands.

The discussion will focus on what constitutes non confusion infringement under art. 5(2) and 5(5) Directive and art. 8(5) and 9(1)(c) CTM Regulation. The session will be followed by drinks in the bar of NautaDutilh NV.

Guest speaker: Tobias Cohen Jehoram, partner in De Brauw Blackstone Westbroek

Hosting moderator: Prof. Charles Gielen, partner in NautaDutilh NV and professor of IP law at the University of Groningen.

Lees hier iets meer.

IEF 6077

Het financiële overschot in Alicante

nrc•next (22-4-2008) bericht over ‘een berg geld die maar blijft groeien’. Ruim 300 miljoen euro staat er inmiddels op de rekening van het Europees Merkenbureau in Alicante. Een nadere  tariefverlaging lijkt op de plaats, maar is omstreden.

In 2004 verzette een meerderheid van de nationale merkenbureaus zich al tegen een tariefsverlaging. Uiteindelijk gingen de tarieven destijds met 25% naar beneden; onvoldoende om te voorkomen dat het financiële overschot in Alicante steeds groter wordt. En wat te doen met al dat geld in Alicante? De Commissie laat weten met een oplossing te komen voor de financiële overschotten.

 

IEF 6072

U verwent ons werkelijk

HvJ EG, 17 april 2008, C-108/07 P, Ferrero Deutschland GmbH tegen OHIM / Cornu SA Fontain.

Oppositieprocedure. FERRERO tegen FERRO. Bewijs van bekendheid. Bewijselementen dienen gezamenlijk te worden beoordeeld. De geringe mate van gelijksoortigheid wordt in voldoende mate gecompenseerd door de mate van overeenstemming tussen de merken en door het sterke onderscheidend vermogen. Wel gemeld, nog niet samengevat (arrest alleen beschikbaar in het Frans).

Ferrero voert op grond van haar Duitse merkregistratie voor diverse zoetigheden, waaronder koekjes, oppositie tegen het aangevraagde FERRO, ook voor koekjes maar dan hartig. Volgens het Gerecht zijn de merken niet extreem overeenstemmend en bestaat er een geringe mate van gelijksoortigheid tussen de betrokken waren. Op grond van het door Ferrero gepresenteerde bewijsmateriaal over gebruik en bekendheid stelt het Gerecht vast dat FERRERO in Duitsland ten tijde van het depot voor FERRO weliswaar een zeker onderscheidend vermogen bezat, maar dat dit, gezien de geringe mate van gelijksoortigheid en de beperkte mate van overeenstemming, onvoldoende is om gevaar voor verwarring aan te nemen.

Volgens het Hof heeft het Gerecht bij de vaststelling van de mate van onderscheidend vermogen verzuimd het aangedragen bewijsmateriaal gezamenlijk te beoordelen.

“37. Dès lors, en ne procédant pas à une appréciation globale de l’ensemble des éléments de preuve qui lui étaient soumis par Ferrero Deutschland aux fins de démontrer le caractère distinctif élevé de la marque FERRERO sur le marché allemand, le Tribunal a commis une erreur de droit”

Het Hof doet de zaak vervolgens zelf af. Het bevestigt allereerst de conclusies van het Gerecht dat sprake is van een zekere mate van overeenstemming tussen de merken en een geringe mate van gelijksoortigheid tussen de waren. Het Hof concludeert echter, na de bewijselementen gezamenlijk te hebben beoordeeld, dat het merk FERRERO in Duitsland door bekendheid een sterk onderscheidend vermogen heeft verkregen.

“57. Il s’ensuit que les éléments de preuve communiqués par Ferrero Deutschland établissent à suffisance de droit la renommée et, partant, le caractère distinctif élevé de la marque FERRERO en Allemagne en 1999”.

Het Hof beslist tot slot dat de geringe mate van gelijksoortigheid in voldoende mate wordt gecompenseerd door de mate van overeenstemming tussen de merken en door het sterke onderscheidend vermogen, zodat er een gevaar voor verwarring bestaat.

“58. S’agissant, enfin, de l’appréciation globale du risque de confusion, la Cour considère que la faible similitude des produits désignés est compensée par la similitude des marques en conflit et par le caractère distinctif élevé dont jouit la marque FERRERO auprès du consommateur moyen allemand, de sorte qu’il existe un risque que le public pertinent puisse croire que les produits Giotto, Raffaello et Mon Chéri, commercialisés sous la marque antérieure FERRERO, et les biscuits salés, commercialisés sous la marque demandée FERRO, proviennent de la même entreprise ou d’entreprises économiquement liées”.

Lees het arrest hier.

IEF 6069

Eerst even voor jezelf lezen

Rechtbank Leeuwarden,  23 april 2008, LJN: BD0575, A tegen Kameleon II B.V. en FMG/Bridge Entertainment B.V.

“Auteursrecht. Script voor de theatervoorstelling 'De Kameleon Ontvoerd'. DVD uitgebracht van theatervoorstelling, zonder vergoeding te betalen aan scriptschrijver. Aan laatstgenoemde komt auteursrechtelijke bescherming toe.” 

Lees het vonnis hier.

GvEA, 23 april 2008, T-35/07, Leche Celta, SL tegen OHIM / Celia SA. (nog geen Nederlandse versie beschikbaar).

Oppositieprocedure Ouder national woordmerk CELTA tegen aanvraag Gemeenschapsbeeldmerk Celia.

“49. Compte tenu de ce qui précède, la chambre de recours a considéré à juste titre, en prenant en compte tous les facteurs précités mis en balance les uns par rapport aux autres dans le cadre d’une appréciation globale, qu’il n’existait pas de risque de confusion pour le public pertinent en ce qui concerne les marques en cause, et ce même si les produits sont partiellement identiques. En effet, la différence d’une lettre (le « i » pour le terme « celia » et le « t » pour le terme « celta ») entre les signes en conflit ainsi que la circonstance que la lettre « i » fait l’objet d’un traitement graphique particulier qui permet précisément de la différencier de la lettre « t » correspondante suffisent à permettre une différenciation visuelle entre les deux signes. À cette différenciation visuelle s’ajoutent des différences, d’une part, sur le plan phonétique, les signes ne se prononçant pas de la même manière, et, d’autre part, sur le plan conceptuel, du fait de l’absence d’une similitude conceptuelle manifeste.”

Lees het arrest hier.

IEF 6048

Met dank aan de hulppersoon

Rechtbank ’s-Gravenhage, HA ZA 07-1198, 16 april 2008, Siemens VDO Trading GmbH c.s. tegen Kryezi

Inbreuk op merkenrecht, auteursrecht en databankenrecht. Verkoop van wegenkaartensoftware via o.a. marktplaats.nl.

Eiseres Siemens brengt autonavigatiesystemen en bijbehorende cd-rom’s op de markt onder de naam VDO. Gedaagde Kryezi heeft op o.a. de website marktplaats.nl diverse malen VDO cd-rom’s (wegenkaarten) aangeboden onder de naam Peter Hartog. Om de inbreuk te kunnen bewijzen heeft Siemens een hulppersoon ingeschakeld die onder de naam J. Stam via e-mail contact heeft opgenomen met de aanbieder. Deze hulppersoon van Siemens heeft vervolgens een cd-rom besteld en geld overgemaakt naar de opgegeven bankrekening van de aanbieder.

Volgens de rechtbank staat vast dat het in de e-mail overeengekomen bedrag door de hulppersoon van Siemens is overgemaakt naar de bankrekening van Kryezi en dat Kryezi het bedrag heeft ontvangen en behouden. Tevens blijkt uit de e-mail dat Kryezi spreekt over het branden van een cd, zodat de rechtbank aanneemt dat het hier om een kopie van de software gaat.

Kryezi stelt dat hij originele cd-rom’s slechts eenmaal heeft aangeboden op tweedehands.nl en dat hij daarvoor het geld heeft ontvangen. De rechtbank acht dit niet geloofwaardig. “Vast staat immers dat het bedrag is betaald door de hulppersoon van Siemens. Zonder nadere toelichting - die ontbreekt -, valt niet in te zien waarom Siemens iemand zou inschakelen om onder een valse naam via de website tweedehands.nl een originele cd-rom van een Siemens product te bestellen bij iemand die daarvoor slechts eenmaal adverteert.”

De rechtbank oordeelt dat sprake is van inbreuk op het databankenrecht en auteursrecht van Siemens. Tevens staat vast de inbreuk op het Gemeenschapsmerk VDO op grond van art. 9 lid 1 sub a GMV. De rechtbank passeert het verweer van Kryezi dat niet Siemens maar Siemens Automotive AG houder is van het merk VDO. Siemens beschikt immers over een power of attorney waaruit genoegzaam blijkt dat Siemens is gemachtigd om op eigen naam het Gemeenschapsmerk te handhaven en Siemens Automotive AG te vertegenwoordigen in deze procedure.

De vorderingen van Siemens worden grotendeels toegewezen. De rechtbank ziet echter geen grond voor opgave van gegevens betreffende leveranciers en afnemers, omdat niet kan worden aangenomen dat de handel van Kryezi meer omvatte dan het aanbieden en verkopen van door hemzelf vervaardigde kopieen van Siemens-producten aan consumenten.

Kryezi is veroordeeld in de proceskosten ad € 9.193,48. De rechtbank zag geen aanleiding deze te matigen vanwege het enkele feit dat Kryezi procedeert op basis van een toevoeging.

Lees het vonnis hier.

IEF 6042

Denigrerende daden

De Volkskrant bericht “De tekening die kunstenares Nadia Plesner maakte om aandacht te vragen voor de situatie in de Soedanese regio Darfur. Blijkbaar is het dragen van een designtas en een klein lelijk hondje voldoende om aandacht te krijgen, concludeerde de Deense Plesner, die in Amsterdam aan de Rietveldacademie studeert.

En dus maakte ze een tekening van een Afrikaans jongetje met in zijn ene hand een in een paars truitje gehuld hondje en in zijn andere hand een designtas. (…) Een maand later kreeg Plesner post van het Franse modemerk Louis Vuitton Malletier, de Parijse maker van onder meer designtassen en - koffers.

Directeur intellectueel eigendom Nathalie Moullé-Berteaux verzocht Plesner om te stoppen met haar campagne. Hoewel Moullé-Berteaux vol lof was over de motieven van Plesner, schreef zij niet te kunnen accepteren dat op de tekening een tas wordt afgebeeld die een ‘verwarrende gelijkenis’ vertoont met intellectueel eigendom van Louis Vuitton.

(...) De kunstenares stelde dat de getekende tas is geïnspireerd op designtassen in het algemeen en dat zij nergens probeert te verwijzen naar het merk Louis Vuitton. Ze ging door met de verkoop.

Vorige week is Plesner aangeklaagd door Louis Vuitton. Voor elke dag dat de tekeningen nog te koop zijn, eist het modemerk 5.000 euro. En omdat Plesner op haar website de briefwisseling met het modehuis publiceerde, eist Louis Vuitton nog eens 5.000 euro voor elke dag dat zij doorgaat met deze ‘parasiterende en denigrerende daden’"

Lees hier meer. Website Plesner hier.

IEF 6041

0900- Ex Parte

Rechtbank ‘s-Gravenhage 27 maart 2008, rekestnummer 2008.508, Nike International Ltd tegen gerekwestreerde

Merkenrecht. Beslagrekest gedeeltelijk afgewezen vanwege toepassing verkeerde grondslag artikel 730 Rv in plaats van de (i.c. telefonisch) aangewezen artikelen 1019b en 1019c Rv.

Het verzoekschrift van verzoekster luidt samengevat als volgt: Nike is houdster van onder het Benelux woordmerk Nike en het Europese beeldmerk van de “swoosh”. Nike heeft vastgesteld dat de gerekwestreerde inbreuk maakt op de aan Nike toebehorende merkrechten doordat hij in het bijzonder producten in de handel brengt waarop zonder toestemming van Nike haar merken zijn aangebracht. Deze producten zijn door de douane tegengehouden. Nu de ervaring leert dat de douane niet alles kan tegenhouden heeft Nike gegronde reden om aan te nemen dat gerekwestreerde handelt drijft in de genoemde namaakproducten. Door deze onrechtmatige handelwijze lijdt Nike aanzienlijke schade. Nike verzoekt de Voorzieningenrechter dan ook om op basis van artikel 2.22 BVIE beslag te mogen leggen op de inbreukmakende goederen. Voorts verzoekt zij om verlof tot het leggen van beslag op bescheiden op basis van artikel 730 Rv.

Naar het oordeel van de Voorzieningenrechter heeft Nike voldoende aannemelijk gemaakt dat gerekwestreerde inbreuk heeft gemaakt op haar rechten. Het verlof tot het leggen van beslag op de inbreukmakende zaken wordt dan ook verleend.

Het verlof tot het leggen van beslag op bescheiden betreffende de inbreuk wordt door de Voorzieningenrechter afgewezen.

“Nike baseert dit beslag op artikel 730 Rv. Die bepaling mist toepassing in dit geval. Artikel 730 Rv schept de bevoegdheid tot het leggen van beslag ter verzekering vaneen recht op afgifte van een zaak of levering van een goed. Een recht op afgifte van de bescheiden waarop het beslag betrekking heeft, vloeit, anders dan Nike betoogt, niet voort uit de artikelen 843a Rv en 2.22 lid 4 van het Benelux Verdrag inzake de Intellectuele Eigendom (hierna: BVIE). Artikel 843a Rv schept geen recht op afgifte van de betreffende bescheiden (HR 31 mei 2002, NJ 2003, 589), maar geeft ten aanzien van die bescheiden onderbepaalde voorwaarden - een recht op inzage, afschrift of uitreksel. Artikel 2.22 lid 4 BVIE schept evenmin een recht op afgifte een zaak in de zin van artikel 730 Rv. Op grond van artikel 2.22 lid 4 BVIE kan een inbreukmaker slechts worden bevolen tot verstrekking van bepaalde gegevens, eventueel door verstrekking van een afschrift van de documenten waarin die gegevens voorkomen. Voor het afgeven van de documenten zelf biedt deze bepaling geen grond. Afgifte van de documenten is namelijk niet nodig ter bereiking van het doel van deze beopaling, te weten het verschaffen van inzicht aan de merkhouder in de herkomst en distributiekanalen van de inbreukmakende producten.”

Voorts wordt nog aangegeven in de beschikking dat de Voorzieningenrechter tijdens een telefoongesprek met de advocaat van Nike heeft gespraken over de toepassing van de artikelen 1019b en 1019c Rv op grond waarvan een beslag ter bescherming van de betrokken bescheiden tegen vernietiging of verduistering wel mogelijk kan zijn. Daarop heeft de advocaat verklaard dat het verzoek uitsluitend is gebaseerd op artikel 730 Rv en dat Nike geen reden zag om de grondslag aan te passen. Er wordt om die reden dan ook geen verlof verleend tot het leggen van beslag op bescheiden.

Lees de beschikking hier.

IEF 6040

Niet langer zijn grondslag

Rechtbank ‘s-Hertogenbosch 16 april 2008, HA ZA 07-601, Loods 5 Zaandam B.V., Loods 5 Holding B.V. tegen X.

Geschil over domeinnaam eindigt in procesrecht. De wijziging van eis, zodat de nieuwe vordering niet langer zijn grondslag vindt in het intellectuele eigendomsrecht, is naar het oordeel van de rechtbank ingediend om te ontkomen aan een veroordeling tot betaling van de redelijke en evenredige proceskosten van de wederpartij. Op grond van strijd met de eisen van een goede procesorde afgewezen. De rechtbank wijst de inhoudelijke vorderingen van Loods 5 af omdat tussen partijen vaststaat dat X de aanduiding “Loods5” niet gebruikt, “zodat toewijzing van de vordering tot staking van het gebruik van voornoemde aanduiding zinledig is”.

Loods 5 exploiteert sinds 1999 onder haar handelsnaam “Loods 5” een Woon Factory Outlet. Zij heeft hiervoor twee Benelux beeldmerken en een Benelux woordmerk “Loods 5” geregistreerd.

X voert een eenmansbedrijf dat onder meer als dienst aanbiedt het registreren van domeinnamen. X heeft in opdracht van de gedaagden in de gevoegde zaak de domeinnaam “loods5.com” geregistreerd. Door gebruik te maken van een versnelde registratieprocedure is de domeinnaam op naam van X gezet. De advocaat van Loods 5 heeft X gesommeerd om het gebruik van de aanduiding “Loods5” en “loods5.com” te staken en de geregistreerde domeinnaam over te dragen. X heeft de brief niet afgehaald op het postkantoor en daarop heeft Loods 5 X gedagvaard.

X heeft na de registratie nagelaten de domeinnaam per omgaande over te schrijven op naam van de gedaagden in de gevoegde zaak. Dat is pas na de dagvaarding door Loods 5 gebeurd. De advocaat van X heeft ruim voor de eerst dienende dag met de advocaat van Loods 5 gebeld om de gang van zaken uit te leggen en heeft ook verzicht de dagvaarding in te trekken.  

Loods 5 vordert bij dagvaarding onder meer  een verbod op het gebruik van de aanduiding Loods5 en loods5.com of enig ander met de naam Loods 5 overeenstemmende aanduiding en overdracht van de domeinnaam. Voorts vordert zij de volledige proceskosten. Bij akte houdende wijziging van eis heeft Loods 5 haar vordering gewijzigd, in die zin dat zij vordert bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis: te verklaren voor recht dat X door zijn eigen nalatigheid niet tijdig kennis heeft genomen van de inhoud van de sommatiebrief van 15 februari 2007 en ieder nadeel daarvan dient te dragen en X te veroordelen in de proceskosten.

De rechtbank laat de door Loods 5 ingediende wijziging van eis buiten beschouwing. “Doordat Loods 5 pas op dat moment [nadat de rechtbank tijdens een comparitie heeft laten weten dat de vorderingen tegen X zouden worden afgewezen - IEF] alsnog haar eis zodanig heeft gewijzigd dat de nieuwe vordering niet langer zijn grondslag vindt in het intellectuele eigendomsrecht, is de rechtbank van oordeel dat de eiswijziging slechts is ingediend om te ontkomen aan een veroordeling tot betaling van een redelijke en evenredige proceskostenvergoeding aan X. Naar het oordeel van de rechtbank handelt Loods 5 met de eiswijziging in strijd met een goede procesorde, omdat X in ieder geval tot en met de eerste comparitie van partijen in deze procedure steeds is uitgegaan en ook heeft mogen uitgaan van een vordering die betrekking heeft op het intellectueel eigendomsrecht en daar zijn verweer op heeft gebaseerd. Door op een zodanig laat tijdstip in de procedure na het (voorlopig) oordeel van de behandelend rechter nog een wijziging van eis in te dienen, welke eis gebaseerd is op een andere grondslag die niet is gelegen in het intellectueel eigendomsrecht, wordt naar het oordeel van de rechtbank, gelet op hetgeen in deze procedure reeds daaraan vooraf is gegaan, het processueel belang van X geschaad indien de gewijzigde vordering als uitgangspunt wordt genomen. (…)”

De rechtbank wijst de inhoudelijke vorderingen van Loods 5 af omdat tussen partijen vaststaat dat X de aanduiding “Loods5” niet gebruikt, zodat toewijzing van de vordering tot staking van het gebruik van voornoemde aanduiding zinledig is. Eveneens staat tussen partijen vast dat X de domeinnaam “loods5.com” niet (meer) kán overdragen, omdat deze op 8 maart 2007 aan gedaagden in de gevoegde zaak is overgedragen, zodat ook het belang aan toewijzing van de vordering tot overdracht van de domeinnaam is komen te ontvallen.

Ten aanzien van de door gedaagde gevorderde volledige proceskostenvergoeding overweegt de rechtbank onder meer als volgt. “X heeft zich van meet af aan terecht op het standpunt gesteld dat hij geen inbreuk op intellectuele eigendomsrechten van Loods 5 maakte. Reeds sinds de eerste contacten tussen partijen stond elk van hen erop dat de wederpartij de (toen nog beperkte) proceskosten geheel of gedeeltelijk moest vergoeden. De proceskosten liepen nadien steeds hoger op, terwijl de zaak in wezen alleen nog maar om die kosten draaide. Loods 5 dient als de in de hoofdzaak in het ongelijk gestelde partij de redelijke en evenredige proceskosten van X te vergoeden. Dat zou anders zijn als de billijkheid zich daartegen verzet, maar gelet op het hiervoor overwogene is dat naar het oordeel van de rechtbank niet aan de orde. (…)”

Lees het vonnis hier.