Merkenrecht  

IEF 23354

Gerecht vernietigt weigering van het merk BioTechUSA uitsluitend voor ‘verplaatsbare, gevulde apothekersdozen’

Gerecht EU (voorheen GvEA) 14 jan 2026, IEF 23354; ECLI:EU:T:2026:5 (Atlas Invest BV tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-vernietigt-weigering-van-het-merk-biotechusa-uitsluitend-voor-verplaatsbare-gevulde-apothekersdozen

Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23354; IEFbe 4131; ECLI:EU:T:2026:5 (Atlas Invest BV tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor het figuratieve Uniemerk BioTechUSA voor een groot aantal waren en diensten in de klassen 5, 29, 30, 32 en 35, met name voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen, dranken en detailhandels-, groothandels- en reclamediensten voor die producten. De examinator had de aanvraag gedeeltelijk geweigerd op grond van art. 7 lid 1, onder b en c, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo. De Vierde Kamer van Beroep handhaafde die weigering voor de betrokken waren en diensten, wees het beroep voor andere waren en diensten wél toe en verwees de zaak terug naar de examinator voor onderzoek van het beroep op verkregen onderscheidend vermogen door gebruik. Volgens de Kamer van Beroep was het woordelement “BioTechUSA” beschrijvend, omdat het door het Engelstalige relevante publiek onmiddellijk zou worden opgevat als een verwijzing naar biotechnologie (“biotech”) uit de Verenigde Staten (“USA”). Het teken bracht daarmee volgens de Kamer van Beroep de boodschap over dat de betrokken waren en diensten betrekking hebben op biotechnologie van Amerikaanse oorsprong of op in de Verenigde Staten ontwikkelde biotechnologie. Het Gerecht volgt dat oordeel grotendeels. Het stelt voorop dat voor toepassing van art. 7 lid 1, onder c, UMVo is vereist dat een teken een voldoende rechtstreeks en concreet verband heeft met de betrokken waren of diensten, zodat het relevante publiek daarin onmiddellijk en zonder verdere gedachte een beschrijving van die waren, diensten of een kenmerk daarvan ziet. Aan dat criterium is volgens het Gerecht voldaan voor vrijwel alle geweigerde waren en diensten, omdat voedingssupplementen, verrijkte levensmiddelen, dranken en de daarmee samenhangende handels- en reclamediensten kunnen zijn ontwikkeld op basis van biotechnologie of daarvan kunnen zijn afgeleid. Dat geldt ook voor producten als pindakaas, soep, melkdranken, koffie, thee, rijst, pasta, suiker, honing, specerijen, frisdranken en smoothies. De figuratieve vormgeving doet daar niet aan af, omdat die volgens het Gerecht niet meer inhoudt dan een banale stilering van het woordelement, zonder voldoende creatieve of originele grafische impact om het beschrijvende karakter weg te nemen. Ook eerdere EUIPO-inschrijvingen met “biotech” of zelfs een identiek teken kunnen Atlas Invest niet baten, omdat de rechtmatigheid van een beslissing moet worden beoordeeld aan de hand van de UMVo en niet aan de hand van eerdere beslissingspraktijk.

IEF 23353

Bewegingsmerk voor scharnierend voertuigraam terecht geweigerd wegens technisch bepaalde kenmerken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 14 jan 2026, IEF 23353; ECLI:EU:T:2026:9 (Kct GmbH & Co. KG tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/bewegingsmerk-voor-scharnierend-voertuigraam-terecht-geweigerd-wegens-technisch-bepaalde-kenmerken

Gerecht EU 14 januari 2026, IEF 23353; IEFbe 4130; ECLI:EU:T:2026:9 (Kct GmbH & Co. KG tegen EUIPO). In dit arrest stond de vraag centraal of een aangevraagd Uniemerk, bestaande uit een bewegingsmerk dat het openen en sluiten van een scharnierend voertuigraam weergeeft, kon worden ingeschreven voor “voertuigramen voor transportvoertuigen” in klasse 12. De examinator had de aanvraag aanvankelijk afgewezen wegens gebrek aan onderscheidend vermogen. De Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO verwierp het daartegen ingestelde beroep echter primair op een andere absolute weigeringsgrond, namelijk art. 7 lid 1, onder e, ii, UMVo: het teken zou uitsluitend bestaan uit een kenmerk van het product dat noodzakelijk is voor het bereiken van een technisch resultaat. Subsidiair oordeelde de Kamer van Beroep ook dat het teken onderscheidend vermogen miste in de zin van art. 7 lid 1, onder b, UMVo. Voor het Gerecht voerde Kct aan dat niet alleen de bewegingssequentie als geheel, maar ook andere elementen van het teken in aanmerking moesten worden genomen, zoals de zichtbare zwarte tussenstukken en de kleurverandering van delen van het binnenframe. Volgens Kct waren die elementen niet louter functioneel, maar althans deels decoratief of fantasievol. Het Gerecht stelt voorop dat bij toepassing van art. 7 lid 1, onder e, ii, UMVo eerst de wezenlijke kenmerken van het teken moeten worden vastgesteld en vervolgens moet worden beoordeeld of die kenmerken alle een technische functie vervullen. Die bepaling moet volgens vaste rechtspraak strikt worden toegepast, omdat zij beoogt te voorkomen dat het merkenrecht wordt gebruikt om een potentieel onbeperkt monopolie te verkrijgen op technische oplossingen of gebruikskenmerken van een product.

IEF 23366

Uitdrukkelijke toestemming moet expliciet blijken: geen ruimte voor impliciete instemming onder artikel 60, lid 3, UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 okt 2025, IEF 23366; ECLI:EU:T:2025:972 (Danger Group Co. Ltd tegen EUIPO en Carlos Heredia Casanella), https://www.ie-forum.nl/artikelen/uitdrukkelijke-toestemming-moet-expliciet-blijken-geen-ruimte-voor-impliciete-instemming-onder-artikel-60-lid-3-umvo

Gerecht EU 22 oktober 2025, IEF 23366; IEFbe 4141; ECLI:EU:T:2025:972 (Danger Group Co. Ltd tegen EUIPO en Carlos Heredia Casanella). In deze zaak stond vast dat het bestreden EU-beeldmerk Danger identiek was aan een ouder Spaans beeldmerk van de interveniënt en bovendien was ingeschreven voor dezelfde waren in de klassen 25 en 28. De nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep van het EUIPO hadden het merk daarom nietig verklaard op grond van artikel 60, lid 1, onder a, UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder a, UMVo. Voor het Gerecht bestreed Danger Group die dubbele identiteit van teken en waren niet. Het geschil beperkte zich daarom tot de vraag of de uitzondering van artikel 60, lid 3, UMVo toepassing kon vinden, dat wil zeggen of de houder van het oudere Spaanse merk uitdrukkelijk had ingestemd met de registratie van het latere Uniemerk. Danger Group voerde aan dat die toestemming kon worden afgeleid uit de rol van de interveniënt bij de aanvraag van het merk en uit de omstandigheden rond de registratie en overdracht ervan.

IEF 23363

Gerecht bevestigt nietigheid van het Uniemerk GEOGRAPHICAL NORWAY EXPEDITION wegens kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23363; ECLI:EU:T:2026:188 (SBG tegen EUIPO en VF International Sagl), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-nietigheid-van-het-uniemerk-geographical-norway-expedition-wegens-kwade-trouw

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23363; IEFbe 4140; ECLI:EU:T:2026:188 (SBG tegen EUIPO en VF International Sagl). In deze zaak staat de vraag centraal of het figuratieve Uniemerk GEOGRAPHICAL NORWAY EXPEDITION van Super Brand Licensing (SBG) terecht nietig was verklaard wegens kwade trouw bij de indiening van de merkaanvraag op 1 april 2011. Het Gerecht bevestigt het oordeel van de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO dat dit het geval was. Daarbij stelt het voorop dat voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b, van Verordening nr. 207/2009 beslissend is of uit objectieve, onderling samenhangende omstandigheden blijkt dat de aanvrager het merk niet heeft gedeponeerd om op loyale wijze aan de mededinging deel te nemen, maar om op oneerlijke wijze aan te haken bij de belangen van een derde of een merkrecht voor oneigenlijke doeleinden te verkrijgen. Het relevante tijdstip is het moment van depot, maar ook later gebruik van het bestreden merk mag als aanwijzing voor de oorspronkelijke bedoeling worden meegewogen. Tegen die achtergrond oordeelt het Gerecht dat het EUIPO terecht niet alleen acht heeft geslagen op het oudere ingeschreven merk van VF International, maar ook op het teken NAPAPIJRI geographic zoals dat reeds vóór 2011 daadwerkelijk op de markt werd gebruikt in combinatie met de Noorse vlag. Uit catalogi, advertenties, persartikelen, verkoopinformatie en eerdere rechterlijke beslissingen bleek voldoende dat dit teken al jarenlang commercieel succesvol en bekend was voor onder meer kleding, schoenen en tassen, en dat de rechtsvoorganger van SBG het bestaan en de marktpositie ervan kende of in elk geval niet kon negeren.

IEF 23361

Gerecht bevestigt weigering van 3D-merk voor kurkentrekker wegens technisch bepaalde vorm

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23361; ECLI:EU:T:2026:146 (Empreinte tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-3d-merk-voor-kurkentrekker-wegens-technisch-bepaalde-vorm

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23361; IEFbe 4138; ECLI:EU:T:2026:146 (Empreinte tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor een driedimensionaal Uniemerk bestaande uit de vorm van een kurkentrekker, aangevraagd voor “kurkentrekkers” in klasse 21. De examinator had aanvankelijk een bezwaar wegens gebrek aan onderscheidend vermogen opgeworpen, maar dat later laten vallen en vervangen door een weigering op grond van artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo, omdat het teken volgens hem uitsluitend bestond uit de vorm van het product die noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken. De Kamer van Beroep bevestigde die weigering. Voor het Gerecht vorderde Empreinte niet alleen vernietiging van de bestreden beslissing, maar ook een verklaring voor recht dat artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo niet van toepassing was en een bevel tot inschrijving van het merk. Het Gerecht verklaart zich voor die laatste twee vorderingen onbevoegd, omdat het in een beroep op grond van artikel 263 VWEU geen declaratoire uitspraken kan doen en evenmin bevelen aan EU-instellingen kan geven. Vervolgens verwerpt het Gerecht alle aangevoerde middelen. Het oordeelt allereerst dat de Kamer van Beroep haar beslissing voldoende heeft gemotiveerd in de zin van artikel 94, lid 1, UMVo. De Kamer van Beroep had de wezenlijke kenmerken van het teken geïdentificeerd als een onregelmatige ergonomische handgreep die de vorm van een handafdruk benadert, met uitsparingen voor de vingers en de duim, en een staaf die uitloopt in een spiraal. Daarnaast had zij duidelijk uiteengezet waarom die kenmerken beantwoorden aan de technische functie van het product, namelijk het verwijderen van een kurk uit een fles door het gereedschap vast te nemen, de metalen spiraal in de kurk te draaien en de kurk vervolgens verticaal uit de flessenhals te trekken. Dat Empreinte die beoordeling inhoudelijk bestrijdt, raakt volgens het Gerecht aan de materiële juistheid van de beslissing en niet aan de motiveringsplicht als zodanig.

IEF 23350

Uitspraak ingezonden door Fabian Swart, The Legal Group Advocaten.

Proceskosten in IE‑kort geding na onthoudingsverklaring: PetsPlace als in het ongelijk gestelde partij

Rechtbank Den Haag 10 mrt 2026, IEF 23350; C/09/697553 / KG ZA 26-30 (Petjoy c.s. tegen PetsPlace), https://www.ie-forum.nl/artikelen/proceskosten-in-ie-kort-geding-na-onthoudingsverklaring-petsplace-als-in-het-ongelijk-gestelde-partij

Rb. Den Haag 10 maart 2026, IEF 23350; C/09/697553 / KG ZA 26-30 (Petjoy c.s. tegen PetsPlace). In dit kort geding staan Pet Joy B.V., Pet Bros. Exclusive B.V. en hun aandeelhouder tegenover PetsPlace.com B.V. in een geschil dat oorspronkelijk draaide om merkinbreuk op IE-rechten van Petjoy c.s. PetsPlace heeft na dagvaarding, op 4 maart 2026, een onthoudingsverklaring getekend en de vermeende merkinbreuk gestaakt. Daarop heeft Petjoy c.s. bij akte van 6 maart 2026 haar eis gewijzigd en alle inhoudelijke IE‑vorderingen ingetrokken, waardoor uitsluitend nog een veroordeling van PetsPlace in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met wettelijke rente, werd gevorderd. PetsPlace vorderde op haar beurt afwijzing van deze proceskostenvordering, veroordeling van Petjoy c.s. in haar kosten, althans beperking van de aan Petjoy c.s. te vergoeden kosten tot het in de onthoudingsverklaring toegezegde bedrag van € 3.000. De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest HR 3 juni 2016, GIA/Wieland, en stelt vast dat sprake is van de situatie waarin de gedaagde na aanhangig maken van de zaak tegemoetkomt aan de vordering maar geen overeenstemming over kosten wordt bereikt; in zo’n geval kan de eiser de hoofdvorderingen intrekken en uitsluitend een kostenbeslissing vragen, waarbij de gedaagde als in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt. De rechter oordeelt dat Petjoy c.s. in deze situatie een (spoedeisend) belang heeft bij de proceskostenvordering, nu niet gevergd kan worden dat voor alleen de kosten een bodemprocedure wordt gestart, en merkt PetsPlace, die vrijwillig aan de oorspronkelijke vorderingen heeft voldaan, aan als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1019h Rv.

IEF 23349

Rechtbank Den Haag wijst IE-vorderingen tegen fatbikeverkoper grotendeels toe wegens inbreuk op merken-, model- en auteursrechten

Rechtbank Den Haag 4 mrt 2026, IEF 23349; ECLI:NL:RBDHA:2026:4366 (La Souris c.s. tegen Gedaagden), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-den-haag-wijst-ie-vorderingen-tegen-fatbikeverkoper-grotendeels-toe-wegens-inbreuk-op-merken-model-en-auteursrechten

Rb. Den Haag 4 maart 2026, IEF 23349; ECLI:NL:RBDHA:2026:4366 (La Souris c.s. tegen Gedaagden). In dit vonnis staat een handhavingsgeschil op het gebied van het intellectuele-eigendomsrecht centraal tussen La Souris c.s. en Fatbike Discounter c.s. La Souris verkoopt onder meer fatbikes via een webshop en fysieke winkels in Nederland en België en is houdster van verschillende merkregistraties voor fietsen, waaronder de Uniemerken DON SOURIS, eFather, CROSSBOSS en DonTail, en het Beneluxmerk CAPO. De Chinese fabrikant Qingmai is houdster van het geregistreerde Uniemodel voor de V20-fatbike. La Souris is wederverkoper van Qingmai, licentiehouder van de model- en auteursrechten op de V20-fatbike en bevoegd om die rechten te handhaven. Gedaagden boden via hun website onder het teken UNDERBOSS drie fatbikes aan: de UNDERBOSS H9 PRO + GPS, de UNDERBOSS Z8 Pro + GPS en de UNDERBOSS V20 PRO + GPS. Op de H9-fatbike en de V20 Underboss Fatbike was het teken UNDERBOSS ook op de afneembare accu aangebracht. Nadat La Souris gedaagden bij brief van 15 juli 2025 had gesommeerd de verhandeling te staken, bleef een reactie uit. Gedaagden zijn wel in de procedure verschenen, maar hebben na onttrekking van hun advocaat geen verweer meer gevoerd. De rechtbank behandelt de zaak daarom als een vonnis op tegenspraak met verstektoets en acht de vorderingen, behoudens enkele onderdelen, niet onrechtmatig of ongegrond. Zij verklaart zich internationaal en relatief bevoegd voor de Uniemerk- en Uniemodelvorderingen met werking voor de gehele Europese Unie, en voor de auteursrechtelijke en Benelux-merkvorderingen voor Nederland op grond van verknochtheid.

IEF 23348

Uitspraak ingezonden door Mathijs Peijnenburg, Maarten Haak en Evelien Huberts, Hoogenraad & Haak

Voorlopig oordeel merkinbreuk: House of Quantum vs. QUANTUM‑merk in de EU

Rechtbank Den Haag 11 mrt 2026, IEF 23348; C/09/695609 / KG ZA 25-1192 (Quantum tegen House of Quantum), https://www.ie-forum.nl/artikelen/voorlopig-oordeel-merkinbreuk-house-of-quantum-vs-quantum-merk-in-de-eu

Rb Den Haag 11 maart 2026, IEF 23348; C/09/695609 / KG ZA 25-1192 (Quantum tegen House of Quantum). Quantum Immobilien AG is een Duitse vastgoed- en vermogensbeheeronderneming en houdster van het Uniewoordmerk QUANTUM, ingeschreven voor onder meer faciliteitenbeheer, het beheren en verhuren van onroerend goed en vastgoedgerelateerde financiële diensten in de klassen 35, 36 en 42. Quantum stelt dat Stichting Quantum Delta NL en haar dochteronderneming House of Quantum onder de tekens QUANTUM DELTA NL en HOUSE OF QUANTUM soortgelijke diensten aanbieden. QDNL verdeelt subsidies, faciliteert toegang tot funding en beschikt over een eigen micro‑fonds, terwijl House of Quantum werk‑, kantoor‑ en labruimten aantrekt, inricht en verhuurt aan startups en bedrijven in het kwantumveld, onder gebruik van domeinnamen als quantumdelta.nl en houseofquantum.com. Quantum heeft sinds 2022 meermalen gesommeerd, oppositie ingesteld tegen de QDNL‑merkaanvragen en geprotesteerd tegen de aangekondigde uitbreiding van het House of Quantum‑concept naar andere Europese landen, en vordert in kort geding een inbreukverbod voor de hele EU, een (verder gespecificeerd) gebruiksverbod voor de tekens QUANTUM, QUANTUM DELTA NL en HOUSE OF QUANTUM voor vastgoed‑ en financiële diensten, naamswijzigingen, rectificatie op de websites en vergoeding van volledige proceskosten. QDNL c.s. betwist de spoedeisendheid en de inbreuk, beroept zich erop dat zij zich in een andere sector en op een specifieke doelgroep bewegen en dat “quantum” voor haar activiteiten beschrijvend is.

IEF 23344

Identieke vape-waren en dominant V-symbool leiden tot verwarringsgevaar ondanks zwak onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23344; ECLI:EU:T:2026:181 (Shenzen Smoore Technology Ltd tegen Dongguan BEC Technology Co. Ltd en EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/identieke-vape-waren-en-dominant-v-symbool-leiden-tot-verwarringsgevaar-ondanks-zwak-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23344; ECLI:EU:T:2026:181 (Shenzen Smoore Technology Ltd tegen Dongguan BEC Technology Co. Ltd en EUIPO). In deze zaak verzette Shenzhen Smoore Technology zich tegen de inschrijving van een EU-beeldmerk van Dongguan BEC Technology voor een teken bestaande uit een V-symbool met het woordelement ‘VENILO’, bestemd voor elektronische sigaretten, aanverwante producten en diverse commerciële en technische diensten. Shenzhen Smoore beriep zich op een ouder EU-beeldmerk bestaande uit een zwarte letter V in een zwarte cirkel, ingeschreven voor elektronische sigaretten en onderdelen, en stelde dat door de gelijkenis tussen het V-symbool in beide tekens en de identieke waren in de vape-sector sprake was van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b EUTMR. De oppositiedivisie en vervolgens de kamer van beroep wezen de oppositie af: zij achtten de tekens slechts in geringe mate vergelijkbaar en kwalificeerden de aangevraagde diensten als niet-soortgelijk aan de waren van het oudere merk. Voor het Gerecht vorderde Shenzhen Smoore vernietiging van deze beslissing wegens een onjuiste beoordeling van het verwarringsgevaar en onvoldoende motivering.

IEF 23342

MOSTOSTAL: intragroepgebruik en handelsnaamgebruik geen normaal merkgebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23342; ECLI:EU:T:2026:184 (Mostostal S.A. tegen Mostostal Siedlce sp. z o.o. en EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/mostostal-intragroepgebruik-en-handelsnaamgebruik-geen-normaal-merkgebruik

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23342; IEFbe 4128; ECLI:EU:T:2026:184 (Mostostal S.A. tegen Mostostal Siedlce sp. z o.o. en EUIPO). Mostostal S.A. is houder van het Uniewoordmerk MOSTOSTAL, dat een lange geschiedenis heeft als naoorlogs Pools collectief teken voor staal‑ en bruggenbouw en later als nationale Poolse merken binnen de Mostostal‑groep werd gebruikt en gelicentieerd. In 2007 kwamen de Poolse merken via een veiling in dezelfde groep terecht, waarna Mostostal in 2010–2011 het EU‑merk liet inschrijven voor een zeer breed pakket bouwgerelateerde goederen (klassen 6, 11, 19) en diensten (o.a. transport, management, development en holding‑activiteiten in klassen 35 en 39). Mostostal Siedlce vroeg in 2017 vervallenverklaring wegens niet‑gebruik; de Cancellation Division verklaarde het merk vervallen voor alle aangevallen waren en diensten, en in beroep beperkte Mostostal zijn verweer feitelijk tot een beroep op gebruik voor een deel van de diensten in klasse 35 (business‑ en organisatiemanagement in de bouw; holding‑diensten) en op het bestaan van “proper reasons” voor niet‑gebruik. De kamer van beroep oordeelde dat het merk in de relevante periode niet naar buiten toe als merk voor die diensten was gebruikt: het bewijs bestond vooral uit historische stukken, intragroep‑facturen en -overeenkomsten, foto’s van bedrijfsnaamborden, handelsregisteruittreksels en een bekendheidsonderzoek, wat hooguit intern gebruik van een bedrijfsnaam binnen de groep aantoonde en geen daadwerkelijk marktgericht aanbod van diensten onder het teken MOSTOSTAL.