Merkenrecht  

IEF 23366

Uitdrukkelijke toestemming moet expliciet blijken: geen ruimte voor impliciete instemming onder artikel 60, lid 3, UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 okt 2025, IEF 23366; ECLI:EU:T:2025:972 (Danger Group Co. Ltd tegen EUIPO en Carlos Heredia Casanella), https://www.ie-forum.nl/artikelen/uitdrukkelijke-toestemming-moet-expliciet-blijken-geen-ruimte-voor-impliciete-instemming-onder-artikel-60-lid-3-umvo

Gerecht EU 22 oktober 2025, IEF 23366; IEFbe 4141; ECLI:EU:T:2025:972 (Danger Group Co. Ltd tegen EUIPO en Carlos Heredia Casanella). In deze zaak stond vast dat het bestreden EU-beeldmerk Danger identiek was aan een ouder Spaans beeldmerk van de interveniënt en bovendien was ingeschreven voor dezelfde waren in de klassen 25 en 28. De nietigheidsafdeling en vervolgens de Kamer van Beroep van het EUIPO hadden het merk daarom nietig verklaard op grond van artikel 60, lid 1, onder a, UMVo, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder a, UMVo. Voor het Gerecht bestreed Danger Group die dubbele identiteit van teken en waren niet. Het geschil beperkte zich daarom tot de vraag of de uitzondering van artikel 60, lid 3, UMVo toepassing kon vinden, dat wil zeggen of de houder van het oudere Spaanse merk uitdrukkelijk had ingestemd met de registratie van het latere Uniemerk. Danger Group voerde aan dat die toestemming kon worden afgeleid uit de rol van de interveniënt bij de aanvraag van het merk en uit de omstandigheden rond de registratie en overdracht ervan.

IEF 23363

Gerecht bevestigt nietigheid van het Uniemerk GEOGRAPHICAL NORWAY EXPEDITION wegens kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23363; ECLI:EU:T:2026:188 (SBG tegen EUIPO en VF International Sagl), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-nietigheid-van-het-uniemerk-geographical-norway-expedition-wegens-kwade-trouw

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23363; IEFbe 4140; ECLI:EU:T:2026:188 (SBG tegen EUIPO en VF International Sagl). In deze zaak staat de vraag centraal of het figuratieve Uniemerk GEOGRAPHICAL NORWAY EXPEDITION van Super Brand Licensing (SBG) terecht nietig was verklaard wegens kwade trouw bij de indiening van de merkaanvraag op 1 april 2011. Het Gerecht bevestigt het oordeel van de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO dat dit het geval was. Daarbij stelt het voorop dat voor de toepassing van artikel 52, lid 1, onder b, van Verordening nr. 207/2009 beslissend is of uit objectieve, onderling samenhangende omstandigheden blijkt dat de aanvrager het merk niet heeft gedeponeerd om op loyale wijze aan de mededinging deel te nemen, maar om op oneerlijke wijze aan te haken bij de belangen van een derde of een merkrecht voor oneigenlijke doeleinden te verkrijgen. Het relevante tijdstip is het moment van depot, maar ook later gebruik van het bestreden merk mag als aanwijzing voor de oorspronkelijke bedoeling worden meegewogen. Tegen die achtergrond oordeelt het Gerecht dat het EUIPO terecht niet alleen acht heeft geslagen op het oudere ingeschreven merk van VF International, maar ook op het teken NAPAPIJRI geographic zoals dat reeds vóór 2011 daadwerkelijk op de markt werd gebruikt in combinatie met de Noorse vlag. Uit catalogi, advertenties, persartikelen, verkoopinformatie en eerdere rechterlijke beslissingen bleek voldoende dat dit teken al jarenlang commercieel succesvol en bekend was voor onder meer kleding, schoenen en tassen, en dat de rechtsvoorganger van SBG het bestaan en de marktpositie ervan kende of in elk geval niet kon negeren.

IEF 23361

Gerecht bevestigt weigering van 3D-merk voor kurkentrekker wegens technisch bepaalde vorm

Gerecht EU (voorheen GvEA) 25 feb 2026, IEF 23361; ECLI:EU:T:2026:146 (Empreinte tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-3d-merk-voor-kurkentrekker-wegens-technisch-bepaalde-vorm

Gerecht EU 25 februari 2026, IEF 23361; IEFbe 4138; ECLI:EU:T:2026:146 (Empreinte tegen EUIPO). In dit arrest staat de aanvraag centraal voor een driedimensionaal Uniemerk bestaande uit de vorm van een kurkentrekker, aangevraagd voor “kurkentrekkers” in klasse 21. De examinator had aanvankelijk een bezwaar wegens gebrek aan onderscheidend vermogen opgeworpen, maar dat later laten vallen en vervangen door een weigering op grond van artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo, omdat het teken volgens hem uitsluitend bestond uit de vorm van het product die noodzakelijk is om een technisch resultaat te bereiken. De Kamer van Beroep bevestigde die weigering. Voor het Gerecht vorderde Empreinte niet alleen vernietiging van de bestreden beslissing, maar ook een verklaring voor recht dat artikel 7, lid 1, onder e, ii, UMVo niet van toepassing was en een bevel tot inschrijving van het merk. Het Gerecht verklaart zich voor die laatste twee vorderingen onbevoegd, omdat het in een beroep op grond van artikel 263 VWEU geen declaratoire uitspraken kan doen en evenmin bevelen aan EU-instellingen kan geven. Vervolgens verwerpt het Gerecht alle aangevoerde middelen. Het oordeelt allereerst dat de Kamer van Beroep haar beslissing voldoende heeft gemotiveerd in de zin van artikel 94, lid 1, UMVo. De Kamer van Beroep had de wezenlijke kenmerken van het teken geïdentificeerd als een onregelmatige ergonomische handgreep die de vorm van een handafdruk benadert, met uitsparingen voor de vingers en de duim, en een staaf die uitloopt in een spiraal. Daarnaast had zij duidelijk uiteengezet waarom die kenmerken beantwoorden aan de technische functie van het product, namelijk het verwijderen van een kurk uit een fles door het gereedschap vast te nemen, de metalen spiraal in de kurk te draaien en de kurk vervolgens verticaal uit de flessenhals te trekken. Dat Empreinte die beoordeling inhoudelijk bestrijdt, raakt volgens het Gerecht aan de materiële juistheid van de beslissing en niet aan de motiveringsplicht als zodanig.

IEF 23350

Uitspraak ingezonden door Fabian Swart, The Legal Group Advocaten.

Proceskosten in IE‑kort geding na onthoudingsverklaring: PetsPlace als in het ongelijk gestelde partij

Rechtbank Den Haag 10 mrt 2026, IEF 23350; C/09/697553 / KG ZA 26-30 (Petjoy c.s. tegen PetsPlace), https://www.ie-forum.nl/artikelen/proceskosten-in-ie-kort-geding-na-onthoudingsverklaring-petsplace-als-in-het-ongelijk-gestelde-partij

Rb. Den Haag 10 maart 2026, IEF 23350; C/09/697553 / KG ZA 26-30 (Petjoy c.s. tegen PetsPlace). In dit kort geding staan Pet Joy B.V., Pet Bros. Exclusive B.V. en hun aandeelhouder tegenover PetsPlace.com B.V. in een geschil dat oorspronkelijk draaide om merkinbreuk op IE-rechten van Petjoy c.s. PetsPlace heeft na dagvaarding, op 4 maart 2026, een onthoudingsverklaring getekend en de vermeende merkinbreuk gestaakt. Daarop heeft Petjoy c.s. bij akte van 6 maart 2026 haar eis gewijzigd en alle inhoudelijke IE‑vorderingen ingetrokken, waardoor uitsluitend nog een veroordeling van PetsPlace in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met wettelijke rente, werd gevorderd. PetsPlace vorderde op haar beurt afwijzing van deze proceskostenvordering, veroordeling van Petjoy c.s. in haar kosten, althans beperking van de aan Petjoy c.s. te vergoeden kosten tot het in de onthoudingsverklaring toegezegde bedrag van € 3.000. De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest HR 3 juni 2016, GIA/Wieland, en stelt vast dat sprake is van de situatie waarin de gedaagde na aanhangig maken van de zaak tegemoetkomt aan de vordering maar geen overeenstemming over kosten wordt bereikt; in zo’n geval kan de eiser de hoofdvorderingen intrekken en uitsluitend een kostenbeslissing vragen, waarbij de gedaagde als in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt. De rechter oordeelt dat Petjoy c.s. in deze situatie een (spoedeisend) belang heeft bij de proceskostenvordering, nu niet gevergd kan worden dat voor alleen de kosten een bodemprocedure wordt gestart, en merkt PetsPlace, die vrijwillig aan de oorspronkelijke vorderingen heeft voldaan, aan als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1019h Rv.

IEF 23349

Rechtbank Den Haag wijst IE-vorderingen tegen fatbikeverkoper grotendeels toe wegens inbreuk op merken-, model- en auteursrechten

Rechtbank Den Haag 4 mrt 2026, IEF 23349; ECLI:NL:RBDHA:2026:4366 (La Souris c.s. tegen Gedaagden), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-den-haag-wijst-ie-vorderingen-tegen-fatbikeverkoper-grotendeels-toe-wegens-inbreuk-op-merken-model-en-auteursrechten

Rb. Den Haag 4 maart 2026, IEF 23349; ECLI:NL:RBDHA:2026:4366 (La Souris c.s. tegen Gedaagden). In dit vonnis staat een handhavingsgeschil op het gebied van het intellectuele-eigendomsrecht centraal tussen La Souris c.s. en Fatbike Discounter c.s. La Souris verkoopt onder meer fatbikes via een webshop en fysieke winkels in Nederland en België en is houdster van verschillende merkregistraties voor fietsen, waaronder de Uniemerken DON SOURIS, eFather, CROSSBOSS en DonTail, en het Beneluxmerk CAPO. De Chinese fabrikant Qingmai is houdster van het geregistreerde Uniemodel voor de V20-fatbike. La Souris is wederverkoper van Qingmai, licentiehouder van de model- en auteursrechten op de V20-fatbike en bevoegd om die rechten te handhaven. Gedaagden boden via hun website onder het teken UNDERBOSS drie fatbikes aan: de UNDERBOSS H9 PRO + GPS, de UNDERBOSS Z8 Pro + GPS en de UNDERBOSS V20 PRO + GPS. Op de H9-fatbike en de V20 Underboss Fatbike was het teken UNDERBOSS ook op de afneembare accu aangebracht. Nadat La Souris gedaagden bij brief van 15 juli 2025 had gesommeerd de verhandeling te staken, bleef een reactie uit. Gedaagden zijn wel in de procedure verschenen, maar hebben na onttrekking van hun advocaat geen verweer meer gevoerd. De rechtbank behandelt de zaak daarom als een vonnis op tegenspraak met verstektoets en acht de vorderingen, behoudens enkele onderdelen, niet onrechtmatig of ongegrond. Zij verklaart zich internationaal en relatief bevoegd voor de Uniemerk- en Uniemodelvorderingen met werking voor de gehele Europese Unie, en voor de auteursrechtelijke en Benelux-merkvorderingen voor Nederland op grond van verknochtheid.

IEF 23348

Uitspraak ingezonden door Mathijs Peijnenburg, Maarten Haak en Evelien Huberts, Hoogenraad & Haak

Voorlopig oordeel merkinbreuk: House of Quantum vs. QUANTUM‑merk in de EU

Rechtbank Den Haag 11 mrt 2026, IEF 23348; C/09/695609 / KG ZA 25-1192 (Quantum tegen House of Quantum), https://www.ie-forum.nl/artikelen/voorlopig-oordeel-merkinbreuk-house-of-quantum-vs-quantum-merk-in-de-eu

Rb Den Haag 11 maart 2026, IEF 23348; C/09/695609 / KG ZA 25-1192 (Quantum tegen House of Quantum). Quantum Immobilien AG is een Duitse vastgoed- en vermogensbeheeronderneming en houdster van het Uniewoordmerk QUANTUM, ingeschreven voor onder meer faciliteitenbeheer, het beheren en verhuren van onroerend goed en vastgoedgerelateerde financiële diensten in de klassen 35, 36 en 42. Quantum stelt dat Stichting Quantum Delta NL en haar dochteronderneming House of Quantum onder de tekens QUANTUM DELTA NL en HOUSE OF QUANTUM soortgelijke diensten aanbieden. QDNL verdeelt subsidies, faciliteert toegang tot funding en beschikt over een eigen micro‑fonds, terwijl House of Quantum werk‑, kantoor‑ en labruimten aantrekt, inricht en verhuurt aan startups en bedrijven in het kwantumveld, onder gebruik van domeinnamen als quantumdelta.nl en houseofquantum.com. Quantum heeft sinds 2022 meermalen gesommeerd, oppositie ingesteld tegen de QDNL‑merkaanvragen en geprotesteerd tegen de aangekondigde uitbreiding van het House of Quantum‑concept naar andere Europese landen, en vordert in kort geding een inbreukverbod voor de hele EU, een (verder gespecificeerd) gebruiksverbod voor de tekens QUANTUM, QUANTUM DELTA NL en HOUSE OF QUANTUM voor vastgoed‑ en financiële diensten, naamswijzigingen, rectificatie op de websites en vergoeding van volledige proceskosten. QDNL c.s. betwist de spoedeisendheid en de inbreuk, beroept zich erop dat zij zich in een andere sector en op een specifieke doelgroep bewegen en dat “quantum” voor haar activiteiten beschrijvend is.

IEF 23344

Identieke vape-waren en dominant V-symbool leiden tot verwarringsgevaar ondanks zwak onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23344; ECLI:EU:T:2026:181 (Shenzen Smoore Technology Ltd tegen Dongguan BEC Technology Co. Ltd en EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/identieke-vape-waren-en-dominant-v-symbool-leiden-tot-verwarringsgevaar-ondanks-zwak-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23344; ECLI:EU:T:2026:181 (Shenzen Smoore Technology Ltd tegen Dongguan BEC Technology Co. Ltd en EUIPO). In deze zaak verzette Shenzhen Smoore Technology zich tegen de inschrijving van een EU-beeldmerk van Dongguan BEC Technology voor een teken bestaande uit een V-symbool met het woordelement ‘VENILO’, bestemd voor elektronische sigaretten, aanverwante producten en diverse commerciële en technische diensten. Shenzhen Smoore beriep zich op een ouder EU-beeldmerk bestaande uit een zwarte letter V in een zwarte cirkel, ingeschreven voor elektronische sigaretten en onderdelen, en stelde dat door de gelijkenis tussen het V-symbool in beide tekens en de identieke waren in de vape-sector sprake was van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b EUTMR. De oppositiedivisie en vervolgens de kamer van beroep wezen de oppositie af: zij achtten de tekens slechts in geringe mate vergelijkbaar en kwalificeerden de aangevraagde diensten als niet-soortgelijk aan de waren van het oudere merk. Voor het Gerecht vorderde Shenzhen Smoore vernietiging van deze beslissing wegens een onjuiste beoordeling van het verwarringsgevaar en onvoldoende motivering.

IEF 23342

MOSTOSTAL: intragroepgebruik en handelsnaamgebruik geen normaal merkgebruik

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23342; ECLI:EU:T:2026:184 (Mostostal S.A. tegen Mostostal Siedlce sp. z o.o. en EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/mostostal-intragroepgebruik-en-handelsnaamgebruik-geen-normaal-merkgebruik

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23342; IEFbe 4128; ECLI:EU:T:2026:184 (Mostostal S.A. tegen Mostostal Siedlce sp. z o.o. en EUIPO). Mostostal S.A. is houder van het Uniewoordmerk MOSTOSTAL, dat een lange geschiedenis heeft als naoorlogs Pools collectief teken voor staal‑ en bruggenbouw en later als nationale Poolse merken binnen de Mostostal‑groep werd gebruikt en gelicentieerd. In 2007 kwamen de Poolse merken via een veiling in dezelfde groep terecht, waarna Mostostal in 2010–2011 het EU‑merk liet inschrijven voor een zeer breed pakket bouwgerelateerde goederen (klassen 6, 11, 19) en diensten (o.a. transport, management, development en holding‑activiteiten in klassen 35 en 39). Mostostal Siedlce vroeg in 2017 vervallenverklaring wegens niet‑gebruik; de Cancellation Division verklaarde het merk vervallen voor alle aangevallen waren en diensten, en in beroep beperkte Mostostal zijn verweer feitelijk tot een beroep op gebruik voor een deel van de diensten in klasse 35 (business‑ en organisatiemanagement in de bouw; holding‑diensten) en op het bestaan van “proper reasons” voor niet‑gebruik. De kamer van beroep oordeelde dat het merk in de relevante periode niet naar buiten toe als merk voor die diensten was gebruikt: het bewijs bestond vooral uit historische stukken, intragroep‑facturen en -overeenkomsten, foto’s van bedrijfsnaamborden, handelsregisteruittreksels en een bekendheidsonderzoek, wat hooguit intern gebruik van een bedrijfsnaam binnen de groep aantoonde en geen daadwerkelijk marktgericht aanbod van diensten onder het teken MOSTOSTAL.

IEF 23343

Gerecht bevestigt weigering van het EU-woordmerk Endo-Sleeve wegens beschrijvend karakter en gebrek aan onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23343; ECLI:EU:T:2026:186 (Weight Doctors GmbH tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-het-eu-woordmerk-endo-sleeve-wegens-beschrijvend-karakter-en-gebrek-aan-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23343; IEFbe 4123; ECLI:EU:T:2026:186 (Weight Doctors GmbH tegen EUIPO). Het Gerecht (Achtste kamer) heeft het beroep van Weight Doctors GmbH verworpen tegen de beslissing van de Eerste Kamer van Beroep van het EUIPO om de aanvraag voor het woordteken Endo-Sleeve gedeeltelijk te weigeren voor waren in klasse 5 (“voedingssupplementen en dieetpreparaten; voedingssupplementen”) en diensten in klasse 44 (onder meer ziekenhuisdiensten, chirurgische behandelingen, medische hulp, diensten van artsen, afslankadvies en medische diensten). Het Gerecht onderschrijft dat het relevante publiek bestaat uit het Engelstalige en Duitstalige deel van het publiek in de Unie, waaronder zowel het algemene publiek als zorgprofessionals, en dat dit publiek een verhoogd aandachtsniveau heeft. Tegen die achtergrond mocht de Kamer van Beroep aannemen dat Endo-Sleeve door dat publiek onmiddellijk en zonder verder nadenken zal worden begrepen als een afkorting van “endoscopic sleeve gastroplasty” respectievelijk “endoskopische Sleeve-Gastroplastie”, dus een endoscopische maagverkleiningsingreep. Voor toepassing van artikel 7, lid 1, onder c, UMVo is niet vereist dat een teken op de datum van de aanvraag al daadwerkelijk gebruikelijk als beschrijvende aanduiding wordt gebruikt; voldoende is dat het daarvoor kan worden gebruikt. Ten overvloede stelde het Gerecht vast dat de examinator bronnen had overgelegd waaruit bleek dat “endo-sleeve” ten tijde van de aanvraag in de markt daadwerkelijk werd gebruikt als aanduiding van die behandeling, onder meer op websites van klinieken, en dat ook de aanvrager zelf erkende dat zijzelf en andere ondernemingen die term gebruikten.

IEF 23340

Verwarringsgevaar ondanks zwak gemeenschappelijk element: FLAMBIT vs. flambriks

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 mrt 2026, IEF 23340; ECLI:EU:T:2026:187 (Dariusz Kowalski tegen Hoyer SE en EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-ondanks-zwak-gemeenschappelijk-element-flambit-vs-flambriks

Gerecht EU 11 maart 2026, IEF 23340; IEFbe 4124; ECLI:EU:T:2026:187 (Dariusz Kowalski tegen Hoyer SE en EUIPO). Deze zaak gaat over de weigering van de EU‑figuratieve merkaanvraag FLAMBIT voor aanmaakblokjes en andere middelen om vuur aan te maken in klasse 4, na oppositie op basis van het oudere Duitse woordmerk ‘flambriks’ (en een ouder beeldmerk) voor onder meer brandstoffen en aan verwant houtwerk gerelateerde diensten. De oppositieafdeling had de oppositie gegrond verklaard wegens gevaar voor verwarring, waarna de aanvrager in beroep ging en de kamer van beroep die beslissing, nu uitsluitend gebaseerd op het oudere woordmerk ‘flambriks’, heeft bevestigd: het relevante publiek is het Duitse grote publiek met een gemiddeld aandachtsniveau, de betrokken waren zijn identiek, en de tekens zijn visueel en fonetisch gemiddeld vergelijkbaar en conceptueel in elk geval niet uiteenlopend, uitgaande van een normaal onderscheidend oudere merk. De aanvrager voert bij het Gerecht één middel aan wegens schending van artikel 8 lid 1 onder b EUTMR en betoogt dat er geen overeenstemming bestaat omdat het element “flam” in beide tekens beschrijvend of zeer zwak onderscheidend is en de verschillen in de tweede lettergreep en in grafische vormgeving overheersen; EUIPO en de opposant verdedigen de beoordeling van de kamer van beroep.