Filter
  • Datum
  • Dossier
  • Instantie
zoeken

Dossiers

 
 
20.814 artikelen gevonden
IEF 23449

Eén enkele billijke vergoeding bij kabeldoorgifte van synchronisaties

Hof Arnhem-Leeuwarden 7 apr 2026, IEF 23449; ECLI:NL:GHARL:2026:2078 (Sena tegen Ziggo), https://www.ie-forum.nl/artikelen/een-enkele-billijke-vergoeding-bij-kabeldoorgifte-van-synchronisaties

Hof Arnhem-Leeuwarden 7 april 2026, IEF 23449; ECLI:NL:GHARL:2026:2078 (Sena tegen Ziggo). In dit arrest staat de vraag centraal of Ziggo aan Sena op grond van de artikelen 2, 6 en 7 Wet op de naburige rechten (Wnr) een billijke vergoeding moet betalen voor de doorgifte via de kabel van buitenlandse televisieprogramma’s waarin muziek is verwerkt in audiovisuele opnamen (synchronisaties), zoals films, series, reclames en videoclips. Het hof oordeelt dat art. 7 Wnr richtlijnconform moet worden uitgelegd in het licht van art. 8 lid 2 VLN-richtlijn en het arrest Atresmedia. Volgens het hof hebben rechthebbenden voor hun prestatie in een synchronisatie recht op één enkele billijke vergoeding. Indien zij bij de verwerking van hun prestatie in die synchronisatie al een vergoeding hebben ontvangen, of daarover afspraken hebben gemaakt, is Ziggo voor de latere kabeldoorgifte van die synchronisatie geen aanvullende billijke vergoeding meer verschuldigd. Indien zij geen vergoeding hebben ontvangen en daarover ook geen afspraken hebben gemaakt, blijft voor die doorgifte wel een billijke vergoeding verschuldigd. In dat geval kan Sena, mede op grond van art. 14a Wnr jo. art. 26a Auteurswet, ook handhavend optreden. Het hof verklaart daarom voor recht dat Ziggo vanaf 1 april 2022 inbreuk maakt op de naburige rechten van de door Sena vertegenwoordigde rechthebbenden, voor zover Ziggo synchronisaties doorgeeft via buitenlandse televisieprogramma’s waarbij die rechthebbenden voor de verwerking van hun prestatie in die synchronisaties geen vergoeding hebben ontvangen; in de motivering verbindt het hof dit stelselmatig ook aan het ontbreken van afspraken over vergoeding.

IEF 23447

Prejudiciële vragen gesteld over de Geneesmiddelenrichtlijn

HvJ EU 30 dec 2025, IEF 23447; C-877/25 ( College ter beoordeling van geneesmiddelen, Laboratorios Cinfa SA, Laboratorios Normon, SA, Zentiva k.s., Win Medica SA, Refarm SA tegen Organon NV), https://www.ie-forum.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-de-geneesmiddelenrichtlijn

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 30 december 2025; IEF 23447; LS&R 2371; IEFbe 4182; C-877/25 (College ter beoordeling van geneesmiddelen, Laboratorios Cinfa SA, Laboratorios Normon, SA, Zentiva k.s., Win Medica SA, Refarm SA tegen Organon NV) via MinBuza. Verzoeker heeft in Nederland handelsvergunningen aangevraagd voor geneesmiddelen bij het College van beoordeling van geneesmiddelen (CBG), voor de combinatie van twee werkzame stoffen. De aanvraag werd goedgekeurd, maar de rechtbank oordeelde daarna dat dit onterecht was. De twee werkzame stoffen werden al in een ander geneesmiddel samengevoegd, waarvan de beschermingsperiode nog liep. De Afdeling twijfelt over hoe artikel 10ter van de Geneesmiddelenrichtlijn moet worden uitgelegd, in het bijzonder of het mogelijk is dat meerdere vergunningen worden verleend voor dezelfde combinatie van werkzame stoffen op grond van dat artikel.

IEF 23453

Gerecht vernietigt EUIPO-beslissing over het merk déjà vu wegens gebrek aan beoordeling van de gebruiksduur

Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 okt 2025, IEF 23453; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-vernietigt-euipo-beslissing-over-het-merk-deja-vu-wegens-gebrek-aan-beoordeling-van-de-gebruiksduur

Gerecht EU 8 oktober 2025, IEF 23453; IEFbe 4183; ECLI:EU:T:2025:947 (Huda Beauty Ltd tegen EUIPO en Norbert Schulz). In deze zaak vordert Huda Beauty Ltd op grond van art. 263 VWEU gedeeltelijke nietigverklaring van een beslissing van de Vijfde Kamer van Beroep van het EUIPO van 16 april 2024, voor zover die beslissing de vervalvordering tegen het EU-woordmerk déjà vu voor waren in klasse 3 (“parfumerieproducten”) had afgewezen. Het vervalverzoek was gebaseerd op art. 58 lid 1, onder a, UMVo, omdat het merk volgens Huda Beauty gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar niet normaal was gebruikt. De door de interveniënt opgeworpen exceptie van niet-ontvankelijkheid wegens termijnoverschrijding wordt door het Gerecht verworpen: de bestreden beslissing was op 22 april 2024 aan Huda Beauty meegedeeld, zodat het op 2 juli 2024 ingestelde beroep, rekening houdend met de beroepstermijn van twee maanden van art. 72 lid 5 UMVo en de forfaitaire afstandstermijn van tien dagen, tijdig was. Ten gronde stelt het Gerecht voorop dat werkelijk gebruik moet worden aangetoond aan de hand van concrete en objectieve gegevens, en dat op grond van art. 10 lid 3 van Gedelegeerde Verordening 2018/625 cumulatief moet blijken van de plaats, duur, omvang en aard van het gebruik. De relevante periode liep hier van 21 april 2016 tot en met 20 april 2021. Hoewel voor verval niet is vereist dat het merk onafgebroken gedurende de gehele periode is gebruikt, maar voldoende is dat sprake is van normaal gebruik tijdens een deel daarvan, moet de Kamer van Beroep wel zelfstandig beoordelen of het temporele element van het gebruik voldoende is aangetoond. Juist daarin schoot de bestreden beslissing volgens het Gerecht tekort. Onder het kopje “duur en plaats van het gebruik” bevatte die beslissing slechts één overweging, die geen temporele elementen noemde en in wezen alleen betrekking had op Duitsland als plaats van gebruik. Dat elders in de beslissing bewijsstukken waren opgesomd of in het kader van de omvang van het gebruik enkele stukken waren genoemd die mogelijk ook iets over de duur konden zeggen, maakt dat niet anders: de Kamer van Beroep had in de bestreden beslissing geen zelfstandige beoordeling en geen eigen conclusie gegeven over de duur van het gebruik van het merk. Daarmee heeft zij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

IEF 23448

Beschrijvende handelsnaam toch beschermd: Woonhub krijgt gelijk bij verwarringsgevaar

Rechtbank Oost-Brabant 31 mrt 2026, IEF 23448; ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 (Woonhub tegen [gedaagden]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/beschrijvende-handelsnaam-toch-beschermd-woonhub-krijgt-gelijk-bij-verwarringsgevaar

Rb. Oost-Brabant 31 maart 2026, IEF 23448; ECLI:NL:RBOBR:2026:2053 (Woonhub tegen [gedaagden]). In dit kort geding staat de vraag centraal of het gebruik van de handelsnaam “WoonHub” door [gedaagden] inbreuk maakt op de oudere handelsnaam “Woonhub” van eiseres, een makelaarskantoor. [gedaagden] exploiteren een aannemersbedrijf en gebruiken (vrijwel) identieke handelsnamen en domeinnamen. De voorzieningenrechter stelt voorop dat op grond van artikel 5 Handelsnaamwet beslissend is of verwarringsgevaar te duchten is. Hoewel de handelsnaam “Woonhub” deels beschrijvend is, heeft deze door de combinatie met “hub” een (beperkt) onderscheidend vermogen. Gezien de vrijwel identieke handelsnamen, het opereren in dezelfde regio en binnen dezelfde vastgoedketen (makelaardij en bouw), en het gebruik van internet waardoor een breder publiek wordt bereikt, is verwarringsgevaar aannemelijk. Daarbij weegt mee dat concrete gevallen van verwarring zijn gesteld, onder meer via berichten van derden en online uitingen.

IEF 23446

Prejudiciële vragen gesteld over het aanvullende beschermingscertificaat voor geneesmiddelen

HvJ EU 5 dec 2025, IEF 23446; C-794/25 (Stada Arzneimittel AG tegen Takeda Pharmaceuticals USA, Inc., og Takeda Pharmaceutical Company Ltd.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/prejudiciele-vragen-gesteld-over-het-aanvullende-beschermingscertificaat-voor-geneesmiddelen

Prejudiciële vragen gesteld aan Hof van Justitie EU 5 december 2025, IEFbe 23446; LS&R 2370; IEFbe 4181;  C-794/25 (Stada Arzneimittel AG tegen Takeda Pharmaceuticals USA, Inc., og Takeda Pharmaceutical Company Ltd.) via MinBuza. Verzoeker is ‘Stada Arzneimittel’, een farmaceutische onderneming in Duitsland. Stada heeft tegen twee Japanse farmaceutische ondernemingen een vordering ingesteld, strekkende tot ongeldigverklaring van het Deense aanvullende beschermingscertificaat voor medicatie. Zij hebben een beschermingscertificaat voor de ADHD-medicatie ‘dexamfetamine’. Ter discussie staat of dat certificaat ook bescherming biedt aan de medicatie ‘lisdexamfetamine’ (wat een derivaat is van de werkzame stof dexamfetamine) of dat deze medicatie een apart (of aanvullend) beschermingscertificaat vereist. Onderliggend is de vraag naar de betekenis van ‘product’ en ‘werkzame stof’ in de zin van artikel 1, onder b), van de verordening.

IEF 23440

Totaalverbod op online kansspelen niet in strijd met art. 56 VWEU; afwijzing vordering tot rectificatie van OM-persbericht

Hof Den Haag 10 mrt 2026, IEF 23440; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/totaalverbod-op-online-kansspelen-niet-in-strijd-met-art-56-vweu-afwijzing-vordering-tot-rectificatie-van-om-persbericht

Hof Den Haag 10 maart 2026, IEF 23440; IT 5179; ECLI:NL:GHDHA:2026:399 (appellanten tegen de Staat c.s.). In deze civiele hogerberoepszaak stonden appellanten, onder wie natuurlijke personen en vennootschappen die tussen 2007 en 2014 belangen hielden in vennootschappen die vanuit Malta online kansspelen aanboden, tegenover de Staat en de Kansspelautoriteit. Zij vorderden onder meer een verklaring voor recht dat het in de relevante periode geldende Nederlandse totaalverbod op het aanbieden van online kansspelen in strijd was met art. 56 VWEU, dat het daarop gebaseerde optreden van de Staat en de Kansspelautoriteit onrechtmatig was, schadevergoeding op te maken bij staat, een bevel om de gestelde Unierechtelijke inbreuk te staken en rectificatie van een OM-persbericht van 24 juni 2021. Het hof verwerpt eerst het ontvankelijkheidsverweer van de Staat c.s. en oordeelt dat in elk geval de appellanten die geen verdachten zijn voldoende belang hebben bij hun schadevorderingen, terwijl daarnaast ook voldoende belang bestaat bij de rectificatievordering. Inhoudelijk stelt het hof voorop dat het totaalverbod op online kansspelen weliswaar een beperking vormt van het vrij verkeer van diensten, maar dat die beperking gerechtvaardigd kan zijn door dwingende redenen van algemeen belang, zoals consumentenbescherming en fraudebestrijding. Onder verwijzing naar de rechtspraak van het Hof van Justitie benadrukt het hof dat lidstaten op het terrein van kansspelen, en in het bijzonder online kansspelen, over een ruime beoordelingsmarge beschikken. Een algemeen verbod op online kansspelen kan daarom in beginsel een geschikte maatregel zijn, juist gelet op de specifieke risico’s van online aanbod, zoals anonimiteit, permanente toegankelijkheid en verhoogde risico’s op fraude en gokverslaving. Het hof verwerpt vervolgens ook het betoog dat het verbod wegens beperkte effectiviteit, beperkte uitzonderingen binnen het gereguleerde aanbod of het latere vergunningstelsel van de Wet kansspelen op afstand zijn samenhang of geschiktheid had verloren. Volgens het hof verlangt het Unierecht niet dat steeds de meest effectieve of minst vergaande maatregel wordt gekozen, en evenmin dat de feitelijke effectiviteit van een verbod beslissend is voor de Unierechtelijke toelaatbaarheid ervan.

IEF 23439

Afwijzing vorderingen tegen ING tot uitbetaling restsaldo, verwijdering IVR-registratie en inzage in interne stukken; proceskostenveroordeling wegens misbruik van procesrecht

Rechtbank Amsterdam 19 mrt 2026, IEF 23439; ECLI:NL:RBAMS:2026:2855 ([eiser] tegen ING Bank), https://www.ie-forum.nl/artikelen/afwijzing-vorderingen-tegen-ing-tot-uitbetaling-restsaldo-verwijdering-ivr-registratie-en-inzage-in-interne-stukken-proceskostenveroordeling-wegens-misbruik-van-procesrecht

Rb. Amsterdam 19 maart 2026, IEF 23439; IEFbe 5175; ECLI:NL:RBAMS:2026:2855 ([eiser] tegen ING Bank). In dit kort geding verzette een voormalig rekeninghouder van ING zich tegen de blokkering en beëindiging van zijn particuliere betaalrekening, de registratie van zijn persoonsgegevens in het interne verwijzingsregister (IVR), het uitblijven van uitbetaling van het resterende saldo van € 1.900 en het ontbreken van inzage in interne stukken. Aanleiding was dat eiser ING had benaderd over een volgens hem bestaande ING-rekening, aangeduid als een aan zijn BSN gekoppelde “derdengeldenrekening”, van waaruit batchbetalingen van miljoenen euro’s zouden moeten worden uitgevoerd. ING stelde zich op het standpunt dat dit rekeningnummer niet bestond, startte een onderzoek wegens (pogingen tot) oplichting en misleiding van ING-klanten, blokkeerde de rekening onder verwijzing naar artikel 41.2 van de Voorwaarden Betaalrekening, beëindigde de bankrelatie onder verwijzing naar artikel 35 Algemene Bankvoorwaarden en handhaafde de IVR-registratie. Eiser vorderde vervolgens betaling van het restsaldo met rente, verwijdering van de IVR-registratie, inzage in alle interne stukken, schadevergoeding, dwangsommen en subsidiair vergoeding van werkelijke proceskosten. De kantonrechter verwerpt eerst het beroep van ING op nietigheid van de dagvaarding als obscuur libel. Hoewel de dagvaarding volgens de rechter geen concludent stuk was en eiser als juridisch professional zijn waarheidsplicht en substantiëringsplicht had geschonden door feiten en verweren van ING niet volledig en juist weer te geven, producties deels onleesbaar of niet aangehecht waren en artikel 21 Rv dus in beeld kwam, was ING niet onredelijk in haar belangen geschaad omdat zij zich inhoudelijk voldoende had kunnen verweren; daarom werd het beroep op nietigheid op grond van artikel 111 lid 2 onder d, artikel 120 en artikel 122 Rv verworpen.

IEF 23438

Afname van biometrische gegevens van verdachten, motiveringsplicht en strafbaarstelling van weigering onder Richtlijn 2016/680

HvJ EU 19 mrt 2026, IEF 23438; ECLI:EU:C:2026:219 (Comdribus), https://www.ie-forum.nl/artikelen/afname-van-biometrische-gegevens-van-verdachten-motiveringsplicht-en-strafbaarstelling-van-weigering-onder-richtlijn-2016-680

HvJ EU 19 maart 2026, IEF 23438; ECLI:EU:C:2026:219 (Comdribus). In het arrest Comdribus verduidelijkt het Hof van Justitie de voorwaarden waaronder bevoegde autoriteiten op grond van Richtlijn (EU) 2016/680 biometrische gegevens, zoals vingerafdrukken en foto’s, mogen verzamelen van personen die op één of meer gronden redelijk worden verdacht van het plegen of trachten te plegen van een strafbaar feit. Het Hof stelt voorop dat biometrische gegevens bijzondere categorieën persoonsgegevens zijn in de zin van artikel 10 van de richtlijn en daarom slechts mogen worden verwerkt wanneer die verwerking, naast een wettelijke grondslag en passende waarborgen, strikt noodzakelijk is. Die eis moet, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 1, onder a tot en met c, en artikel 8 van de richtlijn, bijzonder strikt worden uitgelegd: de doeleinden van de verwerking moeten specifiek, concreet en voldoende nauwkeurig in het nationale recht zijn omschreven, en de verwerking moet voldoen aan de beginselen van doelbinding, proportionaliteit en dataminimalisatie. Het enkele feit dat iemand redelijk wordt verdacht van een strafbaar feit volstaat dus niet om te veronderstellen dat afname van biometrische gegevens noodzakelijk is. Daarom verzet artikel 10 van de richtlijn zich tegen nationale wetgeving die voorziet in de systematische verzameling van biometrische gegevens van iedere verdachte, tenzij vaststaat dat het nationale recht de concrete doeleinden van die verzameling voldoende precies bepaalt én dat de bevoegde autoriteit in elk individueel geval moet beoordelen of de verzameling strikt noodzakelijk is, zodat juist geen sprake is van automatische of ongedifferentieerde toepassing. Daarnaast oordeelt het Hof, onder verwijzing naar artikel 4, lid 4, en artikel 54 van de richtlijn, gelezen in het licht van artikel 47 Handvest, dat nationale wetgeving ook onverenigbaar is met het Unierecht indien zij niet voorschrijft dat de bevoegde autoriteit in elk concreet geval voldoende motiveert waarom de afname van biometrische gegevens strikt noodzakelijk is; alleen dan kan de betrokkene zijn rechten doeltreffend uitoefenen en kan de rechter de rechtmatigheid van de maatregel daadwerkelijk toetsen.

IEF 23444

Overzicht UPC-uitspraken

Overzicht UPC-uitspraken 26 maart t/m 1 april 2026

1 april 2026

UPC_CFI_1034/2025; UPC_CFI_931/2026
Gerecht: Düsseldorf Local Division
Type procedure: Application RoP262A
Partijen: Yangtze Memory Technologies Co., Ltd. tegen Micron Technology, Inc. e.a.
Waar gaat het over: een verzoekprocedure op grond van RoP 262A in een octrooigeschil in de halfgeleider-/geheugentechnologiesector.

UPC-CFI-00001920/2025
Gerecht
: Lisbon Local Division
Type procedure: Infringement Action
Partijen: Illumina, Inc. tegen Element Biosciences, Inc., Element Biosciences Netherlands B.V. en Instrumentos de Laboratório e Científicos, LDA
Waar gaat het over: een octrooi-inbreukprocedure in de biotech-/DNA-sequencingsector.

31 maart 2026

UPC_CFI_360/2025
Gerecht: Hamburg Local Division
Type procedure: Infringement Action
Partijen: Nixu FL IP Protection LLC tegen INFOBLOX INC. e.a.
Waar gaat het over: een octrooi-inbreukprocedure, vermoedelijk op het terrein van netwerk- of IT-technologie.