Gepubliceerd op donderdag 11 juni 2026
IEF 23616
Hof Arnhem-Leeuwarden ||
26 mei 2026
Hof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2026, IEF 23616; ECLI:NL:GHARL:2026:3183 ((Civitas c.s. tegen Rutgers)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-bekrachtigt-verbod-op-verspreiding-zwartboek-lentekriebels-beschuldigingen-aan-rutgers-onvoldoende-onderbouwd

UItspraak ingezonden door Anne Bekema, AC&R.

Hof bekrachtigt verbod op verspreiding Zwartboek Lentekriebels: beschuldigingen aan Rutgers onvoldoende onderbouwd

Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 26 mei 2026, IEF 23616; ECLI:NL:GHARL:2026:3183 (Civitas c.s. tegen Rutgers). In deze zaak tussen Civitas en Stichting Rutgers stond de vraag centraal in hoeverre Civitas zich in het publieke debat kritisch mocht uitlaten over de Week van de Lentekriebels en het door Rutgers ontwikkelde lesmateriaal. Civitas had in het door haar gepubliceerde Zwartboek Lentekriebels Rutgers in verband gebracht met pedofilie en gesteld dat Rutgers kinderen bewust zou seksualiseren. De voorzieningenrechter had eerder de verdere verspreiding van het Zwartboek verboden, diverse uitlatingen verboden verklaard en dwangsommen opgelegd. Civitas stelde tegen dat vonnis hoger beroep in. Het hof Arnhem-Leeuwarden stelt voorop dat Civitas vanuit haar christelijke overtuiging scherpe kritiek mag uiten op seksuele voorlichting en de inhoud van het lesmateriaal. De vrijheid van meningsuiting en de vrijheid van godsdienst bieden daarvoor ruimte. Die vrijheden zijn echter niet onbeperkt. Volgens het hof gaat het hier om zeer ernstige beschuldigingen die Rutgers in verband brengen met pedofilie en met het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen. Voor dergelijke aantijgingen is een stevige feitelijke grondslag vereist. Tegelijkertijd benadrukt het hof dat ideologisch of religieus gemotiveerde, ook felle waardeoordelen over de wenselijkheid van het lesmateriaal in beginsel wél binnen de beschermingsomvang van deze vrijheden kunnen vallen, zolang zij niet onnodig grievend zijn en niet ontaarden in ongefundeerde feitelijke beschuldigingen. Die grondslag ontbreekt volgens het hof. De kwalificaties in het Zwartboek zijn niet louter waardeoordelen, maar worden gepresenteerd als feitelijke beschuldigingen. Het hof maakt daarbij onderscheid tussen kritiek op seksuele voorlichting, het uitdragen van de opvatting dat bepaald lesmateriaal onwenselijk is en de beschuldiging dat Rutgers kinderen bewust zou aanzetten tot seksuele handelingen. Met name die laatste beschuldiging kwalificeert het hof als een feitelijke aantijging die slechts kan worden geuit indien daarvoor voldoende steun bestaat in de feiten. De door Civitas aangevoerde passages uit het lesmateriaal rechtvaardigen de ernst van die beschuldigingen niet. Het hof legt daarbij gewicht op het totaalbeeld dat door het Zwartboek wordt opgeroepen: niet alleen de gebruikte termen, maar ook de manier waarop fragmenten zijn geselecteerd en gepresenteerd, draagt volgens het hof bij aan een misleidend, onnodig beschadigend beeld. Volgens het hof opereert Rutgers weliswaar in een maatschappelijk gevoelig domein en moet zij daarom een grotere mate van kritiek dulden, maar hoeft zij zich niet neer te leggen bij ongefundeerde uitlatingen die haar integriteit en professionele reputatie aantasten. Daarbij benadrukt het hof dat deelnemers aan het publieke debat zorgvuldig moeten omgaan met bronmateriaal. Het selectief of onvolledig weergeven van passages uit lesmateriaal kan een misleidend beeld oproepen. Het hof wijst daarom nadrukkelijk op het belang van nauwkeurig en zorgvuldig citeren. Het hof geeft daarbij aan dat juist in een gepolariseerd maatschappelijk debat extra zorgvuldigheid is vereist bij het weergeven van citaten, omdat anders het publiek een vertekend beeld krijgt van wat daadwerkelijk in het lesmateriaal staat.

Bij de belangenafweging weegt het hof enerzijds het belang van Civitas om deel te nemen aan het publieke debat over seksuele voorlichting en haar religieuze opvattingen uit te dragen, en anderzijds het belang van Rutgers bij bescherming van haar eer en goede naam. Volgens het hof slaat die afweging uit in het voordeel van Rutgers, omdat de gewraakte uitingen verder gaan dan hetgeen onder artikel 10 EVRM nog aanvaardbaar is. Het hof onderstreept daarbij dat het niet de bedoeling is het debat over seksuele voorlichting te smoren: Civitas mag in dat debat blijven participeren, mits zij haar uitlatingen baseert op een correcte weergave van de feiten en zich onthoudt van ongefundeerde aantijgingen. Het hof laat het verbod om Rutgers met pedofilie in verband te brengen volledig in stand. Ook het verbod op verdere verspreiding van het Zwartboek blijft gehandhaafd. Volgens het hof bevat het Zwartboek voldoende onrechtmatige uitlatingen om een dergelijk verstrekkend verbod te rechtvaardigen. Het verbod met betrekking tot het “seksualiseren van kinderen” wordt nader afgebakend en toegespitst op uitingen waarin Rutgers de bedoeling wordt toegedicht kinderen aan te zetten tot seksuele handelingen. Tegelijkertijd benadrukt het hof dat ruimte blijft bestaan voor scherpe kritiek, mits die feitelijk juist is, niet misleidt en zorgvuldig omgaat met citaten uit het lesmateriaal. In dat kader geeft het hof aan dat algemene of normatieve kwalificaties over de (on)wenselijkheid van seksuele voorlichting als zodanig in beginsel toelaatbaar zijn, zolang zij niet worden gepresenteerd als concrete, strafrechtelijk geladen feiten over de handelwijze van Rutgers. De opgelegde dwangsommen worden wel aangepast. Het hof verlaagt deze en formuleert ze nauwkeuriger, met een maximum van € 50.000. Voor het overige bekrachtigt het hof het vonnis van de voorzieningenrechter. Civitas wordt grotendeels veroordeeld in de proceskosten van Rutgers. Eén van de bezwaren van de bestuurder van Civitas slaagt, waardoor Rutgers voor dat onderdeel diens proceskosten moet vergoeden. Met dit arrest onderstreept het hof dat in maatschappelijk en ideologisch geladen discussies ruimte bestaat voor stevige kritiek, maar dat zeer ernstige beschuldigingen zoals pedofilie of het bewust aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen alleen geoorloofd zijn wanneer zij kunnen steunen op een voldoende sterke feitelijke basis. Het onderscheid tussen scherpe waardeoordelen en als feit gepresenteerde aantijgingen, evenals de verplichting om bronmateriaal zorgvuldig weer te geven, speelt daarbij een centrale rol. Het hof maakt aldus duidelijk dat het recht op vrije meningsuiting niet wordt ingeperkt om de controverse als zodanig te beperken, maar om te voorkomen dat het publieke debat wordt gevoerd op basis van feitelijk onjuiste, disproportioneel schadelijke kwalificaties.

3.31. Het staat Civitas vrij om haar mening te geven over het lesmateriaal van Rutgers en de boeken die in het lesmateriaal worden genoemd of op de boekenlijst op de website van Rutgers staan. Die mening mag scherp zijn en zij mag daarbij het begrip ‘seksualiseren van kinderen’ gebruiken als de strekking van die kritiek is dat zij vindt dat kinderen op te jonge leeftijd deze (expliciete) seksuele voorlichting krijgen. Zoals de voorzieningenrechter ook in rechtsoverweging 4.21 van het vonnis overweegt, vallen dergelijke uitlatingen onder de vrijheid van meningsuiting. Anders dan Rutgers lijkt te betogen, hoeven die uitingen niet wetenschappelijk te zijn onderbouwd. Civitas mag kritiek hebben op de Week van de Lentekriebels en het lesmateriaal zonder dat die mening is gebaseerd op wetenschap. Dat geldt ook als het lesmateriaal zelf wel is gebaseerd op wetenschappelijke onderzoeken.

3.32. De kritiek van Civitas gaat echter verder dan dat. Zij beschuldigt Rutgers ervan dat zij de bedoeling heeft om kinderen te seksualiseren. Civitas schrijft in diverse bewoordingen dat Rutgers jonge kinderen seksualiseert, in die zin dat Rutgers kinderen aanzet tot het verrichten van seksuele handelingen. Ook als het betoog van Civitas wordt gevolgd dat dit allemaal waardeoordelen zijn, moeten die uitlatingen een voldoende feitelijke grondslag hebben. Dat heeft Civitas niet aannemelijk gemaakt. Het wijzen op diverse voorbeelden uit het lesmateriaal die volgens haar te expliciet en seksualiserend zijn, is geen onderbouwing voor haar beschuldiging dat Rutgers met haar lesmateriaal kinderen wil aanzetten tot seksuele handelingen. Rutgers heeft uitgebreid onderbouwd dat zij met haar lesmateriaal een bijdrage wil leveren aan een gezonde ontwikkeling van kinderen. Haar lesmateriaal bevat bovendien een door het RIVM erkende lesmethode.

3.33. Het hof merkt hierbij op dat uit de onderbouwing van Rutgers juist blijkt dat haar doel in essentie niet anders is dan het doel dat Civitas voor haar campagne noemt, namelijk het beschermen van kinderen. De wijze waarop partijen dit doen ligt weliswaar heel ver uit elkaar, maar dat geeft geen vrijbrief aan Civitas om Rutgers te beschuldigen van het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen of erger. Door dergelijke bedoelingen toe te schrijven aan Rutgers, ontstaat ook het risico op (ernstige) gevolgen voor haar en haar medewerkers. Dat is de grens die ligt besloten in artikel 10 lid 2 van het EVRM.

3.34. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft Civitas onder meer verklaard dat het zij het noodzakelijk vindt om erop te kunnen wijzen dat het lesmateriaal niet alleen neutrale informatie bevat, maar ook dat de agenda erachter liberaal en antichristelijk is, waarbij dingen worden gepromoot die Civitas als zonden beschouwd, zoals zelfbevrediging. Tijdens de mondelinge behandeling bij het hof is namens Civitas ook verklaard dat zij campagnes wil voeren die zijn gericht tegen een persoon, en in dit geval tegen een organisatie. Rutgers heeft zich in dit kort geding niet verzet tegen termen als liberaal en antichristelijk, maar wel tegen beschuldigingen waarin zij wordt weggezet als een agressor of kwade genius met slechte intenties tegenover kinderen. Zoals uit het voorgaande volgt, mag een campagne weliswaar gericht zijn tegen Rutgers, maar alleen zolang dat niet leidt tot ongefundeerde beschuldigingen aan haar adres, zoals dat Rutgers kwade of verkeerde bedoelingen heeft met haar lesmateriaal.

3.35. Dit brengt mee dat het Civitas niet vrij staat om Rutgers te beschuldigen van het seksualiseren van kinderen in de zin van het aanzetten van kinderen tot seksuele handelingen, noch mag zij suggereren dat het de agenda van Rutgers is omdat te doen. Omdat het gebod in 6.2 van het vonnis ook betrekking heeft op ‘termen van gelijke betekenis’, heeft dit gebod tot onduidelijkheid geleid tussen partijen. Het hof zal daarom dat gebod nader afbakenen door Civitas een verbod op te leggen om uitlatingen te doen waarin zij Rutgers de bedoeling toedicht of waarin zij de suggestie wekt dat Rutgers de bedoeling heeft om kinderen te seksualiseren in die zin dat Rutgers kinderen aanzet tot het verrichten van seksuele handelingen.