Ingezonden door Arnout Groen, Visser Schaap & Kreijger.
Hof Den Haag na verwijzing: geen voorafgaand oordeel over partijdeskundigenrapport; incident afgewezen wegens doelmatige procesvoering
Hof Den Haag 14 april 2026, IEF23502; ECLI:NL:GHDHA:2026:583 (ABMD c.s. tegen Buma Stemra). Na verwijzing door de Hoge Raad ligt de zaak tussen ABMD c.s. en Buma/Stemra opnieuw voor bij het Gerechtshof Den Haag. ABMD c.s. heeft bij haar antwoordmemorie na verwijzing een partijdeskundigenrapport overgelegd. Buma/Stemra vordert in een incident dat dit rapport buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de goede procesorde en de twee-conclusieregel. Het hof kwalificeert dit verzoek als een incidentele vordering en beoordeelt die aan de hand van artikel 209 Rv, waarbij het belang van een doelmatige procesvoering en het voorkomen van onnodig beslag op rechterlijke capaciteit centraal staat. Een oordeel over de toelaatbaarheid van het rapport vergt volgens het hof een inhoudelijke analyse van het dossier, die efficiënter kan plaatsvinden in het kader van de inhoudelijke behandeling, niet in een afzonderlijk incident. Het door Buma/Stemra gestelde belang om kosten voor een tegenrapport te vermijden weegt daarbij niet op tegen het belang van een doelmatige procesvoering; het is aan Buma/Stemra zelf om te beslissen of zij een tegenrapport laat opstellen. Het hof benadrukt dat na cassatie en verwijzing in beginsel ruimte bestaat om nieuwe producties over te leggen ter nadere onderbouwing en precisering van reeds bestaande geschilpunten, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad. De incidentele vordering wordt afgewezen en Buma/Stemra wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De zaak wordt voortgezet met een mondelinge behandeling op 29 oktober 2026.