Gepubliceerd op donderdag 23 april 2026
IEF 23499
BenGH ||
18 mrt 2026
BenGH 18 mrt 2026, IEF 23499; C-2024/31 ((I-FID tegen MyFid)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/benelux-gerechtshof-bevestigd-verwarringsgevaar-tussen-myfid-en-ifid

Benelux-Gerechtshof bevestigd verwarringsgevaar tussen MyFid en IFID

BenGH 18 maart 2026, IEF23499; IEF-BE4200; C-2024/31 (I-FID tegen Myfid). Het Benelux-Gerechtshof heeft zich uitgesproken over een geschil tussen I-FID en MyFid naar aanleiding van een oppositie tegen de inschrijving van het woordmerk “IFID”. I-FID had dit merk in 2021 aangevraagd voor diensten in klasse 35, terwijl MyFid zich verzette op basis van haar oudere Benelux-woordmerk “myfid” uit 2016. Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom had de oppositie toegewezen, waarna I-FID beroep instelde. Het hof stelt voorop dat het relevante publiek bestaat uit zowel algemene consumenten als gespecialiseerde afnemers van boekhoudkundige en administratieve diensten binnen de Benelux, die over een basiskennis van het Engels beschikken en een gemiddeld tot hoog aandachtsniveau hebben. Voor de beoordeling wordt uitgegaan van het laagste aandachtsniveau, zodat een gemiddeld aandachtsniveau bepalend is. Bij de vergelijking van de tekens oordeelt het hof dat sprake is van een duidelijke visuele overeenstemming, met name door het gemeenschappelijke bestanddeel “fid”, dat in beide tekens in dezelfde volgorde voorkomt. Daarnaast bestaat er een zekere mate van fonetische overeenstemming, hoewel de tekens auditief niet identiek zijn. Begripsmatig acht het hof een vergelijking niet relevant, nu “IFID” en “myfid” als fantasiewoorden zonder vaste, onmiddellijk herkenbare betekenis worden opgevat, zodat geen begripsmatige verschillen aanwezig zijn die de andere overeenstemmingen kunnen neutraliseren.

Ten aanzien van de betrokken diensten bevestigt het hof dat deze identiek zijn. Diensten zoals boekhouding, financiële controles en boekhoudkundige advisering komen volgens het hof in wezen overeen of worden in synonieme bewoordingen aangeduid, zodat zij door het publiek aan dezelfde commerciële herkomst kunnen worden toegeschreven. Het oudere merk beschikt daarbij over een normaal onderscheidend vermogen, nu het geen beschrijvend karakter heeft ten aanzien van deze diensten. Gelet op de globale beoordeling van het verwarringsgevaar, en de samenhang tussen de mate van overeenstemming van de tekens en de identiteit dan wel nauwe verwantschap van de diensten, komt het hof tot het oordeel dat sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 2.2ter lid 1, sub b BVIE. Ook een aandachtig publiek kan menen dat de betrokken diensten afkomstig zijn van dezelfde onderneming of van economisch verbonden ondernemingen. De overige stellingen van I-FID, waaronder verwijzingen naar feitelijk gebruik en eerdere beslissingspraktijk, worden verworpen, nu deze niet doorslaggevend zijn in de oppositieprocedure. Voor zover in de procedure aandacht is besteed aan kwader trouw, merkt het hof op dat dit aspect geen onderdeel vormt van de onderhavige beoordeling van het verwarringsgevaar en in beginsel aan de orde dient te komen in een afzonderlijke nietigheidsprocedure. Het beroep van I-FID wordt verworpen en de weigering van de inschrijving van het merk “IFID” blijft in stand. I-FID wordt veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van MyFid begroot op € 1.800.

35. In weerwil van hetgeen vol gehouden wordt door I-FID, heeft geen van beide tekens een begripsmatige betekenis. I-FID betoogt dat het woordonderdeel “fid” verwijst naar de notie “fiduciair”, wat in het Franstalig taalgebied van de Benelux een benaming zou zijn voor een dienstverstrekker van boekhoudkundige en fiscale diensten. Echter wijst niets erop dat de term “fiduciair” in enig taalgebied van de Benelux door het Relevante Publiek zou worden afgekort tot “fid”, laat staan dat daardoor aan deze lettergreep een begripsmatige betekenis zou kunnen worden verleend die dan beide tekens enige begripsmatige betekenis zou geven, zoals die van “mijn fiduciaire” (voor het oudere Merk) of een “digitale” fiduciaire (voor het Teken), die in de ogen van het Relevante publiek een duidelijke en vaste betekenis heeft, die dit publiek onmiddellijk kan begrijpen. Aangezien de termen “myfid” en “IFID” dus louter fantasietermen zonder betekenis zijn, is er geen sprake van begripsmatige overeenstemming.

36. Nu het Teken en het oudere Merk visueel overeenstemmen en fonetisch in zekere mate overeenstemmen, terwijl begripsmatig een vergelijking niet aan de orde is, moet worden onderzocht of er sprake is van overeenstemming van de diensten waarvoor zij geregistreerd zijn en, indien dit het geval is, of er sprake is van verwarringsgevaar.14 I-FID voert aan dat enige begripsmatige verschillen tussen beide tekens, visuele of fonetische elementen van overeenstemming tussen Teken en ouder Merk neutraliseren, doch gezien het hof tot het oordeel is gekomen dat geen zo’n begripsmatige betekenis voorligt, volgt het hof dit standpunt niet.

41. Evenwel leidt dat niet tot de omkering van de vaststelling van de identiteit tussen de diensten waarvoor beide tekens geregistreerd werden. Het is immers niet het actueel, voorgenomen of feitelijk gebruik van het Teken voor de te leveren diensten dat maatgevend is ter oplossing van de vraag of de diensten waarvoor het Teken en het oudere Merk overeenstemming vertonen, maar wel de eigenlijke diensten waarvoor zij geregistreerd zijn16, zoals het Bureau terecht aannam. De hier te maken beoordeling betreft niet de al dan niet overeenstemming van de concrete feitelijke activiteiten die beide partijen met gebruik van het respectieve teken uitoefenen, doch wel die van de diensten zelf waarvoor beide tekens geregistreerd zijn. Zoals hoger uiteen gezet, is vastgesteld dat die diensten identiek zijn.

42. Het onderscheidend vermogen van het oudere Merk is een belangrijke factor in de beoordeling van het bestaan van gevaar voor verwarring. Merken die hetzij van huis uit, hetzij wegens hun bekendheid op de markt een sterke onderscheidingskracht hebben, genieten een ruimere bescherming dan merken met een geringe onderscheidingskracht. Het grotere onderscheidend vermogen van het oudere merk kan een doorslaggevende factor zijn bij de vaststelling van gevaar voor verwarring wanneer de overeenstemming van de conflicterende tekens en/of de waren en diensten gering is. Wanneer het onderscheidend vermogen van het oudere merk gering is, kan dat een factor zijn die tegen gevaar voor verwarring spreekt. 17

43. Het hof is van oordeel, zoals het Bureau, dat het ouder Merk een normaal onderscheidend vermogen heeft omdat het geen kenmerk van de diensten beschrijft.

45. Het hof neemt verder ten aanzien van de totaalindruk bij het Relevante publiek in aanmerking dat het Teken en het oudere Merk visueel overstemmen, fonetisch in zekere mate overeenstemmen en dat geen begripsmatige overeenstemming in acht moet worden genomen. De betrokken diensten zijn identiek. In acht genomen dat bij de betrokken diensten sprake is van een gemiddeld tot hoog aandachtsniveau van het Relevante publiek, en er derhalve uitgegaan moet worden van dat gemiddeld (zijnde het laagste) aandachtsniveau, is het hof, mede gelet op het voorgaande en deze elementen samen in acht genomen, dan ook van oordeel dat het Relevante Publiek in de Benelux kan menen dat de betrokken diensten afkomstig zijn van dezelfde onderneming of economisch verbonden ondernemingen, zodat sprake is van reëel verwarringsgevaar. I-FID verwijst ter onderbouwing van haar stelling inzake een gebrek aan verwarringsgevaar voor het Teken naar eerdere beslissingen en beslissingen over volgens haar soortgelijke zaken van zowel het Bureau als het EUIPO betreffende een afwezigheid van verwarringsgevaar voor tekens waarbij sprake was van tekens met een gelijk woordbestanddeel en een toegevoegd verschillend woordbestanddeel vooraan. Evenwel betekent zulks niet dat het hof door deze beslissingen gebonden is. Vooreerst betreft dit verschillende zaken waarbij de loutere beslissing over het al dan niet verwarringsgevaar erin, gelet op de telkens noodzakelijk onderscheiden beoordeling van overeenstemming van deze tekens en de waren en/of diensten eraan verbonden in al hun onderdelen, niet getransponeerd kan worden naar deze zaak. De individuele beslissing in deze zaken over het niet bestaan van een verwarringsgevaar kan dus niet getransponeerd worden naar de huidige zaak. Zo is in de door I-FID geciteerde zaak betreffende de beslissing van het Bureau in de zaak met nr. 2016036 van 12 september 2021 (I”I-Run”/”Rrun”) sprake van een beschrijvende betekenis voor het onderdeel “run” in de beide in die zaak beoordeelde tekens, daar waar dit in de huidige zaak voor het woordelement “fid” niet het geval is gebleken. Dit doet de totaalindruk in die zaak aangenomen om die reden alleen al verschillen van die in deze aanhangige zaak. Evenmin is het hof gebonden door het vonnis van de Franstalige Ondernemingsrechtbank van Brussel van 18 april 2024 en door het arrest van het hof van beroep van Brussel van 26 februari 2026, dat het hof niet beoordeelt als een nieuw feit dat van beslissende invloed kan zijn op de beslissing van dit hof. Dat er gedurende de geruime tijd dat sprake is van co-existentie geen enkele klacht is ingediend door een klant over enige ontstane verwarring doet evenmin afbreuk aan het bovenstaande en noopt er niet toe dit te wijzigen. Dat een houder van een Teken door een regelmatige registratie een recht op gebruik van een merk verkrijgt, hem alleen toekomend, en op grond daarvan de hier bedoelde oppositie kan instellen, is eigen aan de daartoe voorziene regeling en betreft geen inbreuk op het merkenrecht, maar een regelmatige toepassing ervan. Het hof beperkt zich in zijn beoordeling ook tot de hier voorgelegde vraag naar het al dan niet rechtsgeldig zijn toegewezen van de oppositie van Myfid door het Bureau. Geen beoordeling door het hof van andere rechtsvragen, zoals die over de bedrijfsnamen van partijen, ligt in het kader van deze oppositie voor, noch is dit hof daarvoor bevoegd.