Uitspraak ingezonden door Fabian Swart, The Legal Group Advocaten.
Proceskosten in IE‑kort geding na onthoudingsverklaring: PetsPlace als in het ongelijk gestelde partij
Rb. Den Haag 10 maart 2026, IEF 23350; C/09/697553 / KG ZA 26-30 (Petjoy c.s. tegen PetsPlace). In dit kort geding staan Pet Joy B.V., Pet Bros. Exclusive B.V. en hun aandeelhouder tegenover PetsPlace.com B.V. in een geschil dat oorspronkelijk draaide om merkinbreuk op IE-rechten van Petjoy c.s. PetsPlace heeft na dagvaarding, op 4 maart 2026, een onthoudingsverklaring getekend en de vermeende merkinbreuk gestaakt. Daarop heeft Petjoy c.s. bij akte van 6 maart 2026 haar eis gewijzigd en alle inhoudelijke IE‑vorderingen ingetrokken, waardoor uitsluitend nog een veroordeling van PetsPlace in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met wettelijke rente, werd gevorderd. PetsPlace vorderde op haar beurt afwijzing van deze proceskostenvordering, veroordeling van Petjoy c.s. in haar kosten, althans beperking van de aan Petjoy c.s. te vergoeden kosten tot het in de onthoudingsverklaring toegezegde bedrag van € 3.000. De voorzieningenrechter verwijst naar het arrest HR 3 juni 2016, GIA/Wieland, en stelt vast dat sprake is van de situatie waarin de gedaagde na aanhangig maken van de zaak tegemoetkomt aan de vordering maar geen overeenstemming over kosten wordt bereikt; in zo’n geval kan de eiser de hoofdvorderingen intrekken en uitsluitend een kostenbeslissing vragen, waarbij de gedaagde als in het ongelijk gestelde partij kan worden aangemerkt. De rechter oordeelt dat Petjoy c.s. in deze situatie een (spoedeisend) belang heeft bij de proceskostenvordering, nu niet gevergd kan worden dat voor alleen de kosten een bodemprocedure wordt gestart, en merkt PetsPlace, die vrijwillig aan de oorspronkelijke vorderingen heeft voldaan, aan als de in het ongelijk gestelde partij in de zin van artikel 1019h Rv.