Mediarecht

IEF 14647

Staken van claims SVH-verklaring en inschrijving in register

Vzr. Rechtbank Amsterdam 10 februari 2015, IEF 14647 (Stichting SVH 2.0 tegen Cihex)
Uitspraak ingezonden door Younes Moussaoui, bureau Brandeis. Mediarecht. SVH 2.0 neemt examens af bij kandidaten ter toetsing van kennis van sociale hygiëne. CIHEX begeeft zich op gelijke markt en geeft geslaagden een diploma "Sociale Hygiëne voor het horecabedrijf". CIHEX wordt verboden, zolang de landelijke examencommissie van SVH 2.0 niet anders heeft beslist, uitlatingen te doen waarin de indruk wordt gewekt dat haar diploma leidt tot verstrekking van SVH Verklaring en inschrijving in het SVH Register Sociale Hygiëne.

4.10. De uitlating dat het CIHEX-diploma aan de wettelijke vereisten voor de Drank- en Horecawet voldoet bevat geen onjuiste mededelingen met betrekking tot SVH 2.0. SVH 2.0 heeft niet inzichtelijk gemaakt waarom een dergelijke uitlating desondanks onrechtmatig moet worden geacht. Zolang de landelijke examencommissie haar oordeel nog niet heeft gegeven kan voorts nog niet worden geoordeeld dat deze mededeling onjuist is, en bovendien staat het CIHEX vrij om met die commissie van mening te verschillen. Er is derhalve geen reden om ten aanzien van deze uitlating de vrijheid van meningsuiting te beperken.

4.11 (...) Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter onvoldoende aanleiding om CIHEX te veroordelen tot het plaatsen van een rectificatie.

4.12. De vordering van SVH 2.0 inhoudende dat CIHEX aan eigenaren van internetzoekmachines opdracht dient te geven de onrechtmatige uitingen van de door hen beheerbare media en uit hun digitale archieven te verwijderen is evenmin toewijsbaar. De omvang van de verplichting die toewijzing van dit deel van de vordering voor CIHEX met zich zal brengen (nog los van de vraag over de uitvoerbaarheid daarvan) weegt niet op tegen het - door SVH 2.0 niet nader omschreven - nadeel de SVH 2.0 ondervindt van het mogelijke terugvindbaarheid van het persbericht.

IEF 14640

Geen dwangsommen voor 'addergebroed' bij niet normale verhouding raadsman-cliënt

Vzr. Rechtbank Limburg 23 december 2014, IEF 14640; ECLI:NL:RBLIM:2014:11197 (mr. X tegen cliënt)
Mediarecht. Raadsman-cliëntverhouding. Tuchtrecht. Eiser in conventie is in 2010 verboden zich publiekelijk en/of in de media onheus en/of diskwalificerend uit te laten over gedaagde door woorden met een uitdrukkelijk negatieve lading, zoals "sujet, addergebroed", te gebruiken. In 2014 is een boek in de handel verschenen, waarin - volgens gedaagde - het opgelegde verbod bewust drie keer is overtreden. Eiser vordert met succes de staking van de ingezette executie van het vonnis. Voorzieningenrechter is ten tijde van het wijzen van het vonnis uitgegaan van een normale verhouding tussen raadsman-cliënt. Volgens het Hof van Discipline voldoent de verhouding van meet af aan niet aan het normaaltype verhouding tussen raadsman en cliënt in strafzaken. De bodemrechter zal mogelijk oordelen dat door het opnemen van de bewuste passages in het boek geen dwangsommen verbeurd zijn.

 

4.3. De voorzieningenrechter heeft in het vonnis van 6 december 2010 bij de beoordeling van de toen voorliggende vordering (impliciet maar onmiskenbaar) de normale verhouding raadsman-cliënt voorop gesteld. Het Hof van Discipline heeft inmiddels geoordeeld dat er vanaf aanvang aan geen normale verhouding raadsman-cliënt is geweest tussen partijen door toedoen van [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] zelf. [gedaagde in conventie, eiser in reconventie] heeft de deugdelijkheid van de motivering van het Hof van Discipline niet ter discussie gesteld. Indien de bodemrechter tot dezelfde bevindingen komt als het Hof van Discipline, kan niet worden uitgesloten dat de bodemrechter zal oordelen dat [eiser in conventie, verweerder in reconventie] door het opnemen van de bewuste passages in het boek geen dwangsom(men) verbeurd heeft.

5.4 (Tuchtzaak): 5.4 Wat het hof vooropgesteld heeft in zijn in 4.5 geciteerde overweging uit 2011, blijft onverkort geldig ten aanzien van het normaaltype van de verhouding tussen raadsman en cliënt in strafzaken. Uit het voorgaande blijkt evenwel dat de verhouding tussen klager en verweerder van meet af aan niet aan dat normaaltype heeft beantwoord. Ook al verkeerde klager, als aangehouden verdachte, in een voor hem bedreigende situatie en ook al had hij zelf verweerder als raadsman gekozen, toch heeft hij verweerder van meet af aan gewantrouwd, ofschoon van goede grond voor wantrouwen niet is gebleken.

IEF 14632

BN'er mag geen mededeling, foto of film op sociale media plaatsen

Hof Amsterdam 9 december 2014, IEF 14632 (Vechtscheiding Emile Ratelband)
Mediarecht. Publiek figuur. De voorzieningenrechter beveelt het onthouden van het doen van mededelingen, al dan niet via (sociale) media aangaande zaken van vertrouwelijke aard van de vechtscheiding(kinderen, alimentatie en de procedure). Dat het huwelijk met een Bekende Nederlander is geïntimeerde zelf ook een publieke figuur geworden, betekent niet dat zij geen recht meer heeft op de vertrouwelijkheid van de vechtscheiding.

Het werd appellant verboden om zonder toestemming foto's en/of filmmateriaal van de minderjarige kinderen aan te bieden of te plaatsen op voor het publiek toegankelijke (sociale) media. Dit is vooruitlopend op de gezagsvoorziening ex 1:253a BW. De beperking op vrijheid van meningsuiting (10 EVRM) is gegeven door de goede rechtspleging uit artikel 29 Rv. Het is niet duidelijk op welke wijze deze beperking inbreuk is op het recht op familieleven (8 EVRM). Het hof bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

 3.1.4. De voorzieningenrechter heeft [appellant] bij het bestreden vonnis veroordeeld zich te onthouden van het doen van mededelingen aan derden, al dan niet via de (sociale) media, aangaande zaken van vertrouwelijke aard (zoals, maar niet beperkt tot, mededelingen over de kinderen en/of de alimentatie), die behoren tot het verhandelde ter terechtzitting met gesloten deuren in het kader van de echtscheidingsprocedure en de procedure bij de voorzieningenrechter. (...)

3.1.5. De voorzieningenrechter heeft [appellant] bij hetzelfde vonnis verboden om zonder toestemming van [geïntimeerde] foto’s en/of filmmateriaal van de minderjarige kinderen van partijen aan te bieden aan of te plaatsen op voor het publiek toegankelijke (sociale) media.

3.3.
[appellant] betoogt bij zijn grieven in de eerste plaats dat de veroordeling inbreuk maakt op zijn grondrechten, met name op zijn vrijheid van meningsuiting als bedoeld in artikel 10 EVRM en op zijn recht op een persoonlijke levenssfeer/familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM. Het hof is echter met de voorzieningenrechter van oordeel dat de vrijheid tot het doen van uitlatingen over de echtscheidingsprocedure wordt begrensd door het bepaalde in artikel 29 lid 1 aanhef en sub a Rv. Dit wetsartikel bepaalt, voor zover van belang, dat het partijen verboden is aan derden mededelingen doen omtrent het verhandelde op een terechtzitting met gesloten deuren. De vertrouwelijkheid van het verhandelde tijdens een terechtzitting met gesloten deuren dient immers niet alleen tijdens de behandeling ter zitting te worden gewaarborgd maar ook na afloop daarvan. Artikel 10 EVRM bepaalt in het tweede lid dat de vrijheid van meningsuiting kan worden onderworpen aan beperkingen die bij wet zijn voorzien en die in een democratische samenleving noodzakelijk zijn in het belang van, onder meer, de bescherming van de rechten van anderen en om verspreiding van vertrouwelijke mededelingen te voorkomen. Van een dergelijke beperking is in dit geval sprake. Daarbij komt dat ook een goede rechtspleging wordt gediend met de beperking zoals gegeven in artikel 29 Rv.

3.7.
Het voorgaande wordt niet anders in het geval dat [appellant], zoals hij aanvoert, de grenzen van het betamelijke niet heeft overschreden. Dat is immers niet de grondslag van de onderhavige veroordeling. In dit verband is dan ook van onvoldoende betekenis dat [geïntimeerde], zoals [appellant] stelt, door haar huwelijk met hem zelf ook een publieke figuur is geworden. Dat betekent immers niet dat zij geen recht meer heeft op de haar door de wetgever gegunde vertrouwelijkheid van het verhandelde ter terechtzitting in de echtscheidingsprocedure.

3.13.
Het hof is van oordeel dat het plaatsen van beeldmateriaal van de kinderen in de (sociale) media in dit geval dermate ingrijpend is voor het leven van de kinderen dat, bij onenigheid daarover tussen de ouders die gezamenlijk met het gezag over de kinderen zijn belast, een gezagsvoorziening als bedoeld in artikel 1:253a BW getroffen dient te worden. Daarop kan bij wijze van voorlopige voorziening vooruit worden gelopen. Bij dit oordeel is van belang dat [appellant] een publieke figuur is waarvoor de (traditionele) media kennelijk zoveel belangstelling hebben dat deze regelmatig publiceren over de echtscheiding tussen [appellant] en [geïntimeerde]. Dit wijst op publieke belangstelling voor het privéleven van [appellant] en daarmee voor zijn kinderen, die daarin een rol spelen. Deze belangstelling zal er ook zijn voor de uitingen die [appellant] zelf doet op de sociale media, zoals ook onder meer blijkt uit het aantal volgers dat hij heeft op Twitter. Dit betekent dat de kinderen bij het plaatsen van beeldmateriaal op indringende wijze worden blootgesteld aan publieke belangstelling en dat zij daar nu en, zeker wat betreft de sociale media, ook in de toekomst last van kunnen en zullen hebben.

3.14.
Het hof acht in dit verband van groot belang dat [appellant] bij zijn uitingen in het verleden de kinderen in verband heeft gebracht met de problemen rond de echtscheiding van partijen, in de stukken ook wel ‘vechtscheiding’ genoemd. Dat de kinderen door deze handelwijze van [appellant] schade kunnen lijden, blijkt uit het “Dringend advies” van de Raad voor de Kinderbescherming aan partijen van 27 februari 2014. De Raad is van mening, aldus dit advies, dat het uitermate schadelijk en stigmatiserend is voor de kinderen wanneer zij geconfronteerd worden met informatie uit de media aangaande de problematiek van partijen. De raad adviseert partijen daarom om zich tot het uiterste in te spannen om te voorkomen dat de kinderen in de media worden genoemd of getoond, met betrekking tot de scheidingsprocedure of de daaruit voortkomende regelingen. Dit advies is dermate helder dat hieruit dient te worden geconcludeerd dat [appellant] niet zonder toestemming van [geïntimeerde] foto’s en/of beeldmateriaal van de kinderen dient aan te beiden of te plaatsen op voor het publiek toegankelijke (sociale) media. Het belang van de kinderen is hierin immers leidend, en niet het belang van de ouders of van een van hen. Het hof merkt voor de volledigheid op dat het onderhavige, in verband met artikel 1:253a BW gegeven verbod eveneens is te zien als een bij wet voorziene beperking op de uitingsvrijheid van [appellant] als bedoeld in artikel 10 lid 2 EVRM. Ook grief VI faalt.

Op andere blogs:
AMS advocaten

IEF 14626

Verhoogde kostenfactor publieke radiozenders in Nationaal Luisteronderzoek

Rechtbank Amsterdam 29 oktober 2014, IEF 14626 (E-Power en Omroep Reclame Nederland c.s. tegen Stichting Radio Advies Bureau)
Uitspraak ingezonden door Arnout Groen, Hofhuis Alkema Groen.
Als randvermelding. E-Power is de landelijke advertentieverkooporganisatie van regionale commerciële radiozenders, ORN van publieke radiozenders. Stichting RAB coördineert al jaren het Nationaal Luister Onderzoek. ORN vordert vernietigbaarheid van de besluitvorming van de vergadering van deelnemers voor zover daardoor op ORN een factor 2,5 respectievelijk 2 moet bijdragen in de kosten van NLO. De vordering wordt afgewezen.

4.5. RAB c.s. heeft aangevoerd dat deze kostenverdeling niet is gebaseerd op het uitgangspunt 'de sterkste schouders dragen de zwaarste lasten' maar op liet principe van een gelijke verdeling van de kosten over de radiozenders. Een grote landelijke zender als Radio 3 FM betaalt dus dezelfde vaste basisbijdrage als een kleinere zender zoals Radio 6. Zij stelt dat de kostenverdelingsstructuur al vanaf de start van het NLO hetzelfde is en dat daarin alleen wijziging is gebracht doordat bij het besluit een variabel deel van de bijdrage is geïntroduceerd, gebaseerd op luisterdichtheid. RAB cs, wijst erop dat, op verzoek van de regionale zenders, de luistercijfers worden gemeten in negen gewesten. Deze verdeling in gewesten is voor landelijke omroepen niet noodzakelijk omdat zij slechts geïnteresseerd zijn in een landelijk representatief cijfer zodat het niet nodig is om voor elk gewest afzonderlijk een representatieve onderzoeksgroep te formeren (ten behoeve van het verkrijgen van representatieve regionale cijfers). (...)

4.6. De rechtbank is van oordeel dat ORN c.s., tegenover de gemotiveerde betwisting door RAB c.s. onvoldoende heeft aangevoerd om te kunnen oordelen dat de krachtens het besluit geldende kostenverdeling naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Het enkele feit dat het gebied waarin de luistercijfers worden gemeten bij een landelijke verkooporganisatie van regionale omroepen globaal even groot is als dat van een landelijke zender, is daartoe niet voldoende. Daarmee miskennen E-Power en ORN immers dat voor de uitvoering van het onderzoek (en de daarmee verbonden kosten) een landelijke verkooporganisatie van 14 respectievelijk 13 regionale zenders, die in totaal in 40 respectievelijk 49 gewesten worden gemeten, niet gelijk kan worden gesteld met één landelijke zender die in 9 gewesten wordt gemeten. Weliswaar is het gebied waarbinnen de luistercijfers worden gemeten globaal even groot bij een landelijke verkooporganisatie van regionale omroepen als bij een landelijke zender (namelijk heel Nederland) maar het onderzoek zelf (meting in 40 gewesten versus meting in 9 gewesten) is niet hetzelfde ORN c.s. neemt - m de woorden van RAB c.s. - meer gegevens af dan een landelijke zender. (...)

4.8. ORN cs. heeft onbetwist gesteld dat er geen (door adverteerder geaccepteerd) alternatief is voor het NLO, en dat zij - als zij wilde blijven deelnemen aan het NLO - wel moest overgaan tot ondertekening van de Participatieovereenkomst. Verder staat vast dat RAB c.s. ten tijde Van de ondertekening van de Participatieovereenkomst op de hoogte was van het feit dat ORN cs. een andere kostenverdeling voorstond. Dit een en ander maakt evenwel nog niet dat sprake is van misbruik van omstandigheden. Voor vernietiging is immers slechts plaats indien er misbruik wordt gemaakt van de afhankelijke positie van de wederpartij. Daarvan is in dit geval naar het oordeel van de rechtbank geen sprake, aangezien de kostenverdeling bij rechtsgeldig besluit is vastgesteld, en niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.


IEF 14617

Geen links naar profielen (oud-)medewerkers SNS

Vzr. Rechtbank Gelderland 24 december 2014, IEF 14617; ECLI:NL:RBGEL:2014:8167 (SNS Bank tegen Stichting Krediet Verdriet)
Mediarecht. Onrechtmatige publicatie. Stichting Krediet Verdriet plaatst namen, telefoonnummers, emailadressen en links naar persoonlijke en/of zakelijke profielen van (oud-)werknemers van de SNS Bank op de website bankenboeven.nl. De belangenafweging van vrijheid van meningsuiting (7 Grondwet en 10 EVRM) tegenover inbreuk op persoonlijke levenssfeer (285b Sr en 8 Wbp), slaat uit naar de laatste. Zij krijgt een verbod op het internet publiceren van deze persoonlijke gegevens.

De voorzieningenrechter veroordeelt gedaagde en Stichting Krediet Verdriet om binnen twaalf uur na betekening van het vonnis alle persoonsgegevens van werknemers en/of oud-werknemers van SNS Bank als bedoeld in artikel 1 sub a van de Wet Bescherming Persoonsgegevens waaronder tenminste namen, links naar persoonlijke of zakelijke profielen op andere websites en telefoonnummers en e-mailadressen te verwijderen en verwijderd te houden van de website Bankenboeven.nl of elke andere openbare bron, digitaal of anderszins,
IEF 14593

Kantonrechter niet bevoegd bij eis rectificatie van verhuurbemiddelaars

Ktr. Rechtbank Midden-Nederland 16 januari 2015, IEF 14593 (eisers tegen AvroTros)
Uitspraak ingezonden door Bertil van Kaam en Nils Winthagen, Van Kaam. Mediarecht. Procesrecht. Eiseres bemiddelen in de huursector. AvroTros Radar heeft aandacht besteed aan huurbemiddelaars die voor zowel verhuurder als aspirant-huurder bemiddelingswerkzaamheden verricht. De bij de aspirant-huurder in rekening gebrachte bemiddelingskosten zijn aangemerkt als onterecht betaalde bemiddelingskosten welke teruggevorderd kunnen worden op radar.tv is een voorbeeldbrief beschikbaar. Eisers vorderen rectificatie. De kantonrechter verklaart zich onbevoegd omdat er sprake is van subjectieve cumulatie van vorderingen namens vijftiental eisers en er sprake is van schade van onbepaalde waarde dan wel vele malen hoger dan €25.000.

4.1. Bij dagvaarding hebben een vijftiental eisers een vordering ingesteld tegen een tweetal gedaagden. Dit betekent dat in deze zaak in ieder geval sprake is van een subjectieve cumulatie van vorderingen. Anders dan bij een objectieve cumulatie van vorderingen kent de wet geen bijzondere regel om de competentie om de competentie bij subjectieve vorderingen te bepalen. In het onderhavige geval is dan ook als uitgangspunt dat voor iedere eiser afzonderlijk de bevoegdheid van de rechter moet worden vastgesteld.

4.3. De kantonrechter volgt eisers niet in de stelling dat het gevorderde moet worden aangemerkt als een aardvordering als bedoeld in artikel 93 aanhef en onder c. Rv (vorderingen uit hoofde van huur). De door eisers ingestelde vordering tot rectificatie èn de vordering tot betaling van een voorschot op de geleden en nog te leiden schade zijn immers gebaseerd op een door gedaagden gepleegde onrechtmatige daad als bedoeld in 6:162 BW, te weten de door eisers gestelde onrechtmatige uitlatingen. Tussen partijen bestaat ook geen enkele huurverhouding. De kantonrechter kan zijn bevoegdheid dan ook niet verlenen aan het bepaalde in art. 254 lid 5 Rv.

4.5. De vordering tot rectificatie dient te worden aangemerkt als een vordering van onbepaalde waarde. (...)

4.6. De mededeling zijdens eisers dat de schade 'vele malen hoger is dan €25.000,--' betekent tevens dat de in kort geding tot €25.000,-- beperkte geldvordering gegrond is op een rechtstitel met een belang dat meer dan €25.000,-- is. Nu gedaagden tevens verweer tegen de rechtstitel voeren is de kantonrechter ook om die reden niet bevoegd (art. 93 aanhef en onder a. Rv). Dit geldt te meer nu niet gesteld is dat het totale beloop of de totale waarde van de vorderingen van één afzonderlijke eiser(es) geen hogere waarde vertegenwoordigt dan €25.000,--.
IEF 14587

Voldoende steun in feiten voor artikel Paradijs voor Pedo's

Hof Amsterdam 20 januari 2015, IEF 14587; ECLI:NL:GHAMS:2015:119 (Paradijs voor Pedo's)
Mediarecht. Publicaties niet onrechtmatig. [appellant] is vastgoedhandelaar en mede-eigenaar van hotel in Accra te Ghana. OneWorld.nl had een artikel geplaatst met als titel 'Paradijs voor Pedo's'. De daarin geuite beschuldigingen vinden voldoende steun in feitenmateriaal en er is voldoende invulling aan beginsel hoor en wederhoor.

3.11.
Het hof verenigt zich op grond van een en ander met het oordeel van de voorzieningenrechter dat de door [geïntimeerde] in haar artikel van 28 juni 2012 jegens [appellant] geuite beschuldigingen voldoende steun vonden in het haar op dat moment beschikbare feitenmateriaal. Uit dit feitenmateriaal volgt immers, zoals de voorzieningenrechter terecht heeft overwogen, dat [appellant] verdacht is geweest van seksueel misbruik van [A], dat hij aangehouden is geweest en op borg is vrijgelaten en dat hij in Ghana werd vervolgd. Het feitenmateriaal biedt aldus voldoende steun aan de strekking van het artikel. In hetgeen [appellant] heeft aangevoerd is voorts onvoldoende grond te vinden om beter onderzoek van [geïntimeerde] te verlangen of om van haar te vergen dat zij bepaalde feiten in haar artikel vermeldt.

3.16.
[appellant] wijst nog erop dat het in strijd met de waarheid is dat, zoals [geïntimeerde] in haar artikel meldt, de strafzaak tegen hem is heropend. Uit de door hem overgelegde brief van het openbaar ministerie van 28 november 2013 valt immers, zo voert hij aan, slechts af te leiden dat de sluiting van het strafrechtelijk onderzoek is heroverwogen. Het hof gaat erin mee dat de mededeling in het artikel van [geïntimeerde] feitelijk niet (geheel) juist is. Het valt echter niet zonder meer aan te nemen dat [geïntimeerde] doelbewuste heeft gelogen. Het kan zijn dat sprake is geweest van een begripsverwarring; er lag immers een verzoek om de sluiting van het strafrechtelijk onderzoek te heroverwegen. [geïntimeerde] wijst terecht erop dat dit verzoek pas na publicatie van haar artikel is afgewezen. Het hof ziet in de (onjuiste) mededeling in elk geval onvoldoende grond om de artikelen onrechtmatig te achten, temeer omdat de mededeling dat het strafrechtelijk onderzoek is heropend niet de kern van de artikelen beslaat maar slechts een zijdelingse opmerking is.
3.17.
Het hof is op grond van een en ander van oordeel dat ook de publicaties van 8 oktober 2013 en 8 november 2013 voldoende steun vonden in het beschikbare feitenmateriaal. Ook de grieven IX tot en met XI falen.

3.18.
De voorzieningenrechter heeft bij haar oordeel dat publicatie van de artikelen van 28 juni 2012, 8 oktober 2013 en 8 november 2013 niet onrechtmatig was, meegewogen dat [appellant] tot op zekere hoogte een publieke figuur is en dat het gaat om zeer ernstige misstanden, te weten kinderensekstoerisme in Ghana en de omstreden Ghanese rechtsgang, die enerzijds meebrengen dat er een groot publiek belang is om op de hoogte te worden gebracht van deze misstanden, maar anderzijds dat de onderhavige publicaties het privéleven en de reputatie van [appellant] in aanzienlijke mate schenden. [appellant] heeft een en ander bij zijn grieven niet bestreden. Ook het hof zal deze omstandigheden bij zijn oordeel meewegen.

3.21.
Het hof is op grond van een en ander zoals hiervoor overwogen, gelet op alle omstandigheden met de voorzieningenrechter van oordeel dat de publicaties van [geïntimeerde] niet onrechtmatig zijn jegens [appellant]. Er is dan ook geen grond de door [appellant] gevorderde voorzieningen toe te wijzen.
IEF 14572

Verbod openbaarmaken privégegevens en bedreigende uitlatingen aan AvroTros-medewerkers

Hof Amsterdam 20 januari 2015, IEF 14572 (AvroTros tegen L.)
Uitspraak mede ingezonden door Bertil van Kaam en Nils Winthagen, Van Kaam. Uit het persbericht Hof: Het hof heeft vandaag geoordeeld dat L. geen privégegevens van medewerkers van de redactie van ‘Opgelicht’ en AvroTros openbaar mag maken. Het hof volgt hiermee een eerdere uitspraak van de rechtbank. Anders dan de rechtbank oordeelde het hof echter over de uitlatingen van L. Volgens het hof moeten deze als bedreigend worden aangemerkt en L. dient zich van verdere bedreigende uitlatingen richting medewerkers te onthouden.

Programma ‘Opgelicht’ plaatst dossier L. op website

Het televisieprogramma ‘Opgelicht’ van AvroTros besteedde in 2010 aandacht aan de werkwijze van L. bij de verkoop van zonnepanelen. Ook plaatste AvroTros een dossier over L. op de website van ‘Opgelicht’.

L. wil dat AvroTros zijn dossier van de website verwijdert. Om dat te bereiken zocht hij per email en telefonisch contact met medewerkers van de redactie van ‘Opgelicht’ en AvroTros.
Hierbij kondigde hij aan privégegevens van medewerkers op het internet te zullen plaatsen. Ook deed L. tegenover de medewerkers uitlatingen, die volgens het oordeel van het hof als bedreigend konden worden ervaren.
L. hoopte hiermee kracht bij te zetten aan zijn wens het dossier van de website verwijderd te krijgen.

Dwangsom
Het hof legt L. voor iedere overtreding van een verbod een dwangsom van  € 250,-- op, met een maximum van € 10.000,--.