IEF 23689
14 juli 2026
Artikel

Rechtbank Frankfurt verduidelijkt wanneer AI-gegenereerde afbeeldingen auteursrechtinbreuk opleveren

 
IEF 23684
14 juli 2026
Uitspraak

Gerecht EU laat terugverwijzingsbeslissing over het beschrijvende karakter van ‘MICUIR HANDMADE IN SPAIN’ in stand

 
IEF 23683
14 juli 2026
Uitspraak

Gerecht EU vernietigt afwijzing van oppositie tegen BLUE PADEL wegens onvolledige beoordeling van verwarringsgevaar met BULLPADEL

 
IEF 23689

Rechtbank Frankfurt verduidelijkt wanneer AI-gegenereerde afbeeldingen auteursrechtinbreuk opleveren


Generatieve AI maakt het eenvoudig om bestaande foto's als uitgangspunt te nemen voor nieuwe afbeeldingen. Daarmee rijst een fundamentele vraag: wanneer levert een met AI gegenereerde afbeelding een auteursrechtelijke bewerking van de oorspronkelijke foto op? En wanneer is de afstand tot het origineel zo groot geworden dat van auteursrechtinbreuk geen sprake meer is?

Nadat het Hof Düsseldorf eerder dit jaar oordeelde dat een AI-afbeelding van een hond onder water geen inbreuk opleverde omdat alleen het onbeschermde motief was overgenomen, komt ook de Rechtbank Frankfurt tot een vergelijkbaar oordeel. In haar uitspraak van 27 mei 2026 bevestigt zij dat het gebruik van AI geen afwijkend toetsingskader vereist: doorslaggevend blijft de vraag of wel of geen beschermde creatieve trekken zijn overgenomen. Wel kan het gebruik van AI bewijsrechtelijke vragen oproepen, met name hoe kan worden aangetoond dat een beschermde afbeelding daadwerkelijk als input voor een AI-systeem is gebruikt. Daarbij wordt uitdrukkelijk niet ingegaan op de vraag of die invoering op zichzelf een auteursrechtelijk relevante handeling oplevert.

Dit is een preview. Het volledige artikel is nu beschikbaar op www.AI-Forum.nl.

IEF 23684

Gerecht EU laat terugverwijzingsbeslissing over het beschrijvende karakter van ‘MICUIR HANDMADE IN SPAIN’ in stand

Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 jul 2026,, IEF 23684; ECLI:EU:T:2026:448 (Elena Nayra Peña de Paz tegen EUIPO en Cuchy & Charly, SL), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-laat-terugverwijzingsbeslissing-over-het-beschrijvende-karakter-van-micuir-handmade-in-spain-in-stand

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23684; IEFbe 4258; ECLI:EU:T:2026:448 (Elena Nayra Peña de Paz tegen EUIPO en Cuchy & Charly, SL). Cuchy & Charly verzocht om nietigverklaring van het Uniewoordmerk MICUIR HANDMADE IN SPAIN voor waren in de klassen 18 en 25. De nietigheidsafdeling wees het verzoek af, maar de kamer van beroep vernietigde die beslissing en verwees de zaak terug voor een volledig onderzoek naar het beschrijvende karakter en het gebrek aan onderscheidend vermogen voor alle betrokken waren. Het Gerecht oordeelt dat het beroep van de merkhouder tegen deze terugverwijzingsbeslissing ontvankelijk is. Een beslissing van een kamer van beroep is ook voor beroep vatbaar wanneer de zaak wordt terugverwezen, omdat de nietigheidsafdeling op grond van artikel 71 lid 2 UMVo aan de motivering en het dictum daarvan gebonden is. De merkhouder moest daarom onmiddellijk kunnen opkomen tegen de bindende vaststelling dat een niet te verwaarlozen deel van het Franstalige publiek het teken beschrijvend opvat. Dat zij in de procedures bij het EUIPO geen opmerkingen had ingediend, stond niet aan haar beroep of argumenten in de weg: actieve deelname is daarvoor geen voorwaarde. Het Gerecht legt haar verzoek om de beslissing te “vernietigen of in te trekken” uitsluitend uit als een verzoek tot nietigverklaring, omdat intrekking op grond van artikel 103 UMVo aan het EUIPO zelf is voorbehouden. Ook de overgelegde bijlagen waren ontvankelijk, hetzij omdat zij al tot het EUIPO-dossier behoorden, betrekking hadden op registratiepraktijk of noodzakelijk waren voor het beroep, hetzij omdat zij waren bedoeld om door de kamer van beroep als algemeen bekend aangemerkte feiten te betwisten.

IEF 23683

Gerecht EU vernietigt afwijzing van oppositie tegen BLUE PADEL wegens onvolledige beoordeling van verwarringsgevaar met BULLPADEL

Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 jul 2026,, IEF 23683; ECLI:EU:T:2026:440 (Aguirre y Compañía, SA tegen EUIPO en Maria Margarida Moreira de Almeida Santos), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-vernietigt-afwijzing-van-oppositie-tegen-blue-padel-wegens-onvolledige-beoordeling-van-verwarringsgevaar-met-bullpadel

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23683; IEFbe 4257; ECLI:EU:T:2026:440 (Aguirre y Compañía, SA tegen EUIPO Maria Margarida Moreira de Almeida Santos). Aguirre y Compañía verzette zich tegen de inschrijving van het Uniewoordmerk BLUE PADEL voor “jerseys [kleding]” in klasse 25 op basis van drie oudere Uniebeeldmerken BULLPADEL. Het Gerecht bevestigt dat het relevante publiek bestaat uit het algemene publiek van de Europese Unie met een gemiddeld aandachtsniveau. De jerseys vallen onder de ruimere categorieën kleding en sportkleding van het oudere merk en zijn daarom merkenrechtelijk identiek; ten opzichte van padelrackets zijn zij slechts in geringe mate soortgelijk. Het gemeenschappelijke element ‘padel’ mist onderscheidend vermogen, omdat het rechtstreeks verwijst naar de sport waarvoor de betrokken waren kunnen worden gebruikt. De elementen ‘bull’ en ‘blue’ zijn wel onderscheidend. De tekens zijn visueel en begripsmatig in geringe mate en fonetisch in gemiddelde mate overeenstemmend. Ook mocht de kamer van beroep uitgaan van een normaal intrinsiek onderscheidend vermogen van het oudere merk, omdat de overgelegde stukken wel gebruik aantoonden, maar niet dat BULLPADEL bij een significant deel van het relevante algemene publiek een versterkt onderscheidend vermogen had verkregen.

IEF 23685

Hoge Raad verwerpt principale en incidentele cassatieberoepen in geschil tussen HP en Digital Revolution c.s. met toepassing van artikel 81 RO

Hoge Raad 10 jul 2026,, IEF 23685; ECLI:NL:HR:2026:1249 (HP tegen DR), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hoge-raad-verwerpt-principale-en-incidentele-cassatieberoepen-in-geschil-tussen-hp-en-digital-revolution-c-s-met-toepassing-van-artikel-81-ro

HR 10 juli 2026, IEF 23685; RB 4049; ECLI:NL:HR:2026:1249 (HP tegen DR). In deze zaak tussen HP en Digital Revolution en de overige onder de gezamenlijke aanduiding DR genoemde vennootschappen gaat het volgens de inhoudsindicatie om misleidende handelspraktijken en merkenrecht in verband met de verkoop van inktcartridges zonder originele buitenverpakking. HP stelde principaal cassatieberoep in tegen het arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 april 2025 en DR stelde incidenteel cassatieberoep in. Partijen concludeerden over en weer tot verwerping. Advocaat-generaal G.R.B. van Peursem concludeerde eveneens tot verwerping van beide cassatieberoepen met toepassing van artikel 81 lid 1 RO. De Hoge Raad heeft de klachten beoordeeld en oordeelt dat deze niet tot vernietiging van het arrest van het hof kunnen leiden. Omdat beantwoording van de klachten niet nodig is voor de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling, motiveert de Hoge Raad dit oordeel niet nader. Het arrest bevat daarom geen inhoudelijk gemotiveerd oordeel of nieuwe rechtsregel over de merkenrechtelijke en consumentenrechtelijke geschilpunten. Door de verwerping van beide cassatieberoepen blijft het arrest van het hof in stand.

IEF 23682

Gerecht EU bevestigt weigering van ‘Be the Heartbeat of Healthcare’ voor personeelsdiensten wegens gebrek aan onderscheidend vermogen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 8 jul 2026,, IEF 23682; ECLI:EU:T:2026:445 (Phoenix Pharma SE tegen EUIPO), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-bevestigt-weigering-van-be-the-heartbeat-of-healthcare-voor-personeelsdiensten-wegens-gebrek-aan-onderscheidend-vermogen

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23682, IEFbe 4256; ECLI:EU:T:2026:445 (Phoenix Pharma SE tegen EUIPO). Phoenix Pharma vroeg inschrijving aan van het Uniewoordmerk ‘Be the Heartbeat of Healthcare’ voor diverse wervings-, selectie-, personeelsbeheer- en uitzenddiensten in klasse 35. De onderzoeker wees de aanvraag gedeeltelijk af op grond van artikel 7 lid 1 onder b, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo. De kamer van beroep bevestigde die weigering. Volgens haar zal het relevante Engelstalige publiek, dat deels uit het algemene publiek en deels uit vakpubliek met een verhoogd aandachtsniveau bestaat, de slogan begrijpen als een aansporing om een essentieel of belangrijk onderdeel van het gezondheidszorgstelsel te worden. Het Gerecht verwerpt het beroep van Phoenix Pharma op artikel 94 lid 1, tweede volzin, UMVo. De kamer van beroep had met haar verwijzing naar het Cambridge Dictionary geen nieuwe betekenis of nieuwe weigeringsgrond geïntroduceerd, maar slechts de reeds door de onderzoeker gehanteerde betekenis van ‘the heartbeat of something’ verduidelijkt. Phoenix Pharma had zich daarover in de administratieve procedure al kunnen uitlaten, zodat haar rechten van verdediging niet waren geschonden. Het Gerecht hoefde daarom niet meer te beoordelen of die betekenis als een algemeen bekend feit kon worden aangemerkt.

IEF 23679

Rb. Amsterdam: merkinbreuk door het hervullen en verhandelen van Heinekenfusten met ander bier

Rechtbank Amsterdam 26 okt 2011,, IEF 23679; ECLI:NL:RBAMS:2011:10620 (eiseressen tegen gedaagden), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-amsterdam-merkinbreuk-door-het-hervullen-en-verhandelen-van-heinekenfusten-met-ander-bier

Rechtbank Amsterdam 26 oktober 2011, IEF 23679; ECLI:NL:RBAMS:2011:10620 (eiseressen tegen gedaagden). Heineken Nederland, Heineken Brouwerijen, Amstel Brouwerij en Brand Bierbrouwerij vorderden tegen drie niet-verschenen gedaagden onder meer verklaringen voor recht, verboden, schadevergoeding, winstafdracht en verschillende nevenvoorzieningen wegens inbreuk op hun merk- en handelsnaamrechten en onrechtmatig handelen. Uit het dictum blijkt dat de verweten gedragingen onder meer bestonden uit het vullen of laten vullen van fusten, andere verpakkingen en kelderbierinstallaties waarop merken of handelsnamen van Heineken waren aangebracht met ander bier dan Heinekenbier. Ook het invoeren, uitvoeren, aanbieden, in voorraad houden en verhandelen van zulke gevulde verpakkingen, het leveren van ander bier aan aan Heineken gebonden horecaondernemers en het inzamelen of verwerven van Heinekenfusten werden verboden. Omdat gedaagden niet waren verschenen, werd verstek verleend. De rechtbank overweegt uitsluitend dat de gevorderde dwangsom moet worden beperkt en dat de overige vorderingen haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen. Een zelfstandige beoordeling van de merkenrechtelijke inbreukcriteria ontbreekt daardoor in het gepubliceerde vonnis; voor de feitelijke grondslag wordt verwezen naar de aan het vonnis gehechte dagvaarding.

IEF 23681

Gerecht EU: kamer van beroep onderschat dominante positie van ‘BIOGROUP’ en overeenstemming tussen beeldmerken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 13 jul 2026,, IEF 23681; ECLI:EU:T:2026:449 (SCM Biogroup tegen EUIPO en Bio Group Medical System Srl), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-kamer-van-beroep-onderschat-dominante-positie-van-biogroup-en-overeenstemming-tussen-beeldmerken

Gerecht EU 8 juli 2026, IEF 23681; IEFbe 4255; ECLI:EU:T:2026:449 (SCM Biogroup tegen EUIPO en Bio Group Medical System Srl). SCM Biogroup verzette zich tegen de inschrijving van het Uniebeeldmerk BIO-GROUP MEDICAL SYSTEM voor onderzoeks-, analyse-, test- en controlediensten in klasse 42. De oppositie was onder meer gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk BIOGROUP en op de handelsnaam SCM BIOGROUP en de domeinnaam biogroup.fr. Nadat de oppositieafdeling de oppositie had toegewezen, vernietigde de kamer van beroep die beslissing en wees zij de oppositie volledig af wegens het ontbreken van verwarringsgevaar. Het Gerecht bevestigt dat het relevante publiek hoofdzakelijk bestaat uit beroepsbeoefenaren met een relatief hoog aandachtsniveau. Ook onderschrijft het Gerecht dat het gemeenschappelijke element ‘biogroup’ of ‘bio-group’ slechts zwak onderscheidend is. De woorden ‘bio’ en ‘group’ zijn voor het relevante publiek begrijpelijk en hun samenvoeging levert geen ongebruikelijke of fantasievolle term op die meer is dan de som van de afzonderlijke bestanddelen. De overgelegde bewijzen tonen wel gebruik van het oudere merk aan, maar zijn onvoldoende om een door intensief gebruik of bekendheid versterkt onderscheidend vermogen vast te stellen.

IEF 23673

Uniemerk 4011 B552 terecht nietig wegens kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 1 jul 2026,, IEF 23673; ECLI:EU:T:2026:422 ((Driss El Hakmaoui Attilah tegen EUIPO)), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/uniemerk-4011-b552-terecht-nietig-wegens-kwade-trouw

Gerecht EU 1 juli 2026, IEF 23673; IEFbe 4252; ECLI:EU:T:2026:422 (Driss El Hakmaoui Attilah tegen EUIPO). Het Gerecht van de Europese Unie verwerpt het beroep van Driss El Hakmaoui Attilah tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO van 23 oktober 2024 (zaak R 403/2024‑2), waarin het Uniebeeldmerk 4011 B552 nietig wordt verklaard wegens kwade trouw. Bella Tawziaa II en Groupe Bellakhdar vorderen op 31 maart 2022 bij het EUIPO nietigverklaring van het in 2013 aangevraagde Uniebeeldmerk (nr. 11 674 413) voor waren in klasse 30 (waaronder koffie, thee en aanverwante producten). Zij beroepen zich daarbij op oudere rechten die onder meer de elementen 4011 en B552, Arabische woordelementen en een leeuwconcept of leeuwafbeelding bevatten. De nietigheidsvordering is formeel gebaseerd op art. 59 lid 1 sub b Verordening (EU) 2017/1001 (Uniemerkverordening 2017), maar omdat de merkaanvraag dateert van 21 maart 2013, beoordeelt het Gerecht de zaak materieel aan de hand van art. 52 lid 1 sub b Verordening (EG) nr. 207/2009. Het Gerecht benadrukt dat bij kwade trouw niet dezelfde vergelijking plaatsvindt als bij verwarringsgevaar: het gaat niet om een precieze mate van overeenstemming vanuit het perspectief van de gemiddelde consument, maar om de bedoeling van de aanvrager op het moment van indiening van de merkaanvraag. Die bedoeling moet objectief worden vastgesteld aan de hand van alle relevante omstandigheden, waarbij ook feiten van na het depot in aanmerking mogen worden genomen voor zover zij licht werpen op de intentie ten tijde van het depot.

IEF 23680

HvJ EU: state-of-the-art geoblocking voorkomt een mededeling aan het publiek in een lidstaat waar het werk nog beschermd is

HvJ EU 9 jul 2026,, IEF 23680; ECLI:EU:C:2026:559 (Anne Frank Fonds tegen Anne Frank Stichting, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Vereniging voor Onderzoek en Ontsluiting van Historische Teksten), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hvj-eu-state-of-the-art-geoblocking-voorkomt-een-mededeling-aan-het-publiek-in-een-lidstaat-waar-het-werk-nog-beschermd-is

HvJ EU 9 juli 2026, IEF 23680; IEFbe 4254; ECLI:EU:C:2026:559 (Anne Frank Fonds tegen Anne Frank Stichting, Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen, Vereniging voor Onderzoek en Ontsluiting van Historische Teksten). In het kader van een gezamenlijk initiatief van de Anne Frank Stichting, de KNAW en de Vereniging voor Onderzoek en Ontsluiting van Historische Teksten werd via een Belgische website een kosteloos toegankelijke wetenschappelijke editie van de manuscripten van Anne Frank aangeboden. De werken behoren in onder meer België tot het publieke domein, maar zijn in Nederland gedeeltelijk nog tot 2037 auteursrechtelijk beschermd. De toegang vanuit Nederland werd daarom met geoblocking geblokkeerd. Het Hof oordeelt dat in Nederland geen mededeling aan het publiek in de zin van artikel 3 lid 1 van Richtlijn 2001/29 plaatsvindt wanneer die geoblocking een doeltreffende technische voorziening in de zin van artikel 6 lid 3 vormt. In deze context is daarvan sprake wanneer de geoblocking state-of-the-art is. De doeltreffendheid hoeft niet absoluut te zijn: de enkele mogelijkheid dat individuele gebruikers de blokkade met een VPN of vergelijkbare dienst omzeilen, maakt haar niet ondoeltreffend. Bij de beoordeling moet onder meer rekening worden gehouden met de geschiktheid en evenredigheid van de maatregel, de stand van de techniek, de technische en praktische uitvoerbaarheid, de kosten en de mogelijkheden tot omzeiling. Een aanvullende verklaring waarin de gebruiker bevestigt zich in een publiekdomeinland te bevinden, is niet doeltreffend omdat zij uitsluitend afhankelijk is van de bereidheid van de gebruiker om naar waarheid te antwoorden. De conclusie van A-G Rantos van 15 januari 2026 is gepubliceerd op IE-Forum onder [IEF 23216].

IEF 23678

Hof Amsterdam bepaalt in tussenbeschikking de omvang en wijze van beperkte inzage in SVOD-tariefcriteria van Buma/Stemra

Hof Amsterdam 16 jun 2026,, IEF 23678; ECLI:NL:GHAMS:2026:1705 (Disney tegen Buma/Stemra, Apple en Netflix), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/hof-amsterdam-bepaalt-in-tussenbeschikking-de-omvang-en-wijze-van-beperkte-inzage-in-svod-tariefcriteria-van-buma-stemra

Hof Amsterdam 16 juni 2026, IEF 23678; ECLI:NL:GHAMS:2026:1705 (Disney tegen Buma/Stemra, Apple en Netflix). Disney verzoekt op grond van artikel 843a (oud) Rv om inzage in licentieovereenkomsten en andere bescheiden over de tarieven die Buma/Stemra hanteert voor het gebruik van muziekauteursrechten door aanbieders van subscription video on demand. In een eerdere tussenbeschikking had het hof bindend beslist dat Disney slechts een beperkt rechtmatig belang bij inzage heeft. Zij mag uitsluitend kennisnemen van de criteria, factoren en omstandigheden die Buma/Stemra heeft betrokken bij de bepaling van de aan andere SVOD-aanbieders aangeboden tarieven en van de redenen waarom eventuele kortingen, afslagen of aftrekposten zijn aangeboden. Disney heeft geen recht op de concrete tarieven of kortingen, de namen van andere aanbieders, de volledige licentieovereenkomsten, de concrete toepassing van de criteria, tariefberekeningen, gegevens over muziekgebruik of percentages afgekochte rechten. Het hof komt niet terug van deze bindende eindbeslissingen. De door Buma/Stemra aangehaalde uitspraak over de algemene openbaarmakingsplicht van artikel 2p WtcbO en artikel 21 van Richtlijn 2014/26/EU betreft een andere verplichting dan de hier relevante bilaterale informatieplicht van artikel 2l WtcbO en artikel 16 van die richtlijn. Voldoende aannemelijk is dat naast de twee door Buma/Stemra genoemde criteria ook andere factoren een rol kunnen spelen bij de tariefonderhandelingen. Buma/Stemra moet gebruikers daarom de noodzakelijke informatie en de gebruikte tariefcriteria verschaffen om onderhandelingen te kunnen voeren over objectieve en niet-discriminerende tarieven.