IEF 23554
13 mei 2026
Artikel

Europese Commissie scherpt richtsnoeren voor deepfakes en AI-content aan: Daniël de Weerd spreekt hierover op IE Zomerforum

 
IEF 23547
13 mei 2026
Artikel

Het wetsvoorstel Nieuw naburig recht deepfakes van personen: een kritische bespreking van twee onderbelichte aspecten – Jorn Torenbosch & Charlotte Vrendenbarg

 
IEF 23555
13 mei 2026
Artikel

Aanvraag merkbescherming stem Taylor Swift vooral voor de show

 
IEF 23554

Europese Commissie scherpt richtsnoeren voor deepfakes en AI-content aan: Daniël de Weerd spreekt hierover op IE Zomerforum

De Europese Commissie heeft concept-richtsnoeren gepubliceerd over de toepassing van de transparantieverplichtingen van art. 50 AI Act. De richtsnoeren geven uitgebreide uitleg over de verplichtingen voor aanbieders en gebruikers van AI-systemen die deepfakes, synthetische content, chatbots en andere AI-gegenereerde output inzetten. Zo verduidelijkt de Commissie hoe de transparantieverplichtingen van art. 50 AI Act moeten worden toegepast bij AI-gegenereerde of gemanipuleerde content, welke openbaarmakingsplichten gelden voor deployers van deepfakes en welke technische maatregelen volgens de Commissie geschikt zijn om AI-content machineleesbaar herkenbaar en detecteerbaar te maken. Ook wordt ingegaan op uitzonderingen voor satire, fictie en artistieke werken, en op de verhouding tot andere Europese regelgeving zoals de DSA en AVG. De Commissie benadrukt daarbij expliciet dat de richtsnoeren niet-bindend zijn en dat uiteindelijk alleen het Hof van Justitie de AI Act gezaghebbend kan uitleggen.

De publicatie laat zien hoe snel de Europese regulering van AI en deepfakes zich ontwikkelt — en welke gevolgen dit kan hebben voor media, platforms, creatieve makers en IE-praktijkjuristen. Tijdens het IE Zomerforum op 4 juni 2026 zal Daniël de Weerd deze nieuwe concept-richtsnoeren bespreken en ingaan op de juridische impact van de AI Act voor de praktijk.

Schrijf je nu in voor het IE Zomerforum

IEF 23547

Het wetsvoorstel Nieuw naburig recht deepfakes van personen: een kritische bespreking van twee onderbelichte aspecten – Jorn Torenbosch & Charlotte Vrendenbarg

Klik hier om het artikel te lezen. 

Voorpublicatie IER 2026/3 – Wetsvoorstel deepfakes onder de loep
Deepfakes zijn in korte tijd uitgegroeid van technologische curiositeit tot een juridisch en maatschappelijk urgent onderwerp. Het onlangs gepubliceerde wetsvoorstel Nieuw naburig recht deepfakes van personen moet natuurlijke personen meer zeggenschap geven over het gebruik van hun stem en beeltenis in AI-gegenereerde content. Het voorstel heeft inmiddels geleid tot stevige discussies over de verhouding tot het privacyrecht, het auteursrecht en de wenselijkheid van een nieuw exploiteerbaar deepfake-recht.

In onderstaande bijdrage bespreken Jorn Torenbosch en Charlotte Vrendenbarg twee aspecten van het wetsvoorstel die in het debat tot nu toe onderbelicht zijn gebleven: de verenigbaarheid met het geharmoniseerde privacyrecht en de concrete inhoud en systematiek van het voorgestelde naburige recht. Deze bijdrage betreft een voorpublicatie. Het artikel zal binnenkort verschijnen in IER 2026/3.

Het wetsvoorstel deepfakes — en de thema’s die in dit artikel aan bod komen — zullen bovendien worden besproken tijdens het IE Zomerforum op 4 juni 2026.

Meld je hier aan voor het IE Zomerforum! 

IEF 23555

Aanvraag merkbescherming stem Taylor Swift vooral voor de show

Bas Kist, 7 mei 2026 

Taylor Swift staat groot op de voorpagina’s van Amerikaanse dagbladen. Ze vraagt merkbescherming aan voor haar stem en uiterlijk. Swift kan zich daarmee beter verdedigen tegen AI-deepfakes die haar beeld en stem gebruiken. De Amerikaanse advocaat Josh Gerben, die de merkaanvragen van Swift als eerste signaleerde, laat zich in verschillende media zeer enthousiast uit over de vondst van Swift. ‘Een merkrecht kan een additionele laag van bescherming bieden’, aldus Gerben. Dat betwijfel ik. Ik verwacht dat Swift met haar nieuwe merken geen deuk in een pakje boter slaat.

Hey, it’s Taylor Swift

Laten we eerst de merkdepots die Swift verricht heeft onder de loep nemen . Waar vraagt zij precies merkbescherming voor? Wat haar stem betreft gaat het om twee ‘geluidsmerken’. In beide gevallen draait het om een door Swift ingesproken audiofragment. Een daarvan luidt: ‘Hey, it’s Taylor Swift, and you can listen to my new album, The Life of a Showgirl, on demand on Amazon Music Unlimited.’ Het tweede merk bevat een vergelijkbare tekst, maar dan met een verwijzing naar Spotify.

IEF 23549

Rb. Den Haag staat inzage in beslagen materiaal toe in octrooizaak over productie van calciumcarbonaat

Rechtbank Den Haag 24 mrt 2026, IEF 23549; ECLI:NL:RBDHA:2026:10402 ([verzoekster] tegen [verweersters sub 1] ), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-staat-inzage-in-beslagen-materiaal-toe-in-octrooizaak-over-productie-van-calciumcarbonaat

Rb. Den Haag 24 maart 2026, IEF 23549; ECLI:NL:RBDHA:2026:10402 ([verzoekster] tegen [verweersters sub 1]). De Rechtbank Den Haag heeft in een octrooigeschil inzage toegestaan in conservatoir beslagen materiaal op grond van art. 194-196 Rv jo. art. 1019a Rv. De rechtbank acht zich exclusief bevoegd op grond van art. 80 lid 2 sub c ROW, omdat het verzoek verband houdt met de handhaving van een octrooi en verweersters in Nederland zijn gevestigd. Verzoekster is houdster van Europees octrooi EP 4 223 141 B1 voor een werkwijze voor de productie van een mineraal voederadditief op basis van calciumcarbonaat afkomstig uit drinkwaterontharding, alsmede voor het daarmee verkregen eindproduct. Verweersters houden zich bezig met het verwerken en vermalen van kalkkorrels voor de voedsel- en diervoederindustrie. Nadat eerdere samenwerkingen tussen partijen en AquaMinerals waren geëindigd, rees bij verzoekster het vermoeden dat verweersters zonder toestemming gebruik maakten van de geoctrooieerde werkwijze en de daarmee verkregen producten verhandelden. Op verzoek van verzoekster was eerder verlof verleend voor conservatoir bewijsbeslag, monsterneming en een gedetailleerde beschrijving van het productieproces. In deze procedure verzocht verzoekster vervolgens om inzage in de beslagen digitale bestanden, afgifte van de monsters en inzage in de gedetailleerde beschrijving van het maalproces. Verweersters voerden onder meer aan dat geen redelijk vermoeden van inbreuk bestond, dat het octrooi nietig zou zijn, dat de verzoeken te ruim waren geformuleerd en dat de beslagen stukken vertrouwelijke bedrijfsinformatie bevatten.

IEF 23550

Uitspraak ingezonden door Victor den Hollander, De Vos & Partners Advocaten.

Rechtbank wijst claim over ongeautoriseerd fotogebruik af

Rechtbank Amsterdam 30 apr 2026, IEF 23550; ECLI:NL:RBAMS:2026:4517 (Sumfinidade Unipessoal tegen Vesuviotour), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rechtbank-wijst-claim-over-ongeautoriseerd-fotogebruik-af

Rb. Amsterdam 30 april 2026, IEF 23550; ECLI:NL:RBAMS:2026:4517 (Sumfinidade Unipessoal tegen Vesuviotour). Sumfinidade Unipessoal vorderde in deze procedure een vergoeding voor ongeautoriseerd gebruik van een foto van fotograaf [naam] op de website van Vesuviotour. Volgens Sumfinidade Unipessoal stond de foto [naam foto] tussen 24 december 2019 en 1 april 2020 zonder toestemming en zonder naamsvermelding online. De vordering was eerst ingesteld onder de Europese procedure voor geringe vorderingen (EPGV-Verordening). De kantonrechter oordeelde echter dat de zaak buiten het toepassingsbereik daarvan viel, omdat de vordering betrekking had op inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en persoonlijkheidsrechten als bedoeld in artikel 2 lid 2 onder j EPGV. Daarom zette de rechtbank de procedure op grond van artikel 4 lid 3 EPGV in samenhang met artikel 69 Rv voort als dagvaardingsprocedure. Een later door Sumfinidade Unipessoal genomen akte uitlating liet de rechtbank buiten beschouwing wegens strijd met de goede procesorde. De kantonrechter achtte zich internationaal bevoegd op grond van de Brussel I-bis-Verordening, omdat Vesuviotour in Amsterdam is gevestigd. Op grond van de Rome II-Verordening paste de rechtbank Nederlands recht toe, omdat bescherming in Nederland werd ingeroepen. Het beroep van Vesuviotour op verjaring slaagde niet. Volgens de kantonrechter had Vesuviotour onvoldoende onderbouwd dat Sumfinidade Unipessoal of de fotograaf al vóór 26 maart 2020 bekend was met zowel de schade als de aansprakelijke partij. Daarom was de indiening van het verzoekschrift in maart 2025 op tijd. Ook de auteursrechtelijke verweren slaagden niet. De rechtbank achtte voldoende aannemelijk dat de foto auteursrechtelijke bescherming geniet vanwege de creatieve keuzes van de fotograaf, zoals compositie, camerastandpunt en kleurgebruik.

IEF 23548

Rb. Midden-Nederland wijst verzoek tot inzage in scenario RTL-serie af wegens risico op preventieve censuur

Rechtbank Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-wijst-verzoek-tot-inzage-in-scenario-rtl-serie-af-wegens-risico-op-preventieve-censuur

Rb. Midden-Nederland 13 mei 2026, IEF 23548; ECLI:NL:RBMNE:2026:2353 ([verzoekende partij] tegen RTL en Videoland). De Rechtbank Midden-Nederland heeft op 13 mei 2026 een verzoek afgewezen van een man die vooraf inzage wilde krijgen in het scenario van een nog niet gepubliceerde dramaserie van RTL en Videoland over het Nederlandse koningshuis. In de serie komt een verhaallijn voor over prinses [A], de voormalige echtgenote van verzoeker. Verzoeker stelde dat hij vreesde voor ongewenste en onjuiste berichtgeving over hem en wilde kunnen beoordelen of de wijze waarop hij in de serie wordt genoemd, verbeeld of herkenbaar in beeld komt, een onrechtmatige publicatie zou opleveren. Op grond van art. 196 en 197 Rv verzocht hij daarom om een voorlopige bewijsverrichting in de vorm van inzage in de relevante delen van het scenario. RTL en Videoland voerden aan dat zij de vrijheid hebben om een dramaserie te maken zonder de inhoud daarvan vooraf aan betrokkenen te hoeven voorleggen. De rechtbank stelt voorop dat verzoeken om voorlopige bewijsverrichtingen in beginsel worden toegewezen, tenzij zich een van de wettelijke uitzonderingsgronden voordoet, waaronder het bestaan van “gewichtige redenen” die zich tegen toewijzing verzetten.

IEF 23546

HvJ EU geeft duidelijkheid over vergoeding voor nieuwscontent op platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF 23546; ECLI:EU:C:2026:395 ((Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni) ), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-geeft-duidelijkheid-over-vergoeding-voor-nieuwscontent-op-platforms

HvJ EU 12 mei 2026, IEF23546; ECLI:EU:C:2026:395 (Meta Platforms Ireland Ltd tegen Autorità per le Garanzie nelle Comunicazioni). In deze zaak draait het om de uitleg van artikel 15 DSM-richtlijn. De zaak speelt tussen Meta Platforms Ireland en de Italiaanse communicatieautoriteit AGCOM. Centraal staat een Italiaanse regeling die persuitgevers exclusieve rechten geeft op online gebruik van hun perspublicaties door online platforms. De regeling bepaalt daarnaast dat uitgevers aanspraak kunnen maken op een billijke vergoeding en legt verschillende verplichtingen op aan platforms. Meta maakte bezwaar tegen een besluit van AGCOM waarin criteria waren vastgesteld voor de berekening van die vergoeding. Volgens Meta geeft artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers uitsluitend exclusieve rechten, zoals reproductie en beschikbaarstelling, en geen zelfstandig vergoedingsrecht. Ook zou de Italiaanse regeling te ver ingrijpen in de contractsvrijheid en ondernemingsvrijheid van platforms, onder meer doordat zij verplicht worden te onderhandelen, gegevens te delen en de zichtbaarheid van perscontent tijdens onderhandelingen niet te beperken. Meta beriep zich daarnaast op strijd met verschillende bepalingen van Unierecht, waaronder artikel 109 en 119 VWEU en de e-commercerichtlijn. Het Hof heeft die onderdelen echter niet inhoudelijk beoordeeld, maar de betreffende prejudiciële vragen niet-ontvankelijk verklaard omdat zij niet relevant waren voor de beslechting van het hoofdgeding. Het Hof stelt voorop dat artikel 15 DSM-richtlijn persuitgevers exclusieve rechten verleent om online gebruik van hun perspublicaties toe te staan of te verbieden. De inhoud van die rechten volgt uit Richtlijn 2001/29. Lidstaten mogen deze exclusieve rechten niet vervangen door een louter vergoedingsrecht. Tegelijkertijd sluit artikel 15 DSM-richtlijn niet uit dat toestemming voor gebruik wordt gekoppeld aan betaling van een vergoeding, zolang het exclusieve karakter van het recht behouden blijft. Dat betekent dat persuitgevers toestemming moeten kunnen weigeren en hun rechten ook kosteloos moeten kunnen licentiëren, bijvoorbeeld via royaltyvrije licenties. Platforms mogen bovendien niet verplicht worden een vergoeding te betalen wanneer zij de publicaties niet gebruiken of niet willen gebruiken. Volgens het Hof mogen lidstaten regels vaststellen die het gebruik van deze rechten structureren, mits die regels de exclusieve rechten niet uithollen en aansluiten bij de doelstellingen van de DSM-richtlijn, waaronder een hoog beschermingsniveau en een sterkere onderhandelingspositie voor persuitgevers.

IEF 23545

Kantonrechter: blokkade domeinnamen gerechtvaardigd wegens onbetaalde hostingfacturen

Rechtbank Midden-Nederland 22 apr 2026, IEF 23545; ECLI:RBMNE:2026:2141 (([eiser] tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/kantonrechter-blokkade-domeinnamen-gerechtvaardigd-wegens-onbetaalde-hostingfacturen

Rb. Midden-Nederland 22 april 2026, IEF23545; IT5268; ECLI:RBMNE:2026:2141 ([eiseres] tegen [gedaagde]). In deze zaak staat een geschil centraal tussen een webhosting- en onderhoudsbedrijf ([eiser]) en een ondernemer ([gedaagde]) over onbetaalde facturen voor technisch websiteonderhoud, webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Tussen partijen bestond een overeenkomst op grond waarvan [eiser] technisch onderhoud verrichtte aan de websites van [gedaagde] en daarnaast zorgde voor webhosting, domeinregistratie en e-mailhosting. Volgens [eiser] waren drie facturen – na een gedeeltelijke betaling op één daarvan – onbetaald gebleven, voor een totaalbedrag van € 373,97. Later vermeerderde [eiser] haar eis met een vierde factuur voor domeinregistratie na de datum waarop de overeenkomst was ontbonden. [gedaagde] erkende een deel van de facturen verschuldigd te zijn, maar voerde onder meer aan dat een abonnement al in februari 2024 zou zijn opgezegd en dat sommige facturen hem nooit hadden bereikt. De rechtbank oordeelt dat niet is komen vast te staan dat de vermeende opzeggingsbrief [eiser] daadwerkelijk heeft bereikt. Daarbij verwijst de kantonrechter naar artikel 3:37 lid 3 BW, waarin is bepaald dat een tot een bepaalde persoon gerichte verklaring pas werking heeft zodra deze de geadresseerde heeft bereikt. Omdat [gedaagde] niet kon aantonen dat de opzegging was verzonden of ontvangen, liep de overeenkomst door en bleef hij de abonnementskosten verschuldigd. Ook het verweer dat facturen niet zouden zijn ontvangen slaagt niet, nu de facturen later alsnog per e-mail zijn toegestuurd en ontvangst daarvan niet werd betwist. De kantonrechter oordeelt vervolgens dat [gedaagde] na het verstrijken van de in de aanmaningen en ingebrekestellingen genoemde termijnen in verzuim is geraakt, zodat wettelijke handelsrente verschuldigd is. Verder stond vast dat [gedaagde] ondanks herhaalde aanmaningen en ingebrekestellingen een betalingsachterstand had laten ontstaan. De kantonrechter acht die tekortkoming ernstig genoeg om ontbinding van de overeenkomst te rechtvaardigen. Daarbij weegt mee dat [eiser] al sinds 2016 correspondeerde over onbetaalde facturen en dat ook na juridisch advies geen volledige betaling volgde.

IEF 23544

Rb. Den Haag wijst aanhoudingsverzoek in zaak tussen ANWB Retail en Canada Goose af

Rechtbank Den Haag 29 apr 2026, IEF 23544; ECLI:NL:RBDHA:2026:10255 ((ANWB Retail tegen Canada Goose c.s.)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-wijst-aanhoudingsverzoek-in-zaak-tussen-anwb-retail-en-canada-goose-af

Rb. Den Haag 29 april 2026, IEF23544; ECLI:NL:RBDHA:2026:10255 (ANWB Retail tegen Canada Goose c.s.). In deze zaak staat een geschil centraal tussen ANWB Retail en de ondernemingen achter het kledingmerk Canada Goose c.s. over het gebruik van de tekens HUMANATURE en HUMAN NATURE voor kleding. De Rechtbank Den Haag hoefde zich in dit stadium nog niet uit te spreken over de gestelde merkinbreuk, maar besliste wel op een incident waarin Canada Goose c.s. verzocht de procedure aan te houden in afwachting van doorhalingsprocedures (door de rechtbank aangeduid als nietigheidsprocedures) bij het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom (BBIE). ANWB Retail, verantwoordelijk voor de retailactiviteiten van de ANWB-groep, is houdster van verschillende HUMAN NATURE-merken voor onder meer kleding in klasse 25. Het gaat onder meer om een Benelux-woordmerk HUMAN NATURE uit 1997 en twee beeldmerken. Canada Goose c.s. beschikt op haar beurt over onder meer het Uniewoordmerk HUMANATURE voor kleding en advertentiediensten en een internationaal woordmerk HUMANATURE voor verschillende waren- en dienstenklassen. Volgens ANWB Retail gebruikte Canada Goose c.s. het teken HUMANATURE op de Nederlandstalige webshop van Canada Goose om kleding aan te prijzen. Ook zou HUMAN NATURE staan op labels van kleding die in Nederland wordt geleverd. ANWB Retail stelt dat daardoor sprake is van merkinbreuk in de zin van artikel 2.20 lid 2 sub b en sub c BVIE. ANWB Retail beroept zich daarbij op verwarringsgevaar tussen de tekens en op de bekendheid van de HUMAN NATURE-merken, waarvan Canada Goose c.s. volgens haar ongerechtvaardigd voordeel zou trekken. ANWB Retail vordert in de hoofdzaak onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van merkinbreuk, een inbreukverbod, een recall, een bevel richting wederverkopers, opgave van relevante informatie, dwangsommen en winstafdracht of schadevergoeding. Ook vordert zij volledige proceskostenvergoeding op grond van artikel 1019h Rv.

IEF 23541

Levering van 'Strekdrop' in Den Haag bevestigt bevoegdheid Rb. Den Haag in merkinbreuk-zaak

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23541; ECLI:NL:RBDHA:2026:9738 ((Haribo c.s. tegen Felko c.s.)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/levering-van-strekdrop-in-den-haag-bevestigt-bevoegdheid-rb-den-haag-in-merkinbreuk-zaak

Rb. Den haag 22 april 2026, IEF23541; ECLI:NL:RBDHA:2026:9738 (Haribo c.s. tegen Felko c.s.). In deze zaak staat een merkenrechtelijk geschil centraal tussen Haribo c.s. en Felko c.s. over het gebruik van de tekens TREKDROP, STREKDROP en REKDROP voor dropproducten. Haribo behoort tot het wereldwijd opererende Haribo-concern en richt zich op de verkoop van snoepgoed in Nederland en België. Haribo c.s. is houdster van onder meer het Uniewoordmerk TREKDROP uit 1988 en een Beneluxwoordmerk TREKDROP uit 2024 voor snoep en drop in klasse 30. Felko Holland produceert en verhandelt al vanaf 2003 snoepgoed en Felko Beheer liet in 2025 de Beneluxmerken STREKDROP en REKDROP registreren en diende daarnaast een aanvraag in voor het Beneluxwoordmerk TREKDROP voor snoepgoed in klasse 30. Aanleiding voor het geschil vormt de introductie van een dropproduct onder de naam “Strekdrop” op de Nederlandse markt in augustus 2025. Haribo stelde zich op het standpunt dat daarmee inbreuk werd gemaakt op haar Trekdrop-merken en sommeerde Felko om het gebruik van de tekens te staken en de registraties van STREKDROP en REKDROP door te halen. Felko wees die bezwaren van de hand en startte op haar beurt bij het BBIE procedures tot nietig- en vervallenverklaring van Trekdrop-merken van Haribo. Het gaat daarbij om het Trekdrop Beneluxmerk uit 2024 én om een oudere Beneluxregistratie TREKDROP uit 1988. In de hoofdzaak vordert Haribo onder meer een verbod op merkinbreuk, nietigverklaring van de Felko-merken, een opgave- en recallbevel, schadevergoeding of winstafdracht, dwangsommen en proceskosten op grond van artikel 1019h Rv. Subsidiair beroept Haribo zich op oneerlijke mededinging en onrechtmatige daad. Volgens Haribo heeft Felko bovendien te kwader trouw merken aangevraagd. In een incident ex artikel 223 Rv vorderde Haribo alvast voorlopige voorzieningen voor de duur van het geding, waaronder een voorlopig inbreukverbod en een bevel tot staking van de daden van oneerlijke mededinging, een dwangsom en proceskosten. Felko voerde in een bevoegdheidsincident aan dat de rechtbank Den Haag niet bevoegd zou zijn om van de zaak kennis te nemen. Volgens Felko was de gestelde merkinbreuk na de sommatie gestaakt, zodat ten tijde van de dagvaarding geen sprake meer zou zijn geweest van inbreukmakende handelingen of oneerlijke handelspraktijken in Nederland. Daarom zou de rechtbank Noord-Holland bevoegd zijn op grond van de woonplaats van gedaagden (art. 99 Rv) en zou de rechtbank Den Haag zich op grond van artikel 110 Rv onbevoegd moeten verklaren. De rechtbank Den Haag volgt dat standpunt niet. Zij kwalificeert de merkinbreukvorderingen én de vorderingen gebaseerd op oneerlijke handelspraktijken/oneerlijke mededinging als vorderingen uit onrechtmatige daad. Vervolgens verwijst de rechtbank naar artikel 102 Rv, dat bevoegdheid toekent aan de rechter van de plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan. Daarbij sluit de rechtbank aan bij de rechtspraak van het Hof van Justitie over artikel 7 lid 2 Brussel I-bis-Vo, waarin onder meer is bepaald dat onder “plaats waar het schadebrengende feit zich heeft voorgedaan” de plaats van de veroorzakende gebeurtenis én de plaats waar de schade intreedt valt.