IEF 23502
28 april 2026
Uitspraak

Hof Den Haag na verwijzing: geen voorafgaand oordeel over partijdeskundigenrapport; incident afgewezen wegens doelmatige procesvoering

 
IEF 23501
28 april 2026
Uitspraak

Gerecht EU: registratie van “Irish Grass Fed Beef” als BGA blijft in stand ondanks discussie over nationale oppositieprocedure

 
IEF 23500
28 april 2026
Uitspraak

Inbreuk op "Labubu"-rechten: rb. Den Haag beveelt staking, opgave en rectificatie bij verstek

 
IEF 23502

Ingezonden door Arnout Groen, Visser Schaap & Kreijger.

Hof Den Haag na verwijzing: geen voorafgaand oordeel over partijdeskundigenrapport; incident afgewezen wegens doelmatige procesvoering

Hof Den Haag 14 apr 2026, IEF 23502; 200.348.842/01 ((ABMD c.s. tegen Buma Stemra)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-na-verwijzing-geen-voorafgaand-oordeel-over-partijdeskundigenrapport-incident-afgewezen-wegens-doelmatige-procesvoering

Hof Den Haag 14 april 2026, IEF23502; Zaaknummer 200.348.842/01 (ABMD c.s. tegen Buma Stemra). Na verwijzing door de Hoge Raad ligt de zaak tussen ABMD c.s. en Buma/Stemra opnieuw voor bij het Gerechtshof Den Haag. ABMD c.s. heeft bij haar antwoordmemorie na verwijzing een partijdeskundigenrapport overgelegd. Buma/Stemra vordert in een incident dat dit rapport buiten beschouwing wordt gelaten wegens strijd met de goede procesorde en de twee-conclusieregel. Het hof kwalificeert dit verzoek als een incidentele vordering en beoordeelt die aan de hand van artikel 209 Rv, waarbij het belang van een doelmatige procesvoering en het voorkomen van onnodig beslag op rechterlijke capaciteit centraal staat. Een oordeel over de toelaatbaarheid van het rapport vergt volgens het hof een inhoudelijke analyse van het dossier, die efficiënter kan plaatsvinden in het kader van de inhoudelijke behandeling, niet in een afzonderlijk incident. Het door Buma/Stemra gestelde belang om kosten voor een tegenrapport te vermijden weegt daarbij niet op tegen het belang van een doelmatige procesvoering; het is aan Buma/Stemra zelf om te beslissen of zij een tegenrapport laat opstellen. Het hof benadrukt dat na cassatie en verwijzing in beginsel ruimte bestaat om nieuwe producties over te leggen ter nadere onderbouwing en precisering van reeds bestaande geschilpunten, onder verwijzing naar de rechtspraak van de Hoge Raad. De incidentele vordering wordt afgewezen en Buma/Stemra wordt veroordeeld in de proceskosten van het incident. De zaak wordt voortgezet met een mondelinge behandeling op 29 oktober 2026.

IEF 23501

Gerecht EU: registratie van “Irish Grass Fed Beef” als BGA blijft in stand ondanks discussie over nationale oppositieprocedure

Gerecht EU (voorheen GvEA) 15 apr 2026, IEF 23501; ECLI:EU:T:2026:255 (Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen European Commission), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-registratie-van-irish-grass-fed-beef-als-bga-blijft-in-stand-ondanks-discussie-over-nationale-oppositieprocedure

Gerecht EU 15 april 2026, IEF 23501; 4201; ECLI:EU:T:2026:255 (Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen European Commission). Het Gerecht verwerpt het beroep van de Independent Farmers Organisation of Ireland Ltd tegen Uitvoeringsverordening (EU) 2023/2666, waarbij “Irish Grass Fed Beef” als beschermde geografische aanduiding is geregistreerd. De oorspronkelijke aanvraag was in 2020 door An Bord Bia ingediend namens Ierland en had aanvankelijk betrekking op rundvlees uit Ierland. De Ierse landbouworganisatie had in de nationale Ierse oppositieprocedure bezwaar gemaakt, maar dat bezwaar werd afgewezen. Nadat de aanvraag op EU-niveau was gepubliceerd, diende het Verenigd Koninkrijk een ontvankelijke oppositie in, onder meer omdat het betrokken rundvlees ook in Noord-Ierland wordt geproduceerd en de term “Irish” historisch ook op producten uit dat gebied betrekking kan hebben. Na overleg tussen Ierland en het Verenigd Koninkrijk werd de productspecificatie substantieel gewijzigd, met name doordat het beschermde geografische gebied werd uitgebreid tot Noord-Ierland. De Commissie onderzocht de gewijzigde aanvraag opnieuw, publiceerde deze opnieuw in het Publicatieblad en registreerde de naam nadat op EU-niveau geen nieuwe oppositie was ingediend. De Ierse organisatie stelde vervolgens dat zij door de Commissie had moeten worden gehoord, dat de gewijzigde aanvraag als een nieuwe of gezamenlijke aanvraag had moeten worden behandeld, dat artikel 4 van Gedelegeerde Verordening 664/2014 was geschonden, dat de Commissie het beginsel van behoorlijk bestuur had miskend en, subsidiair, dat Verordening 1151/2012 onrechtmatig was voor zover die geen effectieve participatie mogelijk zou maken.

IEF 23500

Ingezonden door Paul Trapman, Ploum.

Inbreuk op "Labubu"-rechten: rb. Den Haag beveelt staking, opgave en rectificatie bij verstek

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23500; C/09/698623 ((Pop Mart c.s. tegen Beursplein Zero)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/inbreuk-op-labubu-rechten-rb-den-haag-beveelt-staking-opgave-en-rectificatie-bij-verstek

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23500; C/09/698623 (Pop Mart c.s. tegen Beursplein Zero). In deze zaak staat de handhaving van intellectuele eigendomsrechten op het figuurtje “Labubu” centraal. Pop Mart c.s., houder van diverse merk- en auteursrechten, heeft geconstateerd dat Beursplein Zero in Nederland namaakproducten heeft verhandeld onder gebruikmaking van overeenstemmende tekens. Beursplein Zero is niet in de procedure verschenen, waarna verstek is verleend. De rechtbank toetst de vorderingen daarom aan de verstekmaatstaf (toewijsbaar, tenzij deze ongegrond of onrechtmatig voorkomen) en gaat uit van de door Pop Mart c.s. gestelde feiten. De rechtbank Den Haag acht zich internationaal en relatief bevoegd. Voor de merkenrechtelijke grondslag baseert zij zich op de UMVo in samenhang met de Uitvoeringswet en het BVIE (vestigingsplaats gedaagde in Nederland). Voor de auteursrechtelijke grondslag volgt de internationale bevoegdheid uit de Brussel I-bis-Verordening, met relatieve bevoegdheid op grond van artikel 99 Rv. De rechtbank stelt vast dat sprake is van inbreuk op de merk- en auteursrechten van Pop Mart c.s. Het gevorderde inbreukverbod wordt toegewezen, maar beperkt tot Nederland, omdat alleen daar inbreuk is komen vast te staan. Ook de opgaveplicht wordt toegewezen: Beursplein Zero moet vanaf januari 2025 inzicht geven in onder meer aantallen en voorraad, herkomst en distributiekanalen, leveranciers en afnemers/verkoopkanalen, alsook in- en verkoopprijzen, omzet en winst met betrekking tot de inbreukmakende producten. De gevraagde controle van deze opgave door een “gediplomeerde, onafhankelijke administrateur” wordt afgewezen wegens onduidelijkheid over de hoedanigheid van deze functionaris en het risico op executieproblemen, mede gelet op de beroepsregels van accountants bij assurance-achtige opdrachten.

IEF 23499

Benelux-Gerechtshof bevestigd verwarringsgevaar tussen MyFid en IFID

BenGH 18 mrt 2026, IEF 23499; C-2024/31 ((I-FID tegen MyFid)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/benelux-gerechtshof-bevestigd-verwarringsgevaar-tussen-myfid-en-ifid

BenGH 18 maart 2026, IEF23499; IEF-BE4200; C-2024/31 (I-FID tegen Myfid). Het Benelux-Gerechtshof heeft zich uitgesproken over een geschil tussen I-FID en MyFid naar aanleiding van een oppositie tegen de inschrijving van het woordmerk “IFID”. I-FID had dit merk in 2021 aangevraagd voor diensten in klasse 35, terwijl MyFid zich verzette op basis van haar oudere Benelux-woordmerk “myfid” uit 2016. Het Benelux-Bureau voor de Intellectuele Eigendom had de oppositie toegewezen, waarna I-FID beroep instelde. Het hof stelt voorop dat het relevante publiek bestaat uit zowel algemene consumenten als gespecialiseerde afnemers van boekhoudkundige en administratieve diensten binnen de Benelux, die over een basiskennis van het Engels beschikken en een gemiddeld tot hoog aandachtsniveau hebben. Voor de beoordeling wordt uitgegaan van het laagste aandachtsniveau, zodat een gemiddeld aandachtsniveau bepalend is. Bij de vergelijking van de tekens oordeelt het hof dat sprake is van een duidelijke visuele overeenstemming, met name door het gemeenschappelijke bestanddeel “fid”, dat in beide tekens in dezelfde volgorde voorkomt. Daarnaast bestaat er een zekere mate van fonetische overeenstemming, hoewel de tekens auditief niet identiek zijn. Begripsmatig acht het hof een vergelijking niet relevant, nu “IFID” en “myfid” als fantasiewoorden zonder vaste, onmiddellijk herkenbare betekenis worden opgevat, zodat geen begripsmatige verschillen aanwezig zijn die de andere overeenstemmingen kunnen neutraliseren.

IEF 23225

Volg deLex op LinkedIn

Volg onze LinkedIn-pagina’s om volledig op de hoogte te blijven van alles wat binnen ons vakgebied én bij onze activiteiten speelt.

Via de LinkedIn-pagina Uitgeverij deLex blijft u op de hoogte van de belangrijkste ontwikkelingen op het gebied van IE-, IT- en privacyrecht. Via deze pagina ontvangt u vakinhoudelijke updates over onder meer IE-, IT-, privacy- en mediarecht, inclusief nieuws rond publicaties, jurisprudentie en relevante ontwikkelingen voor de praktijk.

Via de LinkedIn-pagina IE-Forum volgt u actuele ontwikkelingen binnen het intellectuele-eigendomsrecht, waaronder rechtspraak, wetgeving, beleidsontwikkelingen en relevante signaleringen uit de IE-praktijk. Daarnaast vindt u hier bijdragen, nieuwsberichten en updates die van direct belang zijn voor professionals die het IE-recht op de voet volgen.

Op de LinkedIn-pagina deLex Media informeren wij u over nieuwe en actuele cursussen en congressen, recente en aankomende publicaties, en overige vakinhoudelijke activiteiten die voor uw praktijk van belang kunnen zijn. Daarnaast bieden wij een professioneel overzicht van onze evenementen en initiatieven, met tijdige aankondigingen zodat u relevante opleidings- en netwerkgelegenheden niet mist.

Bezoek onze pagina’s en kies voor ‘Volgen’ om onze berichten rechtstreeks in uw tijdlijn te ontvangen en onderdeel te worden van ons netwerk.

IEF 23498

Uitspraak ingezonden door Charissa Koster, DayOne Legal

Rb. Amsterdam: vermelding naam, strafrechtelijke antecedenten en familiebanden in De Limburger niet onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 15 apr 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-amsterdam-vermelding-naam-strafrechtelijke-antecedenten-en-familiebanden-in-de-limburger-niet-onrechtmatig

Rb. Amsterdam 15 april 2026, IEF 23498; ECLI:NL:RBAMS:2026:3948 ([eiser] tegen Mediahuis). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Amsterdam oordeelt in kort geding dat De Limburger niet onrechtmatig heeft gehandeld door in twee online artikelen uit 2022 en 2026 de eiser met naam en toenaam te noemen en daarbij te verwijzen naar zijn strafrechtelijke antecedenten, eerdere witwasverdenking, zijn in 2012 geliquideerde broer en, in het artikel uit 2022, zijn vroegere zakelijke banden met een vastgoedondernemer die volgens justitie betrokken zou zijn bij witwaspraktijken. Het eerste artikel ging over de integriteit van het openbaar bestuur, meer specifiek over een private investering van een topman van het Limburgs Energiefonds in een omstreden vakantiepark van de familie van eiser. Het tweede artikel ging over de verlening van een exploitatievergunning voor datzelfde vakantiepark ondanks een deels negatief Bibob-advies. Volgens de voorzieningenrechter raken beide publicaties daarmee aan kwesties van algemeen belang en had Mediahuis voldoende toegelicht waarom ook de rol en achtergrond van eiser in die context journalistiek relevant waren. Daarbij weegt mee dat eiser de juistheid van de in de artikelen genoemde feiten niet betwistte.

IEF 23497

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsvordering tegen gezamenlijk ingeschreven EU-merk wegens aantoonbare toestemming

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23497; ECLI:EU:T:2026:277 (Peponis tegen EUIPO en Palamianakis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsvordering-tegen-gezamenlijk-ingeschreven-eu-merk-wegens-aantoonbare-toestemming

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23497; IEFbe 4199; ECLI:EU:T:2026:277 (Peponis tegen EUIPO en Palamianakis). In zaak T-494/24 heeft het Gerecht het beroep verworpen tegen de beslissing van de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO over het figuratieve Uniemerk CRETE HOMES REAL ESTATE CRETE PROPERTY and CONSTRUCTION CONSULTANTS SINCE 1990, dat sinds 2008 op naam stond van zowel Emmanouil Peponis als Fanourios Palamianakis. Peponis had in 2021 nietigverklaring gevorderd en verzocht het merk aan hem over te dragen, stellende dat Palamianakis als agent of vertegenwoordiger het merk mede op zijn eigen naam had laten registreren zonder de vereiste toestemming van de merkhouder. Het Gerecht verduidelijkt eerst dat wegens de indieningsdatum van de merkaanvraag, 6 oktober 2007, de materiële beoordeling plaatsvindt op grond van art. 52 lid 1, onder b, juncto art. 8 lid 3 van Verordening nr. 40/94, ook al was de nietigheidsvordering formeel gebaseerd op art. 60 lid 1, onder b, juncto art. 8 lid 3 UMVo 2017/1001; procedureel geldt wel de huidige UMVo. Het Gerecht herhaalt dat art. 8 lid 3 vier cumulatieve voorwaarden kent en dat de zaak hier reeds strandt op de voorwaarde dat de inschrijving door de agent of vertegenwoordiger zonder toestemming van de merkhouder moet zijn verricht. Die toestemming moet duidelijk, specifiek en onvoorwaardelijk zijn. Volgens het Gerecht heeft de Kamer van Beroep terecht geoordeeld dat van zulke toestemming sprake was, in het bijzonder op basis van een door beide partijen ondertekende algemene volmacht, die kort na de merkaanvraag bij EUIPO was ingediend, betrekking had op de lopende registratieprocedure en beide ondertekenaars als aanvragers aanwees. Daaruit mocht worden afgeleid dat de aanvraag bewust in beider naam was gedaan en dat beider mede-eigendom was beoogd.

IEF 23496

Gerecht bevestigt nietigverklaring van het Crocs-model wegens ontbreken van eigen karakter

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23496; ECLI:EU:T:2026:280 (Crocs tegen EUIPO en Gor Factory), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-nietigverklaring-van-het-crocs-model-wegens-ontbreken-van-eigen-karakter

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23496; IEFbe 4198; ECLI:EU:T:2026:280 (Crocs tegen EUIPO en Gor Factory). In zaak T-228/25 heeft het Gerecht het beroep van Crocs verworpen tegen de beslissing van de Derde Kamer van Beroep van het EUIPO waarbij een ingeschreven EU-model voor schoeisel nietig was verklaard. De nietigheidsvordering was ingesteld door Gor Factory, SA op grond van art. 25 lid 1, onder b, van Verordening nr. 6/2002 (in de versie van vóór Verordening 2024/2822), gelezen in samenhang met art. 4 en art. 6 van die verordening, omdat het model volgens Gor Factory geen eigen karakter had ten opzichte van een eerder model van Holey Soles-klompen. Vast stond dat dit oudere model vóór de door Crocs ingeroepen prioriteitsdatum van 28 mei 2004 aan het publiek beschikbaar was gesteld, namelijk op 13 en 14 april 2003 via een Amerikaanse design patent application (No 29/206 427). Het Gerecht onderschrijft verder de uitgangspunten van de Kamer van Beroep dat de betrokken productsector die van schoeisel, meer in het bijzonder klompen, is, dat de geïnformeerde gebruiker van die producten een relatief hoog aandachtsniveau heeft en dat de ontwerpvrijheid van de ontwerper van klompen groot is. Dat een klomp bepaalde basiskenmerken heeft die verband houden met ergonomie en functie, zoals een stevige zool en bovenwerk, sluit ruime ontwerpvrijheid volgens het Gerecht niet uit, omdat nog steeds veel variatie mogelijk blijft in onder meer materiaal, kleur, patronen, decoratieve elementen en in de aanwezigheid, het aantal, de vorm, de grootte en de plaatsing van gaten en uitsparingen.

IEF 23495

Gerecht bevestigt weigering van het Uniewoordmerk ROSE voor klasse 25 wegens beschrijvend karakter

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23495; ECLI:EU:T:2026:282 (Rose Bikes tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-het-uniewoordmerk-rose-voor-klasse-25-wegens-beschrijvend-karakter

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23495; IEFbe 4197; ECLI:EU:T:2026:282 (Rose Bikes tegen EUIPO). In zaak T-56/25 heeft het Gerecht het beroep verworpen tegen de weigering om het woordmerk ROSE als Uniemerk in te schrijven voor waren in klasse 25, namelijk kleding, schoeisel en hoofddeksels. Die weigering berustte op art. 7 lid 1, onder c, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo. Het Gerecht vertrekt van het niet bestreden uitgangspunt dat het relevante publiek bestaat uit het grote publiek in de Unie, in elk geval het Engels- en Franstalige deel daarvan, en dat het woord “rose” door dat publiek onmiddellijk wordt begrepen als aanduiding van de kleur roze. Vervolgens herhaalt het Gerecht de vaste maatstaf dat een teken beschrijvend is wanneer het, voor de betrokken waren of diensten, een voldoende directe en concrete samenhang heeft met een kenmerk daarvan, zodat het relevante publiek daarin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van die waren of van een van hun kenmerken ziet. Daarbij benadrukt het Gerecht dat zo’n kenmerk wel objectief, aan de aard van het product inherent en intrinsiek en permanent moet zijn. Het enkele feit dat kledingproducten in allerlei kleuren voorkomen, dat kleur een rol speelt bij de aankoopbeslissing of dat webwinkels filteren op kleur, is dus op zichzelf nog niet genoeg om een kleurbenaming beschrijvend te achten.