IEF 23802
8 september 2026
Uitspraak

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

 
IEF 23773
26 augustus 2026
Artikel

Deze UPC-rechters en -experts zijn aanwezig tijdens het BIE-symposium op 30 september

 
IEF 23774
9 september 2026
Artikel

Volg IE-Forum ook op LinkedIn

 
IEF 23816

VMC studiemiddag: Wetsvoorstel hervorming van de landelijke publieke omroep

VMC Studiemiddag – Wetsvoorstel hervorming van de landelijke publieke omroep
Vrijdagmiddag 27 november 2026, 14.00-17.00 uur, aansluitend een borrel (tot 18.30 uur) OBA Oosterdok, Oosterdokskade 143, 1011 DL Amsterdam
Op 4 april 2025 kondigde de minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in een kamerbrief een ingrijpende hervorming van de landelijke publieke omroep aan. Naar verwachting gaat op korte termijn een aanpassing van de Mediawet hierover in consultatie. Tijdens deze studiemiddag staan we stil bij de gevolgen van deze plannen voor de uitvoering van de publieke media-opdracht. Hoe ziet een gesloten stelsel met vaste omroephuizen er straks uit? We bespreken hoe het vormen van vier of vijf omroephuizen de onderlinge dynamiek verandert, wat betekent dit voor de individuele omroepen, maar ook voor de rol van de NPO? Ook onderzoeken we hoe de maatschappelijke worteling en de pluriformiteit van geluiden en perspectieven in de samenleving geborgd blijven wanneer het traditionele ledencriterium vervalt en er geen nieuwe omroepen meer toetreden.

IEF 23815

Gerecht: oppositie tegen WALLAPOP raakt zonder voorwerp nadat oudere Spaanse merken tijdens procedure verstrijken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23815; ECLI:EU:T:2026:550 (wallapop), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-oppositie-tegen-wallapop-raakt-zonder-voorwerp-nadat-oudere-spaanse-merken-tijdens-procedure-verstrijken

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23815; IEFbe 4301; ECLI:EU:T:2026:550 (wallapop). Het Gerecht verwerpt het beroep van Unipreus tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO in de oppositieprocedure tegen het aangevraagde Uniebeeldmerk WALLAPOP. Unipreus had haar oppositie voor bepaalde diensten in klasse 35 gebaseerd op drie oudere Spaanse beeldmerken. In een eerder arrest uit 2018 had het Gerecht de toenmalige beslissing van de kamer van beroep gedeeltelijk vernietigd, omdat die ten onrechte had geoordeeld dat de betrokken diensten verschillend waren; het Gerecht stelde vast dat zij ten minste in geringe mate soortgelijk waren. Daarmee stond echter nog niet vast dat sprake was van verwarringsgevaar, omdat overeenstemming van de tekens en identiteit of soortgelijkheid van de waren of diensten cumulatieve voorwaarden zijn en de kamer van beroep destijds nog geen volledige beoordeling van het verwarringsgevaar had verricht. Nadat dat arrest definitief was geworden, moest de kamer van beroep opnieuw beslissen en daarbij zowel het eerdere arrest als relevante nieuwe omstandigheden meenemen. Tijdens die vervolgprocedure bleek dat de inschrijvingen van de oudere Spaanse merken wegens niet-vernieuwing waren verstreken; dit verlies van geldigheid was uiteindelijk bevestigd door definitieve nationale rechterlijke beslissingen van 25 oktober 2023 en 7 maart 2024.

IEF 23818

Gerecht Curaçao: Kortijn moet onrechtmatig aanhaken bij LOVERS-merk staken

Antilliaanse Gerechten 8 sep 2026, IEF 23818; ECLI:NL:OGEAC:2026:177 (Liusa tegen Kortijn), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-curacao-kortijn-moet-onrechtmatig-aanhaken-bij-lovers-merk-staken

Gerecht in eerste aanleg van Curaçao 8 september 2026, IEF 23818; ECLI:NL:OGEAC:2026:177 (Liusa tegen Kortijn). Het Gerecht oordeelt in kort geding over een geschil tussen Lovers Industrial U.S.A. LLC (Liusa) en Packers Provisions Curaçao N.V. (Kortijn) na de overname door Kortijn van de activa van de failliete Lovers Industrial Corporation B.V. (Lic). Partijen stellen over en weer rechthebbende te zijn op het LOVERS-merk en aanverwante rechten. Het Gerecht stelt voorop dat in dit kort geding niet kan worden vastgesteld wie rechthebbende is op de merken en/of de handelsnaam, mede omdat hierover nog een procedure in de Verenigde Staten loopt. Evenmin kan voorshands worden vastgesteld dat Liusa haar merkregistratie te kwader trouw heeft verricht. Voor de voorlopige beoordeling neemt het Gerecht daarom tot uitgangspunt wat Liusa en Lic jarenlang zelf als uitgangspunt hebben gehanteerd: Liusa gold als merkgerechtigde en Lic was op basis van licenties bevoegd de merken en recepten te gebruiken. Daarbij weegt mee dat Kortijn bij de activatransactie bekend was met deze licentieconstructie en het bestaande geschil over de IE-rechten, dat de curatoren bij de overdracht uitdrukkelijk geen garantie gaven over het bestaan, de status of overdraagbaarheid van die rechten en dat Kortijn nadien met Liusa over een licentie heeft onderhandeld zonder zich toen op het standpunt te stellen dat zij zelf merkhouder was. Onder deze omstandigheden kan Kortijn zich volgens het Gerecht in dit kort geding niet in redelijkheid op het standpunt stellen dat Liusa niet tegen haar gebruik van het LOVERS-merk mag optreden.

IEF 23817

Uitspraak ingezonden door Paul Trapman, Ploum.

Rb. Den Haag: verbod op handel in gestolen Coty-parfums wegens merkinbreuk

Rechtbank Den Haag 28 aug 2026, IEF 23817; ECLI:NL:RBDHA:2026:24587 (Coty tegen KD Online), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-verbod-op-handel-in-gestolen-coty-parfums-wegens-merkinbreuk

Rb. Den Haag 28 augustus 2026, IEF 23817; ECLI:NL:RBDHA:2026:24587 (Coty tegen KD Online). Coty Beauty Germany stelt in kort geding dat KD Online op grootschalige wijze handelt in van Coty gestolen parfums en daarmee inbreuk maakt op haar merkrechten. KD Online verschijnt niet ter zitting, waarna verstek wordt verleend. De voorzieningenrechter baseert zijn beslissing daarom op de door Coty gestelde en niet weersproken feiten; de vorderingen zijn toewijsbaar tenzij zij hem ongegrond of onrechtmatig voorkomen. Voor de op Uniemerken gebaseerde vorderingen is de rechtbank internationaal en relatief bevoegd op grond van de artikelen 123, 124 en 125 UMVo, waarbij die bevoegdheid zich ingevolge artikel 126 lid 1 UMVo uitstrekt tot de gehele Europese Unie. Voor het internationale merk met gelding voor de Benelux volgt de bevoegdheid uit artikel 4.6 lid 1 BVIE, althans uit verknochtheid met de Uniemerkvorderingen. De gevorderde opgave van de met de gestolen parfums behaalde omzet en winst wordt afgewezen, omdat die vordering niet strekt tot beëindiging of voorkoming van een (dreigende) inbreuk en daarom onvoldoende spoedeisend belang heeft. Voor het overige acht de voorzieningenrechter het gevorderde niet ongegrond of onrechtmatig.

IEF 23814

Gerecht: verwarringsgevaar tussen FISH REVOLUTION en CANNED TUNA REVOLUTION! voor waren in klasse 29

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23814; ECLI:EU:T:2026:536 (FISH REVOLUTION), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-fish-revolution-en-canned-tuna-revolution-voor-waren-in-klasse-29

Gerecht EU 9 september, IEF 23814; IEFbe 4300; ECLI:EU:T:2026:536 (FISH REVOLUTION). Het Gerecht verwerpt het beroep van Eurest Colectividades tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de oppositie van Fish Tales Holding tegen het aangevraagde Uniebeeldmerk FISH REVOLUTION gedeeltelijk was toegewezen op grond van artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniemerk CANNED TUNA REVOLUTION!, ingeschreven voor onder meer vis, tonijn, visconserven, bereide vismaaltijden, geleien en eetbare oliën en vetten in klasse 29. Het relevante publiek bestaat uit het algemene publiek in de Europese Unie met een gemiddeld aandachtsniveau, waarbij de kamer van beroep haar beoordeling terecht richtte op het Grieks- en Hongaarstalige publiek dat de betrokken Engelse termen niet noodzakelijk begrijpt. Voor weigering van een Uniemerk is voldoende dat verwarringsgevaar bestaat bij een niet te verwaarlozen deel van het publiek in de Unie. De bestreden waren zijn, afhankelijk van de categorie, identiek of ten minste in geringe mate soortgelijk aan de waren van het oudere merk. Voor het relevante Grieks- en Hongaarstalige publiek heeft het gemeenschappelijke woord ‘revolution’ geen betekenis en is het daarom onderscheidend. Eurest had niet aangetoond dat dit woord op de levensmiddelenmarkt algemeen gebruikelijk, beschrijvend of louter aanprijzend is.

IEF 23813

Gerecht: gebruik van NEAM als ondernemingsnaam is onvoldoende bewijs van normaal merkgebruik voor financiële diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23813; ECLI:EU:T:2026:552 (NEA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-gebruik-van-neam-als-ondernemingsnaam-is-onvoldoende-bewijs-van-normaal-merkgebruik-voor-financiele-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23813, IEFbe 4299; ECLI:EU:T:2026:552 (NEA). Het Gerecht verwerpt het beroep van Nord Est Asset Management tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij haar oppositie tegen de Uniemerkaanvraag NEA van New Enterprise Associates was afgewezen omdat geen normaal gebruik was aangetoond van het oudere Uniebeeldmerk NEAM, ingeschreven voor ‘financial affairs; monetary affairs’ in klasse 36. Nadat New Enterprise Associates om bewijs van gebruik had verzocht, moest Nord Est Asset Management op grond van artikel 47, lid 2, van Verordening 2017/1001 aantonen dat het oudere merk van 18 oktober 2017 tot en met 17 oktober 2022 normaal was gebruikt in de Europese Unie. Het Gerecht benadrukt dat een teken dat tevens een ondernemingsnaam is in beginsel wel als merk kan worden gebruikt, maar dat het enkele gebruik ervan ter identificatie van de onderneming daarvoor niet volstaat. Er moet een zodanige band bestaan tussen het teken en de aangeboden diensten dat het teken wordt gebruikt overeenkomstig de wezenlijke functie van het merk, namelijk het waarborgen van de commerciële herkomst van die diensten. Normaal gebruik moet bovendien met solide en objectief bewijs van daadwerkelijk en voldoende gebruik op de relevante markt worden aangetoond.

IEF 23812

Gerecht: verwarringsgevaar tussen GOTCHA en ouder Uniemerk GONG CHA voor dranken en horecadiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23812; ECLI:EU:T:2026:553 (GOTCHA), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-gotcha-en-ouder-uniemerk-gong-cha-voor-dranken-en-horecadiensten

Gerecht EU 9 september, IEF 23812; IEFbe 4298; ECLI:EU:T:2026:553 (GOTCHA). Het Gerecht verwerpt het beroep van CFL Australia tegen de beslissing van de tweede kamer van beroep van het EUIPO, die de oppositie van Gong cha Global tegen de internationale registratie GOTCHA met aanwijzing van de Europese Unie had toegewezen op grond van artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001. De aanvraag ziet op onder meer thee-, koffie- en cacaoproducten in klasse 30, niet-alcoholische dranken in klasse 32 en horeca- en cateringdiensten in klasse 43; het oudere Uniewoordmerk GONG CHA is ingeschreven voor onder meer overeenkomstige waren en diensten. De kamer van beroep mocht haar beoordeling concentreren op Poolstalige consumenten: wanneer het oudere merk een Uniemerk is, volstaat het voor weigering dat verwarringsgevaar bestaat bij een deel van het publiek in de Europese Unie. Anders dan CFL Australia stelde, had de oppositieafdeling haar onderzoek bovendien niet uitsluitend op Portugeestalige consumenten gericht, maar op het niet-Portugees- en niet-Engelstalige publiek waarvoor de betrokken woordelementen geen relevante betekenis hebben. Ook de klacht over bewijs dat Gong cha Global pas in beroep had overgelegd, slaagt niet. De kamer van beroep baseerde haar beoordeling van het verwarringsgevaar namelijk niet op dat bewijs, dat was overgelegd ter onderbouwing van de gestelde verhoogde onderscheidingskracht en reputatie van het oudere merk, zodat de klacht in zoverre niet ter zake dienend was. Bovendien had de kamer van beroep gemotiveerd waarom het aanvullende bewijs volgens artikel 27, lid 4, van Gedelegeerde Verordening 2018/625 kon worden toegelaten. De waren en diensten zijn, afhankelijk van de categorie, identiek of in hoge mate soortgelijk: de diensten in klasse 43 zijn bijvoorbeeld identiek aan diensten in dezelfde klasse van het oudere merk, zodat een afzonderlijke vergelijking daarvan met waren uit klasse 30 niet nodig was.

IEF 23811

Gerecht: verwarringsgevaar tussen papyros by Modus en ouder merk PAPYRUS voor software en IT-diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23811; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-papyros-by-modus-en-ouder-merk-papyrus-voor-software-en-it-diensten

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23811; IT 5512; IEFbe 4297; ECLI:EU:T:2026:539 (papyros by Modus). Het Gerecht verwerpt het beroep van Modus AE tegen de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk papyros by Modus op grond van artikel 60, lid 1, onder a, gelezen in samenhang met artikel 8, lid 1, onder b, van Verordening 2017/1001 nietig is verklaard wegens verwarringsgevaar met de oudere internationale woordmerkregistratie PAPYRUS, die werking heeft in de Europese Unie en is ingeschreven voor ‘gegevensverwerkingsapparatuur; computers’ in klasse 9. Het bestreden merk ziet, na beperking van de waren- en dienstenlijst, op software voor het beheer van bedrijfsdocumenten en workflows in klasse 9 en daarmee verband houdende softwarediensten in klasse 42. Het relevante publiek bestaat uit zakelijke afnemers met een verhoogd aandachtsniveau. Het Gerecht bevestigt dat de software in klasse 9 gemiddeld soortgelijk is aan de waren van het oudere merk vanwege onder meer hun complementariteit, overlappende afnemers en distributiekanalen en de mogelijkheid dat zij door dezelfde ondernemingen worden aangeboden. De diensten in klasse 42 zijn ten minste in geringe mate soortgelijk aan die waren, omdat zij tot dezelfde IT-sector behoren, zich tot dezelfde afnemers kunnen richten en gezamenlijk als geïntegreerde IT-oplossingen kunnen worden aangeboden. Het enkele verschil tussen software en hardware sluit soortgelijkheid dan ook niet uit. Het verzoek van Modus om het EUIPO op te dragen de registratie van het merk in stand te houden, wijst het Gerecht bovendien af wegens het ontbreken van bevoegdheid om het EUIPO dergelijke bevelen te geven.

IEF 23810

Gerecht: verwarringsgevaar tussen LOTO DEL SVR en ouder Uniemerk SVR voor cosmetica

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23810; ECLI:EU:T:2026:546 (LOTO DEL SVR), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-verwarringsgevaar-tussen-loto-del-svr-en-ouder-uniemerk-svr-voor-cosmetica

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23810; IEFbe 4296; ECLI:EU:T:2026:546 (LOTO DEL SVR). Het Gerecht verwerpt het beroep van Cosmetika tegen de beslissing van de vijfde kamer van beroep van het EUIPO, waarbij de inschrijving van het aangevraagde beeldmerk LOTO DEL SVR voor een groot deel van de waren in klasse 3 was geweigerd wegens verwarringsgevaar met het oudere Uniewoordmerk SVR van Laboratoires Svr. Cosmetika betoogde onder meer dat de kamer van beroep haar beoordeling niet had mogen baseren op de perceptie van het Italiaanstalige publiek, omdat de oppositieafdeling haar beoordeling op het Spaanstalige publiek had toegespitst. Het Gerecht verwerpt dat betoog. Vanwege de functionele continuïteit binnen het EUIPO en het devolutieve karakter van het beroep moet de kamer van beroep de oppositie volledig opnieuw beoordelen. Bovendien volstaat bij een ouder Uniemerk dat verwarringsgevaar bestaat bij een deel van het relevante publiek in de Unie. Laboratoires Svr hoefde daarom geen incidenteel beroep in te stellen om argumenten over onder meer het Italiaanstalige publiek aan te voeren. Ook mocht de kamer van beroep het voor het eerst in beroep overgelegde aanvullende bewijs daarover toelaten, omdat dit relevant was en reeds eerder ingediend bewijs aanvulde. Van schending van het recht om te worden gehoord was geen sprake, nu Cosmetika gelegenheid had gekregen om op deze argumenten te reageren. De twee marktstudies die Cosmetika pas bij het Gerecht overlegde, worden buiten beschouwing gelaten omdat zij dateren van na de bestreden beslissing en geen deel uitmaakten van het dossier voor het EUIPO.

IEF 23809

Gerecht: EUIPO beoordeelde bewijs van normaal gebruik van NUTRISTAR onvolledig en onjuist

Gerecht EU (voorheen GvEA) 9 sep 2026, IEF 23809; ECLI:EU:T:2026:540 (Nutristar tegen EUIPO en Anielska en Tyrawski), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-euipo-beoordeelde-bewijs-van-normaal-gebruik-van-nutristar-onvolledig-en-onjuist

Gerecht EU 9 september 2026, IEF 23809; IEFbe 4295; ECLI:EU:T:2026:540 (Nutristar tegen EUIPO, Anielska en Tyrawski). Het Gerecht vernietigt gedeeltelijk de beslissing van de eerste kamer van beroep van het EUIPO inzake het Uniemerk NUTRISTAR. Tegen het merk was op grond van artikel 58, lid 1, onder a, van Verordening (EU) 2017/1001 een verzoek tot vervallenverklaring ingediend wegens het ontbreken van normaal gebruik gedurende een ononderbroken periode van vijf jaar. In beroep bij het Gerecht beperkte Nutristar haar vordering tot de betrokken waren in de klassen 5 en 31. Het Gerecht benadrukt dat normaal gebruik moet worden aangetoond aan de hand van de plaats, tijd, omvang en aard van het gebruik en dat alle bewijsstukken in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld. Niet ieder afzonderlijk bewijsstuk hoeft alle aspecten van het gebruik te bewijzen. Uit de bestreden beslissing bleek echter niet dat de kamer van beroep alle beschikbare bewijsstukken daadwerkelijk in een volledige en globale beoordeling had betrokken: van de 37 door Nutristar in beroep overgelegde bijlagen waren verschillende stukken niet, of nauwelijks, meegenomen. Die klacht van Nutristar slaagt daarom.