Gepubliceerd op donderdag 4 juni 2026
IEF 23604
Gerecht EU (voorheen GvEA) ||
3 jun 2026
Gerecht EU (voorheen GvEA) 3 jun 2026, IEF 23604; ECLI:EU:T:2026:366 ((Osculati tegen EUIPO - Olymp Bezner)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-o-beeldmerk-voor-kleding-wegens-verwarringsgevaar-met-ouder-o-merk-van-olymp

Gerecht bevestigt weigering O-beeldmerk voor kleding wegens verwarringsgevaar met ouder O-merk van Olymp

Gerecht EU 3 juni 2026, IEF 23604; ECLI:EU:T:2026:366 (Osculati tegen EUIPO - Olymp Bezner). Het Gerecht van de Europese Unie heeft het beroep van Osculati afgewezen tegen een beslissing van het EUIPO waarbij bescherming in de Europese Unie werd geweigerd aan een internationale registratie van een beeldmerk bestaande uit een gestileerde letter “O” voor diverse kleding- en modeproducten in klasse 25. Het geschil speelde tussen Osculati en Olymp Bezner, houder van een ouder Uniemerk dat eveneens bestaat uit een gestileerde letter “O”. Het Gerecht oordeelt dat voor een niet te verwaarlozen deel van het relevante publiek, met name het Duitse publiek, sprake is van verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Daarbij benadrukt het Gerecht dat verwarringsgevaar in een deel van de Unie – hier Duitsland – al voldoende is om de inschrijving op Unieniveau te weigeren. Osculati had in 2021 een internationale merkregistratie met aanwijzing van de Europese Unie aangevraagd voor onder meer jassen, sportjassen, regenjassen, vissersjassen, handschoenen, truien, baretten, laarzen en bootschoenen. Tegen die aanwijzing stelde Olymp Bezner oppositie in op basis van haar oudere Uniemerk, bestaande uit een gestileerde letter “O”, geregistreerd voor onder meer overhemden, polo’s, T-shirts, truien en andere kledingstukken in klasse 25. De oppositie was gebaseerd op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Hoewel de oppositie aanvankelijk werd afgewezen door de oppositieafdeling, werd die beslissing in beroep vernietigd door de Kamer van Beroep. Een eerdere beslissing van de Kamer van Beroep was door diezelfde kamer al op grond van artikel 103 UMVo herroepen, waarna een eerste procedure bij het Gerecht (T‑98/24) zonder uitspraak ten gronde is geëindigd. Osculati stelde daarop beroep in bij het Gerecht. Een belangrijk onderdeel van het geschil betrof de vraag of de Kamer van Beroep aanvullende bewijsstukken mocht meenemen die Olymp Bezner pas in de beroepsfase had overgelegd. Die stukken hadden betrekking op het versterkte onderscheidend vermogen van het oudere merk in Duitsland. Het Gerecht bevestigt dat de Kamer van Beroep deze stukken terecht heeft toegelaten. Volgens het Gerecht waren de stukken relevant voor de beoordeling van het onderscheidend vermogen van het oudere merk en vormden zij een aanvulling op reeds tijdig overgelegde stukken, zoals facturen, catalogi, verklaringen en verkoopgegevens. Dat sommige documenten al tijdens de oppositieprocedure beschikbaar waren geweest, maakt dit niet anders. Het Uniemerkenrecht verlangt niet dat een partij aantoont dat eerdere overlegging onmogelijk was, en vereist evenmin dat de partij een uitvoerige rechtvaardiging geeft voor de latere overlegging. De EUIPO-richtlijnen over late bewijsindiening zijn volgens het Gerecht niet bindend voor de uitleg van het Unierecht. Ten aanzien van het relevante publiek oordeelt het Gerecht dat de betrokken waren zijn gericht op het algemene publiek, dat een gemiddeld aandachtsniveau heeft.

Osculati had aangevoerd dat haar producten zich richten op een gespecialiseerd publiek binnen de nautische en sportsector, maar het Gerecht wijst erop dat uitsluitend moet worden gekeken naar de omschrijving van de waren in de aanvraag. De betrokken kleding- en schoenproducten kunnen ook als gewone vrijetijdskleding worden gebruikt en vereisen geen bijzondere technische kennis. Daarbij benadrukt het Gerecht dat bij de beoordeling van het verwarringsgevaar moet worden uitgegaan van het deel van het relevante publiek met het laagste aandachtsniveau. Ook het oordeel van de Kamer van Beroep dat de betrokken waren gemiddeld soortgelijk zijn, blijft in stand. Volgens het Gerecht vertonen onder meer jassen, truien, handschoenen, baretten en andere kledingstukken dezelfde aard en algemene bestemming als de overhemden waarvoor het oudere merk is ingeschreven. Zij kunnen via dezelfde distributiekanalen worden verkocht, door dezelfde ondernemingen worden geproduceerd en zijn gericht op dezelfde consumenten. Voor regenlaarzen en bootschoenen geldt eveneens dat zij een vergelijkbare algemene functie vervullen, namelijk het beschermen van delen van het menselijk lichaam, en dat zij vaak naast kleding worden verkocht. Bij de vergelijking van de tekens sluit het Gerecht zich aan bij de Kamer van Beroep. Hoewel beide tekens grafisch verschillen – onder meer doordat de onderbrekingen op verschillende plaatsen zijn aangebracht en het aangevraagde merk kleur bevat – zal een niet te verwaarlozen deel van het publiek beide tekens onmiddellijk waarnemen als een gestileerde letter “O”. De overeenkomsten in vorm, proporties en structuur wegen volgens het Gerecht zwaarder dan de verschillen. Daarom bestaat tussen de tekens een gemiddelde mate van visuele overeenstemming. Voor het deel van het publiek dat de tekens als de letter “O” herkent, zijn de merken bovendien auditief identiek. Een begripsmatige vergelijking levert geen relevant verschil op. Verder bevestigt het Gerecht dat Olymp Bezner voldoende heeft aangetoond dat haar oudere merk door gebruik een versterkt onderscheidend vermogen heeft verkregen voor overhemden in Duitsland. Uit de overgelegde facturen, catalogi, verkoopgegevens, marktonderzoeken en perspublicaties blijkt volgens het Gerecht dat Duitse consumenten de door Olymp verkochte overhemden herkennen als “shirts met de O”. Hoewel het merk van nature slechts een zwak onderscheidend vermogen heeft, heeft het door intensief gebruik in Duitsland een normaal onderscheidend vermogen verkregen voor overhemden. Gelet op de gemiddelde mate van overeenstemming tussen de tekens, de gemiddelde soortgelijkheid van de betrokken waren en het normale onderscheidend vermogen van het oudere merk in Duitsland, komt het Gerecht tot de slotsom dat sprake is van verwarringsgevaar voor een niet te verwaarlozen deel van het Duitse publiek. Het beroep van Osculati wordt daarom afgewezen en de beslissing van de Kamer van Beroep blijft in stand.

 

 

103. In het onderhavige geval volgt uit de paragrafen 50 tot en met 95 hierboven, ten eerste, dat de betreffende goederen bestemd zijn voor het algemene publiek met een gemiddelde aandachtsspanne; ten tweede, dat de goederen die onder het aangevraagde merk vallen en de 'shirts' die onder het eerdere merk vallen, een gemiddelde mate van gelijkenis vertonen; ten derde, dat de betreffende merken een gemiddelde mate van visuele gelijkenis vertonen en fonetisch identiek zijn voor het Duitse deel van het relevante publiek dat de betreffende tekens als de letter 'O' zal waarnemen; en ten vierde, dat het eerdere merk een gemiddelde mate van onderscheidingsvermogen heeft voor shirts in Duitsland.

104. Hieruit volgt dat er in het kader van een globale beoordeling van de verwarringskans in dit geval sprake is van een verwarringskans in de zin van artikel 8, lid 1, onder b), van Verordening 2017/1001. De Raad van Beroep heeft derhalve geen beoordelingsfout gemaakt door te oordelen dat er een dergelijke verwarringskans bestond.

105. Die beoordeling wordt niet ongeldig verklaard door het argument van de aanvrager dat de Raad van Beroep in wezen onvoldoende gewicht heeft toegekend aan de visuele verschillen tussen de twee betrokken merken. In dat verband dient te worden opgemerkt dat de in punt 78 hierboven genoemde verschillen niet opwegen tegen de visuele gelijkenis van de betrokken merken. Bovendien is het in het geval van goederen in de kleding- en modebranche gebruikelijk dat hetzelfde merk op verschillende manieren wordt vormgegeven, afhankelijk van de goederen die het aanduidt of de relevante periodes. Dit betekent dat het denkbaar is dat het relevante publiek de goederen die onder de betrokken merken vallen, beschouwt als behorend tot twee verschillende productlijnen afkomstig van dezelfde onderneming (zie in dat verband het arrest van 10 september 2019, Oakley tegen EUIPO – Xuebo Ye (Weergave van een discontinue ellips) , T‑744/18, niet gepubliceerd, EU:T:2019:568, punt 68). Bovendien, hoewel het visuele aspect in dit geval van groter belang is, is het fonetische aspect, conform de in paragraaf 100 aangehaalde jurisprudentie, niettemin nog steeds een relevante factor bij de algehele beoordeling van de kans op verwarring, evenals alle factoren waarnaar in paragraaf 103 wordt verwezen.

106. Gelet op al het voorgaande, en aangezien geen van de door de verzoeker aangevoerde argumenten ter ondersteuning van zijn vorderingen gegrond is, moet de vordering in zijn geheel worden afgewezen.