Rb. Amsterdam wijst vorderingen af in geschil over DJ-naam
Rb. Amsterdam 24 maart 2026, IEF 23638; ECLI:NL:RBAMS:2026:6010 ([eiser 1] en [eiser 2]) tegen [gedaagde 1] en Meanwhile). In deze zaak tussen [eiser 1] en [eiser 2] enerzijds en [gedaagde 1] en Meanwhile anderzijds staat een geschil centraal over het gebruik van de naam '(DJ) [eiser 1 alias]'. [eiser 1] treedt sinds 1990 op als techno-dj onder deze naam. Op 14 augustus 2003 heeft [eiser 1] het Benelux-woordmerk 'DJ [eiser 1 alias]' gedeponeerd, dat op 1 november 2003 is ingeschreven en op 14 augustus 2013 is vervallen wegens niet-verlenging. Zijn holding [eiser 2] verkreeg vervolgens in 2022 opnieuw een Benelux-woordmerk voor 'DJ [eiser 1 alias]' (aanvraag 27 juni 2022, inschrijving 7 september 2022) voor onder meer entertainmentdiensten. De Britse DJ [gedaagde 1] treedt echter eveneens op onder de naam '[eiser 1 alias]' of '[eiser 1 alias .]' en gebruikt deze naam al jaren in het Verenigd Koninkrijk en daarbuiten, waaronder in Nederland (in ieder geval sinds 2018). Meanwhile is sinds 2020 zijn Nederlandse boekingskantoor. Volgens [eiser 1] en [eiser 2] maken [gedaagde 1] en Meanwhile inbreuk op hun merk- en handelsnaamrechten. Zij voeren aan dat '[eiser 1 alias .]' vrijwel identiek is aan het merk 'DJ [eiser 1 alias]', omdat het onderscheidende bestanddeel '[eiser 1 alias]' volledig is overgenomen. Daarnaast zou verwarringsgevaar bestaan, mede omdat beide partijen als dj actief zijn. Zij baseren zich voor merkinbreuk op artikel 2.20 lid 2 onder a en b BVIE en stellen dat [gedaagde 1] zich niet kan beroepen op oudere rechten van plaatselijke betekenis als bedoeld in artikel 2.23 lid 2 BVIE. Ook stellen zij dat [eiser 1] al sinds 1990 onder de naam 'DJ [eiser 1 alias]' naar buiten treedt en daarom oudere handelsnaamrechten bezit, zodat gebruik door [gedaagde 1] en Meanwhile tevens in strijd is met artikel 5 Handelsnaamwet. Verder voeren zij aan dat [gedaagde 1] en Meanwhile onrechtmatig handelen doordat zij profiteren van de bekendheid en goodwill die [eiser 1] gedurende tientallen jaren heeft opgebouwd. [gedaagde 1] betwist de vorderingen. Hij stelt dat hij de naam '[eiser 1 alias .]' al vóór de merkregistratie van 2022 gebruikte en daardoor oudere handelsnaamrechten heeft in de zin van artikel 2.23 lid 2 BVIE. Daarnaast heeft hij bij het Benelux Merkenbureau een procedure tot doorhaling van het merk 'DJ [eiser 1 alias]' gestart wegens een volgens hem te kwader trouw verricht depot. Ook betwist hij dat [eiser 1] de naam 'DJ [eiser 1 alias]' daadwerkelijk als handelsnaam gebruikt. Volgens hem treedt [eiser 1] slechts incidenteel onder die naam op en gebruikt hij deze niet als naam waaronder hij zijn onderneming drijft; hij wijst erop dat [eiser 1] geen KvK-registratie, contracten, facturen, website of commerciële socialmedia-accounts onder de naam 'DJ [eiser 1 alias]' heeft. Verder voert hij aan dat geen sprake is van verwarringsgevaar, onder meer omdat de punt achter de naam een verschil oplevert, partijen in verschillende (sub)genres actief zijn en er vele andere (DJ) [eiser 1 alias]’s zijn. Meanwhile voert aanvullend aan dat zij '[eiser 1 alias .]' uitsluitend gebruikt ter promotie van haar artiest en niet als eigen handelsnaam.