Filter
  • Datum
  • Dossier
zoeken

Dossiers

 
 
21.196 artikelen gevonden
IEF 23841

UPC CoA: commerciële marktgegevens kunnen als vertrouwelijke informatie worden beschermd

Unified Patent Court (UPC) 10 jun 2026, IEF 23841; UPC_CoA_61/2026 (SharkNinja tegen SEB), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-coa-commerciele-marktgegevens-kunnen-als-vertrouwelijke-informatie-worden-beschermd

UPC CoA 10 juni 2026, IEF 23841; IEFbe 4310; UPC_CoA_61/2026 (SharkNinja tegen SEB). In deze zaak tussen SharkNinja en SEB staat de vraag centraal in hoeverre commerciële marktgegevens als vertrouwelijke informatie kunnen worden beschermd en wie toegang tot die informatie mag krijgen. Het Hof oordeelt dat R. 262A RoP niet alleen ziet op bedrijfsgeheimen in strikte zin, maar ook op andere vertrouwelijke informatie als bedoeld in art. 58 UPCA. De betrokken marktgegevens over SharkNinja’s Ninja Foodi-producten vallen daaronder, mede omdat zij afkomstig zijn van commerciële dataproviders en onder vertrouwelijkheidsverplichtingen beschikbaar zijn gesteld.

IEF 23840

UPC CoA: evidente fout leidt niet tot schorsing gehele beslissing

Unified Patent Court (UPC) 21 aug 2026, IEF 23840; UPC_CoA_135/2026 (Nuna tegen Cybex), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/upc-coa-evidente-fout-leidt-niet-tot-schorsing-gehele-beslissing

UPC CoA 21 augustus 2026, IEF 23840; IEFbe 4309; UPC_CoA_135/2026 (Nuna tegen Cybex). In deze zaak tussen Nuna enerzijds en Cybex anderzijds staat de vraag centraal of het beroep tegen een voorlopige voorziening van de Local Division Hamburg opschortende werking moet krijgen. Cybex stelt dat verschillende onderdelen van een kinderzitjessysteem inbreuk maken op EP 4 242 056. De Local Divison achtte zowel directe als indirecte inbreuk waarschijnlijk, maar nam in het bevel over de indirecte inbreuk een aanvullende verplichting op die Cybex niet had gevorderd.

IEF 23838

Rb. Den Haag: geen herstel proceskostenveroordeling voor niet gevorderde btw in IE-kort geding

Rechtbank Den Haag 21 aug 2026, IEF 23838; ECLI:NL:RBDHA:2026:24085 ([eiseres] tegen CPD en [gedaagde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-geen-herstel-proceskostenveroordeling-voor-niet-gevorderde-btw-in-ie-kort-geding

Rb. Den Haag 21 augustus 2026, IEF 23838; ECLI:NL:RBDHA:2026:24085 ([eiseres] tegen CPD en [gedaagde]). De voorzieningenrechter wijst een verzoek af om een eerder vonnis te verbeteren op grond van artikel 31 lid 1 Rv. In het oorspronkelijke kortgedingvonnis waren de proceskosten in een IE-zaak vastgesteld aan de hand van de Indicatietarieven in IE-zaken, waarbij voor beide gedaagden € 18.000 aan salaris advocaat was begroot, exclusief btw. De gedaagden verzochten vervolgens om toevoeging van de btw, omdat die opslag volgens hen abusievelijk niet in het dictum was opgenomen. Volgens de voorzieningenrechter is echter geen sprake van een kennelijke rekenfout, schrijffout of andere kennelijke fout die zich voor eenvoudig herstel leent. Van zo’n fout is alleen sprake wanneer direct duidelijk is dat een vergissing is gemaakt.

IEF 23845

Amelie tuinstoel maakt inbreuk op Uniemodel van Vincent Sheppard en Amelie loungeset op haar auteursrecht

Rechtbank Den Haag 22 jul 2026, IEF 23845; ECLI:NL:RBDHA:2026:27094 (Vincent Sheppard tegen Intergamma c.s), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/amelie-tuinstoel-maakt-inbreuk-op-uniemodel-van-vincent-sheppard-en-amelie-loungeset-op-haar-auteursrecht

Rb. Den Haag 22 juli 2026, IEF 23845; ECLI:NL:RBDHA:2026:27094 (Vincent Sheppard tegen Intergamma c.s.). Vincent Sheppard, producent van de KODO-collectie, stelt dat Intergamma c.s. met het aanbieden en verkopen van de Amelie tuinstoel en Amelie loungeset in Nederland en België inbreuk maken op haar intellectuele-eigendomsrechten. Ten aanzien van de KODO dining chair beroept Vincent Sheppard zich op het ingeschreven Uniemodel nr. 006570933-0003. De voorzieningenrechter verwerpt het beroep van Intergamma c.s. op nietigheid. De KODO dining chair wekt bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk dan de aangevoerde oudere modellen, zodat in dit kort geding voorshands van de geldigheid van het KODO-model moet worden uitgegaan. Aan het model komt bovendien een ruime beschermingsomvang toe. De Amelie tuinstoel is volgens de voorzieningenrechter nagenoeg identiek aan de KODO dining chair. De twee geconstateerde verschillen, één horizontale buis in de rugleuning in plaats van twee en een extra horizontale staaf tussen de voorpoten, zijn te gering om tot een andere algemene indruk te leiden. De Amelie tuinstoel wekt bij de geïnformeerde gebruiker daarom geen andere algemene indruk dan het KODO-model en maakt daarop inbreuk. Omdat de gevorderde voorzieningen ten aanzien van de tuinstoel reeds op deze modelrechtelijke grondslag kunnen worden toegewezen, laat de voorzieningenrechter de daarnaast aangevoerde auteursrechtelijke en onrechtmatigedaadsgrondslag onbesproken.

IEF 23842

Artikel geschreven door Jorn Torenbosch. 

Harmonisatie en het Teddybeer-effect

Jorn Torenbosch*

Inleiding

Uit decennia IE-harmonisatie blijkt dat er een groot verschil is tussen harmonisatie op papier en harmonisatie in de praktijk. De ervaring leert dat lidstaten harmonisatie leuk en aardig vinden, zolang zij hun nationale rechtstradities maar niet hoeven te veranderen. Het is deze geworteldheid in nationale rechtstraditie die – hoewel begrijpelijk – leidt tot situaties die het harmonisatieproces verstoren.

Zo zijn er talrijke voorbeelden van hoogste rechtscolleges die geen prejudiciële over controversiële kwesties, ook al verplicht het EU-recht hen hiertoe wel. De reden? Het hoogste rechtscollege in kwestie is er zo stellig van overtuigd dat zijn ‘vroegere’ nationale recht volledig overeenstemt met het geharmoniseerde EU-recht, dat de gedachte niet eens bij hem opkomt dat in andere lidstaten (of bij het HvJ EU) wellicht heel anders over de kwestie wordt gedacht.

Of wat te denken van het fenomeen dat wanneer het HvJ EU een uitspraak doet over de uitleg van het geharmoniseerde IE-recht, de eerste reactie in de meeste lidstaten is om te kijken hoe deze rechtspraak is in te passen in het vertrouwde nationale recht? In de literatuur en (lagere) rechtspraak springt men dan hoog en laag om de rechtspraak van het HvJ EU te verzoenen met de oude vertrouwde nationale rechtspraak. Vaak wordt deze analyse dan afgesloten met de conclusie dat het prima facie gevoel dat de nationale rechtspraak verenigbaar is met de EU-rechtspraak inderdaad klopt en er gelukkig niets hoeft te veranderen. Maar in andere landen in de EU is wel werk aan de winkel! Zij hebben het, in tegenstelling tot ons, niet goed gezien. De reden? Harmoniseren is goed, maar niet als het ten koste gaat van het nationale IE-recht zoals dat in vroegere tijden tot bloei is gekomen. Zoals een kind vastklampt aan zijn teddybeer houden lidstaten vast aan hun vroegere nationale IE-recht, ook in tijden van harmonisatie.

*Mr. J.R. Torenbosch is docent en promovendus Recht, Innovatie en Technologie aan de Universiteit Utrecht, en vanaf aflevering 2024-4 redacteur van dit blad. De auteur is dank verschuldigd aan prof. mr. P.G.F.A. Geerts en prof. mr. D.J.G. Visser voor commentaar op een eerdere versie van deze editorial.

IEF 23844

Artikel geschreven door Michelle van Dalen, Clairfort Advocaten

Mag je een kleur claimen? Over kleuren en de merkenrechtelijke bescherming ervan.

19 augustus 2026, Michelle van Dalen. 

Recent spande de Amerikaanse winkelketen 7-Eleven een rechtszaak aan tegen Nike vanwege vermeende merkinbreuk. Volgens 7-Eleven maakt Nike met een nieuwe sneaker gebruik van de kenmerkende groen-oranje-rode kleurcombinatie die consumenten al jarenlang met haar winkels associëren. Daarmee zou Nike inbreuk maken op de merkrechten van 7-Eleven, dat in Europa en de Verenigde Staten merkregistraties voor deze kleurcombinatie heeft. Of werkelijk sprake is van merkinbreuk moet nog worden beoordeeld. De zaak werpt in ieder geval weer even licht op een interessant IE-rechtelijk onderwerp, namelijk de IE-rechtelijke bescherming van kleuren. Kleuren en kleurencombinaties kunnen namelijk onder strenge voorwaarden als merk worden beschermd.

In deze blog schetsen we een globaal beeld van de merkenrechtelijke bescherming van kleur.

IEF 23839

Save-the-date: Presentatie OO&R-bundel Bescherming van bedrijfsgeheimen 4 november

Op woensdag 4 november 2026 vindt bij Stibbe in Amsterdam de presentatie plaats van de bundel Bescherming van bedrijfsgeheimen, onder redactie van Jorn Kloostra, Pieter van der Korst, Peter Teunissen en Charlotte Vrendenbarg.

De bundel verschijnt in de serie Onderneming en Recht van het Nijmeegse Onderzoekcentrum Onderneming & Recht (OO&R) en bevat 26 bijdragen van auteurs uit wetenschap en praktijk, waaronder Constant van Nispen, Toon Huydecoper, Maarten Schut, Wim Maas, Peter Blok, Daniel Gervais, Ansgar Ohly, Anselm Kamperman Sanders en de leden van de redactie.

Het definitieve programma en de uitnodiging met aanmeldlink volgen nog, maar de datum kan alvast worden genoteerd!

Datum: woensdag 4 november 2026
Tijd: 16.00–18.00 uur, aansluitend borrel
Locatie: Stibbe, Amsterdam

IEF 23837

Rb. Den Haag: Staat aansprakelijk voor onrechtmatige strafvervolging en OM-publicaties na gebleken onschuld

Rechtbank Den Haag 2 sep 2026, IEF 23837; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-staat-aansprakelijk-voor-onrechtmatige-strafvervolging-en-om-publicaties-na-gebleken-onschuld

Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23837; IT 5519; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat). De rechtbank oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die een advocaat heeft geleden als gevolg van haar strafrechtelijke vervolging. De advocaat werd onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, overtreding van de Wet op de kansspelen, witwassen en valsheid in geschrift in verband met haar werkzaamheden voor aanbieders van online kansspelen. Zij werd door de rechtbank vrijgesproken en vervolgens in 2024 ook door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch integraal vrijgesproken. Volgens de rechtbank slaagt haar beroep op de b-grond uit het Begaclaim-arrest. Uit de motivering van het arrest van het hof blijkt dat zij onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten en dat de verdenkingen achteraf ongefundeerd zijn gebleken. Het beroep op de a-grond slaagt niet, omdat niet kan worden vastgesteld dat vanaf het begin een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden ontbrak. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die de advocaat als gevolg van de vervolging heeft geleden. De inkomensschade wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast kent de rechtbank € 15.000 toe wegens immateriële schade door de vervolging, € 572.526,52 voor kosten die verband houden met de strafrechtelijke vervolging en € 21.486,67 voor de kosten van een bankgarantie.

IEF 23836

Gerecht EU: ULTRAPURE mist onderscheidend vermogen voor voedingssupplementen, voedingsmiddelen en dranken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 16 sep 2026, IEF 23836; ECLI:EU:T:2026:572 (ULTRAPURE), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-ultrapure-mist-onderscheidend-vermogen-voor-voedingssupplementen-voedingsmiddelen-en-dranken

Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23836; IEFbe 4308; ECLI:EU:T:2026:572 (ULTRAPURE). Het Gerecht verwerpt het beroep van Fitmart GmbH & Co. KG tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO over de internationale inschrijving van het beeldteken ULTRAPURE met aanwijzing van de Europese Unie. Het teken was bestemd voor onder meer voedingssupplementen, zuivelproducten, voedingsmiddelen en niet-alcoholische dranken in de klassen 5, 29, 30 en 32. De kamer van beroep had geoordeeld dat het teken ieder onderscheidend vermogen mist in de zin van artikel 7 lid 1 onder b, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo. Volgens het Gerecht zal het relevante Engels- en Franstalige publiek “ultrapure” onmiddellijk begrijpen als de combinatie van “ultra” en “pure”, waarmee wordt uitgedrukt dat de betrokken producten extreem of buitengewoon zuiver zijn. In de sectoren gezondheid, welzijn, voedingsmiddelen en dranken hechten consumenten belang aan de zuiverheid van producten. De verschillende mogelijke betekenissen van “pure” nemen daarom niet weg dat het relevante publiek het teken in de context van de betrokken waren onmiddellijk als een positieve, lovende boodschap zal opvatten en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Ook de combinatie “ultrapure” heeft geen betekenis die verder gaat dan de som van de bestanddelen. Zij vereist geen bijzonder interpretatieproces en wordt door het relevante publiek als een gewone promotionele en lovende boodschap opgevat.

IEF 23835

Gerecht EU bevestigt nietigheid Remington SYNERGY WORLD wegens kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 16 sep 2026, IEF 23835; ECLI:EU:T:2026:571 (Remington SYNERGY WORLD), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-bevestigt-nietigheid-remington-synergy-world-wegens-kwade-trouw

Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23835; IEFbe 4307; ECLI:EU:T:2026:571 (Remington SYNERGY WORLD). Het Gerecht verwerpt het beroep van Sudex OÜ tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk Remington SYNERGY WORLD nietig is verklaard wegens kwade trouw op grond van artikel 59 lid 1 onder b UMVo. Voor de vaststelling van kwade trouw moet op basis van alle relevante omstandigheden objectief worden beoordeeld of de aanvrager het merk niet heeft aangevraagd met het doel eerlijk aan het handelsverkeer deel te nemen, maar met de bedoeling de belangen van derden in strijd met eerlijke gebruiken te schaden of een uitsluitend recht te verkrijgen voor doeleinden die buiten de functies van een merk vallen. Het Gerecht onderschrijft het oordeel dat sprake is van nabijheid tussen de betrokken marktsectoren. De voor het betwiste merk ingeschreven waren in de klassen 18 en 25 omvatten categorieën die ook specifiek voor de jacht bestemde producten kunnen omvatten. Deze waren en de vuurwapens en munitie waarop het oudere REMINGTON-merk betrekking heeft, kunnen zich bovendien tot dezelfde consumenten, namelijk jagers, richten en in dezelfde winkels worden verkocht. Voor nietigverklaring wegens kwade trouw is daarbij niet vereist dat een ouder merk betrekking heeft op identieke of soortgelijke waren of diensten. Evenmin hoeft noodzakelijkerwijs verwarringsgevaar te worden vastgesteld.