Kort geding over online beschuldigingen en grensoverschrijdende uitingen op sociale media
Rb Rotterdam 27 februari 2026, IEF 23324; ECLI:NL:RBROT:2026:2075 ([eiser] tegen [gedaagde]). In deze zaak zijn eiser, een publiek bekende activist, en gedaagde, een zeer actieve gebruiker van sociale media en een eigen website, sinds begin 2025 in een escalerende online ruzie verwikkeld, waarin zij over en weer berichten plaatsen en aangifte doen. Eiser stelt dat gedaagde structureel grensoverschrijdende uitingen over hem en zijn gezin doet. Zij noemt hem onder meer psychopaat en NSB’er, maar vooral beschuldigt zij hem van ernstige strafbare feiten zoals geestelijke mishandeling, psychisch geweld, stalking, doxing, femicide en kindermisbruik, publiceert portretten van eiser met teksten als “kinderen neuken”, deelt privé-informatie uit zijn echtscheiding en betrekt zijn minderjarige kinderen door een geblurde foto van hen te plaatsen met dreigende teksten, alsook een spraakbericht aan zijn zoon te sturen. Na een sommatiebrief weigert gedaagde in te binden en daagt eiser haar in kort geding, waarin hij vordert: een verbod op bedreigingen jegens hem en zijn kinderen, een (primair ruim, subsidiair toegespitst) verbod om hem van bepaalde strafbare feiten te beschuldigen, een verbod op berichten over zijn gezinsleven, kinderen, echtscheidingsgeschil en adres, een verbod op gebruik van zijn portret, een verwijderingsgebod voor bestaande uitingen, een rectificatie op diverse socialemediakanalen, een contact- en gebiedsverbod ten opzichte van hem en zijn kinderen, verbeurte van dwangsommen en, bij uitputting daarvan, lijfsdwang, plus een veroordeling van gedaagde in de werkelijke proceskosten. Gedaagde voert verweer en formuleert in een eigen “Verzetschrift” tegenvorderingen, maar die gelden niet als eis in reconventie omdat zij daarvoor een advocaat nodig had; de voorzieningenrechter acht de zaak spoedeisend en bespreekt vervolgens het toetsingskader van de botsing tussen eisers recht op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, goede naam en reputatie (artikel 8 EVRM) en gedaagdes vrijheid van meningsuiting (artikel 10 EVRM), waarbij aan de hand van de aard van de uitlatingen, de ernst van de gevolgen, het beschikbare feitenmateriaal, de context en de maatschappelijke positie van partijen wordt afgewogen of sprake is van onrechtmatigheid.