Geen reactie op nadere toelichting fataal: betalingsveroordeling voor muziekgebruik
Rb. Noord-Holland 6 mei 2026, IEF 23575; ECLI:NL:RBNHO:2026:4380 ([eiser 1] en [eiser 2] tegen MED Medemblik). In deze zaak tussen twee collectieve rechtenorganisaties ([eiser 1] en [eiser 2]) en MED Medemblik staat de vraag centraal of de exploitant van een horecagelegenheid gehouden is tot betaling van openstaande vergoedingen voor muziekgebruik op grond van licentieovereenkomsten. De kantonrechter van de Rechtbank Noord-Holland oordeelt dat de vorderingen grotendeels toewijsbaar zijn en passeert het gevoerde verweer, nu dit na nadere onderbouwing onvoldoende is gehandhaafd. MED Medemblik exploiteert een horecagelegenheid waar muziek wordt afgespeeld. Met beide collectieve rechtenorganisaties zijn licentieafspraken gemaakt voor het gebruik van muziekwerken. Over het jaar 2025 blijven meerdere facturen onbetaald, waaronder een factuur van € 1.419,11 van [eiser 1] en twee facturen van in totaal € 2.235,29 van [eiser 2]. Daarnaast worden eerder verleende kortingen van 33,33% na uitblijven van betaling alsnog in rekening gebracht, waardoor de gevorderde hoofdsommen oplopen tot € 2.128,56 respectievelijk € 3.352,77. MED Medemblik betwist de vorderingen en voert aan dat de gehanteerde berekeningsgrondslag onjuist is. Volgens haar is de horecagelegenheid ten onrechte ingedeeld in een hogere oppervlaktecategorie (450 m²), terwijl de feitelijke oppervlakte circa 160 m² bedraagt, wat zou leiden tot lagere tarieven. Daarnaast stelt zij dat geen sprake is van ondertekende licentieovereenkomsten en dat betaling van eerdere facturen niet zonder meer kan worden aangemerkt als aanvaarding van contractuele verplichtingen.