HvJ EU verduidelijkt bevoegdheid bij grensoverschrijdende aantasting persoonlijkheidsrechten door televisieserie
HvJ EU 18 juni 2026, IEF 23641; C-232/25 (Z.R. en Ś tegen U. en Z.). In deze zaak tussen Z.R. en Ś. enerzijds en de Duitse producenten U. en Z. anderzijds staat de internationale bevoegdheid centraal bij een gestelde schending van persoonlijkheidsrechten door een televisieserie over de Tweede Wereldoorlog. Z.R. is een voormalig lid van een Poolse verzetsorganisatie (formatie X) en Ś. is een vereniging die de nagedachtenis en reputatie van die organisatie bewaakt. Volgens hen worden de leden van de formatie in de serie afgeschilderd als antisemieten en collaborateurs, waardoor hun eer, waardigheid en nationale identiteit zijn aangetast. Zij vorderen onder meer excuses op televisie en internet en vergoeding van immateriële schade. De zaak wordt beoordeeld aan de hand van artikel 5, punt 3, Brussel I, dat ratione temporis van toepassing is. De Poolse rechter vraagt het Hof van Justitie of de Poolse rechter bevoegd is om kennis te nemen van een vordering tot vergoeding van de volledige schade, nu de serie weliswaar in Duitsland is geproduceerd maar ook in Polen is uitgezonden en online beschikbaar is. Daarbij rijst in het bijzonder de vraag of de rechtspraak over internetpublicaties, waarin het 'centrum van de belangen' van de benadeelde een aanknopingspunt vormt voor bevoegdheid, ook geldt voor televisieseries die in meerdere lidstaten worden uitgezonden. Het Hof maakt een duidelijk onderscheid tussen televisie-uitzendingen en internetpublicaties. Bij televisie is de verspreiding territoriaal begrensd tot het ontvangstgebied van het televisiesignaal. Anders dan online content is een televisie-uitzending niet van nature overal en gelijktijdig toegankelijk. Daarom kan de benadeelde weliswaar procederen in iedere lidstaat waar de serie is uitgezonden en waar hij stelt reputatieschade te hebben geleden, maar die rechter is uitsluitend bevoegd voor de schade die op zijn eigen grondgebied is ontstaan (mozaïekbevoegdheid in de lijn van Shevill). Het centrum van de belangen van de benadeelde vormt in deze situatie geen grondslag voor een vordering die ziet op de volledige schade. Dat geldt ook als de serie gelijktijdig via internet wordt verspreid: eventuele versnippering van het geding neemt niet weg dat de benadeelde voor de volledige schade nog steeds kan procederen bij de rechter van de woonplaats van de verweerder of van de plaats van de schadeveroorzakende gebeurtenis (de zetel van de producenten). Voor online verspreide inhoud bevestigt het Hof zijn eerdere rechtspraak dat de rechter van de lidstaat waar het centrum van de belangen van de benadeelde ligt bevoegd kan zijn om kennis te nemen van de volledige schade. Daarvoor geldt echter een belangrijke voorwaarde: de betrokken inhoud moet objectieve en controleerbare gegevens bevatten die het mogelijk maken de benadeelde direct of indirect als individu te identificeren.