[verschenen in Nederlandse Jurisprudentie 2026/155]
Noot
Dit is een belangrijk arrest met voor het Nederlandse auteursrecht en de rechtspraktijk directe consequenties. Het HvJEU geeft uitleg aan de inhoud en toepassing van de oorspronkelijkheidstoets, een kernbegrip in het geharmoniseerde auteursrecht. De creativiteit die voorwaarde is voor de bescherming van een werk mag niet worden verondersteld, maar moet blijken uit de creatieve (persoonlijk) keuzen van de auteur die in het werk zichtbaar zijn. Daarnaast spreekt het Hof zich uit over de beschermingsomvang van een werk, waarbij afstand wordt genomen van het door de Hoge Raad ontwikkelde totaalindrukkencriterium. Ook verduidelijkt het arrest de verhouding tussen auteursrechtelijke bescherming van werken van toegepaste kunst en het bijzondere modellenrecht.
Feiten
Het arrest is gewezen in twee gevoegde zaken. In de Zweedse zaak C-580/23 roept Asplund auteursrechtelijke bescherming in voor zijn Palais Royal eetkamertafel t.o.v. de sterk gelijkende tafel Cord van meubelwinkelketen Mio. De Duitse zaak C-795/23 betreft een modulair kastsysteem [“gekenmerkt door hoogglanzend verchroomde ronde buizen die via bolvormige koppelstukken met elkaar zijn verbonden en een structuur vormen waarin gekleurde metalen panelen worden geplaatst”]. Volgens ontwerper USM pleegt konektra inbreuk door het online aanbieden van een sterk gelijkend systeem alsmede onderdelen of uitbreidingen daarvan.
Het HvJEU beantwoordt de uitvoerige prejudiciële vragen van de Svea hovrätt, de Zweedse appelrechter in IE-zaken, en het Bundesgerichtshof grotendeels in lijn met de conclusie van AG Szpunar.
Relatie auteursrecht-modellenrecht
Het HvJ bespreekt eerst de vraag hoe auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst zich in het algemeen verhoudt tot het modellenrecht, het IE-regime dat op basis van een depotsysteem kortlopende bescherming (max. 25 jaar) toekent aan het nieuwe uiterlijk van een gebruiksvoorwerp. Beide regimes zijn in de EU in belangrijke mate geharmoniseerd. Enkele lidstaten, waaronder Duitsland en Italië, hanteren van oudsher strenge eisen voor auteursrechtelijke bescherming van toegepaste kunst om te voorkomen dat het modellenrecht door het auteursrecht, dat geen depotvereiste kent en veel langer duurt (tot 70 jaar p.m.a.), wordt ondermijnd. In het verleden gold ook in de Benelux een striktere auteursrechtelijke toets (modellen moesten “een duidelijk kunstzinnig karakter vertonen”), maar daaraan is al in de vorige eeuw een einde gemaakt [Hoge Raad 29 november 1985 en BenGH 22 mei 1987, NJ 1987, 880-881 m.nt. Wichers Hoeth].
In het Cofemel-arrest [zaak C-683/17, NJ 2020/90 m.nt. Spoor] had het HvJEU al verklaard dat werken van toegepaste kunst aan de normale auteursrechtelijke werktoets zijn onderworpen, waarbij cumulatie tussen auteursrecht en modellenrecht in beginsel mogelijk is. Het Hof overwoog echter ook “dat een dergelijke cumulatie slechts in bepaalde situaties kan worden overwogen” (Cofemel, ro. 52). Auteursrechtelijke bescherming is volgens het Hof enkel “voorbehouden aan voorwerpen die het verdienen om als werk te worden gekwalificeerd” (Cofemel, ro.50). Deze overwegingen riepen de vraag of het Hof niet toch een striktere maatstaf voor werken van toegepaste kunst voor ogen had, zodat auteursrechtelijke bescherming t.o.v. het modellenrecht een uitzondering zou blijven.
In het Mio-arrest verduidelijkt het Hof zijn Cofemel-oordeel. Auteursrecht en modellenrecht zijn verschillende regimes met onderling afwijkende criteria. Terwijl in het modellenrecht nieuwheid en eigen karakter volstaan, waarbij creativiteit geen rol speelt [zie HvJEU 18 december 2025, zaak C-323/241, ECLI:EU:C:2025:983 (Deity Shoes)], verlangt het auteursrecht originaliteit (oorspronkelijk karakter). Deze voorwaarden mogen niet met elkaar worden verward, zo maant het Hof (ro. 54). De auteursrechtelijke originaliteitseis is, zo blijkt uit het vervolg van het arrest, geen sinecure. Weliswaar bestaat er “geen regel-uitzondering-relatie tussen modelrechtelijke bescherming en auteursrechtelijkebescherming” (ro. 56), en geldt voor auteursrechtelijke bescherming van modellen werken van toegepaste kunst, zoals de meubelontwerpen in kwestie, de normale werktoets, maar aan deze toets is voor deze categorie creaties niet gemakkelijk voldaan. Anders dan bij “vrije” kunstuitingen, zoals werken van letterkunde, muziek en film`, is de creatieve vrijheid van meubelontwerpers en andere designers immers ingeperkt door allerlei functionele, technische en ergonomische randvoorwaarden. Auteursrechtelijke originaliteit is in zo’n geval niet vanzelfsprekend.