Bank mag zakelijke borgtocht volledig uitwinnen en hoefde geen pandrecht op IE-rechten te bedingen
Hof Amsterdam 7 juli 2026, IEF 23709; ECLI:NL:GHAMS:2026:1832 ([appellant] tegen de bank). Een medebestuurder en aandeelhouder van SCF-Solutions B.V. stelde zich tegenover ABN AMRO borg voor de verplichtingen van SCF uit een kredietovereenkomst. Zijn aansprakelijkheid was gemaximeerd op € 250.000, te vermeerderen met de door SCF verschuldigde rente en de invorderingskosten. Nadat de bank de kredietovereenkomst op 31 maart 2014 had opgezegd en SCF op 10 april 2014 failliet was verklaard, bleef een deel van de kredietschuld onbetaald. De bank sprak de borg op 17 april 2015 aan tot betaling van het maximumbedrag. Toen betaling uitbleef, liet zij in 2016 na verlof van de Belgische beslagrechter beslag leggen op zijn roerende zaken en werd tijdelijk een sekwester aangesteld. De Rechtbank Amsterdam veroordeelde de borg tot betaling van € 250.000, vermeerderd met rente en kosten. In hoger beroep voerde hij aan dat de Belgische beslaglegging onzorgvuldig en onrechtmatig was, dat de bank haar zorgplicht had geschonden door geen pandrecht op de IE-rechten van SCF te bedingen en dat het aanspreken van de borg naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Het hof is op grond van de tussen partijen gesloten forumkeuzeovereenkomst bevoegd en past vanwege de rechtskeuze in de borgtochtovereenkomst Nederlands recht toe. Omdat de geldigheid van de borgtocht en de tekortkoming van SCF vaststaan, mocht de bank haar zekerheden, waaronder de borgtocht, in beginsel uitwinnen.