Vorderingen van ARDEX tegen ADEX wegens gestelde merk- en handelsnaaminbreuk en onrechtmatige daad afgewezen
Rb. Den Haag 12 maart 2026, IEF 23387; ECLI:NL:RBDHA:2026:5128 (ARDEX tegen ADEX). In dit kort geding traden ARDEX GmbH en ARDEX Nederland B.V. op tegen ADEX Projecten B.V., ADEX Diensten B.V., ADEX Grondstoffen B.V., ADEX Milieu B.V., ADEX Materieel B.V. en Aannemingen Beheer B.V.. ARDEX stelde dat ADEX door het gebruik van ADEX als teken, handelsnaam en domeinnaam inbreuk maakte op de ARDEX-Uniemerken en het ingeroepen Benelux-/internationale merk, primair op grond van artikel 9 lid 2 sub c UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub c BVIE, en subsidiair op grond van artikel 9 lid 2 sub b UMVo en artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. Daarnaast beriep ARDEX zich op artikel 5 Hnw, artikel 5a Hnw en subsidiair op artikel 6:162 BW. De voorzieningenrechter achtte zich bevoegd en nam spoedeisend belang aan, omdat ARDEX na ontdekking van de naamswijziging van Bnext.nl naar ADEX in het voorjaar van 2025 voldoende voortvarend had gehandeld met een sommatiebrief, een BBIE-procedure en daarna dit kort geding; de eenzijdige onthoudingsverklaring van ADEX Diensten en ADEX Grondstoffen van 12 februari 2026 nam dat spoedeisend belang niet weg, omdat die verklaring niet volledig tegemoetkwam aan wat ARDEX vorderde.