Gevangenisstraf voor opzettelijk in voorraad hebben van valse merken
Hof Amsterdam 2 september 2026, IEF 23851; ECLI:NL:GHAMS:2026:2507 (Openbaar Ministerie tegen [verdachte]). Op 16 oktober 2021 is in Amsterdam onder de verdachte een grote partij kleding, tassen, schoenen en een zonnebril in beslag genomen. Het hof acht bewezen dat de verdachte deze goederen, valselijk voorzien van onder meer de beschermde woord- en/of beeldmerken Adidas, Balenciaga, Burberry, Christian Dior, Dolce & Gabbana, Givenchy, Gucci, Louis Vuitton, Moncler, Prada en Stone Island, opzettelijk in voorraad heeft gehad. De verdediging heeft vrijspraak bepleit vanwege onzorgvuldigheden en discrepanties in het dossier, onder meer tussen de aantallen goederen in het proces-verbaal van bevindingen en de kennisgevingen van inbeslagname en vanwege een aanvankelijk onjuist proces-verbaalnummer bij de aangifte. Het hof verwerpt dit verweer. De processen-verbaal stemmen op de relevante onderdelen, waaronder de merken en soorten kleding, in overwegende mate overeen en de verschillen in aantallen zijn volgens het hof van ondergeschikt belang en aan te merken als kennelijke telfouten. Ook staat naar het oordeel van het hof buiten redelijke twijfel vast dat de aan de controleur getoonde monsters afkomstig waren uit de partij die onder de verdachte was inbeslaggenomen. Het voorwaardelijke verzoek om twee verbalisanten als getuigen te horen wordt afgewezen, omdat hun verhoor volgens het hof onmiskenbaar irrelevant of overbodig is. De relevante feiten waren reeds buiten redelijke twijfel komen vast te staan en op verzoek van de verdediging waren bovendien drie aanvullende processen-verbaal opgesteld waarin de gesignaleerde discrepanties voldoende waren toegelicht. Het gebruik van de bevindingen van de verbalisanten is daarom volgens het hof verenigbaar met art. 6 EVRM en de vereiste ‘overall fairness of the trial’.