Filter
  • Datum
  • Dossier
zoeken

Dossiers

 
 
21.269 artikelen gevonden
IEF 23902

UPC CoA: schorsende werking hoger beroep tegen nietigheidsbeslissing geldt niet voor kostenbeslissing

Unified Patent Court (UPC) 18 sep 2026, IEF 23902; UPC-CoA-121/2026 (AMMS tegen Gilead), https://www.ie-forum.nl/artikelen/upc-coa-schorsende-werking-hoger-beroep-tegen-nietigheidsbeslissing-geldt-niet-voor-kostenbeslissing

UPC CoA 18 september 2026, IEF 23902; LS&R 2475; IEFbe 4341; UPC-CoA-121/2026 (AMMS tegen Gilead). In deze zaak tussen de Academy of Military Medical Sciences (AMMS) en Gilead staat de vraag centraal of de automatische schorsende werking van een hoger beroep tegen een nietigheidsbeslissing zich ook uitstrekt tot de daarmee samenhangende kostenbeslissing. Gilead had bij de Central Division Milan nietigverklaring van EP 3 854 403 gevorderd. De rechtbank herriep het octrooi volledig en bepaalde, overeenkomstig een afspraak tussen partijen, dat AMMS € 800.000 aan proceskosten van Gilead moest dragen. AMMS stelde hoger beroep in tegen de nietigheidsbeslissing. AMMS stelde zich op het standpunt dat de automatische schorsende werking van art. 74 lid 2 UPCA niet alleen de beslissing over de geldigheid van het octrooi raakt, maar ook de kostenbeslissing. Het Hof van Beroep volgt dat standpunt niet. Art. 74 lid 2 UPCA vormt een uitzondering op de hoofdregel dat hoger beroep geen schorsende werking heeft. De automatische schorsende werking is volgens het Hof gerechtvaardigd door de bijzondere aard van geldigheidsbeslissingen, die erga omnes werken en de juridische status van het octrooi raken zolang het hoger beroep nog loopt.

IEF 23906

Verwarringsgevaar tussen MARKETVECTOR INDEXES en VECTOR FUND; normaal gebruik ouder merk voldoende aangetoond

Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026, IEF 23906; ECLI:EU:T:2026:609 (MARKETVECTOR INDEXES), https://www.ie-forum.nl/artikelen/verwarringsgevaar-tussen-marketvector-indexes-en-vector-fund-normaal-gebruik-ouder-merk-voldoende-aangetoond

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23906; IEFbe 4344; ECLI:EU:T:2026:609 (MARKETVECTOR INDEXES). Van Eck Associates had de Europese Unie aangewezen voor de internationale registratie van het woordteken MARKETVECTOR INDEXES voor financiële diensten in klasse 36. Vector S.A. stelde oppositie in op basis van het oudere Uniewoordmerk VECTOR FUND en beriep zich op artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Nadat Van Eck om bewijs van normaal gebruik had gevraagd, legde Vector onder meer jaarstukken, websiteprints, verklaringen, nieuwsbrieven, artikelen en gegevens over de registratie van fondsen over. Het Gerecht oordeelt dat de kamer van beroep terecht heeft aangenomen dat het oudere merk normaal is gebruikt. Het merk was weliswaar niet in exact dezelfde vorm gebruikt als geregistreerd, maar het gebruik van het element “vector” kan als gebruik van VECTOR FUND gelden. “Fund” is beschrijvend voor de betrokken financiële diensten, zodat het weglaten daarvan het onderscheidend vermogen van het merk niet wijzigt. Ook toevoegingen als “navigator”, “flexible”, “top managers mixed” en “SICAV” veranderen dat onderscheidend vermogen niet, omdat deze elementen beschrijvend zijn voor kenmerken of de rechtsvorm van de betrokken fondsen. Het Gerecht stelt bovendien vast dat “vector” niet uitsluitend als handels- of ondernemingsnaam is gebruikt, maar ook als merk, omdat het teken in de overgelegde stukken zelfstandig de commerciële herkomst van de betrokken financiële diensten aanduidt.

IEF 23916

Gerecht EU: geen nietigheid van merk lightoptics wegens onvoldoende bewijs van ouder auteursrecht en kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 7 okt 2026, IEF 23916; ECLI:EU:T:2026:644 (lightoptics), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-geen-nietigheid-van-merk-lightoptics-wegens-onvoldoende-bewijs-van-ouder-auteursrecht-en-kwade-trouw

Gerecht EU 7 oktober 2026, IEF 23916; IEFbe 4350; ECLI:EU:T:2026:644 (lightoptics). Salumanus heeft verzocht om nietigverklaring van het Uniebeeldmerk ‘lightoptics’, dat op naam van Heyoptics is ingeschreven voor onder meer glasvezelkabels, elektronische apparatuur en commerciële diensten in de klassen 9 en 35. Volgens Salumanus kan zij zich beroepen op een ouder auteursrecht op een overeenstemmend teken en heeft Heyoptics bij de merkaanvraag te kwader trouw gehandeld. Het verzoek is gebaseerd op artikel 60 lid 2 onder c en artikel 59 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001 (UMVo). De nietigheidsafdeling van EUIPO wees het verzoek af, waarna ook de kamer van beroep oordeelde dat Salumanus onvoldoende had aangetoond dat zij bescherming kon ontlenen aan het Poolse auteursrecht. Het Gerecht bevestigt dat niet is bewezen dat Salumanus het betreffende teken vóór de merkaanvraag van 1 november 2021 heeft gecreëerd. De overgelegde e-mails, overeenkomsten, productfoto's en andere documenten tonen onvoldoende aan wie het teken heeft ontworpen en wanneer dit is gebeurd. Ook het feit dat Salumanus producten met het teken heeft verhandeld, bewijst niet dat zij de maker ervan is. Het Gerecht benadrukt dat degene die zich op een ouder nationaal auteursrecht beroept, onder meer het bestaan en de beschermingsomvang van dat recht en de inhoud van het toepasselijke nationale recht moet aantonen. Omdat Salumanus onvoldoende heeft bewezen dat zij het teken vóór de merkaanvraag heeft gecreëerd, hoeft het Gerecht niet verder te beoordelen of de verstrekte informatie over het Poolse auteursrecht toereikend is. De voor het eerst bij het Gerecht ingediende aanvullende e-mails worden bovendien niet-ontvankelijk verklaard.

IEF 23919

Forbo en Duracryl moeten bepaalde misleidende duurzaamheidsclaims staken

Hof Den Haag 29 sep 2026, IEF 23919; ECLI:NL:GHDHA:2026:3024 (Forbo en Duracryl c.s.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/forbo-en-duracryl-moeten-bepaalde-misleidende-duurzaamheidsclaims-staken

Hof Den Haag 29 september 2026, IEF 23919; RB 4157; ECLI:NL:GHDHA:2026:3024 (Forbo tegen Duracryl c.s.). Forbo Flooring en Duracryl c.s. zijn concurrerende producenten van vloerbedekkingen die elkaar over en weer verwijten misleidende mededelingen te doen over de samenstelling en duurzaamheid van hun producten. Forbo stelt onder meer dat Duracryl haar product Corques Liquid Lino (CLL) ten onrechte als linoleum en als natuurlijk en klimaatvriendelijk presenteert. Duracryl c.s. voeren op hun beurt aan dat Forbo misleidende duurzaamheidsclaims doet over haar Marmoleum- en PVC/vinylvloeren. Het hof beoordeelt de uitingen aan de hand van artikel 6:194 BW. Een onjuiste of onvolledige mededeling is pas misleidend wanneer deze, gelet op de context, van voldoende materieel belang is om het economische gedrag van het relevante publiek te kunnen beïnvloeden. Op grond van artikel 6:195 BW rust de bewijslast van de juistheid of volledigheid van de relevante feitelijke mededelingen op degene die de inhoud daarvan heeft bepaald, nadat de wederpartij voldoende heeft onderbouwd waarin de gestelde misleiding bestaat. De Europese richtsnoeren over oneerlijke handelspraktijken en de Leidraad Duurzaamheidsclaims van de ACM zijn niet rechtstreeks van toepassing op misleiding tussen ondernemingen, maar kunnen wel aanknopingspunten bieden bij de beoordeling van duurzaamheidsclaims. Volgens het hof mag Duracryl CLL als linoleum en als gebaseerd op natuurlijke materialen aanduiden. Het product heeft vergelijkbare eigenschappen als traditioneel linoleum en bestaat volgens een overgelegde Environmental Product Declaration (EPD) voor 89% uit natuurlijke grondstoffen. Wel zijn de claims dat CLL geen gevaarlijke materialen bevat, een CO2-voetafdruk van -7 kg/m² heeft en dat de vloeren van Duracryl klimaatpositief zijn misleidend. Dit geldt ook voor het gebruik van de keurmerken Climate Positive Flooring en BREEAM. De claim met het RedListFree-keurmerk acht het hof daarentegen voldoende onderbouwd. Verder bevestigt het hof het oordeel van de rechtbank dat de mededelingen waarin CLL wordt aangeduid als een puur mengsel van natuurlijke materialen, als een mix van pure duurzame materialen die door moeder natuur zijn gegeven en als EPD-gecertificeerd product misleidend zijn (r.o. 6.5-6.50).

IEF 23915

Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ABAC en ABACCO’S STEAKHOUSE voor restaurant- en hoteldiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 7 okt 2026, IEF 23915; ECLI:EU:T:2026:645 (ABACCO'S STEAKHOUSE), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-verwarringsgevaar-tussen-abac-en-abacco-s-steakhouse-voor-restaurant-en-hoteldiensten

Gerecht EU 7 oktober 2026, IEF 23915; IEFbe 4349; ECLI:EU:T:2026:645 (ABACCO'S STEAKHOUSE). Abacco’s GmbH komt op tegen de beslissing van de kamer van beroep van EUIPO waarbij de weigering van bescherming in de Europese Unie van het internationaal geregistreerde beeldmerk ‘ABACCO’S STEAKHOUSE’ voor diensten op het gebied van het verstrekken van eten en drinken en tijdelijke accommodatie in klasse 43 werd bevestigd. Restaurant Abac SL had oppositie ingesteld op basis van het oudere Spaanse woordmerk ABAC, dat onder meer is ingeschreven voor dezelfde diensten. Volgens Restaurant Abac bestaat verwarringsgevaar in de zin van artikel 8 lid 1 onder b van Verordening (EU) 2017/1001 (UMVo). De oppositieafdeling van EUIPO wees de oppositie toe en de kamer van beroep verwierp het daartegen ingestelde beroep. Het Gerecht onderschrijft het oordeel dat de betrokken diensten identiek zijn en dat het relevante publiek bestaat uit het algemene publiek in Spanje met een gemiddeld aandachtsniveau. Het woordelement ‘abacco’s’ vormt het meest onderscheidende en dominante bestanddeel van het aangevraagde merk. Het element ‘steakhouse’ is beschrijvend voor de betrokken diensten en de horizontale scheidingslijn heeft geen onderscheidend vermogen. Omdat het oudere merk ABAC volledig terugkomt aan het begin van het dominante bestanddeel ‘abacco’s’, stemmen de tekens visueel in gemiddelde mate en fonetisch in ten minste bovengemiddelde mate overeen.

IEF 23912

Gerecht EU: EUIPO beoordeelde beschrijvend karakter en onderscheidend vermogen van ‘MID season’ op basis van onjuiste betekenis

Gerecht EU (voorheen GvEA) 7 okt 2026, IEF 23912; ECLI:EU:T:2026:641 (MID season For When It's Not Quite Cold Not Quite Warm), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-euipo-beoordeelde-beschrijvend-karakter-en-onderscheidend-vermogen-van-mid-season-op-basis-van-onjuiste-betekenis

Gerecht EU 7 oktober 2026, IEF 23912; IEFbe 4347; ECLI:EU:T:2026:641 (MID season For When It's Not Quite Cold Not Quite Warm). Milestone Sportswear Handels GmbH heeft verzocht om nietigverklaring van het Uniebeeldmerk ‘MID season For When It’s Not Quite Cold Not Quite Warm’, dat op naam van John Peter Srl is ingeschreven voor onder meer tassen, kleding en detailhandelsdiensten in de klassen 18, 25 en 35. Volgens Milestone Sportswear is het merk beschrijvend en mist het onderscheidend vermogen in de zin van artikel 7 lid 1 onder b en c van Verordening (EU) 2017/1001 (UMVo). De nietigheidsafdeling van EUIPO wees het verzoek af, waarna ook de kamer van beroep oordeelde dat het merk niet beschrijvend was en voldoende onderscheidend vermogen bezat. De kamer van beroep ging ervan uit dat het relevante Engelstalige publiek de woorden ‘mid season’ uitsluitend zou begrijpen als het midden van een van de vier seizoenen. Het Gerecht oordeelt echter dat de kamer van beroep hiermee een beoordelingsfout heeft gemaakt. Uit de door Milestone Sportswear overgelegde woordenboekfragmenten en voorbeelden uit de modebranche blijkt dat ‘mid season’ ook kan verwijzen naar overgangsseizoenen, zoals de lente en de herfst. De toevoeging ‘For When It’s Not Quite Cold Not Quite Warm’ ondersteunt deze betekenis, omdat daarmee wordt verwezen naar weersomstandigheden waarin het niet bijzonder koud of warm is.

IEF 23918

Octrooi Halozyme geldig en grensoverschrijdend inbreukverbod voor MSD wegens Keytruda SC

Rechtbank Den Haag 7 okt 2026, IEF 23918; ECLI:NL:RBDHA:2026:29643 (MSD tegen Halozyme), https://www.ie-forum.nl/artikelen/octrooi-halozyme-geldig-en-grensoverschrijdend-inbreukverbod-voor-msd-wegens-keytruda-sc

Rb. Den Haag 7 oktober 2026, IEF 23918; LS&R 2476; ECLI:NL:RBDHA:2026:29643 (MSD tegen Halozyme). De rechtbank oordeelt dat het Nederlandse deel van het Europese octrooi EP 2 797 622 B1 (EP 622) van Halozyme, dat betrekking heeft op gemodificeerde PH20-polypeptiden met verhoogde stabiliteit in aanwezigheid van fenolische conserveermiddelen, geldig is. Het octrooi ziet op enzymen die onder meer kunnen worden gebruikt om de onderhuidse toediening van geneesmiddelen te vergemakkelijken. MSD, producent van het kankergeneesmiddel Keytruda, heeft een subcutane variant ontwikkeld, Keytruda SC, die het door Alteogen ontwikkelde hyaluronidase-enzym ALT-B4 bevat. MSD vordert vernietiging van het Nederlandse deel van EP 622 en een verklaring voor recht dat Keytruda SC niet onder de beschermingsomvang daarvan valt. Volgens MSD is het octrooi niet nawerkbaar, bevat het ongeoorloofde toegevoegde materie en ontbreekt het aan nieuwheid en inventiviteit. De rechtbank verwerpt deze nietigheidsargumenten. De octrooibeschrijving stelt de gemiddelde vakpersoon voldoende in staat de geclaimde uitvinding zonder onevenredige inspanning uit te voeren en de conclusies bevatten geen ongeoorloofde toegevoegde materie. Ook is de uitvinding nieuw en inventief. De aangevoerde stand van de techniek openbaart niet alle kenmerken van de uitvinding en biedt de vakpersoon geen aanleiding om de stabiliteit van PH20-hyaluronidase in aanwezigheid van fenolische conserveermiddelen door aminozuurvervangingen op de geclaimde posities te verbeteren.

IEF 23917

Turing Advocaten bouwt AI-praktijk verder uit

6 oktober 2026

Turing Advocaten bouwt AI-praktijk verder uit met de aanstelling van Stefan Kulk. Kulk brengt veel kennis mee op het gebied van AI-regulering, gegevensbescherming en
datawetgeving. Daarmee bouwt Turing de AI-praktijk verder uit, naast de bestaande expertise in IT-contracten, privacy, cybersecurity en digitale dienstverlening. Kulk komt van de Autoriteit Persoonsgegevens, waar hij als unit-lead meewerkte aan de opbouw van het toezicht op AI. Daarvoor was hij universitair hoofddocent aan de Universiteit Utrecht, waar hij promoveerde op de aansprakelijkheid van online dienstverleners. Hij publiceert regelmatig en treedt ook veel op als spreker op fora en congressen.

Stefan Kulk: “De nieuwste agentic AI-toepassingen zijn ontzettend krachtig en kunnen in razend tempo documenten analyseren en onderzoek doen, indrukwekkende software bouwen en hele bedrijfsprocessen overnemen. Maar je hoeft de krant maar open te slaan om te zien dat er ook veel zorgen zijn over de onvoorspelbaarheid van de systemen en het verlies van grip. Mijn advies is: laat je niet gek maken door de hype en de doemscenario’s, maar blijf wel onderzoeken wat je met concrete AI-toepassingen kunt doen om op verantwoorde wijze dienstverlening te verbeteren. Daar ondersteunt Turing Advocaten je graag bij.”

Over het eigen gebruik van AI is Turing Advocaten helder. Huub de Jong (partner): “We experimenteren volop met AI-tools om als advocaten efficiënter te kunnen werken en nog beter te kunnen adviseren. Maar goed contact met cliënten staat altijd voorop om te zien waar de zorgen zitten en om tot echte oplossingen te komen. Bij ons wordt de telefoon gewoon opgenomen door iemand van vlees en bloed.”

IEF 23901

UPC CoA: griffierecht mag na beroepstermijn worden betaald binnen hersteltermijn

Unified Patent Court (UPC) 10 sep 2026, IEF 23901; UPC-CoA-97/2026 (Dainese tegen Alpinestars), https://www.ie-forum.nl/artikelen/upc-coa-griffierecht-mag-na-beroepstermijn-worden-betaald-binnen-hersteltermijn

UPC CoA 10 september 2026, IEF 23901; IEFbe 4340; UPC-CoA-97/2026 (Dainese tegen Alpinestars). In deze zaak tussen Dainese enerzijds en Alpinestars en Motocard anderzijds staat de ontvankelijkheid van het hoger beroep centraal. Dainese had op 19 juni 2026 hoger beroep ingesteld tegen een beslissing van de Local Division Milan. De beroepstermijn liep af op 22 juni 2026. Het griffierecht werd echter pas na een uitnodiging van de Registry betaald; de betaalopdracht dateerde van 29 juni 2026. Alpinestars en Motocard stelden daarom dat het hoger beroep niet tijdig was ingesteld en niet-ontvankelijk moest worden verklaard.

IEF 23913

Brinkhof Symposium 2026: platformtoezicht en de jurist van de toekomst

Hoe ziet toezicht op online platforms er in de praktijk uit, en wat betekent kunstmatige intelligentie voor het juridisch werk van morgen? Tijdens het Brinkhof Symposium 2026 kijken we naar twee actuele ontwikkelingen die de juridische praktijk ingrijpend beïnvloeden: de handhaving van de Digital Services Act en de opkomst van AI in het recht.

Mickie Schoch, directeur Telecom, Vervoer en Post bij de Autoriteit Consument en Markt, opent de middag met een blik achter de schermen van het toezicht op online platforms. Als verantwoordelijke voor de handhaving van de Digital Services Act in Nederland vertelt zij hoe de ACM zich inzet voor de bescherming van minderjarigen online.

Daarna spreekt Joris Krijger, AI-ethicus en auteur van Onze Kunstmatige Toekomst, over de manier waarop kunstmatige intelligentie juridisch werk en het rechtssysteem verandert. Welke taken neemt AI over, wat blijft het domein van de jurist, en welke ethische vragen roept dit op voor de dagelijkse praktijk en voor onze rechtsstaat?

Aansluitend is het podium voor de drie finalisten van de Brinkhof Internetscriptieprijs 2026. Zij presenteren hun scripties aan het publiek en de jury, waarna de jury zich terugtrekt om de winnaar te bepalen. In de tussentijd gaan Monique van Oers (Directeur Juridische Zaken bij de ACM) Joris Krijger en Elodie Carmiggelt (Manager onderwijs bij de Beroepsopleiding Advocaten) met elkaar in gesprek over de jurist van de toekomst. Welke kennis en vaardigheden heeft die jurist in het AI-tijdperk nodig, hoe bereiden we hem of haar daarop voor, en wat vraagt dit van werkgevers en opleidingsinstellingen?

We sluiten af met het juryverslag en de prijsuitreiking, gevolgd door een borrel – een mooie gelegenheid om na te praten met sprekers, finalisten en vakgenoten.

Wil je het evenement bijwonen? Registreer je dan hier: https://www.internetscriptieprijs.nl/.