Filter
  • Datum
  • Dossier
zoeken

Dossiers

 
 
21.193 artikelen gevonden
IEF 23845

Amelie tuinstoel maakt inbreuk op Uniemodel van Vincent Sheppard en Amelie loungeset op haar auteursrecht

Rechtbank Den Haag 22 jul 2026, IEF 23845; ECLI:NL:RBDHA:2026:27094 (Vincent Sheppard tegen Intergamma c.s), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/amelie-tuinstoel-maakt-inbreuk-op-uniemodel-van-vincent-sheppard-en-amelie-loungeset-op-haar-auteursrecht

Rb. Den Haag 22 juli 2026, IEF 23845; ECLI:NL:RBDHA:2026:27094 (Vincent Sheppard tegen Intergamma c.s.). Vincent Sheppard, producent van de KODO-collectie, stelt dat Intergamma c.s. met het aanbieden en verkopen van de Amelie tuinstoel en Amelie loungeset in Nederland en België inbreuk maken op haar intellectuele-eigendomsrechten. Ten aanzien van de KODO dining chair beroept Vincent Sheppard zich op het ingeschreven Uniemodel nr. 006570933-0003. De voorzieningenrechter verwerpt het beroep van Intergamma c.s. op nietigheid. De KODO dining chair wekt bij de geïnformeerde gebruiker een andere algemene indruk dan de aangevoerde oudere modellen, zodat in dit kort geding voorshands van de geldigheid van het KODO-model moet worden uitgegaan. Aan het model komt bovendien een ruime beschermingsomvang toe. De Amelie tuinstoel is volgens de voorzieningenrechter nagenoeg identiek aan de KODO dining chair. De twee geconstateerde verschillen, één horizontale buis in de rugleuning in plaats van twee en een extra horizontale staaf tussen de voorpoten, zijn te gering om tot een andere algemene indruk te leiden. De Amelie tuinstoel wekt bij de geïnformeerde gebruiker daarom geen andere algemene indruk dan het KODO-model en maakt daarop inbreuk. Omdat de gevorderde voorzieningen ten aanzien van de tuinstoel reeds op deze modelrechtelijke grondslag kunnen worden toegewezen, laat de voorzieningenrechter de daarnaast aangevoerde auteursrechtelijke en onrechtmatigedaadsgrondslag onbesproken.

IEF 23842

Artikel geschreven door Jorn Torenbosch. 

Harmonisatie en het Teddybeer-effect

Jorn Torenbosch*

Inleiding

Uit decennia IE-harmonisatie blijkt dat er een groot verschil is tussen harmonisatie op papier en harmonisatie in de praktijk. De ervaring leert dat lidstaten harmonisatie leuk en aardig vinden, zolang zij hun nationale rechtstradities maar niet hoeven te veranderen. Het is deze geworteldheid in nationale rechtstraditie die – hoewel begrijpelijk – leidt tot situaties die het harmonisatieproces verstoren.

Zo zijn er talrijke voorbeelden van hoogste rechtscolleges die geen prejudiciële over controversiële kwesties, ook al verplicht het EU-recht hen hiertoe wel. De reden? Het hoogste rechtscollege in kwestie is er zo stellig van overtuigd dat zijn ‘vroegere’ nationale recht volledig overeenstemt met het geharmoniseerde EU-recht, dat de gedachte niet eens bij hem opkomt dat in andere lidstaten (of bij het HvJ EU) wellicht heel anders over de kwestie wordt gedacht.

Of wat te denken van het fenomeen dat wanneer het HvJ EU een uitspraak doet over de uitleg van het geharmoniseerde IE-recht, de eerste reactie in de meeste lidstaten is om te kijken hoe deze rechtspraak is in te passen in het vertrouwde nationale recht? In de literatuur en (lagere) rechtspraak springt men dan hoog en laag om de rechtspraak van het HvJ EU te verzoenen met de oude vertrouwde nationale rechtspraak. Vaak wordt deze analyse dan afgesloten met de conclusie dat het prima facie gevoel dat de nationale rechtspraak verenigbaar is met de EU-rechtspraak inderdaad klopt en er gelukkig niets hoeft te veranderen. Maar in andere landen in de EU is wel werk aan de winkel! Zij hebben het, in tegenstelling tot ons, niet goed gezien. De reden? Harmoniseren is goed, maar niet als het ten koste gaat van het nationale IE-recht zoals dat in vroegere tijden tot bloei is gekomen. Zoals een kind vastklampt aan zijn teddybeer houden lidstaten vast aan hun vroegere nationale IE-recht, ook in tijden van harmonisatie.

*Mr. J.R. Torenbosch is docent en promovendus Recht, Innovatie en Technologie aan de Universiteit Utrecht, en vanaf aflevering 2024-4 redacteur van dit blad. De auteur is dank verschuldigd aan prof. mr. P.G.F.A. Geerts en prof. mr. D.J.G. Visser voor commentaar op een eerdere versie van deze editorial.

IEF 23844

Artikel geschreven door Michelle van Dalen, Clairfort Advocaten

Mag je een kleur claimen? Over kleuren en de merkenrechtelijke bescherming ervan.

19 augustus 2026, Michelle van Dalen. 

Recent spande de Amerikaanse winkelketen 7-Eleven een rechtszaak aan tegen Nike vanwege vermeende merkinbreuk. Volgens 7-Eleven maakt Nike met een nieuwe sneaker gebruik van de kenmerkende groen-oranje-rode kleurcombinatie die consumenten al jarenlang met haar winkels associëren. Daarmee zou Nike inbreuk maken op de merkrechten van 7-Eleven, dat in Europa en de Verenigde Staten merkregistraties voor deze kleurcombinatie heeft. Of werkelijk sprake is van merkinbreuk moet nog worden beoordeeld. De zaak werpt in ieder geval weer even licht op een interessant IE-rechtelijk onderwerp, namelijk de IE-rechtelijke bescherming van kleuren. Kleuren en kleurencombinaties kunnen namelijk onder strenge voorwaarden als merk worden beschermd.

In deze blog schetsen we een globaal beeld van de merkenrechtelijke bescherming van kleur.

IEF 23839

Save-the-date: Presentatie OO&R-bundel Bescherming van bedrijfsgeheimen 4 november

Op woensdag 4 november 2026 vindt bij Stibbe in Amsterdam de presentatie plaats van de bundel Bescherming van bedrijfsgeheimen, onder redactie van Jorn Kloostra, Pieter van der Korst, Peter Teunissen en Charlotte Vrendenbarg.

De bundel verschijnt in de serie Onderneming en Recht van het Nijmeegse Onderzoekcentrum Onderneming & Recht (OO&R) en bevat 26 bijdragen van auteurs uit wetenschap en praktijk, waaronder Constant van Nispen, Toon Huydecoper, Maarten Schut, Wim Maas, Peter Blok, Daniel Gervais, Ansgar Ohly, Anselm Kamperman Sanders en de leden van de redactie.

Het definitieve programma en de uitnodiging met aanmeldlink volgen nog, maar de datum kan alvast worden genoteerd!

Datum: woensdag 4 november 2026
Tijd: 16.00–18.00 uur, aansluitend borrel
Locatie: Stibbe, Amsterdam

IEF 23837

Rb. Den Haag: Staat aansprakelijk voor onrechtmatige strafvervolging en OM-publicaties na gebleken onschuld

Rechtbank Den Haag 2 sep 2026, IEF 23837; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/rb-den-haag-staat-aansprakelijk-voor-onrechtmatige-strafvervolging-en-om-publicaties-na-gebleken-onschuld

Rb. Den Haag 2 september 2026, IEF 23837; IT 5519; ECLI:NL:RBDHA:2026:25027 ([eiseressen] tegen de Staat). De rechtbank oordeelt dat de Staat aansprakelijk is voor de schade die een advocaat heeft geleden als gevolg van haar strafrechtelijke vervolging. De advocaat werd onder meer verdacht van deelname aan een criminele organisatie, overtreding van de Wet op de kansspelen, witwassen en valsheid in geschrift in verband met haar werkzaamheden voor aanbieders van online kansspelen. Zij werd door de rechtbank vrijgesproken en vervolgens in 2024 ook door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch integraal vrijgesproken. Volgens de rechtbank slaagt haar beroep op de b-grond uit het Begaclaim-arrest. Uit de motivering van het arrest van het hof blijkt dat zij onschuldig is aan alle ten laste gelegde feiten en dat de verdenkingen achteraf ongefundeerd zijn gebleken. Het beroep op de a-grond slaagt niet, omdat niet kan worden vastgesteld dat vanaf het begin een rechtvaardiging voor het strafvorderlijk optreden ontbrak. De Staat is daarom aansprakelijk voor de schade die de advocaat als gevolg van de vervolging heeft geleden. De inkomensschade wordt verwezen naar de schadestaatprocedure. Daarnaast kent de rechtbank € 15.000 toe wegens immateriële schade door de vervolging, € 572.526,52 voor kosten die verband houden met de strafrechtelijke vervolging en € 21.486,67 voor de kosten van een bankgarantie.

IEF 23836

Gerecht EU: ULTRAPURE mist onderscheidend vermogen voor voedingssupplementen, voedingsmiddelen en dranken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 16 sep 2026, IEF 23836; ECLI:EU:T:2026:572 (ULTRAPURE), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-ultrapure-mist-onderscheidend-vermogen-voor-voedingssupplementen-voedingsmiddelen-en-dranken

Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23836; IEFbe 4308; ECLI:EU:T:2026:572 (ULTRAPURE). Het Gerecht verwerpt het beroep van Fitmart GmbH & Co. KG tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO over de internationale inschrijving van het beeldteken ULTRAPURE met aanwijzing van de Europese Unie. Het teken was bestemd voor onder meer voedingssupplementen, zuivelproducten, voedingsmiddelen en niet-alcoholische dranken in de klassen 5, 29, 30 en 32. De kamer van beroep had geoordeeld dat het teken ieder onderscheidend vermogen mist in de zin van artikel 7 lid 1 onder b, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo. Volgens het Gerecht zal het relevante Engels- en Franstalige publiek “ultrapure” onmiddellijk begrijpen als de combinatie van “ultra” en “pure”, waarmee wordt uitgedrukt dat de betrokken producten extreem of buitengewoon zuiver zijn. In de sectoren gezondheid, welzijn, voedingsmiddelen en dranken hechten consumenten belang aan de zuiverheid van producten. De verschillende mogelijke betekenissen van “pure” nemen daarom niet weg dat het relevante publiek het teken in de context van de betrokken waren onmiddellijk als een positieve, lovende boodschap zal opvatten en niet als een aanduiding van commerciële herkomst. Ook de combinatie “ultrapure” heeft geen betekenis die verder gaat dan de som van de bestanddelen. Zij vereist geen bijzonder interpretatieproces en wordt door het relevante publiek als een gewone promotionele en lovende boodschap opgevat.

IEF 23835

Gerecht EU bevestigt nietigheid Remington SYNERGY WORLD wegens kwade trouw

Gerecht EU (voorheen GvEA) 16 sep 2026, IEF 23835; ECLI:EU:T:2026:571 (Remington SYNERGY WORLD), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/gerecht-eu-bevestigt-nietigheid-remington-synergy-world-wegens-kwade-trouw

Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23835; IEFbe 4307; ECLI:EU:T:2026:571 (Remington SYNERGY WORLD). Het Gerecht verwerpt het beroep van Sudex OÜ tegen de beslissing van de vierde kamer van beroep van het EUIPO waarbij het Uniemerk Remington SYNERGY WORLD nietig is verklaard wegens kwade trouw op grond van artikel 59 lid 1 onder b UMVo. Voor de vaststelling van kwade trouw moet op basis van alle relevante omstandigheden objectief worden beoordeeld of de aanvrager het merk niet heeft aangevraagd met het doel eerlijk aan het handelsverkeer deel te nemen, maar met de bedoeling de belangen van derden in strijd met eerlijke gebruiken te schaden of een uitsluitend recht te verkrijgen voor doeleinden die buiten de functies van een merk vallen. Het Gerecht onderschrijft het oordeel dat sprake is van nabijheid tussen de betrokken marktsectoren. De voor het betwiste merk ingeschreven waren in de klassen 18 en 25 omvatten categorieën die ook specifiek voor de jacht bestemde producten kunnen omvatten. Deze waren en de vuurwapens en munitie waarop het oudere REMINGTON-merk betrekking heeft, kunnen zich bovendien tot dezelfde consumenten, namelijk jagers, richten en in dezelfde winkels worden verkocht. Voor nietigverklaring wegens kwade trouw is daarbij niet vereist dat een ouder merk betrekking heeft op identieke of soortgelijke waren of diensten. Evenmin hoeft noodzakelijkerwijs verwarringsgevaar te worden vastgesteld.

IEF 23831

Inzage in bewijsbeslag deels toegestaan bij vermoeden van schending geheimhoudingsverplichtingen

Hof Arnhem-Leeuwarden 1 sep 2026, IEF 23831; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/inzage-in-bewijsbeslag-deels-toegestaan-bij-vermoeden-van-schending-geheimhoudingsverplichtingen

Hof Arnhem-Leeuwarden 1 september 2026, IEF 23831; IT 5518; ECLI:NL:GHARL:2026:5660 (MPS c.s. tegen [geïntimeerde]). Axign en haar Amerikaanse moedermaatschappij Monolithic Power Systems, gezamenlijk MPS c.s., vorderen in kort geding inzage in en afschrift van gegevens die in Nederland conservatoir in bewijsbeslag zijn genomen op privéapparaten van een voormalig werknemer van MPS die tijdelijk bij Axign was gedetacheerd. Na onderzoek van zijn werklaptop was het vermoeden ontstaan dat interne documenten waren overgebracht naar onder meer zijn iPhone, iPad en een Microsoft Surface laptop. Van deze apparaten, inclusief bepaalde cloud- en Discordgegevens, is op 6 oktober 2025 een forensische kopie gemaakt. In een parallelle Amerikaanse procedure bleek later dat na toepassing van zoektermen 1.405 documenten en foto's op de iPad waren aangetroffen, waarvan volgens MPS c.s. 112 interne of aan haar gerelateerde documenten waren. [Geïntimeerde] betwistte in hoger beroep niet meer dat deze 1.405 bestanden waren aangetroffen en dat 112 daarvan interne of aan MPS c.s. gerelateerde documenten betroffen. Ook stond onvoldoende ter discussie dat ten minste enkele aangetroffen stukken geheime en bedrijfsgevoelige informatie bevatten, waaronder een presentatie met omzet- en winstcijfers per grote klant en een bestand met klanten, onderdelen en prijzen. Het hof hoeft voor de inzagevordering niet vast te stellen hoe deze documenten op de apparaten terecht zijn gekomen. De deskundigenrapporten spreken elkaar daarover tegen en een dergelijk technisch onderzoek gaat het bestek van dit kort geding te buiten. Voor toepassing van art. 194 lid 1 Rv hoeft MPS c.s. bovendien niet eerst voldoende aannemelijk te maken dat zij daadwerkelijk een vorderingsrecht heeft. Zij moet wel voldoende belang bij de gevraagde inzage aannemelijk maken. Daarvan is volgens het hof sprake, omdat de aanwezigheid van interne en bedrijfsgevoelige documenten op de privéapparaten een begin van feitelijke onderbouwing vormt voor een mogelijke tekortkoming in de arbeids- en detacheringafspraken en, indien uit nader onderzoek blijkt dat documenten met derden zijn gedeeld, mogelijk onrechtmatig handelen.

IEF 23834

EUIPO mocht nieuw bewijs in FITNESS-zaak niet automatisch meenemen

Gerecht EU (voorheen GvEA) 10 okt 2019, IEF 23834; ECLI:EU:T:2019:737 (Nestlé tegen European Food), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/euipo-mocht-nieuw-bewijs-in-fitness-zaak-niet-automatisch-meenemen

Gerecht EU 10 oktober 2019, IEF 23834; IEFbe 4306; ECLI:EU:T:2019:737 (Nestlé tegen EUIPO en European Food). Nestlé registreerde het Uniewoordmerk FITNESS voor onder meer levensmiddelen, ontbijtgranen en niet-alcoholische dranken. European Food vroeg om nietigverklaring van het merk omdat FITNESS volgens haar beschrijvend was en onderscheidend vermogen miste. Tijdens een eerdere beroepsprocedure diende European Food aanvullend bewijs in bij de kamer van beroep. Die kamer liet het bewijs buiten beschouwing omdat het pas in beroep was ingediend. Het Gerecht vernietigde die beslissing in 2016. Het Hof van Justitie liet dat oordeel in 2018 in stand. Na die vernietiging boog een andere kamer van beroep zich opnieuw over de zaak. Zij ging ervan uit dat zij het eerder ingediende bewijs nu moest meenemen. Mede op basis van dat bewijs verklaarde zij het merk FITNESS nietig wegens het beschrijvende karakter en het ontbreken van onderscheidend vermogen.

IEF 23833

Fissore en CristianoFissore stemmen voldoende overeen voor verwarringsgevaar

Gerecht EU (voorheen GvEA) 16 sep 2026, IEF 23833; ECLI:EU:T:2026:565 (Fissore tegen Paraggi), https://redactie-delex.cshark.nl/artikelen/fissore-en-cristianofissore-stemmen-voldoende-overeen-voor-verwarringsgevaar

Gerecht EU 16 september 2026, IEF 23833; IEFbe 4305; ECLI:EU:T:2026:565 (Fissore tegen EUIPO en Paraggi). Fissore vraagt registratie van een Uniebeeldmerk met het woord Fissore in een gestileerd figuur dat een deel van het publiek als een vis zal herkennen. Paraggi maakt bezwaar op basis van het oudere Uniebeeldmerk CristianoFissore. Beide merken zien onder meer op kleding in klasse 25. De kamer van beroep van het EUIPO neemt verwarringsgevaar aan. Het Gerecht bevestigt eerst dat het relevante publiek een gemiddeld aandachtsniveau heeft. Volgens Fissore behoren haar producten tot het luxesegment en letten consumenten daarom beter op. Dat is niet bepalend. De merkaanvraag ziet algemeen op kleding, schoenen en hoofddeksels en is niet beperkt tot luxeproducten. Voor de beoordeling telt de omschrijving van de waren waarvoor het merk is aangevraagd, niet hoe Fissore haar producten feitelijk verkoopt. Ook verschillen in prijs, kwaliteit en verkoopkanalen veranderen de vergelijking van de waren niet. Kleding en hoofddeksels zijn deels identiek aan de waren waarvoor normaal gebruik van het oudere merk is aangetoond. Schoenen zijn gemiddeld soortgelijk aan de kleding van het oudere merk. Hoe beide merken op dit moment in de markt worden gebruikt, speelt bij die beoordeling geen rol.