Rb. Den Haag bevoegd in geschil over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen
Rb. Den Haag 3 juni 2026, IEF 23607; ECLI:NL:RBDHA:2026:12751 (Betonblock tegen 3A steel). In deze zaak tussen Betonblock en de Bulgaarse producent 3A Steel heeft de Rechtbank Den Haag zich bevoegd verklaard om kennis te nemen van de vorderingen van Betonblock over gestelde auteursrechtinbreuk op betonblokmallen en subsidiair slaafse nabootsing. Volgens de rechtbank is voldoende aannemelijk dat de gestelde schade mede in Nederland is ingetreden, nu de vermeend inbreukmakende producten via de website van 3A Steel in Nederland toegankelijk zijn en ook daadwerkelijk aan Nederlandse afnemers zijn verkocht. De rechtbank oordeelt daarmee dat zij internationaal en relatief bevoegd is; de vraag welke territoriale reikwijdte een eventueel later op te leggen verbod of rectificatie heeft (EU-breed of slechts nationaal), is volgens de rechtbank een inhoudelijke vraag die in de hoofdzaak moet worden beantwoord. De rechtbank wijst het bevoegdheidsincident van 3A Steel daarom af. Over de gestelde auteursrechtinbreuk, slaafse nabootsing en de wederzijdse contractuele vorderingen heeft de rechtbank zich nog niet inhoudelijk uitgelaten. Betonblock ontwikkelt, produceert en verkoopt stalen mallen voor betonblokken. 3A Steel produceerde sinds 2009 dergelijke mallen voor Betonblock. De afspraken tussen partijen waren niet schriftelijk vastgelegd. Tussen 2022 en 2024 ontstonden geschillen over onder meer prijsverhogingen, een gestelde minimumafnameverplichting en mogelijke betalingen aan een voormalig medewerker van Betonblock. In juli 2024 schortte 3A Steel de levering van mallen op wegens volgens haar niet nagekomen minimumafnames en openstaande facturen. Op 29 augustus 2024 verklaarde zij de volgens haar bestaande exclusieve afspraken met Betonblock primair ontbonden en subsidiair opgezegd. Vervolgens opende zij op 14 september 2024 de webshop www.3ablock.com, waarop zij gelijkende mallen aanbood. Volgens Betonblock maken deze producten inbreuk op haar auteursrechten op de betonblokmallen dan wel vormen zij een ontoelaatbare slaafse nabootsing. In de hoofdzaak vordert zij onder meer een verklaring voor recht dat sprake is van auteursrechtinbreuk, subsidiair onrechtmatig handelen, een verbod op het vervaardigen, aanbieden en verkopen van gelijkende producten, opgave van in- en verkopen, rectificatie, schadevergoeding en een proceskostenveroordeling op grond van artikel 1019h Rv.