3 dec 2025
Schending uitlatingenverbod in procedures: dwangsommen terecht verbeurd
Rb. Noord-Holland 3 december 2025, IEF 23197; ECLI:NL:RBNHO:2025:14061 (de gemeente tegen [gedaagde]). De rechtbank oordeelt dat een voormalig werknemer het in een eerder kortgedingvonnis opgelegde uitlatingenverbod heeft overtreden. Dat verbod hield in dat hij zich in procedures diende te onthouden van bedreigende en beledigende uitlatingen over (voormalige) medewerkers van de gemeente Haarlem, terwijl hij zijn juridische standpunten inhoudelijk wel mocht blijven toelichten. De gemeente stelt dat de betrokkene dit verbod tweemaal heeft geschonden door in afzonderlijke Woo-beroepsprocedures opnieuw grievende en beschuldigende passages over betrokken ambtenaren op te nemen, en vordert daarom vaststelling van de overtredingen en betaling van verbeurde dwangsommen.
De rechtbank stelt voorop dat in deze procedure niet opnieuw wordt beoordeeld of het oorspronkelijke verbod terecht is opgelegd, maar uitsluitend of de latere uitlatingen onder de reikwijdte daarvan vallen. Daarbij is niet beslissend of de uitlatingen mogelijk feitelijk juist zijn: ook ware beweringen kunnen, gelet op toon en context, als beledigend worden aangemerkt. De rechtbank oordeelt dat de betrokkene zijn standpunten op een minder grievende wijze had kunnen formuleren en dat hij het uitlatingenverbod tweemaal heeft overtreden. Daarmee zijn tweemaal dwangsommen van € 500 verbeurd. De vorderingen van de gemeente worden toegewezen, inclusief wettelijke rente en proceskosten, en het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.
4.5. De rechtbank is van oordeel dat de uitlatingen van [gedaagde] beledigend zijn. Uitlating 3 komt overeen met het in het vonnis in kort geding onder 2.40 opgenomen citaat. Uitlating 4 is min of meer vergelijkbaar met de in het vonnis in kort geding onder 2.31 geciteerde stelling. Over deze uitlatingen had de voorzieningenrechter al geoordeeld dat zij gelet op de toon, de inhoud en frequentie van de correspondentie met de gemeente beledigend zijn en moesten stoppen. [gedaagde] heeft desalniettemin dezelfde, naar het oordeel van de rechtbank beledigende, uitlatingen in beide aanvullende beroepschriften herhaald en daarmee dus tweemaal (namelijk in twee procedures) het gebod van 5.5 overtreden.