Proceskostenveroordeling (bijzondere uitspraken)

IEF 17600

Art. 1019h Rv van toepassing op nietigheidsprocedure op grond van handhaving in Duitsland en algemene sommatie

Rechtbank Den Haag 4 apr 2018, IEF 17600; ECLI:NL:RBDHA:2018:3857 (Vita Zahnfabriek tegen Ivoclar Vivadent), http://www.ie-forum.nl/artikelen/art-1019h-rv-van-toepassing-op-nietigheidsprocedure-op-grond-van-handhaving-in-duitsland-en-algemene

Rechtbank Den Haag 4 april 2018, IEF 17600; ECLI:NL:RBDHA:2018:3857 (Vita Zahnfabriek tegen Ivoclar Vivadent) VRO. Proceskosten. Nadat de rechtbank aan Vita vragen had gesteld over het resterende belang bij vernietiging van het NL deel van Europees octrooi EP2269960 nu Ivoclar van dat deel afstand heeft gedaan na dagvaarding. Vita heeft haar hoofdvordering ingetrokken. Nu Ivoctar op de voet van artikel 63 ROW afstand heeft gedaan van het Nederlandse deel van EP 960 en die afstand terugwerkende kracht heeft, heeft Vita geen belang meer bij toewijzing van haar hoofdvordering. Artikel 1019h Rv is niet van toepassing op een nietigheidsprocedure, tenzij deze procedure te beschouwen is als een verweer tegen een inbreukactie of tegen een dreigende inbreukactie. Gelet op de Duitse inbreukprocedure, die ondanks de door Vita ingestelde oppositieprocedure is voortgezet, hoefde Vita er niet zonder meer rekening mee te houden dat Ivoclar na een eerste sommatie afstand zou doen van het Nederlandse deel van het octrooi. Er is sprake van een (voldoende) concrete dreiging van handhaving in Nederland. Artikel 1019h Rv is van toepassing. Het tussen partijen (na aanbrengen van de procedure)resterende geschilpunt aangaande uitsluitend nog de proceskosten, wordt niet door artikel 1019h Rv bestreken, maar door het liquidatietarief. Dat betekent dat een knip wordt gemaakt op het moment van het verschieten van kleur van de onderhavige procedure, dat samenvalt met het aanbrengen van de procedure.

 

IEF 17574

Conclusie AG: Gegrondbevinding van de rechtsklacht proceskosten over ingetrokken IE-kortgeding

Hoge Raad 2 mrt 2018, IEF 17574; ECLI:NL:PHR:2018:163 (Becton Dickinson tegen B. Braun Melsungen), http://www.ie-forum.nl/artikelen/conclusie-ag-gegrondbevinding-van-de-rechtsklacht-proceskosten-over-ingetrokken-ie-kortgeding

Conclusie AG HR 2 maart 2018, IEF 17574; ECLI:NL:PHR:2018:163 (Becton Dickinson tegen B. Braun Melsungen) IE-procesrecht. Art. 1019h Rv bij gehonoreerd procedureel niet-ontvankelijkheidsverweer. In dit octrooi-inbreuk kortgeding over intraveneuze katheters is de Haagse voorzieningenrechter [IEF 16045] tot afwijzing gekomen wegens gebrek aan spoedeisend belang. Vervolgens heeft Braun te laat geappelleerd. In cassatie gaat het alleen om een proceskostenvraag: kon het hof de kosten gemoeid met de ontvankelijkheidsvraag in appel buiten art. 1019h Rv om begroten volgens het liquidatietarief – over (alleen) de tardieve appellering heeft een aktewisseling en pleidooi plaatsgevonden? Lagere rechtspraak is verdeeld. Mogelijk kan (overigens in kortgeding niet verplichte) prejudiciële verwijzing naar Luxemburg worden overwogen, indien geoordeeld wordt dat niet buiten redelijke twijfel is of de IE-proceskostenregeling zich ook uitstrekt tot deze ontvankelijkheidsvraag binnen dit octrooigeschil. Vanwege de parallel met de situatie van de kosten bij een ingetrokken IE-kortgeding1 en de ongerijmde gevolgen die de nu bestreden hofuitspraak volgens mij heeft, geloof ik dat buiten redelijke twijfel is wat de juiste uitleg is en kom ik tot gegrondbevinding van de rechtsklacht op dit punt. Ik teken daar wel bij aan dat anders dan in [A]/GIA de aspecten uit onze zaak ook buiten kortgeding spelen.

IEF 17364

Geen proceskostenvergoeding omdat van dreiging met tenuitvoerlegging was geen sprake

Rechtbank Oost-Brabant 15 dec 2017, IEF 17364; ECLI:NL:RBOBR:2017:6553 (Zimmer+Rohde-ADO tegen Artex-Hunter Douglas-ADO), http://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-proceskostenvergoeding-omdat-van-dreiging-met-tenuitvoerlegging-was-geen-sprake

Vzr. Rechtbank Oost-Brabant 15 december 2017, IEF 17364; ECLI:NL:RBOBR:2017:6553 (Zimmer+Rohde-ADO tegen Artex-Hunter Douglas-ADO). Merkenrecht. Proceskostenveroordeling. In kort geding [IEF 13728; IEF 13700] is, totdat de definitieve beslissing is genomen, verboden om enige activiteit rondom goederen en diensten rondom gordijn(stoffen) te ontplooien onder het teken ADO. Z+R vordert dat Artex het vonnis niet ten uitvoer zal leggen. De ondubbelzinnige toezegging van Artex is pas verkregen na het aanhangig maken van deze procedure en Z+R vordert de volledige proceskosten ex 1019h Rv. Van enige dreiging met tenuitvoerlegging was geen sprake, zou Z+R haar vordering hebben gehandhaafd, dan zou de vordering zijn afgeween en daarom wordt Z+R als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten.

IEF 17336

Als inbreuk is erkend en recall-actie ingesteld, is de procedure niet meer tot handhaving IE

Rechtbank Den Haag 22 nov 2017, IEF 17336; ECLI:NL:RBDHA:2017:13694 (Lindberg), http://www.ie-forum.nl/artikelen/als-inbreuk-is-erkend-en-recall-actie-ingesteld-is-de-procedure-niet-meer-tot-handhaving-ie

Rechtbank Den Haag 22 november 2017, IEF 17336; ECLI:NL:RBDHA:2017:13694 (Lindberg tegen gedaagde) Merkenrecht. Klacht over bril voorzien van Lindberg-merk, maar niet door haar is vervaardigd. Inbreuk niet betwist. Proceskosten slechts deels conform indicatietarief. Gedaagde heeft ook daadwerkelijk na het uitbrengen van de dagvaarding en vóór het nemen van de conclusie van antwoord gerectificeerd en (met succes) een recall-actie ingesteld. Na uitbrengen van de dagvaarding zag procedure uitsluitend op bepalen hoogte proceskosten; derhalve vanaf dat moment niet langer een procedure tot handhaving intellectuele eigendom; gelet op specifieke omstandigheden (reëel aanbod betaling kosten gedaagde en weigering eiseres daarover in overleg te treden) zijn de kosten vanaf dat moment gecompenseerd.

IEF 17331

In China gevestigd bedrijf dient zekerheidsstelling voor de proceskosten te geven

Rechtbank Den Haag 6 dec 2017, IEF 17331; (Tinnus c.s. tegen Toi-Toys), http://www.ie-forum.nl/artikelen/in-china-gevestigd-bedrijf-dient-zekerheidsstelling-voor-de-proceskosten-te-geven
Bunch-o-Balloons

Rechtbank Den Haag 6 december 2017, IEF 17331 (Tinnus c.s. tegen Toi-Toys). Zekerheidsstelling. Proceskosten. Tinnus c.s. stelt inbreuk op haar model- en auteursrechten, Toi-Toys beroept zich op nietigheid van deze rechten. In dit incident vordert Toi-Toys zekerheidsstelling voor de proceskosten alvorens zij verder gaat in de hoofdzaak. Ten aanzien van Tinnus (gevestigd in de VS) wordt de vordering afgewezen gezien het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen Nederland en de VS waarin rechtspersonen van de VS zijn vrijgesteld van het storten van een waarborgsom voor de proceskosten. Ten aanzien van Zuru (gevestigd in China) wordt de vordering toegewezen. Zij heeft geen inhoudelijk verweer gevoerd. Het geschil is in een eerder kort geding [IEF 17111] aangemerkt als 'complex' in de zin van de indicatietarieven dus er dient zekerheid gesteld te worden voor het gewenste bedrag van € 35.618.

IEF 17109

Eiser veroordeeld in de proceskosten wegens dag van te voren intrekken kort geding IE-geschil

Rechtbank Amsterdam 13 sep 2017, IEF 17109; (De Meeuw Oirschot tegen WASA Students Village), http://www.ie-forum.nl/artikelen/eiser-veroordeeld-in-de-proceskosten-wegens-dag-van-te-voren-intrekken-kort-geding-ie-geschil

Vzr. Rechtbank Amsterdam 13 september 2017, IEF 17109 (De Meeuw Oirschot tegen WASA Students Village) Proceskostenveroordeling. Een dag voor de behandeling ter terechtzitting van 30 augustus 2017 heeft De Meeuw het kort geding ingetrokken. De voorzieningenrechter oordeelt dat De Meeuw in de werkelijke proceskosten van Wasa dient te worden veroordeeld, aangezien het geschil (overwegend) een intellectueel eigendomsrecht betreft. Er is geen aanleiding de proceskosten tussen partijen te compenseren, aangezien De Meeuw het kort geding zonder nadere motivering vlak voor de zitting heeft ingetrokken. De zaak wordt aangemerkt als een 'eenvoudig kort geding', waarvoor in het indicatietarief IE-zaken een bedrag van €6.000,00 als redelijk is begroot. 

IEF 17042

Artikel 1019h Rv ook voor quasi-exequaturprocedure van erkenning en tenuitvoerlegging van Moldavisch vonnis

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 aug 2017, IEF 17042; ECLI:NL:RBZWB:2017:5251 (elektrotechnische ingenieursboeken), http://www.ie-forum.nl/artikelen/artikel-1019h-rv-ook-voor-quasi-exequaturprocedure-van-erkenning-en-tenuitvoerlegging-van-moldavisch

Rechtbank Zeeland-West-Brabant 16 augustus 2017, IEF 17042; ECLI:NL:RBZWB:2017:5251 (auteur elektrotechnische ingenieursboeken tegen Occident en Livreria) Handhaving. Executie. Proceskosten. X is gepensioneerde elektrotechnische ingenieur woonachtig in Moldavië en heeft diverse boeken geschreven op het gebied van elektronica.  Livreria c.s. exploiteert een online boekhandel waarin drie van zijn boeken te koop waren. De rechtbank in Moldavië heeft een verstekvonnis tegen Livreria gewezen. X vordert erkenning en tenuitvoerlegging van het Moldavische vonnis. Twee omstandigheden - zowel het betekenen van het verstekvonnis nadat dit reeds onherroepelijk was geworden, als het wijzigen van dit vonnis zonder de wederpartij in kennis te stellen of te horen, vormen een schending van beginselen van behoorlijk procesrecht, e.g. hoor en wederhoor. Het Moldavische vonnisvoldoet dan niet aan de voorwaarden voor erkenning en tenuitvoerlegging ex 431 lid 2 Rv. Onder het bereik van artikel 1019h Rv valt ook een quasi-exequaturprocedure als de onderhavige, waarin wordt verzocht om erkenning en tenuitvoerlegging van een beslissing die in een ander land is gegeven in het kader van een procedure tot handhaving van een intellectueel eigendomsrecht.

IEF 17001

BORREL-merkenbodemzaak was eenvoudig en levert verlaging proceskostenveroordeling op

Hof Den Haag 1 aug 2017, IEF 17001; ECLI:NL:GHDHA:2017:2191 (Borr€ls tegen BRRLS), http://www.ie-forum.nl/artikelen/borrel-merkenbodemzaak-was-eenvoudig-en-levert-verlaging-proceskostenveroordeling-op

Hof Den Haag 1 augustus 2017, IEF 17001; ECLI:NL:GHDHA:2017:2191 (Borr€ls tegen BRRLS) Begroting proceskosten ex 1019h Rv. De rechtbank oordeelde dat BORREL-merken en BRRLS niet te kwader trouw zijn geregistreerd [IEF 14472]. Geïntimeerde betwist het bestaan van een licentieovereenkomst; ook als wel sprake zou zijn van een licentieovereenkomst is de licentiehouder niet bevoegd een verbodsactie in te stellen; hij is wel bevoegd onder bepaalde voorwaarden een vordering tot schadevergoeding of winstafdracht in te stellen (artikel 2.32 BVIE). Het gevorderde merkinbreukverbod wordt dus niet toegewezen. Omdat er sprake is van een eenvoudige bodemzaak waarin het ging om wie rechthebbende was op de merken en eventuele handelsnamen is appellant terecht in de kosten veroordeeld. De proceskostenveroordeling wordt verlaagd van €13.451,94 naar €2.758.