IEF 17811

Rechter schat voor de proceskostenveroordeling hoeveel procent is besteed aan werkzaamheden per eiser

Hof Den Haag 26 juni 2018, IEF 17811 (Spirits tegen FKP) Merkenrecht. Vernietiging van de proceskostenveroordeling. De vorderingen van de twee eisers, FKP en FGUP, worden in eerste aanleg resprectievelijk toegewezen en afgewezen. De rechtbank [IEF 15170] verdeelde de proceskosten 50/50. De vorderingen van FKP in eerste aanleg worden toegewezen en Spirits c.s. wordt als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten. FKP vordert veroordeling in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Het hof schat ex aequo et bono dat 95% van deze kosten is besteed aan de van de zaken waarin FKP als eiseres is opgetreden. Een bedrag van €28.243,60 wordt toegewezen. De vorderingen van FGUP in eerste aanleg werden afgewezen en zij werd veroordeeld in 50% van de proceskosten. Het hof schat nu dat 5% van de werkzaamheden van Spirits c.s. zijn besteed aan het verweer in de zaak tegen FGUP. De kosten worden daarom begroot op 5% van het gevorderde €33.366,00 = €1.668,30.

38. Spirits c.s. zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in eerste aanleg in de zaak tegen FKP worden veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg. Daar ook ZHS wordt veroordeeld in de kosten van de eerste aanleg slaagt incidentele grief 5.

FKP vordert in de zaken tegen Spirits c.s. veroordeling in de volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Nu het hof de vorderingen toewijst op de grondslag merkinbreuk is artikel 1019h Rv. van toepassing en zullen de kosten op die basis worden begroot. Incidentele grief 4 slaagt dan ook. Deze kosten zijn gespecificeerd in een aanvullende kostenopgave in eerste aanleg en bedroegen blijkens die opgave €29.730,10. Nu daartegen geen bezwaar is gemaakt en het hof ex aequo et bono schat dat 95% van deze kosten is besteed aan de behandeling van de zaken waarin FKP als eiseres is opgetreden (en 5% aan de zaken waarin FGUP als eiseres is opgetreden), zal het, ook gelet op de toentertijd geldende Indicatietarieven in IE-zaken van de rechtbanken, 95% van €29.730,10 = €28.243,60 toewijzen.

39. In de zaak tegen FGUP is de vordering van FGUP in het bestreden vonnis afgewezen, welke afwijzing in hoger beroep niet is bestreden. Dat brengt ook naar het oordeel van het hof mee dat in die zaak FGUP als de in het ongelijk gestelde partij moet worden aangemerkt. Dat FGUP ervoor heeft gekozen een vordering in de stellen terwijl zij geen rechthebbende is komt voor haar risico, ook al doet zij dat om te anticiperen op een mogelijk (onterecht) verweer. In zoverre faalt incidentele grief 6. Het hof schat ex aequo et bono dat 5% van de werkzaamheden van Spirits c.s. zijn besteed aan het verweer in de zaak tegen FGUP en zal de kosten waarin FGUP wordt veroordeeld dan ook begroten op 5% van de redelijke en evenredige kosten van Spirits c.s. Spirits c.s. heeft in eerste aanleg in totaal ter zake een bedrag van €33.366,-- gevorderd. Nu het oordeel van de voorzieningenrechter dat van dat bedrag moet worden uitgegaan bij de begroting van de proceskosten is niet bestreden, zal het hof de kosten waarin FGUP wordt veroordeeld begroten op €1.668,30. Nu niet is gesteld of gebleken dat Spirits c.s. extra griffierechten heeft moeten betalen doordat FGUP als mede-eiseres is opgetreden, zal FGUP niet worden veroordeeld darvan een deel te betalen. In zoverre slaagt incidentele grief 6.