IEF 17703

HR: Argumenten pleiten ervoor dat werkzaamheden verband houdend met zuiver processuele kwestie vallen onder artikel 1019h Rv

HR 18 mei 2018, IEF 17703; ECLI:NL:HR:2018:721 (Becton Dickinson tegen B. Braun Melsungen) Procesrecht. Octrooizaak. Conclusie AG IEF 17574 en voorzieningenrechter IEF 16045. Art. 1019h Rv is van toepassing op werkzaamheden die uitsluitend betrekking hebben op de vraag of de overschrijding van de appeltermijn verschoonbaar is. De argumenten die "ervoor pleiten ook de werkzaamheden verband houdend met een zuiver processuele kwestie als de onderhavige onder de werkingssfeer van art. 14 Handhavingsrichtlijn en art. 1019h Rv begrepen te achten, wegen zodanig zwaarder dan de tegenargumenten, dat in dit kort geding daarover geen prejudiciële vragen aan het HvJEU zullen worden gesteld." De kosten van het cassatieberoep over de toepassing van art. 1019h Rv, valt onder het liquidatietarief.

3.3.1 In onderdeel 1.1 van het middel betogen Becton c.s. dat het oordeel van het hof, dat kosten die de ontvankelijkheidsvraag betreffen niet onder het bereik van art. 1019h Rv vallen, onjuist is. Art. 1019h Rv is van toepassing wanneer de eiser intellectuele-eigendomsrechten handhaaft jegens zijn wederpartij. De grondslag van het verweer van die wederpartij doet daarbij niet terzake en ook de processuele opstelling van de wederpartij is niet beslissend, aldus de klacht.

De hiervoor in 3.3.8 vermelde argumenten die, gelet op de hiervoor in 3.3.5 aangehaalde overwegingen van het HvJEU in de zaak Diageo/Simiramida, ervoor pleiten ook de werkzaamheden verband houdend met een zuiver processuele kwestie als de onderhavige onder de werkingssfeer van
art. 14 Handhavingsrichtlijn en art. 1019h Rv begrepen te achten, wegen zodanig zwaarder dan de tegenargumenten, dat in dit kort geding daarover geen prejudiciële vragen aan het HvJEU zullen worden gesteld.

3.3.10 Opmerking verdient dat slechts redelijke en evenredige kosten voor vergoeding in aanmerking komen, en dat ook deze kosten buiten beschouwing mogen worden gelaten voor zover de billijkheid zich tegen de vergoeding ervan verzet.

In zijn arrest van 28 juli 2016, zaak C-57/15, ECLI:EU:C:2016:611 (United Video Properties) heeft het HvJEU daarover het volgende overwogen.

Bij het bepalen van een vergoeding als bedoeld in art. 14 Handhavingsrichtlijn dient rekening te worden gehouden met alle specifieke kenmerken van het geval (punt 23). Deze bepaling verplicht de lidstaten enkel te verzekeren dat de “redelijke” proceskosten worden vergoed. Bovendien bepaalt art. 3 lid 1 Handhavingsrichtlijn onder meer dat de door de lidstaten vastgestelde procedures niet onnodig kostbaar mogen zijn (punt 24). In dit verband kan een nationale regeling die beoogt vergoeding tegen te gaan van kosten die buitensporig zijn wegens ongewoon hoge honoraria die de in het gelijk gestelde partij en haar advocaat waren overeengekomen, of wegens diensten van de advocaat die niet noodzakelijk worden geacht voor het waarborgen van de eerbiediging van het betrokken intellectuele-eigendomsrecht, gerechtvaardigd zijn (punt 25). Het evenredigheidsvereiste impliceert dat de verliezende partij niet noodzakelijkerwijze alle kosten van de andere partij moet vergoeden, maar vergt wel dat de in het gelijk gestelde partij recht heeft op vergoeding van minstens een significant en passend deel van de redelijke kosten die zij daadwerkelijk heeft gemaakt (punt 29).

De omstandigheid dat art. 14 Handhavingsrichtlijn van zijn werkingssfeer de gevallen uitsluit waarin de billijkheid zich ertegen verzet dat de verliezende partij de proceskosten draagt, heeft betrekking op nationale regels op grond waarvan de rechter in een bijzonder geval bij wijze van uitzondering de algemene regeling inzake proceskosten buiten toepassing mag laten als die zou leiden tot een resultaat dat onrechtvaardig wordt geacht (punt 31).

Deze overwegingen van het HvJEU bieden de rechter de ruimte om, bij de vaststelling van het bedrag dat op de voet van art. 1019h Rv voor vergoeding in aanmerking komt, in een concreet geval rekening te houden met de noodzaak kosten te maken in verband met een ontvankelijkheidsverweer als hier aan de orde en de eventuele buitensporigheid van het terzake gevorderde bedrag.

3.5. Becton c.s. vorderen vergoeding van de kosten van dit cassatieberoep op de voet van art. 1019h Rv. Zoals reeds is beslist in de hiervoor in 3.3.5 genoemde prejudiciële beslissing van 3 juni 2016, vallen kosten gemaakt om te doen vaststellen of en in hoeverre de kosten met toepassing van art. 1019h Rv voor vergoeding in aanmerking komen, niet ook zelf onder het toepassingsbereik van art. 1019h Rv. Het gaat dan immers niet meer om kosten verband houdend met (een verweer tegen) de handhaving van een intellectueel eigendomsrecht. De kosten van het cassatieberoep zullen dan ook met toepassing van het liquidatietarief worden begroot.