Alle rechtspraak  

IEF 23516

A-G: geen gegronde reden voor merkinbreuk bij verkoop HP-cartridges zonder buitenverpakking, wel informatieplicht over mogelijke ouderdom

Hoge Raad 24 apr 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR), https://www.ie-forum.nl/artikelen/a-g-geen-gegronde-reden-voor-merkinbreuk-bij-verkoop-hp-cartridges-zonder-buitenverpakking-wel-informatieplicht-over-mogelijke-ouderdom

Parket bij de Hoge Raad 24 april 2026, IEF 23516; ECLI:NL:PHR:2026:437 (HP tegen DR). Deze conclusie van A-G Van Peursem (zitting 24 april 2026) betreft een kort geding tussen HP en Digital Revolution/123inkt over originele, ongebruikte HP-inkt- en lasercartridges die zonder originele buitenverpakking werden aangeboden, aanvankelijk als "milieuverpakking" en sinds 2023 als "milieuproduct". De cartridges waren afkomstig uit retouren, recyclebedrijven of opkopers, konden 10 tot 17 jaar oud zijn en werden verkocht tegen de prijs van nieuwe cartridges. HP vorderde een verbod op grond van merkinbreuk ex art. 9 lid 2 onder a jo. art. 15 lid 2 UMVo, de uitzondering op de uitputtingsregel wegens gegronde redenen, alsmede op grond van onrechtmatige daad, meer in het bijzonder oneerlijke of misleidende handelspraktijken (art. 6:193a-j BW) en misleidende of ongeoorloofde vergelijkende reclame (art. 6:194 en 6:194a BW). De voorzieningenrechter achtte merkinbreuk aannemelijk en wees vordering I toe, maar het hof oordeelde dat HP geen gegronde redenen had in de zin van art. 15 lid 2 UMVo en vernietigde het vonnis op dat punt. Wel achtte het hof het handelen van DR B.V. deels misleidend ex art. 6:193c lid 1 onder b BW: door de cartridges, die niet alleen uit retouren maar ook uit recyclebakken of opkoop konden stammen en meerdere jaren, soms meer dan tien jaar, oud konden zijn, als nieuw en voor de nieuwprijs aan te bieden zonder die ouderdom te vermelden, verstrekte DR misleidende informatie over de fabricagedatum, waardoor de consument vermoedelijk een aankoopbeslissing nam die hij anders niet had genomen. Dit verbod werd uitsluitend toegewezen ten gunste van HP Europe B.V. en HP Nederland B.V., die als concurrenten van DR B.V. vorderingsgerechtigd zijn; HP Inc. en HPDC staan niet in een concurrentieverhouding tot DR B.V.

IEF 23512

"3 Coins" mist onderscheidend vermogen volgens het Gerecht EU

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23512; ECLI:EU:T:2026:297 ((Wazdan tegen EUIPO)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/3-coins-mist-onderscheidend-vermogen-volgens-het-gerecht-eu

Gerecht EU 29 april 2026, IEF23512, IT5245, ECLI:EU:T:2026:297 (Wazdan tegen EUIPO). In deze zaak heeft het Gerecht van de Europese Unie uitspraak gedaan in het beroep van Wazdan Innovations tegen het EUIPO over de aanvraag van het Uniewoordmerk “3 Coins”. De aanvraag zag op speeljetons, gezelschapsspellen, dobbelstenen, draagbare videospelconsoles, elektronische spellen en diverse softwarediensten in de klassen 28 en 42. De vierde kamer van beroep had geoordeeld dat het teken voor alle betrokken waren en diensten elk onderscheidend vermogen mist. De weigering had geen betrekking op de dienst “ontwerp van onlinespellen” in klasse 42. Wazdan verzocht het Gerecht primair om de bestreden beslissing te wijzigen en subsidiair om vernietiging daarvan. Het Gerecht oordeelde echter dat het niet bevoegd is om de beslissing zodanig te wijzigen dat het merk wordt ingeschreven, en beperkte zich daarom tot een inhoudelijke beoordeling van het verzoek tot vernietiging. Centraal stond de vraag of het teken “3 Coins” onderscheidend vermogen heeft in de zin van artikel 7, lid 1, onder b, van Verordening (EU) 2017/1001. Het Gerecht herhaalde dat een merk onderscheidend vermogen heeft wanneer het geschikt is om de betrokken waren of diensten te identificeren als afkomstig van een bepaalde onderneming en deze te onderscheiden van die van andere ondernemingen. Deze beoordeling moet plaatsvinden in het licht van de aard van de betrokken 'waren en diensten' en de perceptie van het relevante publiek. Dat publiek bestaat uit het algemene publiek dat geïnteresseerd is in games, kans- en gokspellen, met daarnaast voor bepaalde diensten in klasse 42 een professioneel publiek. Het Gerecht benadrukte dat een teken ook zonder strikt beschrijvend te zijn niet-onderscheidend kan zijn. Het was dus niet vereist dat EUIPO aantoont dat “3 Coins” een concreet kenmerk van de betrokken waren of diensten rechtstreeks beschrijft, zolang het relevante publiek het teken niet als aanduiding van commerciële herkomst zal opvatten. In dit verband oordeelde het Gerecht dat het element “coin” in de spelcontext een gangbaar en betekenisvol begrip is, bijvoorbeeld als middel om een spel te starten, als speleenheid, als beloning of als (virtuele of crypto) valuta.

IEF 23509

Gerecht EU: verwarringsgevaar tussen ALFAVET en alfavet voor diergerelateerde waren en diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23509; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-verwarringsgevaar-tussen-alfavet-en-alfavet-voor-diergerelateerde-waren-en-diensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23509; IEFbe 4205; ECLI:EU:T:2026:292 (Groupvet EE tegen EUIPO en alfavet Tierarzneimittel GmbH). In zaak T-403/25, bevestigt het Gerecht de beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO over de oppositie tegen de aanvraag voor het Uniebeeldmerk ALFAVET. Groupvet had dit teken aangevraagd voor diergerelateerde waren en diensten in de klassen 3, 10, 18, 21, 31 en 44, waaronder dierverzorgingsproducten, veterinaire hulpmiddelen, diervoeding en veterinaire en dierverzorgingsdiensten. De oppositie was gebaseerd op het oudere Uniebeeldmerk alfavet, ingeschreven voor onder meer cosmetica, veterinaire preparaten, voedingssupplementen voor dieren en diervoeding in de klassen 3, 5 en 31. De Oppositieafdeling wees de aanvraag grotendeels af. De Kamer van Beroep draaide die beslissing gedeeltelijk terug voor alle waren in de klassen 18 en 21 en voor enkele waren in klasse 10, maar handhaafde de weigering voor de overige waren en diensten. Voor het Gerecht voerde Groupvet onder meer aan dat de oorspronkelijke opposant geen oppositiebevoegdheid had, dat de houder van het oudere merk te kwader trouw had gehandeld door het merk opnieuw te deponeren om gebruiksbewijs te vermijden, en dat geen verwarringsgevaar bestond. Het Gerecht verwerpt die bezwaren. De oorspronkelijke opposant was op het moment van indiening houdster van het oudere merk en had daarom oppositiebevoegdheid op grond van artikel 46 UMVo. Dat het merk mogelijk feitelijk door de latere interveniënte werd gebruikt, doet daaraan niet af. Ook de gestelde kwade trouw kan in een oppositieprocedure niet worden onderzocht: EUIPO moet in oppositie uitgaan van de geldigheid van het oudere merk. Een beroep op kwade trouw bij de aanvraag van het oudere merk hoort thuis in een nietigheidsprocedure, niet in een oppositieprocedure.

IEF 23508

Rb. Midden-Nederland: Geen inbreuk op woordmerk of handelsnaam

Rechtbank Midden-Nederland 8 apr 2026, IEF 23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 (([eiseres] tegen [gedaagde])), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-midden-nederland-geen-inbreuk-op-woordmerk-of-handelsnaam

Rb. Midden-Nederland 8 april 2026, IEF23508; ECLI:NL:RBMNE:2026:1658 ([eiseres] tegen [gedaagde]). De voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland heeft in deze zaak geoordeeld over een geschil tussen [eiseres] en [gedaagde] over vermeende merkinbreuk en handelsnaaminbreuk. [eiseres] exploiteert een juridisch netwerk, detacheert juristen en is houdster van een woordmerk dat ook als handelsnaam wordt gebruikt. [gedaagde] houdt zich eveneens bezig met het detacheren van juristen. Zij gebruikt een handelsnaam en logo waarin deels dezelfde woorden voorkomen, aangevuld met een werkwoord en vormgegeven in een zogenoemde “I love”-stijl. [eiseres] vordert in kort geding een verbod op het gebruik van deze handelsnaam en het logo, plus nevenvoorzieningen. De voorzieningenrechter acht het spoedeisend belang aanwezig, gezien de gestelde voortdurende inbreuk en de lopende activiteiten van partijen. Bij de inhoudelijke beoordeling stelt de rechter voorop dat het woordmerk van [eiseres] bestaat uit beschrijvende elementen. Deze verwijzen direct naar de aard van de juridische diensten en de manier waarop die worden georganiseerd. Het merk heeft daarom van huis uit een zeer zwak onderscheidend vermogen. Volgens [eiseres] is door gebruik vanaf 2020 enig onderscheidend vermogen ontstaan. De voorzieningenrechter acht aannemelijk dat sprake is van een zekere toename van onderscheidend vermogen door gebruik, maar oordeelt dat onvoldoende is onderbouwd dat deze toename zodanig is dat het relevante publiek het merk met één specifieke onderneming associeert. Daardoor blijft de beschermingsomvang van het merk en de handelsnaam beperkt. Daarbij weegt mee dat beschrijvende aanduidingen beschikbaar moeten blijven voor andere marktpartijen. Bij de beoordeling van de gestelde merkinbreuk op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat de diensten van partijen weliswaar soortgelijk zijn. Ook is er enige overeenstemming tussen de gebruikte aanduidingen. Toch wegen de verschillen in totaalindruk zwaarder. Het teken van [gedaagde] bevat een extra woord dat visueel en auditief opvalt. Daarnaast verschilt de betekenis duidelijk. Gezien het zwakke (en slechts in beperkte mate toegenomen) onderscheidend vermogen van het merk van [eiseres] en het ontbreken van concrete verwarringsgevallen, acht de rechter verwarringsgevaar niet voldoende aannemelijk.

IEF 23505

Gerecht EU: “FI” is beschrijvend voor financiële en beleggingsdiensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 29 apr 2026, IEF 23505; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-fi-is-beschrijvend-voor-financiele-en-beleggingsdiensten

Gerecht EU 29 april 2026, IEF 23505; IEFbe 4203; ECLI:EU:T:2026:299 (Fisher Investments Europe Ltd tegen EUIPO). In de gevoegde zaken T-465/25 en T-466/25, Fisher Investments Europe Ltd/EUIPO, heeft het Gerecht op 29 april 2026 de beroepen van Fisher Investments Europe Ltd tegen twee beslissingen van de Vijfde kamer van beroep van het EUIPO verworpen. De zaken betroffen twee aanvragen voor Uniebeeldmerken met het element “FI”, voor diensten in klasse 36, waaronder beleggingsbeheer, beleggingsadvies en beheerde beleggingsportefeuilles bestaande uit exchange traded funds, en klasse 41, waaronder seminars, persoonlijke optredens en spreekbeurten op het gebied van beleggingsbeheer en beleggingsadvies. Het EUIPO had de aanvragen geweigerd op grond van artikel 7 lid 1 onder b en c UMVo, gelezen in samenhang met artikel 7 lid 2 UMVo, omdat de tekens beschrijvend zouden zijn en onderscheidend vermogen zouden missen. De kamer van beroep oordeelde dat het relevante publiek,  voor klasse 36 zowel het algemene als het gespecialiseerde publiek, en voor klasse 41 uitsluitend een professioneel of gespecialiseerd publiek, telkens met een hoog aandachtsniveau, het element “FI” kon begrijpen als afkorting van “financial institution” en/of als landcode voor Finland. Volgens de kamer van beroep konden de tekens daardoor informatie geven over kenmerken van de diensten: zij konden worden opgevat als diensten die worden aangeboden door een financiële instelling, dan wel als diensten die verband houden met investeringen in Finland of op de Finse effectenmarkt. Fisher Investments stelde daartegenover dat het verband tussen “FI” en de diensten onvoldoende direct en specifiek was, dat “FI” meerdere betekenissen kan hebben, dat de figuratieve vormgeving de tekens onderscheidend maakte en dat EUIPO vergelijkbare tekens eerder wél had geregistreerd.

IEF 23503

Paul Trapman, Ploum.

Rb. Den Haag: buitenlandse eiser hoeft geen zekerheid te stellen bij voldoende verhaal in Nederland

Rechtbank Den Haag 22 apr 2026, IEF 23503; C/09/696283 ((Pop Mart c.s. tegen Erik Fruit)), https://www.ie-forum.nl/artikelen/rb-den-haag-buitenlandse-eiser-hoeft-geen-zekerheid-te-stellen-bij-voldoende-verhaal-in-nederland

Rb. Den Haag 22 april 2026, IEF23503; C/09/696283 (Pop Mart c.s. tegen Erik Fruit). De Rechtbank Den Haag heeft in een incident ex artikel 224 Rv geoordeeld dat de buitenlandse Pop Mart-entiteiten geen zekerheid hoeven te stellen voor proceskosten in een lopende IE-inbreukzaak tegen Erik Fruit uit Rotterdam. In de hoofdzaak staan Pop Mart c.s. tegenover Erik Fruit. Pop Mart is producent van zogenoemde “designer toys”, waaronder het figuurtje Labubu, en stelt rechthebbende te zijn op diverse merken (POP MART, THE MONSTERS en LABUBU) en de bijbehorende auteursrechten. Volgens Pop Mart heeft Erik Fruit inbreuk gemaakt door de levering van namaakproducten, aangeduid als “Lafufu’s”, aan supermarktketen Jumbo. In dat verband vordert zij onder meer een verklaring voor recht, een inbreukverbod, schadevergoeding, opgave van gegevens en volledige proceskosten ex artikel 1019h Rv. Erik Fruit betwist de gestelde inbreuken, verzoekt om matiging van een eventuele schadevergoeding tot € 14.000 en heeft in reconventie onder meer gevorderd dat Pop Mart op grond van artikel 22 Rv schikkingsovereenkomsten met Jumbo-franchisenemers overlegt. In het incident vordert Erik Fruit dat de in Singapore en China gevestigde Pop Mart-entiteiten zekerheid stellen voor de proceskosten tot een bedrag van € 25.000. Volgens Erik Fruit zijn deze vennootschappen buiten de Europese Unie gevestigd en vallen zij niet onder de werking van de EEX-Verordening, terwijl evenmin een verdrag bestaat dat de tenuitvoerlegging van een Nederlandse proceskostenveroordeling in Singapore en China waarborgt, zodat sprake is van een reëel verhaalsrisico.

IEF 23497

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsvordering tegen gezamenlijk ingeschreven EU-merk wegens aantoonbare toestemming

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23497; ECLI:EU:T:2026:277 (Peponis tegen EUIPO en Palamianakis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsvordering-tegen-gezamenlijk-ingeschreven-eu-merk-wegens-aantoonbare-toestemming

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23497; IEFbe 4199; ECLI:EU:T:2026:277 (Peponis tegen EUIPO en Palamianakis). In zaak T-494/24 heeft het Gerecht het beroep verworpen tegen de beslissing van de Tweede Kamer van Beroep van het EUIPO over het figuratieve Uniemerk CRETE HOMES REAL ESTATE CRETE PROPERTY and CONSTRUCTION CONSULTANTS SINCE 1990, dat sinds 2008 op naam stond van zowel Emmanouil Peponis als Fanourios Palamianakis. Peponis had in 2021 nietigverklaring gevorderd en verzocht het merk aan hem over te dragen, stellende dat Palamianakis als agent of vertegenwoordiger het merk mede op zijn eigen naam had laten registreren zonder de vereiste toestemming van de merkhouder. Het Gerecht verduidelijkt eerst dat wegens de indieningsdatum van de merkaanvraag, 6 oktober 2007, de materiële beoordeling plaatsvindt op grond van art. 52 lid 1, onder b, juncto art. 8 lid 3 van Verordening nr. 40/94, ook al was de nietigheidsvordering formeel gebaseerd op art. 60 lid 1, onder b, juncto art. 8 lid 3 UMVo 2017/1001; procedureel geldt wel de huidige UMVo. Het Gerecht herhaalt dat art. 8 lid 3 vier cumulatieve voorwaarden kent en dat de zaak hier reeds strandt op de voorwaarde dat de inschrijving door de agent of vertegenwoordiger zonder toestemming van de merkhouder moet zijn verricht. Die toestemming moet duidelijk, specifiek en onvoorwaardelijk zijn. Volgens het Gerecht heeft de Kamer van Beroep terecht geoordeeld dat van zulke toestemming sprake was, in het bijzonder op basis van een door beide partijen ondertekende algemene volmacht, die kort na de merkaanvraag bij EUIPO was ingediend, betrekking had op de lopende registratieprocedure en beide ondertekenaars als aanvragers aanwees. Daaruit mocht worden afgeleid dat de aanvraag bewust in beider naam was gedaan en dat beider mede-eigendom was beoogd.

IEF 23496

Gerecht bevestigt nietigverklaring van het Crocs-model wegens ontbreken van eigen karakter

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23496; ECLI:EU:T:2026:280 (Crocs tegen EUIPO en Gor Factory), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-nietigverklaring-van-het-crocs-model-wegens-ontbreken-van-eigen-karakter

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23496; IEFbe 4198; ECLI:EU:T:2026:280 (Crocs tegen EUIPO en Gor Factory). In zaak T-228/25 heeft het Gerecht het beroep van Crocs verworpen tegen de beslissing van de Derde Kamer van Beroep van het EUIPO waarbij een ingeschreven EU-model voor schoeisel nietig was verklaard. De nietigheidsvordering was ingesteld door Gor Factory, SA op grond van art. 25 lid 1, onder b, van Verordening nr. 6/2002 (in de versie van vóór Verordening 2024/2822), gelezen in samenhang met art. 4 en art. 6 van die verordening, omdat het model volgens Gor Factory geen eigen karakter had ten opzichte van een eerder model van Holey Soles-klompen. Vast stond dat dit oudere model vóór de door Crocs ingeroepen prioriteitsdatum van 28 mei 2004 aan het publiek beschikbaar was gesteld, namelijk op 13 en 14 april 2003 via een Amerikaanse design patent application (No 29/206 427). Het Gerecht onderschrijft verder de uitgangspunten van de Kamer van Beroep dat de betrokken productsector die van schoeisel, meer in het bijzonder klompen, is, dat de geïnformeerde gebruiker van die producten een relatief hoog aandachtsniveau heeft en dat de ontwerpvrijheid van de ontwerper van klompen groot is. Dat een klomp bepaalde basiskenmerken heeft die verband houden met ergonomie en functie, zoals een stevige zool en bovenwerk, sluit ruime ontwerpvrijheid volgens het Gerecht niet uit, omdat nog steeds veel variatie mogelijk blijft in onder meer materiaal, kleur, patronen, decoratieve elementen en in de aanwezigheid, het aantal, de vorm, de grootte en de plaatsing van gaten en uitsparingen.

IEF 23495

Gerecht bevestigt weigering van het Uniewoordmerk ROSE voor klasse 25 wegens beschrijvend karakter

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23495; ECLI:EU:T:2026:282 (Rose Bikes tegen EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-weigering-van-het-uniewoordmerk-rose-voor-klasse-25-wegens-beschrijvend-karakter

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23495; IEFbe 4197; ECLI:EU:T:2026:282 (Rose Bikes tegen EUIPO). In zaak T-56/25 heeft het Gerecht het beroep verworpen tegen de weigering om het woordmerk ROSE als Uniemerk in te schrijven voor waren in klasse 25, namelijk kleding, schoeisel en hoofddeksels. Die weigering berustte op art. 7 lid 1, onder c, UMVo, gelezen in samenhang met art. 7 lid 2 UMVo. Het Gerecht vertrekt van het niet bestreden uitgangspunt dat het relevante publiek bestaat uit het grote publiek in de Unie, in elk geval het Engels- en Franstalige deel daarvan, en dat het woord “rose” door dat publiek onmiddellijk wordt begrepen als aanduiding van de kleur roze. Vervolgens herhaalt het Gerecht de vaste maatstaf dat een teken beschrijvend is wanneer het, voor de betrokken waren of diensten, een voldoende directe en concrete samenhang heeft met een kenmerk daarvan, zodat het relevante publiek daarin onmiddellijk en zonder verder nadenken een beschrijving van die waren of van een van hun kenmerken ziet. Daarbij benadrukt het Gerecht dat zo’n kenmerk wel objectief, aan de aard van het product inherent en intrinsiek en permanent moet zijn. Het enkele feit dat kledingproducten in allerlei kleuren voorkomen, dat kleur een rol speelt bij de aankoopbeslissing of dat webwinkels filteren op kleur, is dus op zichzelf nog niet genoeg om een kleurbenaming beschrijvend te achten.

IEF 23494

Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsvordering tegen Uniemerk G MOTION: geen verwarringsgevaar en geen aangetoonde reputatie van het oudere merk

Gerecht EU (voorheen GvEA) 22 apr 2026, IEF 23494; ECLI:EU:T:2026:275 (Barranco Rodriguez en Barranco Schnitzler tegen EUIPO en Snowacki e.a.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-bevestigt-afwijzing-nietigheidsvordering-tegen-uniemerk-g-motion-geen-verwarringsgevaar-en-geen-aangetoonde-reputatie-van-het-oudere-merk

Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23494; IEFbe 4196; ECLI:EU:T:2026:275 (Barranco Rodriguez en Barranco Schnitzler tegen EUIPO en Snowacki e.a.). In zaak T-349/25 heeft het Gerecht van de Europese Unie het beroep verworpen van de aanvragers van de nietigheidsvordering tegen het Uniemerk G MOTION. Die nietigheidsvordering was ingesteld tegen een op 17 januari 2023 ingeschreven Uniemerk voor waren in klasse 7 en was gebaseerd op het oudere Uniemerk GM Germany Motions, onder aanvoering van art. 60 lid 1, onder a, UMVo gelezen in samenhang met art. 8 lid 1, onder b, en art. 8 lid 5 UMVo. Het Gerecht sluit zich aan bij de Kamer van Beroep dat voor de beoordeling van art. 8 lid 1, onder b, kan worden uitgegaan van de voor de aanvragers gunstigste veronderstelling dat de betrokken waren identiek zijn, terwijl het relevante publiek bestaat uit professionele afnemers van machines, motoren en transmissieonderdelen met een hoog aandachtsniveau. Bij de tekenvergelijking oordeelt het Gerecht dat de woorden “motion” en “motions” voor deze waren beschrijvend, althans sterk allusief, zijn omdat zij verwijzen naar beweging, een kenmerk van de betrokken producten. Ook de letter “g” heeft slechts een zwakke onderscheidingskracht: een enkele letter is op zichzelf weinig onderscheidend en de stilering als tandwiel verwijst bovendien rechtstreeks naar de betrokken waren. Daarom komt aan de overeenstemming in de letter “g”, in de woordelementen “motion/motions” en in het gebruik van rood slechts beperkt gewicht toe. De tekens verschillen daarentegen duidelijk in hun grafische vormgeving, compositie, rangschikking en kleurgebruik. Het Gerecht bevestigt daarom het oordeel van de Kamer van Beroep dat de tekens visueel slechts in geringe mate, fonetisch in gemiddelde mate en begripsmatig opnieuw slechts in geringe mate overeenstemmen. Omdat het oudere merk bovendien slechts zwak inherent onderscheidend is en de betrokken waren normaliter na visuele inspectie worden gekocht, is er ondanks de veronderstelde identiteit van de waren geen gevaar voor verwarring in de zin van art. 8 lid 1, onder b, UMVo.