Gerecht bevestigt afwijzing nietigheidsvordering tegen Uniemerk G MOTION: geen verwarringsgevaar en geen aangetoonde reputatie van het oudere merk
Gerecht EU 22 april 2026, IEF 23494; IEFbe 4196; ECLI:EU:T:2026:275 (Barranco Rodriguez en Barranco Schnitzler tegen EUIPO en Snowacki e.a.). In zaak T-349/25 heeft het Gerecht van de Europese Unie het beroep verworpen van de aanvragers van de nietigheidsvordering tegen het Uniemerk G MOTION. Die nietigheidsvordering was ingesteld tegen een op 17 januari 2023 ingeschreven Uniemerk voor waren in klasse 7 en was gebaseerd op het oudere Uniemerk GM Germany Motions, onder aanvoering van art. 60 lid 1, onder a, UMVo gelezen in samenhang met art. 8 lid 1, onder b, en art. 8 lid 5 UMVo. Het Gerecht sluit zich aan bij de Kamer van Beroep dat voor de beoordeling van art. 8 lid 1, onder b, kan worden uitgegaan van de voor de aanvragers gunstigste veronderstelling dat de betrokken waren identiek zijn, terwijl het relevante publiek bestaat uit professionele afnemers van machines, motoren en transmissieonderdelen met een hoog aandachtsniveau. Bij de tekenvergelijking oordeelt het Gerecht dat de woorden “motion” en “motions” voor deze waren beschrijvend, althans sterk allusief, zijn omdat zij verwijzen naar beweging, een kenmerk van de betrokken producten. Ook de letter “g” heeft slechts een zwakke onderscheidingskracht: een enkele letter is op zichzelf weinig onderscheidend en de stilering als tandwiel verwijst bovendien rechtstreeks naar de betrokken waren. Daarom komt aan de overeenstemming in de letter “g”, in de woordelementen “motion/motions” en in het gebruik van rood slechts beperkt gewicht toe. De tekens verschillen daarentegen duidelijk in hun grafische vormgeving, compositie, rangschikking en kleurgebruik. Het Gerecht bevestigt daarom het oordeel van de Kamer van Beroep dat de tekens visueel slechts in geringe mate, fonetisch in gemiddelde mate en begripsmatig opnieuw slechts in geringe mate overeenstemmen. Omdat het oudere merk bovendien slechts zwak inherent onderscheidend is en de betrokken waren normaliter na visuele inspectie worden gekocht, is er ondanks de veronderstelde identiteit van de waren geen gevaar voor verwarring in de zin van art. 8 lid 1, onder b, UMVo.