Mediarecht

IEF 19454

Schadevergoeding wegens onrechtmatige uitzending 'Undercover in Nederland'

Hof Amsterdam 18 aug 2020, IEF 19454; ECLI:NL:GHAMS:2020:230 (Appellant tegen SBS), http://www.ie-forum.nl/artikelen/schadevergoeding-wegens-onrechtmatige-uitzending-undercover-in-nederland

Hof Amsterdam 18 augustus 2020, IEF 19454; ECLI:NL:GHAMS:2020:2301 (Appellant tegen Talpa en Noordkaap) Mediarecht. Onrechtmatige publicatie. Zie eerder [IEF 15135]. Noordkaap produceert het programma ‘Undercover in Nederland’. Talpa, voorheen SBS, zendt het programma uit op SBS 6. In een uitzending van het programma wordt appellant onterecht als heler van gestolen sloten neergezet. De rechtbank heeft SBS veroordeeld tot betaling van een bedrag groot € 2.500,- als vergoeding van immateriële schade, wegens de aantasting van de eer en goede naam van appellant. Appellant gaat in hoger beroep en vordert diverse posten aan schadevergoeding. Het privacybelang van appellant dient te prevaleren boven het belang van SBS. Dit maakt dat SBS onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellant door het uitzenden van de met de verborgen camera gemaakte beelden. Talpa wordt veroordeeld tot betaling van € 5.000,- aan smartengeld. De overige schadeposten worden niet toegekend, omdat het condicio sine qua non-verband tussen de uitzending en de gestelde kosten niet is aangetoond.  

IEF 19438

HvJ EU: Italiaanse wet in strijd met vrijheid van vestiging

HvJ EU 3 sep 2020, IEF 19438; ECLI:EU:C:2020:627 (Vivendi tegen Mediaset), http://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-italiaanse-wet-in-strijd-met-vrijheid-van-vestiging

HvJ EU 3 september 2020, IEF 19438, IT 3254, IEFbe 3124; ECLI:EU:C:2020:627 (Vivendi tegen Mediaset) Telecommunicatierecht. Mededingingsrecht. Prejudiciële beslissing. Zie eerder [IT 3047]. Het Franse Mediabedrijf Vivendi is de moedermaatschappij van een groep die actief is in de mediasector. In 2016 is Vivendi een vijandige overname van aandelen van Mediaset gestart. Volgens Mediaset handelt Vivendi in strijd met het Italiaanse recht. De Italiaanse wet bepaalt dat het voor een onderneming verboden is om een omzet te behalen die meer bedraagt dan 10% van de totale in het geïntegreerd communicatiesysteem gerealiseerde omzet, wanneer die onderneming een aandeel van meer dan 40% van de totale in die sector gerealiseerde omzet heeft. De bepaling is in strijd met de vrijheid van vestiging, omdat de beperking niet geschikt is om de doelstelling – de bescherming van het pluralisme op informatiegebied en in de media – te verwezenlijken. Bovendien maakt de betreffende bepaling, anders dan het EU-recht, geen onderscheid tussen de productie en de overbrenging van inhoud. Dat de drempel van 10% door Vivendi wordt bereikt is niet noodzakelijkerwijs een aanwijzing dat er een gevaar bestaat voor het pluralisme in de media, omdat die drempel niks zegt over of en in welke mate Vivendi in een positie is om de inhoud van de media te beïnvloeden. De Italiaanse bepaling is in strijd met de vrijheid van vestiging ex art. 49 VWEU.

IEF 19404

Aflevering “Moord of zelfmoord” onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 2 sep 2020, IEF 19404; ECLI:NL:RBAMS:2020:4247 (Eiser tegen Talpa), http://www.ie-forum.nl/artikelen/aflevering-moord-of-zelfmoord-onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 2 september 2020, IEF 19404, IT 3232; ECLI:NL:RBAMS:2020:4247 (Eiser tegen Talpa) Mediarecht. Privacy. Portretrecht. Talpa heeft op SBS6 het tv-programma ‘Moord of zelfmoord’ uitgezonden, waarin de presentator en misdaadjournalist zaken onderzoekt die door de politie als zelfmoord zijn bestempeld. Op 18 januari 2018 wordt een aflevering uitgezonden waarin wordt gesuggereerd dat eiser betrokken was bij de dood van een slachtoffer.

IEF 19377

26 november 2020: Nationaal Mediarechtcongres

Save the date voor een nieuwe editie van het Nationaal Mediarechtcongres op donderdag 26 november. Onder meer over de reikwijdte en inhoud van de Digital Services Act en met ‘de Vrijheid van Meningsuiting in Europa; een vergelijkend warenonderzoek’.

Dagvoorzitters Remy Chavannes en Prof. Dr. Madeleine de Cock Buning zorgen voor een gevarieerd programma met actuele onderwerpen en vooraanstaande, boeiende sprekers. Binnenkort meer informatie op de website.

IEF 19357

Geen rectificatie gepubliceerd onderzoeksrapport seksueel misbruik Jehova's Getuigen

Hof Arnhem-Leeuwarden 4 aug 2020, IEF 19357; ECLI:NL:GHARL:2020:6085 (Jehova’s Getuigen tegen Universiteit Utrecht en de Nederlandse Staat), http://www.ie-forum.nl/artikelen/geen-rectificatie-gepubliceerd-onderzoeksrapport-seksueel-misbruik-jehova-s-getuigen

Hof Arnhem-Leeuwarden 4 augustus 2020, IEF 19357, IT 3204; ECLI:NL:GHARL:2020:6085 (Jehova’s Getuigen tegen Universiteit Utrecht en de Nederlandse Staat) Publicatieverbod. Rectificatie. De Universiteit heeft op verzoek van de Minister en het WODC een onderzoeksrapport opgesteld met als titel “Seksueel misbruik en aangiftebereidheid binnen de gemeenschap van de Jehova’s Getuigen”. De Jehovah’s Getuigen hebben een publicatieverbod gevorderd van de Universiteit en de Staat. De vorderingen werden afgewezen door de kortgedingrechter. De Minister heeft het onderzoeksrapport daarna aan de Tweede Kamer gestuurd en het rapport is gepubliceerd op www.rijksoverheid.nl en op www.wodc.nl. In hoger beroep vorderen de Jehovah’s Getuigen, na vernietiging van de uitspraak van de kortgedingrechter, van de Staat en de Universiteit verwijdering van het rapport van deze websites en van de Staat het plaatsen van een rectificatie op deze sites. Daarnaast wordt gevorderd de Minister te gelasten een brief te sturen aan de Tweede Kamer met rectificerende mededelingen over het onderzoeksrapport. De vorderingen worden door het hof afgewezen.

IEF 19350

Perspublicatie NRC niet onrechtmatig


Rechtbank Amsterdam 22 jul 2020, IEF 19350; ECLI:NL:RBAMS:2020:3557 (Eiser tegen NRC), http://www.ie-forum.nl/artikelen/perspublicatie-nrc-niet-onrechtmatig

Rechtbank Amsterdam 22 juli 2020, IEF 19350, IT 3199; ECLI:NL:RBAMS:2020:3557 (Eiser tegen NRC) Mediarecht. Eiser vordert schadevergoeding van NRC wegens onrechtmatige perspublicatie. Eiser stelt dat er inbreuk is gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. Toewijzing van de vorderingen van eiser zouden een beperking vormen op het grondrecht van NRC op vrijheid van meningsuiting. Een dergelijke beperking is alleen indien de perspublicatie onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW. De rechtbank weegt alle wederzijdse belangen af, waarbij alle omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen en oordeelt dat de perspublicatie niet onrechtmatig is. Dat de naam van de bestuurder van de rechtspersoon vaak wordt genoemd, dat er geen wederhoor is toegepast en dat de gevolgen van publicatie ernstig voor die voormalige bestuurder, doen hier niet aan af.

IEF 19341

Conclusie A-G in Eiser tegen Het Parool

Hoge Raad 26 jun 2020, IEF 19341; ECLI:NL:PHR:2020:652 (Eiser tegen Het Parool), http://www.ie-forum.nl/artikelen/conclusie-a-g-in-eiser-tegen-het-parool

Parket bij de HR 26 juni 2020, IEF 19341; ECLI:NL:PHR:2020:652 (Eiser tegen Het Parool) Mediarecht. In publicaties uit 2016 van Het Parool staat dat de gemeente Amsterdam en de politie onzorgvuldig hebben gescreend, omdat de kopers van een pand waar iemand onderdook, een link zouden hebben met de ondergedokene. Deze kopers zijn de eisers in deze zaak. Zij stellen dat twee van de publicaties onrechtmatig zijn jegens hen. De rechtbank oordeelt dat beide publicaties niet onrechtmatig zijn en het hof oordeelt dat er één onrechtmatig is. In cassatie voeren eisers onder meer aan dat bij de beoordeling of sprake is van een onrechtmatige daad niet mag worden volstaan met een beoordeling of het artikel voldoende steun vindt in het feitenmateriaal, maar dat ook moet worden beoordeeld wat het artikel suggereert en wat er dus blijft hangen bij de gemiddelde lezer die met gemiddelde aandacht van het artikel kennis neemt, gezien de veranderende impact van de publicaties sinds de komst van het internet. De A-G wijst in deze context op de jurisprudentie van het EHRM over het belang van de functie van de archieven van de pers, omdat die een belangrijke bijdrage leveren aan het bewaren en beschikbaar maken van nieuws en informatie. Daarnaast is er in deze zaak sprake van een botsing tussen twee fundamentele rechten: recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer. Eisers klagen dat het hof deze botsing heeft miskend. Deze klacht kan niet slagen, omdat het hof alle wederzijdse af te wegen belangen heeft genoemd. Ook klagen eisers dat het hof miskent dat de onrechtmatige daad niet zozeer is gelegen in de schending van de privacy, maar in de schending van de eer en goede naam in de vorm van reputatieschade. Ook deze klacht heeft volgens de A-G geen kans van slagen, omdat de privacyvraag bestaat uit twee aspecten, waaronder het recht op eer en goede naam. Ook de andere onderdelen falen, waardoor de conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.

IEF 19335


Rectificatie afgewezen bij onrechtmatige uitlatingen

Rechtbank Midden-Nederland 17 jul 2020, IEF 19335; ECLI:NL:RBMNE:2020:2625 (Onrechtmatige uitlatingen), http://www.ie-forum.nl/artikelen/rectificatie-afgewezen-bij-onrechtmatige-uitlatingen

Rechtbank Midden-Nederland 17 juli 2020, IEF 19335, IT 3194; ECLI:NL:RBMNE:2020:2625 (Onrechtmatige uitlatingen) Mediarecht. Gedaagde wordt aangesproken door eiser omdat hij uitlatingen zou hebben gedaan in een televisieprogramma die eiser onrechtmatig vindt. Eiser vordert een verklaring voor recht, schadevergoeding en een rectificatie op Twitter en in de Telegraaf. Gedaagde verweert zich met een beroep op vrijheid van meningsuiting. Er zijn hier dus twee grondrechten aan de orde: het recht op vrijheid van meningsuiting en het recht op eerbiediging van de eer en goede naam. Per geval moet dan aan de omstandigheden van het geval worden beoordeeld welk grondrecht zwaarder moet wegen. In dit geval zijn de meeste uitlatingen gepresenteerd als feiten, dus er moet getoetst worden of de uitingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal om te oordelen welk grondrecht zwaarder weegt. De volgende omstandigheden zijn relevant bij deze toets: de aard van de gepubliceerde uitlatingen en de ernst van de te verwachten gevolgen voor degene op wie die uitlatingen betrekking hebben, de ernst - bezien vanuit het algemeen belang - van de misstand die aan de kaak wordt gesteld, de mate waarin de uitlatingen steun vinden in het beschikbare feitenmateriaal ten tijde van de publicatie, de totstandkoming en inkleding van de uitlatingen, het gezag dat het medium waarop de uitlatingen zijn gepubliceerd geniet en de maatschappelijke positie van de betrokken persoon. Afweging van deze omstandigheden leidt tot de conclusie dat de geuite feitelijke beweringen van gedaagde onrechtmatig zijn. De verklaring voor recht en de schadevergoeding worden toegewezen. De vordering tot rectificatie wordt afgewezen, omdat de uitingen meer dan vijf jaar geleden plaatsvonden en daarnaast minder dan een minuut in beslag namen. Rectificatie zal de kwestie juist opnieuw voor het voetlicht brengen, terwijl het publiek op dit moment geen actieve herinnering heeft aan het voorval.