Kwekersrecht  

IEF 7870

En/of Annemiek

ScheffleraRechtbank ’s-Gravenhage, 29 april 2009, HA ZA 09-89, Pine Valley Nursery tegen Camp International B.V. c.s.

Procesrechtelijk incident in zaak over kwekersrecht (‘Schefflera mini arboricla en/of Annemiek’). Geen zekerheidstelling partij uit Verenigde Staten.

4.1. (…) maar dat op grond van artikel 224 lid 2 Rv zo een verplichting tot het stellen van zekerheid niet bestaat, onder meer indien zulks voortvloeit uit een verdrag of uit een EG-verordening. X is woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika. Bijgevolg is hij op grond van artikel V van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1956, 40) juncto artikel 5 van het daarbij behorende Protocol vrijgesteld van het stellen van de in artikel 224 Rv bedoelde zekerheid. De incidentele vordering tot zekerheidsstelling zal dan ook worden afgewezen.

Lees het vonnis hier.

IEF 7816

De afmeting van de bollen

Lelieras Sorbonne Vletter & Den HaanRechtbank ’s-Gravenhage, 16 april 2009, zaaknummer / rolnummer: 329370 / KG ZA 09-120 Koninklijke Van Zanten en Van Zanten Flowerbulbs vs Gebroeders Vletter & Den Haan.

Kwekersrecht, lelieras Sorbonne, executiegeschil (zie IEF 6203). “Vooralsnog moet dus worden aangenomen dat export van de bollen, ongeacht de afmeting, is strijd is met het opgelegde gebod. De exporthandeling is op zichzelf beschouwd aan te merken als verhandeling en in ieder geval zal daaraan voorafgaande verkoop hebben plaatsgevonden.” Een samenvatting in citaten:

4.7. De rechter die het executiegeschil beoordeelt heeft niet tot taak de in het vonnis besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (vergelijk H.R. 15 november 2002, LJN AE9400). Op de in artikel 3 onder c gegeven definitie van plant- / teeltmateriaal heeft Van Zanten in het eerdere kort geding geen beroep gedaan. Als gevolg kan het opgelegde gebod niet worden uitgelegd aan de hand van de bepaling omdat die bij de formulering van het gebod geen rol heeft gespeeld. Om dezelfde reden is evenmin sprake van een kennelijke misslag in het vonnis. De vraag of het ruime gebod terecht is opgelegd kan aan de orde worden gesteld in een eventueel hoger beroep van het kort geding vonnis of in de bodemprocedure, maar staat in dit executiegeschil niet ter beoordeling.

Bij vonnis in kort geding van 2 juni 2008 is op vordering van Vletter & den Haan Beheer en v.o.f. Gebr. Vletter & den Haan aan Koninklijke Van Zanten (in dat vonnis aangeduid als gedaagde sub 1) het navolgende gebod opgelegd:

veroordeelt gedaagde sub 1 om binnen één maand na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het bedrijfsmatig en voor handelsdoeleinden voortbrengen, verder vermeerderen, ten behoeve van de vermeerdering behandelen, te koop aanbieden, in het verkeer brengen, verder verhandelen, uit- of invoeren, en voor een van deze handelsdoeleinden in voorraad hebben van materiaal van het ras Sorbonne, volledige planten, plantedelen alsmede geoogst materiaal daaronder begrepen, dan wel die handelingen door derden te doen verrichten;

2.2. Aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. (in dat vonnis aangeduid als gedaagde sub 2) is het navolgende gebod opgelegd: veroordeelt gedaagde sub 2 om binnen één maand na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het in Nieuw Zeeland voor handelsdoeleinden voortbrengen, te koop aanbieden en verhandelen van teeltmateriaal van het ras Sorbonne, dan wel die handelingen door derden te doen verrichten;  Vletter & den Haan hebben executoriale beslagen gelegd. Van Zanten c.s. vragen opheffing daarvan. Zoals uit het eerdere vonnis blijkt gaat het om twee verschillende verboden. In het geval van Koninklijke Van Zanten is het gebod gebaseerd op de licentie-overeenkomst die op Koninklijke Van Zanten is overgegaan.

In geval van Van Zanten Flowerbulbs B.V. is dat gebod gebaseerd op het in Nieuw Zeeland geldende kwekersrecht van Vletter & den Haan, voor de omvang waarvan in het vonnis aansluiting is gezocht bij het onder 4.7 genoemde verdrag. De handelingen in Nieuw Zeeland zullen eerst worden onderzocht.

4.3 Gelet op de inhoud van het vonnis ziet het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod op teeltmateriaal als bedoeld in Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten van 2 december 1961, herzien te Genève op 10 november 1972 en 23 oktober 1978 (Trb. 1984, 97). De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan te nemen dat daaronder niet is te verstaan bollen met een afmeting groter dan 10 centimeter zoals door Van Zanten wordt bepleit. Mogelijk moet worden aangenomen dat geen sprake is van teeltmateriaal indien aan afnemers bollen worden geleverd die naar hun aard niet geschikt of bedoeld zijn om te vermeerderen, maar vooralsnog is niet in te zien dat de geschiktheid of het doel van het materiaal afhangt van de afmeting van de bollen. De definitie die in de licentieovereenkomst van het begrip teeltmateriaal wordt gegeven is niet relevant omdat de omvang van het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod op geen enkele manier door die overeenkomst is bepaald.

4.4. Vooralsnog moet dus worden aangenomen dat export van de bollen, ongeacht de afmeting, is strijd is met het opgelegde gebod. De exporthandeling is op zichzelf beschouwd aan te merken als verhandeling en in ieder geval zal daaraan voorafgaande verkoop hebben plaatsgevonden. In dit verband is nog van belang dat Van Zanten niet heeft aangevoerd dat de betreffende verkoopovereenkomsten zijn aangegaan vóór ingang van het gebod.

4.5. Vletter & den Haan hebben zich op het standpunt gesteld dat het gebod in de relevante periode niet alleen is overtreden op een dag dat een exporthandeling heeft plaatsgevonden, maar iedere dag is overtreden omdat alleen al de behandeling van bollen die op het veld staan en het in voorraad houden van bollen voor verkoop als een voorbehouden handeling moet worden aangemerkt. In deze redenering kan niet worden meegegaan omdat in het vonnis uitdrukkelijk is overwogen dat het gebod niet inhoudt de verplichting tot vernietiging van gewas dat op het land staat. Verder kunnen de exporten naar Japan buiten beschouwing blijven omdat de betreffende bollen, naar Van Zanten onweersproken heeft gesteld, zijn ingekocht van een licentiehouder.

4.6. De door Vletter & den Haan als productie 22 overgelegde ‘phytosanitary certificates’ geven aanleiding om aan te nemen dat in de relevante periode (5 juli 2008 tot en met 17 september 2008) op de navolgende data het gebod is overtreden: 14 juli 2008, 23 juli 2008, 29 juli 2008, 13 augustus 2008, 15 augustus 2008, 20 augustus 2008, 30 augustus 2008, 1 september 2008, 8 september 2008, 9 september 2008, 10 september 2008. In totaal is dan aan dwangsommen verbeurd 11 x € 5.000 = € 55.000. Uit hetgeen in het vonnis onder 4.5 is overwogen volgt dat Van Zanten Flowerbulbs B.V. voor overtreding van het gebod verantwoordelijk wordt gehouden.

4.7. Ook voor Koninklijke Van Zanten geldt dat zij in het vonnis verantwoordelijk is gehouden voor handelingen die in Nieuw Zeeland plaatsvinden door Van Zanten Flowerbulbs Ltd. Die handelingen zijn strijd met het aan haar opgelegde gebod dat een ruimere strekking heeft dan het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod. De rechter die het executiegeschil beoordeelt heeft niet tot taak de in het vonnis besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (vergelijk H.R. 15 november 2002, LJN AE9400). Op de in artikel 3 onder c gegeven definitie van plant- / teeltmateriaal heeft Van Zanten in het eerdere kort geding geen beroep gedaan. Als gevolg kan het opgelegde gebod niet worden uitgelegd aan de hand van de bepaling omdat die bij de formulering van het gebod geen rol heeft gespeeld. Om dezelfde reden is evenmin sprake van een kennelijke misslag in het vonnis. De vraag of het ruime gebod terecht is opgelegd kan aan de orde worden gesteld in een eventueel hoger beroep van het kort geding vonnis of in de bodemprocedure, maar staat in dit executiegeschil niet ter beoordeling.

De beslagen worden ten dele opgeheven. De proceskosten worden gecompenseerd.

Lees het vonnis hier.

IEF 7742

Onder het rechterlijk bevel

ElsantaRechtbank ’s-Gravenhage, 25 maart 2009, HA ZA 08-1080, Plant Research International B.V. (PRI) tegen Europe Fruit Trade B.V. (EFT)

Kwekersrecht. PRI is houdster van Nederlands kwekersrecht voor het aarbeienras Elsanta. In het onderhavige geschil PRI vordert, samengevat, dat de rechtbank voor recht verklaart dat EFT door de verkoop van planten van het ras ELSANTA aan Darby, het in een eerder kort geding vonnis gegeven bevel heeft geschonden (zie Vzr. Rechtbank  's-Gravenhage, 26 oktober 2006, IEF 2806 en Rechtbank 's-Gravenhage, 11 juni 2008, IEF 6253). Vorderingen toegewezen. Gestelde lastgeving doet niets af aan de verplichting van EFT om het rechterlijk verbod na te leven. Betaling dwangsommen €120.000,00, + wettelijke rente. 1019h proceskosten €16.188,23.

4.6. De rechtbank is met PRI van oordeel dat de verkoop en levering van de ELSANTA planten aan Darby vallen onder het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod. Het verbod omvat namelijk (onder meer) het te koop aanbieden, in het verkeer brengen, verder verhandelen en uitvoeren van Elsanta planten. Het verkopen en leveren van de planten aan een buitenlandse partij valt daaronder.

4.7. Het verweer van EFT dat zij bij voornoemde handelingen is opgetreden als lasthebber van Simart, en meer specifiek dat Simart haar heeft opgedragen de handelingen onder eigen naam maar voor rekening van Simart te verrichten, kan niet leiden tot een andere conclusie. Daargelaten dat PRI uitdrukkelijk betwist dat er sprake is van lastgeving, doet de gestelde lastgeving niets af aan de verplichting van EFT om het rechterlijk verbod na te leven. Afhankelijk van de afspraken met Simart brengt de lastgeving hooguit mee dat EFT de nadelige gevolgen die nakoming van de last meebrengt (zoals het verbeuren van dwangsommen), op Simart kan verhalen. Dat de handelingen op last van Simart zouden zijn verricht, rechtvaardigt echter geen schending van het rechterlijk verbod.

Lees het vonnis hier.

IEF 7543

Discussiethema's

Kamerstukken I 2008/09, 31700 XIV, nr. E. Vaststelling van de begrotingsstaten van het Ministerie van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (XIV) voor het jaar 2009; Verslag van de expertbijeenkomst over biotechnologie

Discussiethema 1: Plantenveredeling, biotechnologie en genetische modificatie. Bij het eerste thema gaan wij in op de technologische ontwikkelingen in de biotechnologie rond genetische modificatie. Wij zullen bediscussiëren hoe die technologieën de plantenveredeling sturen en daarmee de wereldwijde vraag naar voedsel.

Discussiethema 2: Landbouw, biotechnologie en de wereldvoedselvoorzieningIk geef een korte uiteenzetting over mijn opvatting van de rol van genetische modificatie in de wereldvoedselvoorziening.

Discussiethema 3: Is er een nieuwe maatschappelijke en politieke discussie aan de orde? Wat moet de beleidslijn zijn voor Eerste en Tweede Kamerleden voor de komende politieke besluitvorming?

Lees het gehele verslag hier.

 

IEF 7470

Potentie in de biotechnologie

Kamerstukken II 2008/09, 29338, nr. 77 (Bijlage). Synthetische biologie: kansen creëren.

"Potentie in de biotechnologie: In Nederland zijn zo’n 140 bedrijven actief in de biotechnologie en dat aantal groeit. Begin jaren 80 van de vorige eeuw liep Nederland voorop in de biotechnologie, maar sindsdien is de sector in andere Europese landen harder gegroeid dan in ons land. Nederland heeft zijn voorsprong moeten prijsgeven. Dus ondanks een goede uitgangspositie blijkt de biotechnologiesector achter te blijven bij die in andere landen. Door te kijken naar de ontwikkeling van het aantal octrooiaanvragen in de periode 1995-2004 liet het Octrooicentrum bijvoorbeeld zien dat Nederland het rond 2000 op het gebied van de biotechnologie slechter dan gemiddeld deed in Europa. Het gaat hier overigens alleen om ‘dedicated’ bedrijven, bedrijven die zich uitsluitend bezig houden met biotechnologie. De zogenaamde ‘diversified’ bedrijven, vaak grotere bedrijven als Unilever en DSM waarbij biotechnologie slechts een deel van de activiteiten uitmaakt, zijn buiten beschouwing gelaten. Uit het rapport blijkt dat de groei van het aantal octrooiaanvragen in de biotechnologiesector tot 2000 hoger lag dan de algemene groei van de aanvragen, maar dat die sindsdien is gestagneerd en onder het Nederlands gemiddelde is komen te liggen.

Lees hier meer.

IEF 7442

Afgeleide Rassen

Paul van der KooijMr. P.A.C.E. van der Kooij, Universiteit Leiden: Afgeleide Rassen Anno 2008 (Eerder gepubliceerd in Agrarisch Recht, nr. 7/8, juli augustus 2008, p.311-317).

"De komst van een nieuw UPOV-Verdrag in 1991  zorgde voor een groot aantal veranderingen in het kwekersrechtelijke landschap. Wat in vergelijking met andere deelgebieden van de intellectuele eigendom detoneerde, werd gerooid, wat op een aantal plaatsen te ver was doorgeschoten werd teruggesnoeid en wat nog node werd gemist werd aangeplant. Maar vooral ten aanzien van de beschermingsomvang bestond voorheen een tamelijk groot braakliggend terrein, dat dankzij UPOV 1991 grondig werd ingezaaid.  Wat dit laatste betreft was één van de meest in het oog springende noviteiten het zogenoemde afgeleide ras. Om de beeldspraak nog even voort te zetten: van het begin af aan had dit gewas met tal van groeiproblemen te kampen, en wat daarvan nu, zeventien jaar na dato, is opgekomen, vertoont kale plekken en vraagt om aandacht en zorg.

In deze bijdrage sta ik eerst kort stil bij de inhoud van de regeling voor afgeleide rassen en haar achtergrond; daarna bespreek ik de huidige stand van zaken in het licht van recente publicaties met betrekking tot de toepassing van de regeling in de praktijk, gevolgd door weergave van de kritiek die daarop is geleverd en mijn commentaar daarbij. Ik sluit af met een conclusie.”

Lees het gehele artikel hier.

IEF 7304

Niet duidelijk onderscheidbaar

SUMCOL 01 US PatentGvEA, 19 november 2008, zaak T-187/06, Ralf Schräder tegen Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO)

Communautair kwekersrecht. Plantenras SUMCOL 01. Beoordelingsvrijheid CVPO. Afwijzing van aanvraag voor communautair kwekersrecht. Niet-onderscheidbaar kandidaat-ras. De plant bestaat al, kort gezegd.

“61. Dat de gemeenschapsrechter de beoordelingsmarge van de administratie in economische of technische kwesties erkent, neemt echter niet weg dat hij de interpretatie van het bestuur van gegevens van die aard mag toetsen. (…) In het kader van dit toezicht mag hij zijn beoordeling op economisch of technisch vlak echter niet in de plaats stellen van de beoordeling van de administratie

(…) 63. In casu is de beoordeling of een plantenras onderscheidbaar is volgens de criteria van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2100/94, een wetenschappelijk en technisch ingewikkelde beoordeling zodat een beperking van de omvang van het rechterlijke toezicht te rechtvaardigen is.

71. Aangaande de vraag of het referentieras van van Jaarsveld wel degelijk verschilt van het kandidaat-ras SUMCOL 01, blijkt uit het eindrapport van het Bundessortenamt dat tussen beide rassen verschillen werden vastgesteld volgens 3 van de 26 vergelijkingscriteria die bij het technische onderzoek in aanmerking zijn genomen, conform de normen van de UPOV: de hoogte van de planten, de breedte van het blad en de lengte van de buis van de bloemkroon. Bovendien heeft Heine ter terechtzitting voor de kamer van beroep uitgesloten dat deze verschillen kunnen worden toegeschreven aan milieufactoren. Volgens haar zijn deze verschillen wel degelijk het gevolg van genotypische factoren. Volgens deze beoordeling is het logische besluit dat het kandidaat-ras en het referentieras niet hetzelfde ras vormen.

(…) 73. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid waarover het CPVO beschikt bij ingewikkelde plantenkundige beoordelingen, volstaan de door verzoeker tot staving van zijn betoog aangevoerde gegevens echter niet als bewijs dat het Bundessortenamt en vervolgens het CPVO alsmede de kamer van beroep van het CPVO blijk hebben gegeven van een kennelijke beoordelingsfout die een grond tot vernietiging van het bestreden besluit kan zijn.

(…) 127. Zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel, kon de kamer van beroep uit de elementen waarover zij beschikte, op goede gronden afleiden dat het ras SUMCOL 01 niet duidelijk kon worden onderscheiden van een referentieras dat op het tijdstip van indiening van de aanvraag algemeen bekend was. (…).

Lees het arrest hier.

IEF 7038

Nieuwe ronde

Oppendoezer“Tweesterrenrestaurant Apicius in het Noord-Hollandse Bakkum heeft haar eigen aardappel: de Bakkumer Ronde. En dat vinden telers van de Opperdoezer Rondes niet leuk. De telers van de Opperdoezer Rondes hebben nu de algemene inspectiedienst ingeschakeld. Tweesterrenkok Thorvald de Winter van Apicius noemt dit ’behoorlijk kinderachtig’. „Onze zelfgeteelde Bakkumer Rondes hebben niets te maken met de Opperdoezer Rondes. En we beweren ook helemaal niet dat het Opperdoezers zijn.” (…) Hero Stam [Power to the Pieper], in het Noordhollands Dagblad opgevoerd als zelfbenoemd beschermheer van de West-Friese aardappeldelicatesse, is somber over de toekomst van ‘zijn’ aardappel. „Nu heb je iemand die Bakkumer Rondes aanbiedt. Als dat echt mag dan voorspel ik je straks ook Hoornse Rondes, Zaanse Rondes, Leidse Rondes en weet-ik-wat-voor Rondes je krijgt. Gaat er vanzelf een schitterend streekproduct kapot,” aldus Stam.”

Lees hier meer (Telegraaf).

IEF 6574

Den Haag Vandaag

ricastor-mercurius.gifRechtbank ’s-Gravenhage, 6 augustus 2008, KG ZA 08-594, Van Zanten Plants B.V. tegen Hofland B.V.(afbeeldingen met dank aan Hidde Koenraad, Vondst).

Kwekersrecht freesia met de rasbenaming “Ricastor” (bovenste afbeelding) 4.3. De onder 4.2. genoemde verweren van Hofland gaan voorshands oordelend niet op. Gesteld noch gebleken is dat Van Zanten De Haan toestemming heeft gegeven Beatrix te vermeerderen, te telen of te verkopen. Uit het feit dat Van Zanten richting De Haan kennelijk geen mededelingen heeft gedaan dit niet te doen, mag naar voorlopig oordeel geen impliciete toestemming worden afgeleid. De voorzieningenrechter laat daarbij nog in het midden of Hofland, als wel (impliciet) toestemming zou zijn gegeven, er vervolgens als koper op mocht vertrouwen dat ook zij Beatrix mocht, vermeerderen, telen of verkopen.”

Lees het vonnis hier.

abb.gifRechtbank ’s-Gravenhage, 6 augustus 2008, KG ZA 08-773, ABB ASEA Brown Boveri Ltd. tegen Camporiondo

Merkenrecht, handelsnaamrecht. “4.4. Voorshands oordelend komen de op het merkenrecht gebaseerde vorderingen de voorzieningenrechter noch onrechtmatig noch ongegrond voor. Het op de websites van Camporiondo en SAI gebruikte teken ABB is gelijk aan het door ABB op 21 november 2003 gedeponeerde en onder 2.2 van dit vonnis afgebeelde Gemeenschapsbeeldmerk. Bovendien wordt dit teken voorshands oordelend gebruikt voor dezelfde diensten (financiële dienstverlening) als waarvoor het bedoelde Gemeenschapsbeeldmerk is ingeschreven. Het gebruik van het bedoelde teken is daarmee in strijd met artikel 9 lid 1 sub a GMVo. Het gevorderde inbreukverbod zal daarom, te versterken met een dwangsom, als nader in het dictum bepaald worden toegewezen”

Lees het vonnis hier.

IEF 6312

Betaalkaarten

Verordening1238/95 is gewijzigd door Vo. 572/2008 (Verordening (EG) Nr. 572/2008 van de Commissie  van 19 juni 2008 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1238/95 wat betreft de aan het Communautair Bureau voor plantenrassen te betalen jaarlijkse rechten en rechten voor technisch onderzoek, alsmede de wijze van betaling).

De wijzigingen betreffen de vervanging van "ECU" door EURO, alsmede de toevoeging van de betaalkaart als betalingswijze in artikel 3 lid 2.

Lees de Verordening hier