Wet- en regelgeving

IEF 17961

Europees Parlement stemt voor omstreden uploadfilter op YouTube en Facebook

Uit nieuwsbericht: Het Parlement heeft op woensdag een herziene onderhandelingspositie ingenomen over online auteursrechten. De herziening beschermt kleine bedrijven en de vrijheid van meningsuiting. De positie van het Parlement voor de onderhandelingen met de lidstaten werd aangenomen met 438 stemmen voor, 226 tegen en 39 onthoudingen. Er zijn enkele belangrijke aanpassingen gemaakt ten opzichte van het voorstel van de commissie Juridische zaken uit juni:
- Techreuzen (YouTube, Facebook en Google News) moet betalen voor gebruik van het werk van anderen.
- Kleine en micro platforms uitgesloten van richtlijn
- Hyperlinks "vergezeld van individuele woorden" kunnen gratis worden gedeeld
- Journalisten moeten een deel van de auteursrechtelijke vergoeding krijgen van hun uitgeverij

IEF 15604

Nota naar aanleiding van het verslag en Nota van wijziging implementatie richtlijn collectief beheer

Nota naar aanleiding van het verslag en Nota van wijziging implementatie richtlijn collectief beheer, kamerstukken II, 2015-2016, 34 243, nr. 6.
Uit de nota naar aanleiding van het verslag: De rechtspositie van makers, en rechthebbenden in het algemeen, wordt verbeterd doordat het wetsvoorstel bepaalde rechten codificeert. Deze rechten zijn opgenomen in artikel 2a en regelen de mogelijkheid voor rechthebbenden om zich aan te sluiten bij een collectieve beheersorganisatie, dan wel hun deelname te beëindigen. Artikel 2b stelt eisen aan de lidmaatschapsreglementen van collectieve beheersorganisaties. Dit zorgt ervoor dat (groepen van) rechthebbenden niet worden gediscrimineerd bij het verkrijgen van toegang tot een collectieve beheersorganisatie of bij de uitoefening van hun lidmaatschapsrechten. Daarnaast versterkt het voorstel de democratische controlemogelijkheden van rechthebbenden door specifiek voor te schrijven welke organen besluiten mogen nemen binnen een collectieve beheersorganisatie.

Zo moeten belangrijke besluiten bij collectieve beheersorganisaties worden voorgelegd aan de algemene ledenvergadering (artikel 2d), waarbij leden zijn gedefinieerd als rechthebbenden of organisaties die rechthebbenden vertegenwoordigen. Wanneer een organisatie vanwege zijn rechtsvorm niet over een algemene ledenvergadering beschikt, moeten deze besluiten worden voorgelegd aan het orgaan dat belast is met het toezicht (artikel 2e). Bij een stichting kan dit zowel de raad van toezicht zijn als het bestuur. Ten slotte bevat het voorstel specifieke voorschriften met betrekking tot de repartitie van door collectieve beheersorganisaties geïnde gelden (artikel 2i) en de wijze waarop deze gelden zorgvuldig in beleggingen kunnen worden geïnvesteerd (artikel 2g).

Balans overheidstoezicht en voldoende bewegingsvrijheid
"De balans tussen overheidstoezicht en voldoende bewegingsvrijheid wordt gewaarborgd doordat het toezicht voornamelijk achteraf plaatsvindt. Collectieve beheersorganisaties kunnen binnen de gegeven toezichtkaders in de Wet toezicht hun eigen (commerciële) afwegingen maken. Uitzondering hierop is de voorafgaande goedkeuring van bepaalde besluiten van collectieve beheersorganisaties door het College van Toezicht Auteurs- en naburige rechten (“het College”), zoals voor de wijziging van statuten. Daarnaast biedt de bepaling uit artikel 5, eerste lid, Wet toezicht, het College de mogelijkheid om advies te geven over besluiten van collectieve beheersorganisaties die van wezenlijke invloed zijn op de bedrijfsvoering. Enerzijds onderstreept dit het uitgangspunt dat collectieve beheersorganisaties hun eigen beslissingen mogen nemen, anderzijds is duidelijk dat sommige ingrijpende besluiten voorafgaand goedkeuring behoeven van het College of ter advisering aan hen moet worden voorgelegd op het moment dat een beslissing een wezenlijke invloed op de bedrijfsvoering heeft.”

Gelijk speelveld in Europa
"De richtlijn zal er naar verwachting toe leiden dat collectieve beheersorganisaties in toenemende mate om de gunst van rechthebbenden zullen dingen, in het bijzonder met betrekking tot de licentiëring van online-muziekrechten.

Rechthebbenden zullen zich bij het maken van een keuze voor een collectieve beheersorganisatie mede laten leiden door de wijze waarop deze organisatie functioneert. Factoren als transparantie, mogelijkheden tot inspraak, snelle en tijdige betaling van geïnde gelden, de hoogte van de beheerskosten, en een effectief, onafhankelijk, toezicht zullen hierbij een rol spelen.

Doordat het implementatievoorstel de mogelijkheid creëert voor collectieve beheersorganisaties om hun licenties voor online-muziekrechten op niet-exclusieve basis in licentie te geven aan andere collectieve beheersorganisaties, zal de gebruiker in de toekomst eveneens de mogelijkheid krijgen om te kiezen tussen verschillende collectieve beheersorganisaties voor het gebruik van licenties ten aanzien van hetzelfde repertoire (overweging 44). De gebruiker zal bij het maken van zijn keuze factoren als transparantie, dienstverlening en tarieven mee laten wegen.”

Op welke organisaties is de implementatie van toepassing
"De bepalingen uit het wetsvoorstel zijn van toepassing op zowel collectieve beheersorganisaties als onafhankelijke beheersorganisaties. Het verschil tussen beide soorten organisaties is dat een collectieve beheersorganisatie onder zeggenschap staat van haar leden of is ingericht zonder winstoogmerk. Een onafhankelijke beheersorganisatie kenmerkt zich juist doordat deze organisatie niet onder enige zeggenschap (direct noch indirect, geheel noch gedeeltelijk) staat van rechthebbenden en is ingericht met winstoogmerk. Overweging 16 van de richtlijn stelt dat producenten van audiovisuele media, platenproducenten en omroepen, dan wel boek-, muziek- of krantenuitgevers niet als onafhankelijke beheersorganisatie kwalificeren, omdat deze organisaties in hun eigen belang rechten licentiëren, die aan hen door middel van individueel gesloten overeenkomsten zijn overgedragen. Hetzelfde geldt voor vertegenwoordigers van auteurs, uitvoerende kunstenaars of agenten die als tussenpersonen handelen en rechthebbenden vertegenwoordigen bij collectieve beheersorganisaties. In deze gevallen is volgens de overweging bij de richtlijn geen sprake van rechtenbeheer omdat deze vertegenwoordigers en agenten geen tarieven vaststellen, licenties uitgeven of geld innen bij gebruikers.

Beide soorten organisaties staan, voor zover ze in Nederland gevestigd zijn, onder toezicht van het College. Het College zal toetsen of de thans, vanwege de Wet toezicht, onder toezicht staande collectieve beheersorganisaties onder de definitie van het implementatievoorstel vallen. Het College verwacht dat alle organisaties die thans kwalificeren als collectieve beheersorganisatie eveneens kwalificeren als collectieve beheersorganisatie onder het nieuwe wetsvoorstel. Daarnaast zal het College beoordelen of er onafhankelijke beheersorganisaties in Nederland actief zijn. De authentieke interpretatie van beide definities is uiteindelijk voorbehouden aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, in geval er onenigheid zou ontstaan over de uitleg van de definitie.

Onafhankelijke beheersorganisaties hoeven niet aan alle verplichtingen uit het wetsvoorstel met betrekking tot governance en transparantie te voldoen. Voor hen geldt op grond van de richtlijn een beperkt aantal transparantieverplichtingen met betrekking tot de rechten die worden beheerd (artikel 2o), de openbaarmaking van bepaalde documenten (artikel 2p, eerste lid, onderdeel a, b, c, e, f, en g), de verplichting tot alternatieve geschillenbeslechting (artikel 25b), en de verplichting om in goed vertrouwen te onderhandelen met gebruikers (artikel 2l)."
 
Verandering van de markt, online-muziekrechten
"De verwachting van de Europese Commissie is dat het voorstel vooral veranderingen met zich brengt met betrekking tot de markt voor de licentiëring van online-muziekrechten (COM (2012), 372, p.12).

Voor online licentiëring van muziekauteursrechten geldt dat Buma/Stemra uiterlijk op 10 april 2017 multiterritoriale licenties moet verlenen of aanbieden (eventueel via aansluiting bij een andere collectieve beheersorganisatie). Wanneer dat niet het geval is, kan een rechthebbende zijn rechten voor de verlening van multiterritoriale licentiëring terugtrekken. Makers die hun rechten onderbrengen bij een collectieve beheersorganisatie hebben daarmee de zekerheid dat hun rechten online gelicentieerd kunnen worden. Op deze manier is het voor iedere maker mogelijk om opbrengsten te genereren uit online-licentiëring. Het voorgestelde model maakt online-licentiëring voor gebruikers makkelijker, waardoor online-dienstenaanbieders makkelijker hun diensten kunnen aanbieden. Dit stimuleert de ontwikkeling van dit soort diensten en vermindert de transactiekosten voor consumenten. Dit kan ertoe leiden dat makers meer inkomsten genereren uit de licentiëring van online-muziekrechten, omdat meer online-diensten in Europa hun muziek kunnen gaan aanbieden."
 
(…)

"Dit voorstel versimpelt de uitgifte van multiterritoriale licenties voor online-muziekgebruik. Dit zorgt ervoor dat aanbieders van online-muziekdiensten zoals Spotify niet meer in elk land apart met een collectieve beheersorganisatie hoeven te onderhandelen, maar hun licenties kunnen verkrijgen bij enkele Europese “hubs” die in staat zijn multiterritoriale licenties uit te geven voor daar onder gebracht repertoire.

In het algemeen zal de kans dat een Nederlandse start-up alle benodigde rechten in Europa bij één Nederlandse of buitenlandse collectieve beheersorganisatie kan verkrijgen toenemen door de inwerkingtreding van dit wetsvoorstel. Dit wetsvoorstel zorgt ervoor dat collectieve beheersorganisaties die zelf geen multiterritoriale licenties kunnen uitgeven voor online-muziek een andere collectieve beheersorganisatie kunnen verzoeken dit namens hen te doen. Deze vertegenwoordigingsovereenkomst is niet-exclusief van aard, waardoor collectieve beheersorganisaties die niet zelf multiterritoriaal kunnen licentiëren de mogelijkheid hebben om zich bij meerdere Europese “hubs” aan te sluiten. Of alle benodigde licenties uiteindelijk bij één Nederlandse collectieve beheersorganisatie kunnen worden opgehaald is afhankelijk van de vraag of deze organisatie voldoet aan de vereisten om multiterritoriale licenties te verlenen en of het gehele benodigde repertoire bij deze organisatie is ondergebracht."

IEF 15251

Vraag aan HvJ EU: wordt fiscale neutraliteit geschonden door uitsluiten verlaagde btw-tarief e-books

Prejudiciële vragen gesteld aan HvJ EU 7 juli 2015, IEF 15251, C-390/15 (Rzecznika Praw Obywatelskich PRO)
Verlaagd btw tarief e-books. Verzoeker (Poolse ombudsman) is een procedure gestart op 06-12-2013 omdat hij van mening is dat enkele artikelen van de btw-wet onverenigbaar zijn met de Poolse Gw. Het gaat om toepassing van het verlaagde btw-tarief op drukwerk, en uitgaven op gegevensdragers (cd’s, cassete enz) maar niet op elektronische publicaties waarvoor 23% wordt gerekend. Dit schendt de fiscale gelijkheid in de zin van de Gw. Verweerders (vertegenwoordigers van de wetgevende macht, en het OM) stellen dat het hier omzetting van RL 2006/112 betreft, zodat de Poolse wetgever dit als EULS niet anders kon regelen.

Zij stellen dat de bepalingen het beginsel van fiscale gelijkheid en sociale rechtvaardigheid niet schenden omdat het verschil objectief gerechtvaardigd is. Boeken en andere elektronische publicaties zijn geen goederen, maar diensten. De vorm is van belang, niet de inhoud. Minister van Financiën stelt nog dat het onderscheid voor de btw berust op de methode van productie en levering, en dat het onderscheid dan ook gerechtvaardigd is. Verzoeker wijst erop dat door het verschil in btw-tarief de economische situatie verslechtert van ondernemers die op de markt waren aanbieden die, wat het relevante wezenlijke kenmerk betreft (namelijk de intellectuele inhoud), identiek zijn. De consumenten betalen uiteindelijk de prijs.

De verwijzende Poolse rechter (Constitutioneel Hof) gaat na hoe de EUR wetgevingsprocedure voor Richtlijn 2009/47 (wijziging van punt 6 van bijlage III van Richtlijn 2006/112) heeft plaatsgevonden en hij vraagt zich af of hier sprake is van schending van een wezenlijk vormvoorschrift (raadpleging EP na vaststelling definitieve, gewijzigde versie, ook volgens vaste rechtspraak van het HvJEU). Het EP heeft zich dan ook niet over E-boeken uitgesproken. De verwijzende rechter concludeert dat het hier wel om een wezenlijk verschil ging. Hij betwijfelt ook de geldigheid van artikel 98, lid 2, juncto punt 6 van bijlage III wegens schending van het beginsel van fiscale neutraliteit. Overeenkomstig punt 6 van bijlage III kunnen de verlaagde tarieven op de levering van boeken worden toegepast op alle fysieke dragers. Voorts, aldus artikel 98, lid 2, tweede alinea, van de btw-richtlijn, zijn „de verlaagde tarieven [...] niet van toepassing op langs elektronische weg verrichte diensten”. Het HvJEU heeft geoordeeld dat toepassing van een verlaagd tarief als uitzonderingsregel eng moet worden uitgelegd. De mogelijkheid om het verlaagde tarief toe te passen op boeken op fysieke dragers, terwijl het tegelijk verboden is verlaagde tarieven toe te passen op boeken die in elektronische vorm worden geleverd, schendt het beginsel van fiscale neutraliteit. De verwijzende rechter acht boeken op andere fysieke dragers dan papier en elektronisch geleverde boeken soortgelijk en met elkaar concurrerende goederen. Ze hebben overeenkomstige kenmerken en voorzien in dezelfde behoeften van de consument. Hij wijst op het arrest van het HvJEU over de verkoopmethode van computerprogramma’s Used Soft waar geen onderscheid wordt gemaakt tussen verkoop op een drager of door downloaden. Zijn vragen aan het HvJEU luiden als volgt:

1) Is punt 6 van bijlage III bij richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347, blz. 1, met wijzigingen), zoals gewijzigd bij richtlijn 2009/47/EG van de Raad van 5 mei 2009 tot wijziging van richtlijn 2006/112/EG wat verlaagde btw-tarieven betreft (PB L 116, blz. 18), ongeldig doordat in de wetgevingsprocedure het wezenlijke vormvereiste dat het Europees Parlement wordt geraadpleegd, is geschonden?
2) Is artikel 98, lid 2, van de in de eerste vraag vermelde richtlijn 2006/112 juncto punt 6 van bijlage III bij deze richtlijn ongeldig op grond dat het het beginsel van fiscale neutraliteit schendt daar het de toepassing van het verlaagde btw-tarief op boeken die in digitale vorm worden uitgegeven en andere elektronische publicaties uitsluit?
IEF 14970

Minister BZ over EU-voorstel: Strategie voor een digitale eengemaakte markt

Brief Minister BZ aan Eerste Kamer over EU-voorstel: Strategie voor een digitale eengemaakte markt COM(2015)192, Kamerstukken I 2014-2015, 22 112; 34 211 nr. GZ.
3. Nederlandse positie ten aanzien van het voorstel. a) Essentie Nederlands beleid op dit terrein. Voor het kabinet is het versterken van de digitale interne markt een prioriteit. Volgens het kabinet ligt er met name op digitaal gebied nog een groot onbenut economisch potentieel. [...] b) Beoordeling + inzet ten aanzien van dit voorstel Voor het kabinet is versterking van de digitale interne markt één van de belangrijkste prioriteiten om economische groei en werkgelegenheid in Europa te stimuleren. Juist Nederland, met zijn open economie en state of the art digitale infrastructuur, profiteert in grote mate van het realiseren van een digitale interne markt. De Strategische Agenda, zoals vastgesteld door de Europese Raad op 27-28 juni 2014,5 richt zich ook op het versterken van de digitale interne markt. Het kabinet is dan ook verheugd dat de Commissie met de digitale interne marktstrategie invulling geeft aan deze oproep. [...]

Kernpijler 1: Betere online toegang tot goederen en diensten voor consumenten en bedrijven in heel Europa.
Het kabinet steunt het uitgangspunt om de online toegang tot goederen en diensten te verbeteren. Het kabinet verwelkomt dan ook de aankondiging van maatregelen om het auteursrecht te moderniseren, de e-commerce sector te versterken en de positie van de consument te verbeteren. [...]

Nederland is verheugd dat de Commissie met voorstellen wil komen om het auteursrecht aan te passen aan het digitale tijdperk. Het huidige systeem van uitzonderingen en beperkingen op het auteursrecht is te weinig ingesteld op nieuwe technologische ontwikkelingen en daarmee gepaard gaande gebruiksmogelijkheden. Nederland pleit voor een flexibel en toekomstbestendig systeem van uitzonderingen en excepties. Daarom ziet Nederland het als een goede eerste stap dat de Commissie nu meer rechtszekerheid wil creëren voor gebruik van auteursrechtelijk materiaal voor onderzoek, onderwijs en text- and datamining. Nederland vindt het wel van belang dat er een juiste balans is tussen de gerechtvaardigde belangen van rechthebbenden enerzijds en die van gebruikers anderzijds. Verder moet goed worden onderzocht hoe grensoverschrijdende toegang tot audiovisuele content tot stand kan komen en of het auteursrecht het meest geëigende instrument is om dat te regelen. In deze afweging moeten de belangen van de audiovisuele sector en de consument worden meegenomen. Ten slotte geldt dat bij de handhaving van auteursrecht de balans moet worden gezocht tussen effectieve handhaving en de rechten en behoeften van rechthebbenden en die van anderen. Vooralsnog heeft Nederland een kritische grondhouding ten opzichte van aanpassing van het huidige handhavingsinstrumentarium. [...]

Kernpijler 2: randvoorwaarden bevorderlijk voor digitale netwerken en diensten.

[...]
Verder meent Nederland dat regelgeving inzake de aansprakelijkheid van internetproviders voor illegale activiteiten op internet niet verruimd dient te worden. Het huidig wettelijke kader biedt voldoende mogelijkheden om dergelijke activiteiten aan te pakken. Nederland onderschrijft het belang van het in internationaal en publiek-privaat verband samenwerken aan cybersecurity oplossingen, alsook goede regelgeving rondom dataprotectie. Een brede toepassing van geharmoniseerde standaarden vormt in die samenwerking een belangrijk onderdeel.

Lees het gehele document.

IEF 14858

Eerste Kamer over het auteurscontractenrecht

Voorlopig verslag Wet auteurscontractenrecht, EK 2014-2015, Kamerstukken I 33 308, nr. B
"Aangezien het auteursrecht een absoluut recht is, zou men tot de conclusie moeten komen dat, wanneer het auteursrecht wordt «overgedragen», alle daarmee samenhangende rechten en plichten overgaan op de rechtsverkrijger. Het hoofdstuk over de exploitatieovereenkomst geeft de oorspronkelijke maker echter allerlei handvatten om die overdracht te beperken of zelfs ongedaan te maken in het geval van non usus. Wordt hiermee niet het absolute karakter van het auteursrecht geweld aangedaan? Is er – indien dit wetsvoorstel tot wet wordt verheven – in feite dan geen sprake van overdracht van dat absolute recht, doch altijd slechts sprake van een (opzegbaar) gebruiksrecht?
Een eventuele voorwaardelijke overdracht kan in de praktijk tot grote problemen leiden, zo stellen de aan het woord zijnde leden."

"De leden van de VVD-fractie vragen zich af welke noodzaak er is om dit hoofdstuk ook voor de software industrie te doen gelden en hebben grote vraagtekens bij de wenselijkheid daarvan. In de software industrie werken veel zelfstandige ondernemers en veelal is geen sprake van een onevenwichtige contractuele relatie tussen contractspartners. Als software ontwikkelaars op grond van artikel 25d een aanvullende billijke vergoeding kunnen vorderen van hun wederpartij, in het geval de overeengekomen vergoeding gelet op de wederzijdse prestaties een ernstige onevenredigheid vertoont in verhouding tot de opbrengst van de exploitatie van het werk, wordt het bepaald niet aantrekkelijk en mogelijk zelfs risicovol voor afnemers om (exclusieve) licenties van hen af te nemen. Een dergelijke bepaling past ook niet bij het vrije marktprincipe, waar het nemen van ondernemersrisico's een wezenlijk onderdeel van uitmaakt: ondernemersrisico's voor de software ontwikkelaars die hun software voor een bepaalde prijs licentiëren aan afnemers alsook ondernemersrisico's voor afnemers die de software in licentie nemen en daarbij uitgaan van een bepaalde afzet en bijbehorende exploitatie. "

IEF 14627

Herleving tot 2017 drempelpercentages normering beheerskosten CBO's

Uitvoeringsbesluit Wet toezicht en geschillenbeslechting CBO's, Stb. 2015, nr. 38.
In het uitvoeringsbesluit worden de drempelpercentages van de normering van de beheerskosten van de collectieve beheersorganisaties bepaald. Deze bepaling vervalt op 1 januari 2015. In dit besluit wordt geregeld dat artikel 1 van het Uitvoeringsbesluit over de drempelpercentages herleeft en blijft gelden tot 1 januari 2017.

1.1. Van overschrijding van de in artikel 2, tweede lid, onderdeel h, van de Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten bedoelde drempel is sprake in de volgende gevallen:
a) de beheerskosten in het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft, bedragen meer dan 15% van het bedrag dat in dat jaar is geïnd,
b) de beheerskosten in het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft bedragen meer dan 15% van het bedrag dat in dat jaar is verdeeld, of
c) de beheerskosten in het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft ten opzichte van de beheerskosten in het voorafgaande jaar zijn gestegen met meer dan de consumentenprijsindex van het jaar waarop het jaarverslag betrekking heeft.
2. Een collectieve beheersorganisatie die de verdeling van rechtstreeks bij de gebruiker geïnde bedragen opdraagt aan een of meer andere collectieve beheersorganisaties baseert de berekening van het percentage als bedoeld in het eerste lid onder b op de gezamenlijke beheerskosten van de collectieve beheersorganisaties die betrokken zijn geweest bij de inning en de verdeling van de bedragen.
IEF 14394

StOP NL valt onder Wet toezicht CBO's

Besluit wijziging bijlage WTCBO, Stb. 2014- 435.
Het toezicht door het College van Toezicht strekt zich per 1 januari 2015 tevens uit tot de Stichting Onafhankelijke Producenten Nederland (StOP NL), uit de bijlage als bedoeld in artikel 17, eerste lid Wet toezicht en geschillenbeslechting collectieve beheersorganisaties auteurs- en naburige rechten. Ondanks de drie bezwaren van StOP NL dat zij geen cbo is in de zin van WTCBO en de Richtlijn, geen auteursrechtelijk vergoedingen int en niet als hoofddoel rechtenbeheer uitvoert, wordt met dit besluit StOP NL aangemerkt als cbo belast met de inning en verdeling van vergoedingen.

Het College heeft StOP NL, zowel mondeling als schriftelijk, in de gelegenheid gesteld te reageren op het voornemen van de voordracht. StOP NL heeft daarvan gebruik gemaakt en heeft een drietal bezwaren tegen de voordracht kenbaar gemaakt.
Ten eerste heeft StOP NL aangegeven dat zij niet kwalificeert als collectieve beheersorganisatie in de zin van de WTCBO en Richtlijn 2014/26/EU betreffende het collectieve beheer van auteurs- en naburige rechten en de multiterritoriale licentieverlening voor het online gebruik ervan op de interne markt («de Richtlijn»). Zij stelt dat dit het geval is, omdat zij geen vergoedingen int en reparteert die gebaseerd zijn op een auteursrechtelijke en nabuurrechtelijke grondslag. Daarnaast stelt StOP NL dat zij niet kwalificeert als collectieve beheersorganisatie, omdat StOP NL niet als hoofddoel of enig doel het beheer van auteurs- of naburige rechten, namens meer dan één rechthebbende, zou hebben.
In reactie op dit bezwaar van StOP NL heeft het College aangegeven dat de Richtlijn geen rol speelt bij de beoordeling of StOP NL kwalificeert als collectieve beheersorganisatie in de zin van de WCTBO. Daarnaast heeft het College aangegeven dat het enkele feit dat een organisatie andere werkzaamheden verricht naast collectief beheer, niet uit sluit dat deze organisatie toch kwalificeert als collectieve beheersorganisatie in de zin van de WTCBO. Ten slotte heeft het College aangegeven dat StOP NL wel degelijk vergoedingen int en reparteert die gebaseerd zijn op een auteursrechtelijke en nabuurrechtelijke grondslag.
Naar mijn oordeel heeft het College terecht geoordeeld dat StOP NL kwalificeert als collectieve beheersorganisatie. Net als het College ben ik van mening dat de, nog niet geïmplementeerde, Richtlijn bij deze afweging geen rol speelt. Dit geldt evenmin voor het enkele feit dat StOP NL andere werkzaamheden verricht. Ten slotte kan ik mij vinden in het standpunt van het College dat StOP NL zich in belangrijke mate bezighoudt met de inning en verdeling van auteursrechtelijke of nabuurrechtelijke vergoedingen.
Daarnaast heeft StOP bezwaren tegen de kwalificatie als collectieve beheerorganisatie, omdat zij dan mogelijk op basis van de WTCBO gedwongen kan worden om met andere collectieve beheersorganisaties samen te werken. Het College heeft daarop aangegeven dat er geen aanwijzingen zijn dat van deze mogelijkheid gebruik zal worden gemaakt.
Het enkele feit dat onder WTCBO de mogelijkheid bestaat om een algemene maatregel van bestuur uit te vaardigen die collectieve beheersorganisaties dwingt samen te werken, staat los van de kwalificatie van StOP als collectieve beheersorganisatie in de zin van deze wet.
In het geval een dergelijke maatregel wordt overwogen, dan zal StOP NL overigens in de gelegenheid worden gesteld eventuele bezwaren tegen samenwerking met bepaalde collectieve beheersorganisaties voor het voetlicht te brengen. Bij het uitvaardigen van een algemene maatregel van bestuur kan daarmee – zo nodig – rekening worden gehouden.
Ten slotte heeft StOP NL bezwaar tegen de kwalificatie als collectieve beheersorganisatie, omdat de geheimhouding van door StOP NL gemaakte afspraken niet gewaarborgd zou zijn. Het College zou gehouden zijn de informatie die StOP NL haar heeft verschaft, openbaar te maken mocht daarom uit hoofde van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) worden verzocht. Het College stelt dat dit bezwaar geen grond vormt om af te zien van het onder toezicht stellen van een collectieve beheersorganisatie.
Net als het College meen ik dat, de mogelijke toepasselijkheid van de Wet openbaarheid van bestuur, geen grond vormt om af te zien van het onder toezicht stellen van een collectieve beheersorganisatie. Overigens gaat StOP NL er in haar bezwaar aan voorbij dat de Wob een drietal weigeringsgronden bevat op basis waarvan kan worden besloten bepaalde, van onder toezichtgestelden verkregen, gegevens niet openbaar te maken (Artikel 10, eerste lid, onder c, d en g Wob).
IEF 14384

Bibliotheekwet aangenomen, regelt digitalisering

De Eerste Kamer heeft vandaag het wetsontwerp Wet stelsel openbare bibliotheekvoorzieningen (Wsob), de bibliotheekwet, aangenomen. Vanaf 1 januari 2015 is deze van kracht. De bibliotheekwet regelt de digitalisering van de openbare bibliotheek en zorgt voor structurele financiering daarvan door de Rijksoverheid. In deze wet is vastgelegd dat iedere Nederlander toegang moet hebben tot een openbare bibliotheek, zowel in fysieke als digitale vorm.

Ook zijn de functies en voorwaarden vastgelegd waaraan een openbare bibliotheek moet voldoen. De digitalisering van de openbare bibliotheken wordt centraal belegd bij Koninklijke Bibliotheek (KB). Naast deze taak krijgt de KB de zorg voor de stelselbewaking en –coördinatie van openbare bibliotheken en de verantwoordelijkheid voor het stelsel van voorzieningen voor mensen met een leesbeperking.

Eerstekamer.nl: De kern van dit wetsvoorstel is het instellen van één netwerk van bibliotheekorganisaties, het aanwijzen van de Koninklijke Bibliotheek (KB) als nationale bibliotheek in het netwerk, een aantal zaken rondom de fysieke bibliotheek alsmede de instelling en opbouw van een landelijke digitale bibliotheek.

Artikel 22. Intellectuele eigendomsrechten
1. Bij het uitvoeren van de taken, bedoeld in artikel 9, streeft de Koninklijke Bibliotheek er naar de eigendom of een overdraagbaar gebruiksrecht te verkrijgen van bij die uitvoering gevestigde intellectuele eigendomsrechten.
2. Op verzoek van Onze Minister werkt de Koninklijke Bibliotheek mee aan het tot stand komen van een overeenkomst tot het overdragen aan de Staat der Nederlanden van de rechten, bedoeld in het eerste lid. Voor zover wettelijk mogelijk, doet zij afstand van persoonlijkheidsrechten als bedoeld in de Auteurswet die haar of haar personeel toebehoren.

Wijziging Auteurswet:
Artikel 15c, derde lid, van de Auteurswet komt te luiden:
3. Publiek toegankelijke bibliotheekvoorzieningen, die in overwegende mate door gemeenten, provincies, het rijk of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden gesubsidieerd of in stand gehouden, zijn voor het uitlenen van op basis van artikel 15i omgezette werken aan bij die voorzieningen ingeschreven personen met een handicap, vrijgesteld van betaling van de vergoeding, bedoeld in het eerste lid.

Wet naburige rechten:
De artikelen 2, vijfde lid, 6, vijfde lid, 7a, vijfde lid, en 8, vijfde lid, van de  Wet op de naburige rechten komen te luiden:
5. Publiek toegankelijke bibliotheekvoorzieningen, die in overwegende mate door gemeenten, provincies, het rijk of het openbaar lichaam Bonaire, Sint Eustatius of Saba worden gesubsidieerd of in stand gehouden, zijn voor het uitlenen van op basis van artikel 10, onderdeel i, omgezette materialen aan bij die voorzieningen ingeschreven personen met een handicap, vrijgesteld van betaling van de vergoeding, bedoeld in het derde lid.