IEF 23413
30 maart 2026
Artikel

Merken,- modellen- en auteursrecht | woensdag 22 april 2026

 
IEF 23410
30 maart 2026
Uitspraak

Prejudiciële vragen gesteld over verjaringsregels binnen het merkenrecht

 
IEF 23401
27 maart 2026
Uitspraak

HvJEU: ‘alcoholvrije gin’ verboden als benaming voor alcoholvrije drank

 
IEF 23294

Uitspraak ingezonden door Paul Tjiam en Edwin van der Velde, Simmons & Simmons.

Brand Outlet veroordeeld wegens grootschalige SHEIN‑merkinbreuk en schending onthoudingsverklaring

Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, IEF 23294; C/09/681422 / HA ZA 25-217 (ROADGET BUSINESS PTE. LTD. Tegen INTELMAGAZIJN B.V., TARDU B.V., ALVAR B.V., KDER B.V., GROOT B.V., FAMOSO B.V.), https://www.ie-forum.nl/artikelen/brand-outlet-veroordeeld-wegens-grootschalige-shein-merkinbreuk-en-schending-onthoudingsverklaring

Rb. Den Haag 11 februari 2026, IEF 23294; ECLI:NL:RBDHA:2026:4703 (SHEIN tegen Brand Outlet). In deze zaak stelde SHEIN vast dat onder de gezamenlijke handelsnaam Brand Outlet in Nederland in fysieke winkels en pop-up stores op grote schaal SHEIN-kleding werd verkocht. Daarbij werden de SHEIN-merken zonder toestemming van SHEIN gebruikt in gevels, advertenties, winkeluitingen en op prijskaartjes. Brand Outlet had zich eerder in een onthoudingsverklaring tegenover SHEIN verbonden om iedere merkinbreuk te staken, geen SHEIN-producten meer te kopen, te adverteren of te verkopen (behoudens een korte uitverkoopperiode onder strikte voorwaarden), volledige informatie en documentatie te verstrekken over herkomst, voorraad en distributiekanalen, de resterende SHEIN-voorraad te vernietigen en een bijdrage in de kosten van SHEIN te voldoen, een en ander versterkt met aanzienlijke contractuele boetes in de zin van artikel 6:91 BW. Ondanks deze afspraken constateerde SHEIN via test-aankopen en processen-verbaal van deurwaarders dat in meerdere winkels van Brand Outlet nog steeds SHEIN-kleding werd aangeboden en verkocht. Daarbij waren labels vaak afgeknipt, maar bleven de kledingstukken voorzien van QR-codes die naar de SHEIN-website leidden. De voorgeschreven disclaimer ontbrak bovendien of was niet correct aangebracht. In de procedure beriep Brand Outlet zich onder meer op uitputting in de zin van artikel 15 UMVo, stellende dat uitsluitend in de EER in het verkeer gebrachte retourwaren werden verhandeld. Daarnaast voerde zij aan dat (delen van) de onthoudingsverklaring nietig waren wegens strijd met het kartelverbod van artikel 101 VWEU en dat de verklaring vernietigbaar was wegens het ontbreken van echtelijke toestemming als bedoeld in artikel 1:88 BW.

IEF 23292

Vondsten én documentatie moeten terug naar de provincies – auteursrecht geen blokkade

Rechtbank Midden-Nederland 21 jan 2026, IEF 23292; ECLI:NL:RBMNE:2026:424 (de Provincies tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/vondsten-en-documentatie-moeten-terug-naar-de-provincies-auteursrecht-geen-blokkade

Rb. Midden-Nederland 21 januari 2026, IEF 23292; ECLI:NL:RBMNE:2026:424 (de Provincies tegen [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2]). De rechtbank oordeelt dat archeologische vondsten die onder de Monumentenwet 1988 zijn gedaan, eigendom zijn van de provincie waar zij zijn aangetroffen (art. 50 Monumentenwet 1988). Dat was tussen partijen ook het uitgangspunt. In deze zaak bleek dat naast eerder overgedragen vondsten nog duizenden projecten met bijbehorende vondsten en documentatie bij gedaagden aanwezig waren. De provincies vorderden daarom afgifte op grond van art. 5:2 BW (revindicatie). Volgens de rechtbank zijn niet alleen de fysieke vondsten, maar ook de bijbehorende analoge en digitale opgravingsdocumentatie eigendom van de provincies. Die documentatie vormt naar verkeersopvatting een bestanddeel van de opgraving (art. 3:3 BW): zonder rapporten, foto’s, veldtekeningen en registraties is een opgraving wetenschappelijk en maatschappelijk onvolledig. Dat sluit aan bij art. 46 lid 3 Monumentenwet 1988, dat bepaalt dat zowel de geconserveerde vondsten als de documentatie aan de rechthebbende moeten worden overgedragen.

IEF 23293

EU‑breed verstekvonnis bevestigt reikwijdte Uniemerkenbescherming voor Volkswagen

Rechtbank Den Haag 11 feb 2026, IEF 23293; ECLI:NL:RBDHA:2026:1801 (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]), https://www.ie-forum.nl/artikelen/eu-breed-verstekvonnis-bevestigt-reikwijdte-uniemerkenbescherming-voor-volkswagen

Rb Den Haag 11 februari 2026, IEF 23293; ECLI:NL:RBDHA:2026:1801 (VOLKSWAGEN AKTIENGESELLSCHAFT tegen [gedaagde]). Volkswagen AG trad in deze procedure op tegen een in Nederland gevestigde onderneming die zonder toestemming auto-onderdelen met de bekende Volkswagen‑merken verhandelde, waaronder via onlinekanalen. De vorderingen waren gebaseerd op inbreuk op diverse Uniemerken van Volkswagen, waarbij de Rechtbank Den Haag zich als Uniemerkenrechter bevoegd achtte voor het gehele grondgebied van de EU, omdat gedaagde in Nederland is gevestigd. Gedaagde is niet verschenen, waarna tegen hem verstek is verleend en de door Volkswagen gestelde feiten, waaronder de inbreuk en het commerciële karakter daarvan, als vaststaand zijn aangenomen. Volkswagen vorderde onder meer een EU‑breed verbod op verdere merkinbreuk, uitgebreide informatie over de herkomst, voorraden en afnemers van de inbreukmakende producten (met onderliggende documentatie), winstafdracht en aanvullende schadevergoeding, alsmede een dwangsom ter versterking van de bevelen.

IEF 23291

Uitspraak ingezonden door Diederik Stols en Shaharzaad Said, Boekx.

Afstemmingsregel in kort geding: Sisley behoudt voorlopig merkinbreukverbod tegen B. Futurist

Hof Den Haag 10 feb 2026, IEF 23291; ECLI:NL:GHDHA:2026:128 (B. Futurist B.V. tegen c.f.e.b. Sisley), https://www.ie-forum.nl/artikelen/afstemmingsregel-in-kort-geding-sisley-behoudt-voorlopig-merkinbreukverbod-tegen-b-futurist

Hof Den Haag 10 februari 2026, IEF 23291; ECLI:NL:GHDHA:2026:128 (B. Futurist B.V. tegen c.f.e.b. Sisley). Het gerechtshof Den Haag heeft in kort geding in de IE‑zaak tussen merkhouder Sisley en parallelhandelaar B. Futurist de materiële beslissingen in eerste aanleg in stand gehouden. Aanleiding voor het geschil waren grootschalige aanbiedingen van Sisley‑producten door B. Futurist aan ongeveer 9.000 afnemers binnen de EER. Op 24 december 2024 heeft de voorzieningenrechter op grond van deze massa-aanbiedingen een voorlopig inbreukverbod opgelegd aan B. Futurist. Daarnaast heeft de voorzieningenrechter de vordering van Sisley tot inzage in het onder B. Futurist gelegde bewijsbeslag toegewezen. In de bodemprocedure heeft de rechtbank Den Haag op 4 juni 2025 een gelijkluidend inbreukverbod met nevenvorderingen toegewezen. Ook tegen dat vonnis is B. Futurist in hoger beroep gegaan. Dat hoger beroep loopt nog.

IEF 23289

‘ProbioDefend’ vs ‘Defendyl’: Gerecht bevestigt verwarringsgevaar en onderscheidend karakter van het element ‘defend’

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 feb 2026, IEF 23289; ECLI:EU:T:2026:114 (Nutris We care about you, SL tegen Medis, farmacevtska družba, d.o.o en EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/probiodefend-vs-defendyl-gerecht-bevestigt-verwarringsgevaar-en-onderscheidend-karakter-van-het-element-defend

Gerecht EU 11 februari 2026, IEF 23289; ECLI:EU:T:2026:114 (Nutris We care about you, SL tegen Medis, farmacevtska družba, d.o.o en EUIPO). Deze zaak betreft een door Nutris op 20 oktober 2022 ingediende aanvraag tot inschrijving van het Uniewoord-/beeldmerk ‘ProbioDefend’ voor voedingssupplementen in klasse 5, waaronder probiotica en vitaminen. Tegen deze aanvraag werd oppositie ingesteld door de Sloveense onderneming Medis, farmacevtska družba, d.o.o., houder van het oudere Uniewoordmerk ‘Defendyl’ voor eveneens klasse 5-waren. Volgens Medis bestond er gevaar voor verwarring in de zin van artikel 8, lid 1, onder b, van de Uniemerkenverordening, omdat de betrokken waren identiek waren en de tekens visueel en fonetisch overeenstemden. De oppositie werd toegewezen door de Opposition Division en deze beslissing werd in hoger beroep bevestigd door de Kamer van Beroep van EUIPO. Daarop stelde Nutris beroep in bij het Gerecht en vorderde vernietiging van de beslissing, toelating van de merkregistratie en veroordeling van EUIPO in de kosten.

IEF 23290

Oppositie na Brexit: oudere Britse rechten blijven relevant bij ‘APE TEES’

HvJ EU 5 feb 2026, IEF 23290; ECLI:EU:C:2026:71 (EUIPO tegen Nowhere Co. Ltd), https://www.ie-forum.nl/artikelen/oppositie-na-brexit-oudere-britse-rechten-blijven-relevant-bij-ape-tees

HvJ EU 5 februari 2026, IEF 23290; ECLI:EU:C:2026:71 (EUIPO tegen Nowhere Co. Ltd). In deze zaak staat het geschil tussen de EUIPO en Nowhere Co. Ltd. centraal over de weigering van inschrijving van het Uniemerk ‘APE TEES’. Tegen de merkaanvraag was oppositie ingesteld op basis van oudere, niet-geregistreerde rechten uit het Verenigd Koninkrijk overeenkomstig artikel 8, lid 4, van de Uniemerkenverordening. Nadat de oppositie was aanvaard, vernietigde het Gerecht van de Europese Unie de beslissing van de kamer van beroep van EUIPO. Het Gerecht oordeelde dat, gelet op het terugtreden van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie en het einde van de overgangsperiode, de betrokken Britse rechten niet langer relevant waren voor de beoordeling van de oppositie [IEF 22907]. EUIPO stelt hogere voorziening in bij het Hof van Justitie van de Europese Unie en vordert vernietiging van het arrest van het Gerecht, stellende dat het Gerecht een onjuiste rechtsopvatting hanteert omtrent het relevante tijdstip waarop het bestaan en de bescherming van oudere rechten moeten worden beoordeeld.

IEF 23288

Complementariteit in smart‑homeproducten: Gerecht versterkt bescherming van het oudere merk ATHOM tegen ‘athom Smart Home’

Gerecht EU (voorheen GvEA) 11 feb 2026, IEF 23288; ECLI:EU:T:2026:119 (Athom Holding BV tegen Chuhaiya E-Commerce (Shenzhen) Co. Ltd en EUIPO), https://www.ie-forum.nl/artikelen/complementariteit-in-smart-homeproducten-gerecht-versterkt-bescherming-van-het-oudere-merk-athom-tegen-athom-smart-home

Gerecht EU 11 februari 2026, IEF 23288; ECLI:EU:T:2026:119 (Athom Holding BV tegen Chuhaiya E-Commerce (Shenzhen) Co. Ltd en EUIPO). In juni 2022 diende Chuhaiya E-Commerce (Shenzhen) Co. Ltd een aanvraag in bij het EU-merkbureau EUIPO voor een Europese Unie-beeldmerkregistratie ‘athom Smart Home’ die onder meer elektrische plugs, elektrische sockets, elektrische adapters, inductoren, circuit breakers, lichtbollen en guirlandes omvatte. Athom Holding BV, een Nederlandse onderneming, was eigenaar van een eerder internationaal woordmerk “ATHOM” dat onder meer betrekking had op software en apparatuur voor smart home/apparaatautomatisering. Athom voerde oppositie aan tegen de merkregistratie bij EUIPO op grond van artikel 8(1)(b) van Verordening (EU) 2017/1001, stellende dat er sprake was van verwarringsgevaar tussen het aangevraagde merk en het oudere merk door identieke of gelijkaardige goederen. De oppositie werd door de oppositieafdeling deels toegelaten maar afgewezen voor een aantal goederen, en de Board of Appeal van EUIPO handhaafde dat oordeel deels op 3 oktober 2024, oordelend dat vooral de goederen als generieke elektrische componenten geen nauwe relatie hadden met de goederen/diensten van het oudere merk. Tegen die beslissing startte Athom op 3 december 2024 een beroep bij het Gerecht krachtens artikel 263 VWEU, gevorderd dat het Gerecht de beslissing wijzigt door de oppositie volledig toe te wijzen en de registratie van het merk ‘athom Smart Home’ af te wijzen voor de betwiste goederen, en dat EUIPO wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

IEF 23280

Consumentenrecht in de digitale sector op donderdag 2 april 2026: tot 1 maart met vroegboekkorting

Tegenwoordig bestellen we (bijna) alles via internet. Iedereen die dat wel eens heeft gedaan, kent de kortingsacties die gegeven worden. Van een countdown-timer tot een rad van fortuin: platforms zetten alles in om consumenten te laten klikken en kopen. De digitale wereld is voor consumenten hierdoor niet altijd overzichtelijk. Ook voor juristen is niet alles helder, vooral op de grijze gebieden. Via deceptive interface design ontstaat er een oneerlijke handelspraktijk. Wat betekent dit voor consumenten, retailers, e-tailers, platforms en influencers als dit wordt vastgesteld? 

Tijdens ons seminar over consumentenrecht in de digitale sector bespreken we deze onderwerpen. We gaan in op de (omgekeerde) bewijslast in het eerste jaar, op slimme verzekeringen, garanties en andere zogenoemde dark patterns. Wanneer beschermt het consumentenrecht echt, wanneer zit je in het reclamerecht en wanneer blijkt het toch vooral een sigaar uit eigen doos? Tot slot bespreken we de nieuwste EDPB-richtlijnen over de wisselwerking tussen GDPR en DSA, en wat die concreet betekenen voor de praktijk. 

IEF 23287

HvJ EU over art. 102 VWEU: Onbillijke licentievoorwaarden van collectieve beheersorganisatie bij hotelvergoedingen

HvJ EU 18 dec 2025, IEF 23287; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-over-art-102-vweu-onbillijke-licentievoorwaarden-van-collectieve-beheersorganisatie-bij-hotelvergoedingen

HvJ EU 18 december 2025, IEF 23287; IEFbe 4109; ECLI:EU:C:2025:985 (OSA, z.s. tegen Úřad pro ochranu hospodářské soutěže). De zaak betreft de Tsjechische collectieve beheersorganisatie OSA, die auteursrechten exploiteert voor onder meer hotels en andere accommodaties met televisies op de kamers. De Tsjechische mededingingsautoriteit Úřad pro ochranu hospodářské soutěže (ÚOHS) stelde in 2019 vast dat OSA haar machtspositie misbruikte op de markt voor het verlenen van licenties aan dergelijke accommodatieverstrekkers. OSA hanteerde in haar standaardlicenties een minimumvergoeding die geen rekening hield met de werkelijke bezettingsgraad of het daadwerkelijke gebruik en was bovendien onvoldoende transparant over de berekeningswijze en aanpassingsmogelijkheden. Dit werd gekwalificeerd als het opleggen van onbillijke contractuele voorwaarden in de zin van artikel 102, onder a), VWEU. OSA kreeg een boete van 10 676 000 CZK en een gedragsverbod opgelegd. In beroep voerde OSA aan dat haar tarieven niet buitensporig waren en dat misbruik alleen via de toets voor excessieve prijzen (zoals ontwikkeld in onder meer United Brands, AKKA/LAA en SABAM) kon worden vastgesteld. De ÚOHS stelde daartegenover dat het zwaartepunt lag bij de onbillijkheid van de contractvoorwaarden, waardoor geen volledige excess-pricing-analyse vereist was.

IEF 23286

Politieke satire en reputatiebescherming: EHRM over de grenzen van art. 10 EVRM

EHRM 13 jan 2026, IEF 23286; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana tegen Slovenia), https://www.ie-forum.nl/artikelen/politieke-satire-en-reputatiebescherming-ehrm-over-de-grenzen-van-art-10-evrm

EHRM 13 januari 2026, IEF 23286; IEF 4108; ECLI:CE:ECHR:2026:0113JUD004338817 (Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2)). In de zaak Mladina d.d. Ljubljana v. Slovenia (No. 2) stond de vraag centraal of de veroordeling van de uitgever van het Sloveense weekblad Mladina wegens een satirische publicatie in strijd was met artikel 10 EVRM (vrijheid van meningsuiting). De uitgever had in 2011 in de satirische rubriek “Mladinamit” een foto van de bekende Sloveense politicus B.G. met zijn gezin naast een foto van Joseph Goebbels met diens gezin geplaatst. De publicatie vond plaats tegen de achtergrond van een publiek debat waarin B.G. op sociale media met Goebbels was vergeleken. In hetzelfde nummer verscheen een redactioneel stuk waarin parallellen werden getrokken tussen de politieke methoden van B.G.’s partij en die van de nazi-propaganda. B.G. stelde dat de vergelijking, mede gezien de historische connotaties van Goebbels en diens betrokkenheid bij het naziregime, zijn eer en goede naam had aangetast en vorderde schadevergoeding, publicatie van het vonnis en een verontschuldiging. De uitgever voerde aan dat het ging om politieke satire gericht op B.G. als publiek figuur, dat de foto van zijn gezin op een openbare religieuze bijeenkomst was genomen en dat de vergelijking betrekking had op politieke methoden, niet op zijn privéleven of zijn gezin als zodanig. In eerste aanleg werd de vordering afgewezen, maar in hoger beroep werd geoordeeld dat met name de visuele vergelijking van de gezinsfoto’s een ontoelaatbare inbreuk vormde. Uiteindelijk werd de uitgever verplicht een verontschuldiging te publiceren en een (na matiging) schadevergoeding van € 3.000 te betalen. Het Sloveense Constitutionele Hof achtte de belangenafweging tussen de vrijheid van meningsuiting en het recht op reputatie correct uitgevoerd.