IEF 23802
8 september 2026
Uitspraak

HvJ EU: politieke parodie rechtvaardigt gebruik bekend merk alleen als belang van gebruiker zwaarder weegt

 
IEF 23773
26 augustus 2026
Artikel

Deze UPC-rechters en -experts zijn aanwezig tijdens het BIE-symposium op 30 september

 
IEF 23774
21 september 2026
Artikel

Volg IE-Forum ook op LinkedIn

 
IEF 23879

Hof Den Haag: waarborgen bij raadpleging en plaatsing ANPR-camera’s schieten tekort; oordeel over noodzaak aangehouden

Hof Den Haag 29 sep 2026, IEF 23879; ECLI:NL:GHDHA:2026:2898 (Privacy First tegen de Staat), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hof-den-haag-waarborgen-bij-raadpleging-en-plaatsing-anpr-camera-s-schieten-tekort-oordeel-over-noodzaak-aangehouden

Hof Den Haag 29 september 2026, IEF 23879; IT 5542; ECLI:NL:GHDHA:2026:2898 (Privacy First tegen de Staat). Privacy First komt in hoger beroep op tegen de afwijzing van haar vorderingen over artikel 126jj Sv, op grond waarvan politie en Koninklijke Marechaussee met ANPR-camera’s het kenteken, de locatie, het tijdstip en een foto van passerende voertuigen kunnen vastleggen en deze gegevens vier weken kunnen bewaren. Het hof stelt voorop dat deze systematische verwerking een inmenging vormt in het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer uit artikel 8 EVRM en tevens binnen het bereik van de artikelen 7 en 8 Handvest valt. De inmenging is volgens het hof wel “bij wet voorzien”: uit artikel 126jj Sv, het Besluit en de Regeling is voldoende voorzienbaar onder welke omstandigheden gegevens worden verzameld, hoe lang zij worden bewaard en onder welke voorwaarden zij kunnen worden geraadpleegd. De verwerking van ANPR-passagegegevens verschilt volgens het hof in aard en intensiteit van de bewaring van telecommunicatiegegevens, maar kan vanwege de schaal van de verwerking en de mogelijkheid om verplaatsingspatronen af te leiden wel degelijk een ernstige inmenging in de persoonlijke levenssfeer vormen. Daarom moeten de in de rechtspraak van het HvJ ontwikkelde eisen ten aanzien van toegang, toezicht en toetsing mede worden betrokken bij de beoordeling van de ANPR-regeling.

IEF 23878

Gerecht EU: Britse JOULES-merken kunnen na Brexit geen grondslag meer vormen voor oppositie tegen Jules Gents

Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026, IEF 23878; ECLI:EU:T:2026:618 (Jules Gents), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-britse-joules-merken-kunnen-na-brexit-geen-grondslag-meer-vormen-voor-oppositie-tegen-jules-gents

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23878; IEFbe 4326; ECLI:EU:T:2026:618 (Jules Gents). Joules Ltd verzocht om vernietiging van een beslissing van de Eerste kamer van beroep van het EUIPO waarbij haar oppositie tegen het beeldmerk Jules Gents was afgewezen. De oppositie was onder meer gebaseerd op twee oudere Britse woordmerken JOULES, een internationale registratie JOULES met werking in de Europese Unie en een ouder Uniemerk Joules. De Oppositiedivisie had de oppositie aanvankelijk toegewezen wegens verwarringsgevaar met een van de Britse merken. Na afloop van de Brexit-overgangsperiode oordeelde de kamer van beroep echter dat die Britse merken niet langer als grondslag voor de oppositie konden dienen. Het Gerecht bevestigt dat het bestaan van een relatieve weigeringsgrond niet alleen moet worden beoordeeld op de datum van indiening van de jongere Uniemerkaanvraag, maar ook op het moment waarop het EUIPO definitief over de oppositie beslist. Omdat de overgangsperiode op 31 december 2020 was geëindigd, waren de Britse merken op de datum van de beslissing van de kamer van beroep niet langer merken die in een lidstaat waren beschermd in de zin van artikel 8 lid 2 onder a ii van Verordening nr. 207/2009. Zij konden daarom niet meer als basis voor de oppositie dienen. Het Gerecht bevestigt tevens dat voor de beoordeling van het verwarringsgevaar met het oudere Uniemerk het relevante grondgebied bestond uit de Europese Unie zonder het Verenigd Koninkrijk.

IEF 23877

Gerecht EU: kwade trouw bij internationale registratie MAP wegens eerdere samenwerking en kennis van oudere MAP-merken

Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026, IEF 23877; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-kwade-trouw-bij-internationale-registratie-map-wegens-eerdere-samenwerking-en-kennis-van-oudere-map-merken

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23877; IEFbe 4325; ECLI:EU:T:2026:606 (MAP). Heinz Reinwald en HK Evolution LTD verzochten het Gerecht om vernietiging van een beslissing van de Tweede kamer van beroep van het EUIPO waarbij de internationale registratie MAP, met aanwijzing van de Europese Unie voor waren in de klassen 5 en 29, nietig was verklaard wegens kwade trouw. Omdat de aanwijzing van de Unie dateerde van 13 april 2011, beoordeelt het Gerecht de materiële voorwaarden aan de hand van artikel 52 lid 1 onder b van Verordening nr. 207/2009. Voor internationale registraties is voor de beoordeling van kwade trouw beslissend het tijdstip waarop de Europese Unie wordt aangewezen, en niet de eerdere datum waarop het nationale basismerk is aangevraagd. Kwade trouw moet worden vastgesteld aan de hand van een globale beoordeling van alle relevante feitelijke omstandigheden en op basis van objectieve aanwijzingen voor de intentie van de aanvrager. Het Gerecht bevestigt dat Reinwald en HK Evolution ten tijde van de aanvraag wisten of hadden moeten weten dat International Nutrition Research Center (INRC) het element MAP gebruikte in eerdere merken voor identieke of soortgelijke producten. Uit onder meer facturen, correspondentie, oudere merkregistraties en de samenwerking rond het MAP-product bleek bovendien dat vóór de relevante datum een contractuele en commerciële relatie tussen partijen bestond. Volgens het Gerecht was voor die beoordeling geen formele distributieovereenkomst vereist; ook een andere contractuele relatie kan relevant zijn voor de vaststelling van kwade trouw.

IEF 23876

Gerecht EU: onvoldoende bewijs van normaal gebruik ATHLETA voor diverse waren en diensten

Gerecht EU (voorheen GvEA) 30 sep 2026, IEF 23876; ECLI:EU:T:2026:617 (ATHLETA), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-onvoldoende-bewijs-van-normaal-gebruik-athleta-voor-diverse-waren-en-diensten

Gerecht EU 30 september 2026, IEF 23876; IEFbe 4324; ECLI:EU:T:2026:617 (ATHLETA). Athleta (ITM) Inc. verzocht het Gerecht om gedeeltelijke vernietiging van twee beslissingen van de Vierde kamer van beroep van het EUIPO betreffende twee Uniewoordmerken ATHLETA. Sports Group Denmark had in 2023 op grond van artikel 58 lid 1 onder a UMVo verzocht om vervallenverklaring wegens niet-normaal gebruik. Voor het eerste merk had de kamer van beroep geoordeeld dat normaal gebruik was aangetoond voor de brede categorie “clothing” in klasse 25, maar niet voor “footwear, headgear and clothing accessories” en evenmin voor de betrokken waren en diensten in de klassen 18 en 35. Voor het tweede merk was de vervallenverklaring voor de in geschil zijnde waren en diensten in de klassen 18 en 35 bevestigd. Het Gerecht benadrukt dat normaal gebruik niet kan worden aangetoond aan de hand van waarschijnlijkheden of vermoedens, maar moet blijken uit concrete en objectieve gegevens over daadwerkelijk en voldoende gebruik op de relevante markt. Voor brede waren- of dienstencategorieën kan bewijs van normaal gebruik vereist zijn voor iedere zelfstandige subcategorie, maar de merkhouder hoeft niet het gebruik voor iedere denkbare commerciële variant binnen één en dezelfde homogene categorie te bewijzen. Voor “footwear, headgear and clothing accessories” acht het Gerecht het overgelegde bewijs onvoldoende: afbeeldingen waarop schoenen, hoeden of accessoires voorkomen tonen niet zonder meer aan dat ATHLETA voor die waren als merk is gebruikt of dat deze waren onder dat merk daadwerkelijk in de Europese Unie zijn verkocht. Ook de beperkte vermeldingen van onder meer hoofdbanden op Zalando en in spreadsheets zijn zonder verdere onderbouwing onvoldoende om daadwerkelijke commerciële exploitatie aan te tonen.

IEF 23875

Uitspraak ingezonden door Annelotte Boot en Robbert Sjoerdsma, Holla. 

EUIPO Board of Appeal: normaal gebruik WAHU-merk niet beperkt tot speelgoedballen en speelgoedfrisbees

EUIPO - OHIM 27 aug 2026, IEF 23875; R 1210/2025-5 (Goliath tegen Wahu), https://www.ie-forum.nl/artikelen/euipo-board-of-appeal-normaal-gebruik-wahu-merk-niet-beperkt-tot-speelgoedballen-en-speelgoedfrisbees

EUIPO Board of Appeal 27 augustus 2026, IEF 23875; IEFbe 4323; R 1210/2025-5 (Goliath tegen Wahu). Goliath IP Stichting verzocht om nietigverklaring van het Uniewoordmerk WAHU van Wahu GmbH, ingeschreven voor “sports equipment” in klasse 28, op grond van artikel 60 lid 1 onder a jo. artikel 8 lid 1 onder b UMVo. Het verzoek was gebaseerd op een ouder internationaal beeldmerk met het woordelement Wahu, dat onder meer bescherming genoot voor “outdoor toys, games, playthings; balls, footballs, beach balls, frisbees; sporting goods in this class, namely balls”. De Cancellation Division had het verzoek afgewezen nadat zij normaal gebruik van het oudere merk slechts bewezen achtte voor onder meer de subcategorieën “toy balls” en “toy frisbees”, die zij niet soortgelijk achtte aan “sports equipment”. In beroep laat de Board aanvullend bewijs toe, omdat dit het eerder overgelegde bewijs aanvult en relevant is voor de beoordeling.

IEF 23874

HvJ EU: Rome I bepaalt toepasselijk recht op formele geldigheid overdracht exclusieve gebruiksrechten

HvJ EU 24 sep 2026, IEF 23874; ECLI:EU:C:2026:785 (Steizer), https://www.ie-forum.nl/artikelen/hvj-eu-rome-i-bepaalt-toepasselijk-recht-op-formele-geldigheid-overdracht-exclusieve-gebruiksrechten

HvJ EU 24 september 2026, IEF 23874; IEFbe 4322; ECLI:EU:C:2026:785 (Steizer). BT liet door een in Polen gevestigde fotograaf foto’s van automatten maken voor haar onlineverkoop. Partijen sloten geen schriftelijke overeenkomst over de overdracht van gebruiksrechten en maakten evenmin een rechtskeuze. Nadat IU een aantal van deze foto’s zonder toestemming voor eigen eBay-aanbiedingen had gebruikt, stelde BT in Duitsland een auteursrechtelijke inbreukvordering in. In hoger beroep betwistte IU dat BT de exclusieve gebruiksrechten rechtsgeldig had verkregen, omdat naar Pools recht voor een dergelijke overdracht volgens haar een schriftelijkheidsvereiste gold. Het Oberlandesgericht Düsseldorf vroeg het Hof of de formele geldigheid van de overdracht moet worden beoordeeld volgens de lex loci protectionis van artikel 8 lid 1 Rome II, dan wel volgens het recht dat op grond van Rome I op de overdrachtsovereenkomst van toepassing is. Het Hof maakt een onderscheid tussen beide rechtsverhoudingen: de gestelde inbreuk door een derde vormt een niet-contractuele verbintenis en valt onder Rome II, maar de vraag naar de formele geldigheid van de overeenkomst tussen de auteur en de verkrijger staat daarvan los en betreft een verbintenis uit overeenkomst.

IEF 23873

Uitspraak ingezonden door Paul Reeskamp, DLA Piper. 

Octrooi voor early feeding geldig en indirecte inbreuk door aanbieding HCS+ met verwijzing naar verlichting

Rechtbank Den Haag 23 sep 2026, IEF 23873; C/09/691254 (Hatchtech tegen Giordano), https://www.ie-forum.nl/artikelen/octrooi-voor-early-feeding-geldig-en-indirecte-inbreuk-door-aanbieding-hcs-met-verwijzing-naar-verlichting

Rb. Den Haag 23 september 2026, IEF 23873; C/09/691254 / HA ZA 25-779 (HatchTech tegen Giordano). HatchTech is houdster van EP 1 998 611 B1, een octrooi voor een incubator waarmee kuikens tijdens het uitbroeden kunnen worden gevoerd door een combinatie van een voedingstrog in het broedkrat en een lichtbron die de kuikens in staat stelt het voer te vinden. Giordano brengt onder de naam HCS+ ProLife broedkratten met geïntegreerde troggen op de markt en bestreed de geldigheid van het octrooi wegens toegevoegde materie, gebrek aan nieuwheid en gebrek aan inventiviteit. De rechtbank verwerpt deze nietigheidsverweren. Het weglaten van een automated feeder uit de verleende conclusie levert geen toegevoegde materie op, omdat de vakpersoon uit de oorspronkelijke aanvraag direct en ondubbelzinnig kon afleiden dat de uitvinding ook zonder automatische voederinstallatie kon worden uitgevoerd. Ook zijn de door Giordano aangevoerde publicaties niet nieuwheidsschadelijk. Voor de inventiviteit past de rechtbank zowel de problem-solution approach als de door de UPC Court of Appeal gehanteerde benadering toe. Bij die laatste benadering wordt bezien wat de uitvinding als geheel, gelet op haar onderliggende technische concept, aan de stand van de techniek toevoegt. Beide benaderingen leiden volgens de rechtbank tot dezelfde uitkomst: voor de vakpersoon lag het niet voor de hand om voor early feeding een broedkrat met voedingstroggen te combineren met een lichtbron. Conclusie 1 en de aangevallen afhankelijke conclusies 2, 3, 6 en 10 worden daarom geldig geacht en de reconventionele nietigheidsvordering wordt afgewezen.

IEF 23872

Voorzieningenrechter Den Haag: beroep op must-fit-exceptie slaagt voorlopig in geschil over IVF-kweekschaal

Rechtbank Den Haag 18 sep 2026, IEF 23872; C/09/709951 (Vitrolife tegen Birr), https://www.ie-forum.nl/artikelen/voorzieningenrechter-den-haag-beroep-op-must-fit-exceptie-slaagt-voorlopig-in-geschil-over-ivf-kweekschaal

Rb. Den Haag 18 september 2026, IEF 23872; C/09/709951 / KG ZA 26-853 (Vitrolife tegen Birr). Vitrolife, producent van onder meer de EmbryoScope+ voor IVF-procedures, is houdster van een Uniemodel voor delen van de vormgeving van een daarbij gebruikte kweekschaal. Birr brengt sinds begin 2026 de TLX-E Culture Dish op de markt, die geschikt is voor gebruik in de EmbryoScope+. Vitrolife stelde dat Birr met deze schaal inbreuk maakt op haar Uniemodel en vorderde in kort geding een inbreukverbod met nevenvorderingen. Tussen partijen was niet in geschil dat de TLX-E de relevante uiterlijke kenmerken van het Vitrolife-model overneemt: zestien cirkels, naast elkaar gepositioneerd in een licht gebogen lijn, gegroepeerd in vier groepen van vier, waarbij iedere cirkel bestaat uit een culture well met daarin een microwell. Vitrolife zou Birr het gebruik daarvan daarom in beginsel op grond van artikel 20 lid 1 UModVo kunnen verbieden. Birr beriep zich echter op artikel 9 UModVo. De voorzieningenrechter acht voorshands artikel 9 lid 2 UModVo van toepassing. De software van de EmbryoScope+ is afgestemd op kweekschalen met acht of zestien culture wells en de afstand tussen de culture wells kan daarom niet worden gewijzigd. Ook moeten de bodems van de microwells binnen een beperkte bandbreedte op een bepaalde afstand van het midden van de rotatieschijf liggen om door het systeem te worden herkend en afgebeeld. Volgens de voorzieningenrechter kunnen de relevante kenmerken daarom niet zodanig anders worden vormgegeven dat nog steeds een voor de EmbryoScope+ bruikbare kweekschaal ontstaat.

IEF 23870

Gerecht EU: geen verband tussen DEVATIS en NOVARTIS in de zin van artikel 8 lid 5 UMVo

Gerecht EU (voorheen GvEA) 23 sep 2026, IEF 23870; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-geen-verband-tussen-devatis-en-novartis-in-de-zin-van-artikel-8-lid-5-umvo

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23870; IEFbe 4321; ECLI:EU:T:2026:587 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af. De Kamer van Beroep vernietigde die beslissing, omdat zij van oordeel was dat tussen de tekens een verband kon worden gelegd en dat sprake was van een niet louter hypothetisch risico op ongerechtvaardigd voordeel. Zij verwees de zaak terug naar de oppositieafdeling voor onder meer een volledige beoordeling van het bewijs van normaal gebruik en van de gestelde bekendheid van NOVARTIS. Het Gerecht stelt voorop dat de voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo cumulatief zijn en dat een verband in de perceptie van het relevante publiek een noodzakelijke voorwaarde voor toepassing van die bepaling vormt. Wat de waren betreft, corrigeert het Gerecht de Kamer van Beroep: babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen. Wat de bekendheid betreft, mocht de Kamer van Beroep voor haar beoordeling uitgaan van de voor Novartis gunstige aanname dat het oudere merk een solide of hoge reputatie genoot; het Gerecht stelt de bekendheid in deze procedure dus niet zelf feitelijk vast.

IEF 23869

Gerecht EU: artikel 8 lid 5 UMVo niet van toepassing wegens ontbreken van verband tussen DEVATIS en NOVARTIS

Gerecht EU (voorheen GvEA) 23 sep 2026, IEF 23869; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis), https://www.ie-forum.nl/artikelen/gerecht-eu-artikel-8-lid-5-umvo-niet-van-toepassing-wegens-ontbreken-van-verband-tussen-devatis-en-novartis

Gerecht EU 23 september 2026, IEF 23869; IEFbe 4320; ECLI:EU:T:2026:588 (Devatis). Deva Holding verzocht om bescherming in de Europese Unie van het beeldmerk DEVATIS voor verschillende waren in klasse 5, waaronder farmaceutische, medische en veterinaire preparaten. Novartis stelde oppositie in op grond van artikel 8 lid 5 UMVo en beriep zich onder meer op haar oudere woordmerk NOVARTIS. De oppositieafdeling wees de oppositie af, maar de Kamer van Beroep kwam tot het tegenovergestelde oordeel en achtte de cumulatieve voorwaarden van artikel 8 lid 5 UMVo vervuld. Het Gerecht bevestigt dat NOVARTIS een hoge mate van bekendheid geniet in Duitsland en Frankrijk voor farmaceutische preparaten en stoffen. Ook onderschrijft het Gerecht dat DEVATIS en NOVARTIS visueel en fonetisch in geringe mate overeenstemmen en dat de begripsmatige vergelijking neutraal is. De Kamer van Beroep heeft de nabijheid van de betrokken waren echter te ruim beoordeeld. Babyvoeding, middelen ter bestrijding van ongedierte en fungiciden zijn slechts in geringe mate soortgelijk aan farmaceutische preparaten en stoffen, terwijl tandvulmiddelen, tandwas en herbiciden daarvan verschillen.