DOSSIERS
Alle dossiers

Knowhow bescherming  

IEF 10543

Onduidelijk geclaimde know how

Rechtbank 's-Gravenhage 23 november 2011, HA ZA 08-1982 (Deep Water Slender Wells Ltd. tegen Shell International Exploration and Production)

Samenwerking. Know how bescherming, onduidelijkheid. DWSW houdt zich bezig met de ontwikkeling van concepten ten behoeve van het boren naar olie in diep water. Een van de door DWSW ontwikkelde concepten betreft het idee om de zogeheten risers, die de boorput op de zeebodem verbinden met de drijvende boorinstallatie, dunner uit te voeren dan de 21” riser die destijds gebruikelijk was bij het boren naar olie in diep water. Overeenkomsten tussen DWSW en SIEP waarin know how-bescherming is geregeld.

In de beoordeling komt naar voren dat er onduidelijkheid bestaat over de technologieën waarop de geclaimde know how betrekking heeft in de verschillende processtukken. Het is onvoldoende duidelijk of geclaimde know how noodzakelijk dan wel optioneel is.

De rechtbank doet een poging om know how af te bakenen en aan de hand daarvan uitspraak te doen, en tot de conclusie dat gaat om een systeem voor het boren naar olie in diep water bestaande uit risers met een diameter minder dan 21'' in combinatie met de enkele additionele (noodzakelijke) onderdelen.

Uitgaande van deze omschrijving van het geclaimde boorsysteem, kan het betoog van DWSW op geen van de aangevoerde grondslagen succes hebben omdat aangenomen moet worden dat Shell het geclaimde boorsysteem begin 1999 zelf heeft ontwikkeld in het kader van het Woodside-project. Beroep op octrooiaanvrage van 1 maart 2000 is hieruit voortgevloeid.

Het betoog van DWSW dat Shell het geclaimde boorsysteem heeft ontleend aan haar Slender Well Concept Study kan niet slagen omdat dit rapport het geclaimde boorsysteem niet openbaart. Deze ontwerpen omvatten wel risers met een diameter van minder dan 21”, maar niet de additionele technologieën. Tussen partijen staat vast dat de werkzaamheden van DWSW in het kader van de WADO-overeenkomst hebben geresulteerd in het ontwerp van een conventioneel boorsysteem zonder een surface BOP, dus niet wat hierboven is omschreven als de geclaimde know how.

Vorderingen worden aldus afgewezen. DWSW wordt veroordeeld in de kosten €11.206,00 (waarvan €4.784). Geen belang bij toewijzing reconventionele eis, voldoende gediend bij uitspraak in conventie. 

4.4. Zonder een duidelijke afbakening van de geclaimde know how kan niet worden beoordeeld (i) of DWSW de know how heeft ontwikkeld, (ii) of de know how in aanmerking komt voor bescherming, (iii) of DWSW de know how aan Shell heeft geopenbaard, (iv) of Shell de know how daarvoor al zelf (eventueel deels) had ontwikkeld en (v) of Shell de know how vervolgens heeft toegepast. Die beoordeling is noodzakelijk want Shell heeft op al de genoemde punten uitdrukkelijk verweer gevoerd. Daarom zal hieronder worden gepoogd de door DWSW geclaimde know how te beschrijven op een wijze die zoveel mogelijk recht doet aan de stellingen van DWSW. Voor zover die omschrijving onjuist is, komt dat voor rekening van DWSW omdat zij onvoldoende duidelijkheid heeft gegeven en zodoende niet aan haar stelplicht heeft voldaan.

Woodside-project 
4.7. Uitgaande van de voorgaande omschrijving van de geclaimde know how (hierna: het geclaimde boorsysteem), kan het betoog van DWSW op geen van de aangevoerde grondslagen succes hebben omdat aangenomen moet worden dat Shell het geclaimde boorsysteem begin 1999 zelf heeft ontwikkeld in het kader van het Woodside-project. Dat de in het kader van het Woodside-project ontwikkelde know how overeenstemt met het geclaimde boorsysteem, heeft DWSW uitsluitend bestreden ten aanzien van het gebruik van een wellhead op de zeebodem (§ 72-74 conclusie van repliek en § 63 conclusie van dupliek in reconventie). Dat verweer kan niet slagen. Daargelaten dat DWSW dit element pas heeft toegevoegd nadat Shell zich had beroepen op het Woodside-project (de in de dagvaarding opgenomen omschrijving van de geclaimde know how maakt nog geen melding van een wellhead), moet als onvoldoende weersproken worden aangenomen dat ook die technologie onderdeel uitmaakt van het in het kader van het Woodside-project ontwikkelde boorsyteem. Dat zal hierna worden toegelicht. 

Slender Well Concept Study  
4.10. Het betoog van DWSW dat Shell het geclaimde boorsysteem heeft ontleend aan haar Slender Well Concept Study kan niet slagen omdat dit rapport het geclaimde boorsysteem niet openbaart. Het rapport presenteert drilling vessel designs en well designs en laat zien dat deze ontwerpen gebruikt zouden kunnen worden op vier specifieke boorlocaties, waaronder de boorlocatie van het Woodside-project. Deze ontwerpen omvatten wel risers met een diameter van minder dan 21”, maar niet de additionele technologieën, zoals de surface BOP met een wellhead nabij de zeebodem, het emergency quick disconnect system en de drill through christmas tree.

IEF 10526

Licentieovereenkomst een dekmantel voor betalingen

Hof 's-Hertogenbosch 9 september 2011, LJN BU5154 (X B.V. / T tegen Inspecteur van de Belastingdienst/Limburg)

Als randvermelding: fiscaliteit. Know how. Licentieovereenkomst. De licentieovereenkomst ziet op terbeschikkingstelling van receptuur en knowhow voor de productie van reinigingsmiddelen en roestwerende middelen. De bedragen die belanghebbende aan T betaalt, zijn door belanghebbende als ondernemingskosten in aanmerking genomen. Na een boekenonderzoek stelt de inspecteur dat de licentieovereenkomst een dekmantel is voor betalingen aan rechtspersoon in Liechtenstein en dus geen zelfstandige betekenis heeft en legt een navorderingsaanslag op.

De rechtbank heeft geoordeeld dat de zakelijkheid van de licentiebetalingen niet aannemelijk is geworden. Er zijn geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat de recepturen van T afkomstig waren en dat deze een handelswaarde bezaten. Ook is niet aannemelijk geworden dat iemand bij T specifieke kennis had met betrekking tot een immaterieel actief, of dat T überhaupt beschikte over enig immaterieel actief. De licentieovereenkomst is een dekmantel voor betalingen aan T en er is opzettelijk onjuist aangifte gedaan, aldus de rechtbank.

In hoger beroep oordeelt het hof anders.

Het antwoord op de vraag of belanghebbende aannemelijk heeft gemaakt dat de licentiekosten zijn betaald en dat deze uitgaven een zakelijk karakter hebben, kan volgens het hof in het midden blijven, nu het voor navordering vereiste nieuw feit ontbreekt. Belanghebbende bestaat reeds ruim 35 jaar, de licentieovereenkomst is kort na de oprichting gesloten en deze overeenkomst is diverse malen door de Belastingdienst beoordeeld en gevolgd. In een controlerapport uit 1985 staat zelfs dat de reden voor het instellen van de controle was het onderzoek naar het “weglekken” van winst naar het buitenland en er werd gevraagd bijzondere aandacht te besteden aan de samenhang tussen de verschillende rechtspersonen. Gelet op de diverse controles, waarbij de licentieovereenkomst en de concernstructuur uitgebreid aan de orde zijn geweest, oordeelt het hof dat belanghebbende er op mocht vertrouwen dat de inspecteur de aftrek van de licentiebetalingen op haar inhoudelijke merites had beoordeeld en geaccepteerd. De inspecteur heeft voorts niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende ter zake van de aftrek te kwader trouw was.
(Hoger beroep gegrond.)

Lees het arrest hier (LJN / pdf) het eerdere vonnis hier (LJN / pdf)

IEF 10322

Afbeeldingen van de schermopbouw

Rechtbank 's-Gravenhage 12 oktober 2011, HA ZA 09-3429 (IKIO Nederland B.V. tegen H@nd International B.V.)

Auteursrecht. Know how geheimhoudingsovk / wanprestatie. Onrechtmatig afgebroken onderhandelingen. Veroordeling in proceskosten.

Deze zaak betreft een verbroken samenwerking. In maart 2008 heeft T-Mobile een aantal marktpartijen, waaronder H@nd, gevraagd te offreren voor de levering respectievelijk uitrol van zelfservice terminals (SST’s), welke voorafgegaan diende te worden door de installatie van een proefopstelling. Ikio is door H@nd uitgenodigd mee te dingen naar de opdracht. Hoewel de door H@nd in samenwerking met Ikio voorgestelde aanpak T-Mobile aanvankelijk aanstond, heeft T-Mobile H@nd gevraagd een alternatief te bieden voor de door Ikio te leveren onderdelen. Het door H@nd geboden alternatief – onderdelen van het bedrijf YQ – kreeg uiteindelijk de voorkeur van T-Mobile, zodat Ikio de opdracht is misgelopen.

Auteursrecht afgewezen. Know how geheimhoudingsovk / wanprestatie afgewezen. Onrechtmatig afgebroken onderhandelingen: afgewezen. Veroordeling in proceskosten.

4.4 Voor zover de vorderingen zijn gebaseerd op het gestelde auteursrecht van Ikio, stranden zij. Daartoe geldt dat Ikio niet aan haar stelplicht heeft voldaan. Ikio heeft namelijk verzuimd te onderbouwen waarop dat recht zou rusten, terwijl zij evenmin heeft gesubstantieerd op welke wijze en waarom H@nd daarop inbreuk zou maken. Eerst ter comparitie heeft Ikio nog gesteld dat het auteursrecht met name betrekking heeft op de grafische gebruikersinterface, de schermopbouw op de SST, doch zulks is door H@nd gemotiveerd betwist (zij stelt dat de inhoud en de vormgeving van de schermen door T-Mobile is voorgeschreven). Haar andersluidende stelling heeft Ikio niet onderbouwd. Zo heeft zij bijvoorbeeld nagelaten afbeeldingen van de schermopbouw op de beweerdelijk inbreukmakende machine van H@nd/YQ in het geding te brengen, dit terwijl Ikio ter comparitie heeft aangegeven dat deze machine in winkels zijn opgesteld en dus openbaar toegankelijk zijn er bovendien ook daadwerkelijk door Ikio foto’s zijn gemaakt. Onder al deze omstandigheden dienen de vorderingen sub 1A van het petitum dan ook als onvoldoende onderbouwd te worden afgewezen.

IEF 10308

Kijkcijferonderzoek een single currency

Vzr Rechtbank Amsterdam 27 september 2011, LJN BT6920 (Stichting Kijkonderzoek (SKO) tegen Intomart GFK c.s.)

Als randvermelding. Marktonderzoek. Know How. Exclusiviteitsbeding. Data kijkcijfers. Marktonderzoekbureau M. doet kijkonderzoek in Nederland in opdracht van de Stichting Kijkonderzoek (SKO). SKO vordert een verbod voor M., haar directeur, een zusterbedrijf en het Duitse moederbedrijf om in het kader van een ander marktonderzoek eveneens elektronisch kijkonderzoek te doen in Nederland. In de overeenkomst tussen SKO en M. is een exclusiviteitsbeding opgenomen voor wat betreft het doen van elektronisch kijkonderzoek.

De vordering jegens M. wordt dan ook toegewezen, evenals de vordering jegens haar directeur. Voor toewijzing van de vordering jegens het zuster- en moederbedrijf wordt geen aanleiding gezien. Het zusterbedrijf verricht inderdaad een elektronische meting, maar zij doet dat in het kader van een reeds bestaand onderzoek. Voorheen werd de meting gedaan door middel van vragenlijsten op internet. Er is geen rechtsregel of ongeschreven norm die bepaalt dat het zuster- en moederbedrijf hun belang om gebruik te kunnen maken van de moderne technologie ondergeschikt moeten maken aan het belang van SKO dat er geen tweede elektronische meting van kijkcijfers komt in Nederland.

4.4. De voorzieningenrechter oordeelt als volgt. Weliswaar is het zo dat er geen strikte scheiding in de vorm van Chinese walls is tussen de verschillende onderdelen van GfK c.s., maar naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt door GfK c.s. geen misbruik gemaakt van het identiteitsverschil tussen de verschillende rechtspersonen. Panel Services onderzoekt sinds 58 jaar consumentengedrag – in het kader waarvan zij ook al jaren TV-kijkgedrag van haar panelleden meet – en zij maakt in het kader van een pilot gebruik van moderne technologie door smartphones te gebruiken voor het meten van (onder meer) kijkgegevens in plaats van dit te doen door middel van vragenlijsten via internet. Zo wordt inderdaad een elektronische meting verricht, maar voor een doel dat in het verlengde ligt van de al bestaande activiteiten van Panel Services. Niet gezegd kan worden dat Panel Services en GfK SE het belang om bij de door Panel Services aangeboden diensten gebruik te kunnen maken van moderne technologie, ondergeschikt moeten maken aan het belang van SKO dat er geen tweede elektronische meting van kijkcijfers door een onderdeel van de GfK groep komt in Nederland. Er is geen rechtsregel of ongeschreven norm die daartoe verplicht. Van Panel Services en GfK SE mag wel worden verwacht dat zij bij het gebruik en verstrekken aan derden van de meetresultaten zoveel mogelijk rekening houden met de belangen van SKO. Panel Services en GfK SE zijn er immers mee bekend dat Intomart zich jegens SKO heeft verbonden tot exclusiviteit en dat de reden daarvoor is dat SKO er een groot belang bij heeft dat haar kijkcijferonderzoek een single currency is.

IEF 10225

Tricks of the trade

Rechtbank Utrecht 21 september HA ZA 10-1860 (1-2-3 Huis B.V. tegen Ballast Nedam)

Met dank aan Paul Reeskamp, Klos Morel vos Schaap.

Stukgelopen samenwerking. Know how. Geheimhouding. 1-2-3 Huis houdt zich bezig met zogenaamde 'prefab huizen'. Ballast Nedam heeft interesse geuit en heeft geheimhoudingsverklaring ondertekend, tijdens een bezoek aan 1-2-3 Huis fabriek heeft een medewerker foto's genomen. Het aanbod van 1-2-3 Huis is afgewezen, en de gemaakte foto's gevorderd en teruggekregen. Iets later is een artikel verschenen met titel "Ballast Nedam bouwt IQ-woning" waaruit blijkt dat Ballast Nedam prefab woningen produceert onder de naam iQwoning.

Beroep op geheimhoudingsverklaring dat ziet op zowel bouwtechnische als financiële informatie wordt afgewezen, omdat

"diverse onderdelen van het prefab-systeem van 1-2-3 Huis voor derden kenbaar zijn uit openbaar toegankelijke informatie:
- de aan 1-2-3 Huis verleende octrooien,
- de door 1-2-3 Huis zelf op haar website en in kranten openbaar gemaakte informatie,
- het vanaf de openbare weg volgen van het bouwproces van 1-2-3 Huis.

Uit de octrooien en de door 1-2-3 Huis zelf openbaar gemaakte informatie zijn zowel de algemene aspecten als diverse details van het bouwconcept van 1-2-3 Huis af te leiden. De rechtbank wijst in dit verban onder meer op de door Ballast Nedam en Ballast Nedam Ontwikkeling overlegde tekst, foto's en video's van de website 1-2-3 Huis en de publicaties in de media." (r.o. 4.12)

en de vordering betreft de financiële informatie over haar bouwconcept is onvoldoende onderbouwt. Overige wanprestatie en onrechtmatige daadsvorderingen worden afgewezen. 1-2-3 Huis wordt niet-ontvankelijk verklaard in haar vorderingen.

4.17 voor zover de verklaring van 1-2-3 Huis ter comparitie dat het Ballast Nedam Ontwikkeling met name te doen was om de 'tricks of the trade', ziet op meer dan de (vertrouwelijke) bouwtechnische en financiële informatie over het bouwconcept van 1-2-3 Huis, heeft zij onvoldoende onderbouwd welke andere informatie dit dan betreft en op basis waarvan Ballast Nedam Ontwikkeling heeft moeten begrijpen dat die 'andere informatie' ook onder de geheimhoudingsverklaring was begrepen.

Meer informatie: www.iq-woning.nl

IEF 9926

Know how, goodwill en publiciteits- en reclamewaarde

Rechtbank Arnhem 29 juni 2011, LJN BR0780 (Stichting Ronde van Nederland en International Cycling Sports ORganisations B.V. tegen Eneco c.s.)

Als randvermelding. Know how, goodwill en publiciteits- en reclamewaarde. Licentiecontract. Stukgelopen samenwerking.

Rechtspraak.nl Geschil met betrekking tot de wielerronde Eneco Tour (Benelux Toer). Hoofdsponsor Eneco heeft in strjid gehandeld met hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Toe-eigening door Eneco van de in de loop der jaren door de stichting Ronde van Nederland opgebouwde infrastructuur van de ronde van Nederland alsmede de door de stichting opgebouwde kennis, zonder daarvoor een vergoeding aan de stichting te willen betalen. Vraag of Eneco en enkele Belgische vennootschappen als gevolg van een kort gedingvonnis dwangsommen hebben verbeurd wordt ontkennend beantwoord. Volgt verwijzing naar schadestaatprocedure.

4.23.  Aan hetgeen hiervoor onder 4.19 tot en met 4.22 is overwogen, in onderling verband en samenhang bezien, verbindt de rechtbank de gevolgtrekking dat Eneco in strijd heeft gehandeld met hetgeen haar volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt. Eneco heeft na een jarenlange samenwerking met de stichting in zowel de Ronde van Nederland als daarna in de Benelux Tour in 2008 buiten de stichting en ICSO om een ProTour licentie aangevraagd en verkregen voor het organiseren van een nieuwe editie van de Benelux Tour, waarin de Ronde van Nederland - die door de stichting sinds circa dertig jaar werd georganiseerd - vanaf 2005 was geïntegreerd. Zij heeft vervolgens bij het organiseren van de Benelux Tour 2009 gebruik gemaakt van de met name door de stichting in de loop der jaren opgebouwde infrastructuur van de Ronde van Nederland, bestaande uit relaties en contacten van de stichting, alsmede de door de stichting opgebouwde kennis, waarbij moet worden aangenomen dat deze infrastructuur ook een bepaalde waarde vertegenwoordigt. Eneco heeft voor (het gebruik van) deze infrastructuur geen enkele vergoeding aan de stichting/ICSO willen betalen. Hierbij verdient nog opmerking dat op zichzelf weliswaar juist is de stelling van Eneco, dat voor de stichting en ICSO niets eraan in de weg staat in week 34 van elk kalenderjaar naast de Benelux Tour ook een Ronde van Nederland te organiseren, maar daarmee miskent Eneco dat het voor de stichting en ICSO feitelijk onmogelijk zal zijn een dergelijke ronde te realiseren, als zij niet over de daarbij behorende infrastructuur kan beschikken, nog daargelaten of het reëel is te veronderstellen of aan een dergelijke ronde nog behoefte bestaat naast de Benelux Tour, waarin de oude Ronde van Nederland is geïncorporeerd. Eneco heeft derhalve onrechtmatig gehandeld jegens de stichting en ICSO.

Enkele artikelen van de licentieovereenkomst:

Artikel 1  Eigendom van de licentie
De licentie is voor 50% eigendom van ieder der in deze overeenkomst betrokken partijen.

Artikel 2  Overdraagbaarheid van het eigendom van de licentie
Het eigendom van de licentie is door de partijen, noch geheel, noch gedeeltelijk overdraagbaar zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de wederpartij.

Artikel 3  Ondeelbaarheid 
Het 50% eigendomsrecht van ieder der partijen is op geen enkele wijze deelbaar.

Artikel 4  Gebruik van de licentie
Het gebruik van de licentie wordt exclusief toegestaan aan een V.O.F. die wordt opgericht ten behoeve van de organisatie van het evenement waarvoor de licentie is bedoeld. Deze V.O.F. zal voor 50% eigendom zijn van Octagon CIS die hiertoe een overeenkomst heeft afgesloten met BRRC vzw, en voor 50% eigendom zijn van een door de Stichting Ronde van Nederland op te richten rechtspersoon.

Artikel 5 Verlenging van de licentie
De licentie zoals omschreven in de considerans heeft een geldigheidduur van vier jaren. Partijen zullen na deze periode opnieuw uitsluitend gezamenlijk een licentieaanvraag doen m.b.t. het onderhavige evenement, waarbij deze overeenkomst voor de periode waarvoor de nieuwe licentie wordt verleend zal worden verlengd.

Artikel 6  Bijzondere bepaling bij beëindiging van de overeenkomst
Indien Octagon CIS haar activiteiten binnen de V.O.F. staakt, of BRRC vzw deze overeenkomst wil beëindigen vervalt het eigendomsrecht op haar deel van de licentie aan de KBWB (Koninklijke Belgische Wielrijdersbond …).

IEF 9924

Knowhow en investeringen

HR 8 juli 2011, LJN BQ7049 (eiser tegen verweerster) met conclusie A-G Keus

Slechts zijdelings interessant, als randvermelding. Kennis en knowhow. Stukgelopen samenwerking voor de ontwikkeling en realisatie van windturbineprojecten. Verbintenissenrecht. Geen middel voor cassatie: art. 81 RO. Verbintenissenrecht: wanprestatie ondanks opzegging door te gaan participeren in ander project? Veronachtzaming belangen wederpartij? Ontbinding, schadevergoeding; art. 6:265, 277 BW.

1.19 Aan deze vorderingen heeft [verweerster] ten grondslag gelegd dat [eiser] [verweerster] heeft misbruikt voor het aanzienlijke voorwerk en vervolgens de samenwerkingsovereenkomst heeft beëindigd om te gaan profiteren van alle essentiële voorbereidende werkzaamheden en financieringen die [verweerster] heeft verricht en waartegenover geen exploitatie, leverantie en service-inkomsten staan, zoals overeengekomen in de samenwerkingsovereenkomst(13). [Verweerster] heeft zich op het standpunt gesteld dat eerst door haar buitengerechtelijke ontbinding per 19 december 2005 de samenwerkingsovereenkomst is beëindigd. Gezien deze ontbinding, die is gevolgd op de wanprestatie van [eiser], is [eiser] schadeplichtig jegens [verweerster](14). Subsidiair heeft [verweerster] gesteld dat [eiser] jegens [verweerster] onrechtmatig heeft gehandeld door de werkzaamheden, knowhow en investeringen van [verweerster] te gebruiken dan wel misbruiken om daarvan, zonder [verweerster], de vruchten te gaan plukken(15). Meer subsidiair heeft [verweerster] gesteld dat [eiser] ongerechtvaardigd wordt verrijkt door te profiteren van de werkzaamheden, knowhow en investeringen van [verweerster] in het project, waardoor [eiser] zelf die kosten niet behoefde te maken(16).

IEF 9815

Impliciete geheimhouding

Hof 's-Gravenhage 21 juni 2011, zaaknr. 105.007.808/01 (Scafom International B.V. tegen Wilhelm Layher Vermögensverwaltung GmbH)

Met dank aan Johan Hulshof en Arjan Schuman, Van Benthem & Keulen N.V.

In navolging van IEF 5075. Octrooirecht. Geheimhoudingsafspraken omtrent steigermateriaal (octrooi EP 0423516). Inroepen nietigheid. Uitgebreide bespreking van impliciete geheimhoudingsafspraken tussen octrooihouder en toeleverancier en door hem ingeschakelde 'derde partij'. Groepen van personen vanwege de grootte en de willekeurigheid van samenstelling wordt beschouwd als 'leden van het publiek'. Hof vernietigt het eerdere vonnis. Octrooi van Wilhelm Layher Vermögensverwaltung GmbH wordt nietigverklaard.

 11. Van een nieuwheidschadelijke openbaarmaking zou niettemin niet kunnen worden gesproken wanneer de werknemers en klanten van Woeste en de 'derde bedrijven' verplicht waren tot geheimhouding ten aanzien van hetgeen zij te weten zouden komen over de aansluitkoppen en die verplichting niet was geschonden (vergelijk D-V, 3.1.3.2 van de EPO-Guidelines). Volgens WL bestond een dergelijke verplichting tot geheimhouding/vertrouwelijke omgang met die kennis en vloeide deze voort uit de aard van de tussen WL en Woeste bestaande rechtsverhouding en, in het verlengde daarvan, de verhouding tussen Woeste en de 'derde bedrijven'(MvA onder 28). Scafom - op wie in deze de bewijslast rust - betoogt dat WL en Woeste niet van (een verplichting tot) vertrouwelijkheid of geheimhouding zijn uitgegaan en dat dit al helemaal niet het geval was in de relatie tussen Woeste en de 'derde bedrijven' (MvG onder 44-46).

Over en weer wordt (in meer en mindere mate) gesteld, maar Scafom heeft "verslag gedaan van een gesprek met Woeste, volgens welk verslag Woeste heeft verklaard dat er (juist) geen geheimhoudingsafspraak tussen partijen gold" (r.o. 15)

20. Nu de werknemers en klanten van Woeste alsook de werknemers en klanten van de 'derde bedrijven' niet tot geheimhouding/vertrouwelijkheid waren gehouden, en deze groepen van personen, vanwege de grootte en de willekeurigheid van de samenstelling daarvan, (ieder voor zich) als 'leden van het publiek' als bedoeld in D-V, 3.1.3.1 van de EPO-Guidelines moeten worden beschouwd, voert al het voorgaande tot de slotsom dat de geoctrooieerde vinding voor de prioriteitsdatum van EP 516 openbaar toegankelijk is geworden. Dit octrooi zal dan ook worden vernietigd. Niet meer van belang is nu of de vinding volgens het octrooi ook openbaar toegankelijk is geworden doordat zij voor de prioriteitsdatum op de markt is gebracht, zoals Scafom stelt (grief IV) maar Wl betwist.

Lees het arrest hier (pdf , betere pdf)
EPO-Guidelines

IEF 9796

Verbod op prototypen bekendmaken

Vzr. Rechtbank Arnhem 16 mei 2011, LJN BQ6443 (Eiser tegen Lusaro B.V.)

Wellicht ten overvloede. Know how bescherming. Stukgelopen samenwerking. Geheimhouding.  Gedaagde heeft in 2004 een idee bedacht en uitgewerkt om een middenas aanhanger (caravan) te verbeteren. In de samenwerkingsovereenkomst: “Iedere Partij behoudt de intellectuele eigendomsrechten op de Kennis, Deelproducten en materialen die door haar ten behoeve van de samenwerking worden ingebracht en in het Projectplan worden omschreven en op materialen die door haar worden ontwikkeld in het kader van de samenwerking.". Eiser vordert voortzetting en vordert verbod op zijn (gedeelte van de) intellectuele eigendomsrechten, terwijl gedaagde de samenwerking heeft opgezegt. De vorderingen van eiser worden afgewezen, m.n. vanwege onderbouwing en vereiste voor nadere bewijslevering omtrent de toegepaste sandwichconstructie, waarvoor in kort geding geen plaats is.

4.18.  [eiser] heeft tot slot nog gevorderd dat [gedaagde sub 1] een einde dient te maken aan de inbreuk op de (intellectuele) eigendomsrechten van [eiser], ook in de toekomst, waaronder begrepen een verbod de prototypen bekend te maken aan, te verspreiden onder en te laten gebruiken door derden. [gedaagde sub 1] heeft te dien aanzien aangevoerd dat voor zover al sprake is van een intellectueel eigendomsrecht van [eiser] op het chassis van de boottrailer, dit chassis geen rol (meer) speelt in Lusaro II. Ten aanzien van het beweerdelijke intellectuele eigendomsrecht op het chassis van de caravan heeft [gedaagde sub 1] aangegeven dat [eiser] op de constructie geen rechten kan verkrijgen, nu een dergelijke sandwichconstructie al jarenlang door meerdere ondernemingen in de caravanbranche wordt toegepast. Nu de stelling van [eiser] dat [gedaagde sub 1] inbreuk maakt op de rechten van [eiser] gemotiveerd is betwist en [eiser] zijn stelling op dit punt in geen enkel opzicht concreet heeft onderbouwd, zal de vordering onder IV. niet worden toegewezen. Voor beantwoording van de vraag of [eiser] intellectuele eigendomsrechten heeft en of daarop door [gedaagde sub 1] inbreuk wordt gemaakt, is nadere onderbouwing en bewijslevering nodig, waarvoor in dit kort geding geen plaats is.

Lees het vonnis hier (link / pdf).

IEF 9743

Niet in dit kort geding toewijsbaar

Vrz. Rechtbank 's-Gravenhage 1 juni 2011, LJN BQ6877 (Converse Inc. c.s. tegen curator Sporttrading Holland B.V. en Ferro Footwear B.V. c.s.)

In navolging van de Converse serie. Merkenrecht. Bedrijfsvertrouwelijke informatie: database met productiegegevens. Ongeoorloofde mededinging en door misdrijf verkregen vertrouwelijke gegevens. Faillissement. Sinds 2009 zijn partijen in rechtsstrijd over 'counterfeit schoenen', vanwege faillissement nu waarneming door curator.

Ingrijpen middels kort gedingprocedure is voor veel vorderingen van Converse niet gerechtvaardigd. Vordering gebruik vertrouwelijke gegevens afgewezen, het is voorshands onvoldoende aannemelijk is dat de curator daarmee onrechtmatig jegens Converse zou handelen.

Merkenrecht 4.2. De vordering onder c) is niet toewijsbaar reeds omdat, zoals de curator terecht heeft aangevoerd, een spoedeisend belang ontbreekt. Het bewijsbeslag is gelegd in november 2009. Op dat moment was de bodemprocedure al aanhangig gemaakt. Niet is in te  zien waarom nu plotseling een beslissing over de gevorderde inzage in de bodemprocedure  niet kan worden afgewacht en een spoedeisend belang zou bestaan om nu al inzage te  hebben in het inbeslaggenomen materiaal om de gestelde merkinbreuk vast te stellen. Converse heeft daarnaar gevraagd ter zitting ook niet anders kunnen aangeven dan dat er  meerdere procedures aanhangig zijn tussen Converse enerzijds en Sporttrading c.s. c.q. haar  afnemers anderzijds en dat er in al die procedures duidelijkheid over de gestelde  merkinbreuk zal moeten komen. Het praktisch belang dat Converse ziet in snelle  duidelijkheid op dit punt rechtvaardigt echter geen ingrijpen in kort geding.

4.3. Daarnaast betwist de curator dat sprake is geweest van merkinbreuk door Sporttrading c.s. en heeft Converse de merkinbreuk in deze procedure niet of nauwelijks  gemotiveerd. (…) Dat de  voorzieningenrechter te Breda inbreuk in het eerdere kort geding aannemelijk heeft geacht ontslaat Converse niet van de verplichting die ook in dit kort geding aannemelijk te maken.

4.6. De vordering onder b) is echter niet toewijsbaar om de navolgende reden.(…) uit de  door partijen overgelegde producties is in ieder geval af te leiden dat verlof is verleend om  conservatoir beslag te leggen op bewijsmateriaal met betrekking tot de gestelde  merkinbreuk, niet voor bewijzen met betrekking tot het onrechtmatig gebruik en  verspreiding van bedrijfsvertrouwelijke informatie. In de bodemprocedure kan vervolgens  aan Converse worden toegestaan het bewijsmateriaal in te zien ter vaststelling van de  merkinbreuk, mogelijk ook de daarmee eventueel gemaakte winst, maar niet voor andere  doeleinden. Een dergelijke vordering is dan ook niet in dit kort geding toewijsbaar.

Bedrijfsinformatie 4.7. De vordering onder a) is in zoverre spoedeisend dat de curator niet uitsluit dat hij  in het kader van de inbreukprocedures gebruik zal willen maken van informatie die door  Converse als bedrijfsvertrouwelijk wordt aangemerkt. Het gaat dan om andere informatie  dan door Sporttrading c.s. in de bodemzaken al is ingebracht omdat Converse die informatie buiten haar vordering heeft gehouden.

4.8. Deze vordering kan niet worden toegewezen omdat voorshands onvoldoende  aannemelijk is dat de curator daarmee onrechtmatig jegens Converse zou handelen. Dat is  afhankelijk van de aard van de informatie terwijl daarnaast, afhankelijk van de concrete  omstandigheden, aan de zijde van de curator een rechtvaardigingsgrond zou kunnen bestaan  om de informatie in de inbreukprocedures in te brengen, ook al zou die informatie  vertrouwelijk zijn en ook al zou de boedel daarover beschikken doordat zij deze van [K] heeft verkregen. Voor het gevorderde verbod bestaat nog minder aanleiding nu van een bekwame curator een zorgvuldige afweging kan worden verwacht en de curator zijn  taken bovendien uitoefent onder toezicht van de rechter-commissaris.

Lees de uitspraak hier (link / pdf).