18 sep 2026,
Uitspraak is ingezonden door Mustafa Kahya, BG.legal.
Merkinbreuk door gebruik ‘The Future Looks Bright’ naast woordmerk BRIGHT voorshands niet aannemelijk
Rb. Noord-Holland 18 september 2026, IEF 23849; C/15/381964 (PXR en Bright tegen [gedaagde]). PXR is houder van het Benelux-woordmerk BRIGHT, dat onder meer is ingeschreven voor het organiseren van beurzen en congressen, en Bright gebruikt dit merk met toestemming van PXR. Gedaagde gebruikt sinds 2024 de aanduiding ‘The Future Looks Bright’ voor door hem georganiseerde evenementen en heeft die aanduiding tevens als handelsnaam en domeinnaam geregistreerd. PXR en Bright vorderen in kort geding staking van dit gebruik wegens merkinbreuk. De voorzieningenrechter verwerpt eerst het verweer dat het merk wegens niet-gebruik vervalbaar is. PXR en Bright hebben voldoende aannemelijk gemaakt dat BRIGHT in de afgelopen vijf jaar voor onder meer beurzen en evenementen is gebruikt, zodat onvoldoende aannemelijk is dat het BBIE de ingestelde vervalvordering wegens non-usus integraal zal toewijzen. Bij de beoordeling van art. 2.20 lid 2 onder b BVIE stelt de voorzieningenrechter vast dat BRIGHT en ‘The Future Looks Bright’ gedeeltelijk visueel, auditief en begripsmatig overeenstemmen, dat het teken in het economisch verkeer wordt gebruikt en dat sprake is van voldoende overeenstemmende diensten. Beide partijen gebruiken hun teken respectievelijk merk immers voor het organiseren van beurzen en evenementen die mede verband houden met de energiesector en energietransitie. Toch acht de voorzieningenrechter voorshands onvoldoende aannemelijk dat een bodemrechter verwarringsgevaar zal aannemen. BRIGHT bestaat uit één gangbaar Engels woord, terwijl ‘The Future Looks Bright’ een volledige en gangbare Engelse zin vormt. Het merk BRIGHT heeft wel onderscheidend vermogen voor de betrokken diensten, maar het gebruik van een bestaand woord brengt volgens de voorzieningenrechter een beperktere beschermingsomvang mee dan bij een fantasienaam. Daarbij komt dat PXR en Bright hun evenementen met name aanduiden met benamingen waarin BRIGHT vooraan staat, zoals BrightLive, Bright Night en Bright Energy Party, terwijl het gemeenschappelijke bestanddeel in ‘The Future Looks Bright’ juist aan het einde van de zin staat. Ook is tot dan toe geen concrete verwarring gebleken, terwijl merk en teken al enige tijd naast elkaar worden gebruikt. De primaire grondslag van art. 2.20 lid 2 onder b BVIE slaagt daarom niet.
Ook de subsidiaire grondslag van art. 2.20 lid 2 onder d BVIE leidt niet tot een verbod. Voor zover ‘The Future Looks Bright’ als handelsnaam en domeinnaam wordt gebruikt, is volgens de voorzieningenrechter sprake van gebruik anders dan ter onderscheiding van waren of diensten. Voor toepassing van deze bepaling is vervolgens vereist dat door het gebruik zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel wordt getrokken uit, of afbreuk wordt gedaan aan, het onderscheidend vermogen of de reputatie van BRIGHT. PXR en Bright hadden niet gesteld dat sprake was van reputatieschade, maar wel dat gedaagde ongerechtvaardigd voordeel trok uit het merk en dat gevaar voor verwatering bestond. De voorzieningenrechter acht ongerechtvaardigd voordeel niet aannemelijk, omdat niet is gesteld of gebleken dat gedaagde de intentie heeft mee te liften op de aantrekkingskracht, reputatie of het prestige van BRIGHT of voordeel wil behalen uit de commerciële inspanningen van PXR. Ook gevaar voor verwatering is onvoldoende aannemelijk. Daarbij weegt mee dat ‘bright’ een bestaand woord met een alledaagse betekenis is en dat de registratie daarvan PXR niet het recht geeft ieder gebruik van dat woord te monopoliseren. De voorzieningenrechter wijst daarom alle vorderingen af. PXR en Bright worden hoofdelijk veroordeeld in de proceskosten van € 11.695; partijen waren het erover eens dat het geschil volledig IE-rechtelijk was en dat voor de begroting aansluiting moest worden gezocht bij de Indicatietarieven in IE-zaken voor een normale zaak in kort geding.
Verwarringsgevaar
4.15. Of er sprake is van verwarringsgevaar moet volgens vaste rechtspraak van het Europees Hof van Justitie (HvJ EU) globaal worden beoordeeld met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, waaronder de mate van overeenstemming van de conflicterende tekens en van soortgelijkheid van de betrokken waren of diensten, de mate van bekendheid van het oudere merk en de mate van onderscheidend vermogen van het oudere merk. Naar het voorshands oordeel van de vooraieningenrechter is niet voldoende aannemelijk geworden dat de bodemrechter tot het oordeel zou komen dat sprake is van verwarringsgevaar (en dus van merkinbreuk) op grond van artikel 2.20 lid 2 sub b BVIE. De voorzieningenrechter zal dit hierna toelichten.
Beperkte beschermingsomvang
4.18. Zoals gezegd is ‘bright’ een bestaand woord in de Engelse taal (met als Nederlandse vertaling ‘helder’, ‘fel’ of ‘rooskleurig’). Dat brengt met zich dat ook anderen dan de houder en licentienemer(s) van het merk BRIGHT zich van dat woord moeten kunnen en mogen bedienen. Dat geldt temeer in het geval waarin dat woord wordt gebruikt in een (slag)zin of slogan, zeker als die wordt gevormd door een zin die als geheel óók onderdeel uitmaakt van (en een zelfstandige betekenis heeft in het) gangbaar taalgebruik. Met [gedaagde] is de voorzieningenrechter van oordeel dat dat het geval is bij de door hem gebruikte aanduiding ‘The Future Looks Bright’. Dat had anders kunnen zijn indien PXR zou hebben gekozen voor een ‘fantasienaam’ als merk, maar zij heeft er – naar moet worden aangenomen bewust – voor gekozen om een bestaand woord als merk te registreren. Zoals [gedaagde] ter zitting terecht heeft betoogd, heeft PXR daarmee ook het risico genomen dat de beschermingsomvang van dat merk in voorkomende gevallen beperkter kan zijn, en in het onderhavige geval dus ook is. Het merkenrecht is namelijk niet bedoeld om woorden uit het gangbaar taalgebruik te monopoliseren.
Conclusie: geen verwarringsgevaar
4.20. Globaal beoordeeld met inachtneming van alle relevante omstandigheden van het concrete geval, is de voorzieningenrechter op grond van het voorgaande van oordeel dat van verwarringsgevaar geen sprake is. Aan dat oordeel draagt bij dat PXR ter zitting desgevraagd heeft erkend dat van enige verwarring tussen BRIGHT en ‘The Future Looks Bright’ in de praktijk tot op heden niet concreet aantoonbaar is gebleken, terwijl merk en teken – én het onder de aanduiding ‘The Future Looks Bright’ georganiseerde evenement – kennelijk al een aantal jaar zonder problemen naast elkaar bestaan. Nu partijen in die periode kennelijk zonder enige vorm van verwarring onder hun doelgroep(en) op (deels) dezelfde markt opereren, acht de voorzieningenrechter de kans op het alsnog ontstaan van dat gevaar, gelet op hetgeen hierboven is overwogen, voorshands onvoldoende aannemelijk geworden. De vermeende bekendheid van het merk BRIGHT doet hier niet aan af. Dat een spreker op het door PXR en/of Bright georganiseerde evenement op het laatste moment heeft afgezegd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook geen aanwijzing voor verwarringsgevaar. Ter zitting heeft [gedaagde] immers onweersproken nader toegelicht dat deze afzegging geen gevolg was van een verwarring(sgevaar) tussen merk en teken, maar te maken had met het feit dat de spreker in kwestie (‘Jeroen’) al (veel) eerder door [gedaagde] geboekt bleek te zijn en zelf niet in het juridische geschil tussen partijen over de aanduiding ‘Bright’ verzeild wilde raken.
Geen ongerechtvaardigd voordeel trekken
4.26. Van het ongerechtvaardigd voordeel trekken uit een merk is sprake in het geval van ‘meeliften’ (ook wel free riding of kielzogvaren genoemd) van degene die gebruik maakt van het overeenstemmende teken. Voor een geslaagd beroep daarop is echter de intentie van de beweerdelijk inbreukmaker op dat meeliften vereist, terwijl die intentie van [gedaagde] daarop gesteld noch gebleken is en dus niet aannemelijk is geworden. Niet is immers gesteld of aannemelijk geworden dat [gedaagde] probeert van de aantrekkingskracht, de reputatie of het prestige van het merk BRIGHT te profiteren of voordeel te halen uit de commerciële inspanning die PXR heeft gedaan om het imago van het merk BRIGHT te creëren en te onderhouden.
Geen gevaar voor verwatering
4.27. PXR en Bright hebben verder nog betoogd dat het risico van verwatering van het merk BRIGHT dreigt als [gedaagde] het door hem gebruikte teken mag blijven gebruiken als aanduiding voor zijn evenementen. Gevaar voor verwatering is het risico dat door gebruik van een overeenstemmend teken zonder dat gevaar voor verwarring bestaat en als gevolg van associaties, het oudere merk uiteindelijk niet meer in staat is de exclusieve band met de door dit merk onderscheiden producten te leggen. Een dergelijk gevaar is hier niet aannemelijk geworden. Ook hierbij weegt de voorzieningenrechter mee dat het merk BRIGHT een bestaand woord is met een bestaande alledaagse betekenis in het Engelse taalgebruik. Naar het voorshands oordeel van de voorzieningenrechter doet het gebruik van het woord bright op de hierboven geschetste wijze en in de hierboven geschetste omstandigheden geen afbreuk aan het onderscheidend vermogen van het merk BRIGHT. Zoals hiervoor is overwogen, kan PXR niet ieder gebruik van dat woord monopoliseren door het enkele feit dat zij dat woord als merk heeft laten registreren.