IEF 20829

Mallen niet beschermd door intellectuele-eigendomsrechten

Rb. Noord-Holland 25 mei 2022, IEF 20829; ECLI:NL:RBNHO:2022:4654 (eiser tegen gedaagde) Eiser is een fabrikant van watersportartikelen, waaronder sloepen. Gedaagde is een producent van verschillende soorten schepen, waaronder sloepen. Eiser verkoopt op grond van een duurovereenkomst tussen partijen mallen voor sloepen aan gedaagde. Gedaagde is, na opzegging van de overeenkomst, mallen aan een concurrent van eiser gaan verkopen. Eiser stelt dat er model- en merkrechten verbonden zijn aan de mallen. Op de zitting is echter door hem erkend dat dit niet het geval is. De rechtbank oordeelt dat de mallen niet beschermd zijn door een intellectuele-eigendomsrecht. Ook een beroep op slaafse nabootsing slaagt niet.

4.13. In de dagvaarding stelt [eiser] dat er model- en merkrechten aan de Escape-lijn verbonden zijn, maar op de zitting is door hem erkend dat dit niet geval is. [eiser] heeft uitgelegd dat hij hierover gerechtelijke procedures heeft gevoerd, maar dat de rechter(s) ervan uitgaat/gaan dat een boot een boot is, waaruit de rechtbank afleidt dat de Escape-sloepen onvoldoende onderscheidend vermogen hebben. Uit de door [gedaagde] overgelegde uitspraak in kort geding, die onder andere betrekking had op één van de Escape-sloepen, volgt dit ook. De mallen en/of de sloepen zijn dus niet beschermd door een intellectueel eigendomsrecht. Evenmin is een beroep op de leer van slaafse nabootsing voor [eiser] succesvol gebleken, zo volgt uit die uitspraak.

4.14. [gedaagde] stelt dat partijen bij het aangaan van de overeenkomst ervan uitgingen dat er geen intellectuele eigendomsrechten verbonden waren aan de Escape-lijn en dit is verder niet betwist door [eiser] , zodat dit vaststaat. De onder de overeenkomst aan [eiser] verschuldigde commissie bij verkoop van Escape-sloepen, hield dus geen verband met model- en/of merkrechten op de Escape-sloepen: dergelijke rechten bestonden niet. Daarmee hield de verplichting tot betaling van commissie dus (uitsluitend) verband met de marktpositie die [eiser] had gecreëerd voor Escape-sloepen. Hieruit volgt dat de stelling van [eiser] die inhoudt dat de commissie verschuldigd is voor iedere sloep die met de mal wordt geproduceerd, ongeacht of hierbij de marktpositie van de Escape-lijn wordt benut, niet opgaat.

4.34. Bij beantwoording van de vraag of er sprake is van misbruik van de opzeggingsbevoegdheid is ten eerste van belang waarop de overeengekomen commissie ziet. [eiser] beroept zich erop dat partijen hebben beoogd dat de vergoeding ook zag op het gebruik van de mallen omdat hieraan intellectuele eigendomsrechten verbonden waren. Echter, hij heeft niet betwist – sterker, hij heeft erkend - dat hij de mallen zonder enige voorwaarden aan [gedaagde] heeft verkocht alsook dat de mallen niet zijn beschermd door enige intellectuele eigendomsrechten. Zie hiertoe ook alinea 4.13 en 4.14 van dit vonnis. [eiser] heeft aldus in het licht van de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] zijn stelling onvoldoende gehandhaafd.