IEF 18845

Auteursrechten niet zelfstandig uitoefenbaar vanwege aansluitingsovereenkomst Buma/Stemra

Rechtbank Amsterdam 10 april 2019, IEF 18845; (Y tegen X) Zie ook [IEF 18843]. Eiser is als zanger en tekstdichter actief onder een artiestennaam.  X drijft een onderneming die muziekvideo’s vervaardigt en exploiteert. X heeft met Z als hoofdartiest een muziekvideoclip van een Nederlandstalig muziekwerk vervaardigd. Het intro van het liedje is in het Berbers geschreven en gezongen door eiser, terwijl de Nederlandse coupletten en de refreinen zijn geschreven door Z. Tussen eiser en X is een geschil ontstaan met betrekking tot de exploitatie van het muziekwerk en de voorwaarden die eiser had gesteld aan zijn toestemming tot exploitatie van het werk. Eiser betoogt dat X inbreuk heeft gemaakt op auteursrechten en naburige rechten.

Eiser is echter aangesloten bij de collectieve beheerorganisatie Buma/Stemra, hetgeen X een succesvol verweer oplevert: eiser was door het overdragen van zijn auteursrechten aan Buma/Stemra niet langer bevoegd zelfstandig zijn toestemming voor de exploitatie van het liedje te geven. Voorts heeft eiser reeds vergoeding ontvangen en onvoldoende onderbouwd waarom die vergoeding, mede gelet op de mate waarin hij in kwantitatieve zin bijdrage heeft geleverd aan het liedje, niet redelijk zou zijn geweest. Ook het gedeelte van de vordering, dat ziet op de naamsvermelding, heeft geen kans van slagen: hij wilde zijn (artiesten)naam in de titel zien vermeld, maar heeft onvoldoende betwist waarom de naamsvermelding die - daar waar nodig - is gedaan onvoldoende is. Een verwijzing naar de afspraken met Z doet hierbij ook niet ter zake. De vorderingen zijn afgewezen.

4.2. Het meest verstrekkende verweer van ...  is dat Y is aangesloten bij de collectieve beheersorganisaties Buma en Stemra en dat deze entiteiten op grond van de tussen Y en hen gesloten aansluitingscontracten bevoegd waren - zonder enige inmenging van Y - aan ... de vereiste auteursrechtelijke toestemming te verlenen om het muziekwerk, inclusief de bijdrage van Y, te mogen reproduceren en openbaar te doen maken, althans te mogen exploiteren. Door het overdragen van zijn auteursrechten aan Buma/Stemra is Y niet langer bevoegd zelfstandig zijn toestemming voor exploitatie te geven, laat staan daaraan voorwaarden te stellen, aldus .... Y betwist op zijn beurt niet dát hij is aangesloten bij Buma/Stemra, maar stelt dat dit pas sinds juli 2017 het geval is. Over de periode daarvóór kan wat de inbreuk betreft reeds om die reden geen discussie bestaan, zo meent Y, die zich vervolgens wat betreft de periode daarna beroept op artikel 27 lid 1 Auteurswet, dat de maker die zijn auteursrecht overdraagt de mogelijkheid blijkt geven schadevergoedingsacties in te stellen tegen inbreukmakers. 

4.3. Laatstbedoeld betoog kan Y tegenover het verweer van ... uiteindelijk niet baten. Er nog van afgezien dat in deze procedure (nog) niet is komen vast te staan dat Y pas “sinds juli 2017“ bij Buma/Stemra is aangesloten - ... heeft dat reeds in de verzetsdagvaarding ter discussie gesteld en Y heeft er om niet opgehelderde redenen tot nu toe van afgezien zijn standpunt terzake met te onderbouwen - is hiervoor beslissend dat Y niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd dat de vergoeding die hem is aangeboden - te weten €1.500,- pus 2% van de royalty’s - niet is aan te merken als een redelijke vergoeding, in aanmerking genomen dat zijn bijdrage in ieder geval in kwantitatieve zin zeer beperkt is en de periode slechts iets meer dan een jaar bedraagt. Wat betreft de periode na juli 2017 geldt dat, anders dan Y kennelijk meent, artikel 27 lid 1 Auteurswet alleen toepassing vindt als er sprake is van een inbreuk. Die inbreuk is er niet, gelet op de niet betwiste toestemming van Buma/Stemra en de betalingen die ... daarvoor - naar de rechtbank aanneemt - afdraagt. Bij deze stand van zaken is er geen grond voor toewijzing van enige hierop gerichte vordering van Y. 

4.4. Voor zover de vordering van Y ziet op het ontbreken van naamsvermelding als bedoeld in artikel 25 Auteurswet geldt dat hij kennelijk van mening is dat de enige vorm waarin dat zou moeten geschieden is dat hij met zijn (artiesten)naam in de titel, die dan naar rechtbank begrijpt “featuring ...“ althans iets in die trant zou moeten gaan luiden. Anders dan Y meent is opname van de (artiesten)naam van de maker in de titel van het werk bepaald niet zonder meer als een redelijke vorm van naamsvermelding in de zin van voornoemd artikel te beschouwen. Waarom dit tegenover de betwisting door ... in dit geval anders zou zijn is door Y niet, althans onvoldoende naar voren gebracht. In ieder geval kan hij op dit punt niet volstaan met verwijzing naar de afspraak die hij met Z op dit punt al dan niet zou hebben gemaakt. In dit verband verdient ook nog opmerking dat in dit geding in voldoende mate is komen vast te staan - mede gelet ook op hetgeen hieromtrent ter comparitie door ... nog naar voren is gebracht en met beelden is ondersteund - dat ... daar waar dat mogelijk is steeds de (artiesten)naam van Y bij het werk heeft vermeld, en aldus in redelijke mate aan naamsvermelding heeft gedaan. 

4.5. Het voorgaande betekent dat de vorderingen van Y niet voor toewijzing in aanmerking komen, op grond waarvan het verstekvonnis moet worden vernietigd.