DOSSIERS
Alle dossiers

Rechtspraak  

IEF 8487

Sneeuwwitje vrijgesproken (HB)

Gerechtshof ’s-Gravenhage, 29 december 2009, zaaknr. 105.003.932/01, Danziger “Dan” Flower Farm tegen Astée Flower (met dank aan Tjeerd Overdijk, Vondst Advocaten)

Kwekersrecht. Gispskruidvariëteiten. Eind-arrest hoger beroep van Danziger tegen Rechtbank 's-Gravenhage, 13 juli 2005,IEF 686 (als vervolg op LJN BB5769) . Dit vonnis wordt door het Hof bekrachtigd. Eerst even kort:

Het hof honoreert de bezwaren van Astée Flowers tegen de door Danziger ingebrachte DNA-onderzoeken. Verder onderschrijft het hof de visie van de rechtbank dat alleen sprake kan zijn van een afgeleid ras (EDV) als het beweerdelijk afgeleide ras ook in fenotypisch opzicht slechts in één of (hooguit) een paar overerfbare kenmerken verschilt van het oorspronkelijke ras. Het Hof neemt hiermee afstand van het standpunt van vakvereniging CIOPORA, waarop Danziger een beroep had gedaan.

In het incidenteel appèl overwegingen van het Hof m.b.t. aansprakelijkheid wegens 'wapperen' en de reikwijdte van de bescherming tegen de verhandeling van oogstmateriaal.

Lees het arrest hier.

IEF 8402

Een bosje Sumcol 01

HvJ EG, 3 december 2009, conclusie A-G Mazák in zaak C-38/09, Ralf Schräder tegen Communautair Bureau voor plantenrassen (CBP).

Communautair kwekersrecht. Afwijzing van aanvraag voor communautair kwekersrecht voor plantenras ‚SUMCOL 01’ .Onderscheidbaarheid van kandidaat-ras. Elementen die in aanmerking kunnen worden genomen om algemene bekendheid van ras vast te stellen.  (Zie ook eerdr arrest GvEA, IEF 7304: “Plantenras SUMCOL 01. Beoordelingsvrijheid CVPO. Afwijzing van aanvraag voor communautair kwekersrecht. Niet-onderscheidbaar kandidaat-ras. De plant bestaat al, kort gezegd.”). Eerst even voor jezelf lezen:

66. Uit de door Schräder genoemde passages van het bestreden arrest blijkt evenwel niet dat het Gerecht niet naar behoren rekening heeft gehouden met het onderscheid tussen de begrippen „ras” en „soort”. Veeleer heeft het Gerecht in punt 80 van het bestreden arrest erkend dat tot de soort Plectranthus ornatus vele rassen behoren en in punt 91 „het Zuid-Afrikaanse ras van de soort Plectranthus ornatus” vermeld.

67. Bovendien zij opgemerkt, voor zover Schräder aanvoert dat het Gerecht in punt 91 van het bestreden arrest ten onrechte heeft gesuggereerd dat Dr Codd in zijn werken een ras van Plectranthus ornatus in plaats van de overeenkomstige soort heeft beschreven, dat er op dit punt in elk geval geen absolute tegenstrijdigheid bestaat, aangezien elke soort – per definitie – enkel via zijn verschillende rassen kan bestaan, en een plantensoort om die reden niet gemakkelijk gedetailleerd kan worden beschreven los van de rassen die tot de soort behoren.

68. Gelet op het voorgaande lijkt het Gerecht mij het onderscheid tussen de begrippen „ras” en „soort” niet op die wijze onjuist te hebben opgevat dat zijn redenering tegenstrijdig is of gebrekkig door onjuiste conclusies.

Lees de conclusie hier.

IEF 8259

Elegant Sint-janskruid

Hoge Raad, 9 oktober 2009, LJN: BJ2678, Eiseres tegen verweerster (Hypericum Elegance)

Kwekersrecht. Hypericum Elegance. De aanspraak op redelijke vergoeding ingevolge art. 36a Zaaizaad- en plantgoedwet (thans: art. 71 Zpw 2005) komt slechts toe aan de aanvrager wiens aanvrage uiteindelijk is ingewilligd en dus tot verlening van het kwekersrecht heeft geleid. Is hangende de aanvraag door partijen ter zake een (licentie)vergoeding overeengekomen, dan berust – indien het kwekersrecht is verleend – de aanspraak op vergoeding zowel op de wet als op die overeenkomst. 

5.2.2 Gelet op dit een en ander heeft het hof hetzij blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, hetzij zijn oordeel onvoldoende gemotiveerd. Indien het ervan is uitgegaan dat [eiseres] ook in of over de periode waarin haar aanvraag hangende was, aanspraak kon maken op een redelijke vergoeding op grond van art. 36a Zpw hoewel die aanvrage uiteindelijk is afgewezen, geeft het oordeel van het hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Indien het hof de juiste betekenis van art. 36a Zpw niet heeft miskend, valt zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat en waarom de overeenkomsten tussen partijen aldus zouden moeten worden uitgelegd dat [verweerder] de licentievergoeding verschuldigd zou zijn ongeacht het antwoord op de vraag of [eiseres] uiteindelijk kwekersrecht op Hypericum Elegance zou verkrijgen. In zoverre slagen de onderdelen. Of partijen zijn overeengekomen dat de bedongen vergoeding ook verschuldigd zou zijn indien [eiseres] geen kwekersrecht mocht verkrijgen, zoals door [eiseres] is gesteld, dient na verwijzing, aan de hand van hetgeen partijen daaromtrent hebben aangevoerd, te worden onderzocht. De enkele door het hof weergegeven stelling van [eiseres] - dat [verweerder] bij de aankoop is meegedeeld dat sprake was van een licentievergoeding hangende de onderzoeksperiode - is daartoe evenwel ontoereikend, gelet op hetgeen hiervoor in 5.2.1 is overwogen.

5.3 Onderdeel 2 klaagt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, indien en voor zover de overwegingen en beslissingen aldus zouden moeten worden begrepen dat [eiseres] en [verweerder] een licentievergoeding met elkaar zouden zijn overeengekomen. De stellingen van [eiseres] laten volgens het onderdeel geen andere conclusie toe dan dat [eiseres] aanspraak maakte op een licentievergoeding jegens [verweerder] op grond van art. 36a Zpw en niet op grond van een tussen partijen overeengekomen licentievergoeding.
Deze klacht faalt voor zover daarin de opvatting besloten ligt dat een aanspraak op een redelijke vergoeding als in dit geding bedoeld, hetzij op de wet, hetzij op een licentieovereenkomst berust. Hangende de aanvraag tot verlening van een kwekersrecht kunnen partijen, van wie de ene de aanvraag heeft gedaan en de andere handelingen wenst te verrichten als bedoeld in art. 40 Zpw - thans art. 57 Zpw 2005 - rechtsgeldig overeenkomen dat laatstgenoemde die handelingen mag verrichten tegen betaling van een in die overeenkomst neergelegde (licentie)vergoeding. Is de eerstgenoemde partij eenmaal kwekersrecht verleend, dan berust zijn aanspraak op de vergoeding zowel op de wet als op de overeenkomst waarin de omvang van die vergoeding is vastgesteld. Voor het overige behoeft het onderdeel geen behandeling. Hetzelfde geldt voor onderdeel 4.

Lees het arrest hier.

IEF 8197

Op te planten

Rechtbank ’s-Gravenhage, 16 september 2009, HA ZA 08-1475, DSY B.V. tegen John Hulsebosch B.V.

Kwekersrecht. Licentieovereenkomst: Overschrijding toegestane aantal op te planten areaal. Verklaring voor recht dat licentieovereenkomst is beëindigd. Geen boete verbeurd.

4.5. De rechtbank is van oordeel dat het verweer van Hulsebosch, in het licht van haar eigen opgave, waarbij geen schubteelt werd vermeld, en voorts gelet op de (deels onweersproken) met producties onderbouwde stellingen van DSY, bepaald onvoldoende is, zodat ervan wordt uitgegaan dat Hulsebosch het maximum toegestane areaal van 2500 Rr2 leverbare bloembollen in het oogstjaar 2006 inderdaad met 270 Rr2 heeft overschreden. Aldus is Hulsebosch toerekenbaar tekort geschoten in de nakoming van zijn uit artikel 1 van de overeenkomst voortvloeiende verplichting.

4.6. Een volgende vraag is of het toerekenbaar tekortschieten van Hulsebosch tot gevolg heeft dat zij op grond van artikel 8 van de overeenkomst een boete heeft verbeurd. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Daartoe is het volgende redengevend. Ingevolge artikel 8 van de overeenkomst is Hulsebosch een boete eerst verschuldigd nadat zij schriftelijk ingebreke is gesteld (zie r.o. 2.4.). DSY heeft ter comparitie erkend dat zulks niet is gebeurd, doch heeft betoogd dat een ingebrekestelling niet was vereist omdat duidelijk was dat Hulsebosch niet zou nakomen. Dat betoog wordt als onvoldoende steekhoudend onderbouwd verworpen. Hulsebosch heeft ter comparitie immers onweersproken gesteld dat zij bij een tijdige ingebrekestelling de mogelijkheid zou hebben gehad de overschrijding te herstellen, bijvoorbeeld door een deel van de bollen te vernietigen, areaal bij te huren van een derde of overschrijding van het areaal van het volgende jaar af te trekken, hetgeen volgens haar ‘gebruikelijk’ was in het vak. Deze stelling – die in het licht van de historie niet onaannemelijk voorkomt (vgl. r.o. 2.5. en r.o. 2.13.) – is ter zitting door DSY onweersproken gelaten. Dat Hulsebosch van die mogelijkheden in voorkomend geval niet daadwerkelijk gebruik zou hebben gemaakt, is bovendien geenszins komen vast te staan, zodat geconcludeerd moet worden dat Hulsebosch ter zake het toerekenbaar tekortschieten niet in verzuim is geraakt. Gelet daarop komt de vordering ter zake de betaling van een bedrag van € 250.000,00 ten titel van verbeurde boetes niet voor toewijzing in aanmerking en wordt deze afgewezen.

4.7. Resteert de vraag of de gevorderde verklaring voor recht voor toewijzing in aanmerking komt. Hiervoor is reeds komen vast te staan dat Hulsebosch toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van haar uit de overeenkomst voortvloeiende verplichtingen. Uit artikel 11 sub f van de overeenkomst volgt dat de overeenkomst van rechtswege eindigt indien ‘de licentienemer enige voor hem uit deze overeenkomst voortspruitende verplichting niet stipt nakomt, gevolgd door een aangetekend schrijven van licentiegever, waarin deze niet-nakoming van de contractuele verplichting(en) wordt geconstateerd, en deswege wordt verklaard, dat deze overeenkomst is beëindigd’ (zie r.o. 2.4.). De door het artikel vereiste verklaring is (uiteindelijk) uitgebracht door de advocaat van DSY, te weten bij brief van 2 juli 2007 (zie r.o. 2.14.). Gelet daarop kan de gevorderde verklaring voor recht worden toegewezen als na te melden.

Lees het vonnis hier.

IEF 8128

De planten waarop beslag lag

Rechtbank Alkmaar, 19 augustus 2009, LJN: BJ5669, Handelskwekerij B&L B.V. tegen Green Works International B.V.

Kwekersrecht. 1019c Rv. Bewijsbeslag op plantmateriaal. Beslag ingevolge artikel 1019c Rv. is ten onrechte gelegd. De door de beslaglegger ingestelde inbreukvordering is bij vonnis in kort geding afgewezen, terwijl vaststaat dat nadien geen hoger beroep tegen dit vonnis is ingesteld en er evenmin een bodemprocedure aanhangig is gemaakt. De beslaglegger heeft ervoor gekozen om geen andere procedure te starten dan een procedure in kort geding. Deze keuze heeft ertoe geleid dat er niet inhoudelijk in een bodemzaak over de vordering is beslist. De gevolgen van deze keuze dienen voor rekening en risico van de beslaglegger te komen. Onder genoemde omstandigheden dient de procedure in kort geding te worden bezien als ware het een bodemzaak waarin inhoudelijk over de vordering is beslist.

Lees het vonnis hier.

IEF 8108

Bloementapijtje (HB)

Noack Flower CarpetGerechtshof ’s-Gravenhage, 28 april 2009, zaaknrs.  105.006.722/01 & 105.006.656/01, Radder-Van der Stam V.O.F. c.s. tegen Baum- und Rosenschule Reinhard Noack & Baum- und Rosenschule Reinhard Noack tegen Radder-Van der Stam V.O.F c.s. (met dank aan Marleen van den Horst,  BarentsKrans).

Wellicht interessante arresten voor de licentiepraktijk. Kwekersrecht. Stukgelopen samenwerking. Zie voor de feiten: Rechtbank ‘s-Gravenhage,17 januari 2007, IEF 3287. Het hof vernietigt de vonnissen waarvan beroep. Voortzetting door onderhandelingen na opzegging. Geen licentievergoeding die hoger is dan de licentievergoeding die aan andere Nederlandse licentienemers in rekening wordt gebracht. Matiging dwangsom executie door achteraf gebleken juistheid. Eerst even kort de belangrijkste overwegingen:

Arrest bodemprocedure: 4. (…) Ook het hof is van oordeel dat Noack aldus de licentieovereenkomst op zichzelf regelmatig heeft opgezegd, nu immers overeenkomstig het bepaalde in artikel X11 van de licentieovereenkomst de minimum looptijd van vijfjaren was verstreken en Noack de opzegtermijn van twaalf maanden in acht heeft genomen. In zoverre faalt de grief. Deze opzegging staat evenwel los van de vraag of partijen nadien al dan niet stilzwijgend de licentieovereenkomst hebben voortgezet tot juli 2004, hetgeen (tevens) in de grieven 2 tot en met 4 aan de orde wordt gesteld.

(…) 9. Het hof merkt op dat op zichzelf juist is dat Radder c.s. in dit verband hebben betoogd dat zij door de opstelling van Noack het vertrouwen in een mogelijke samenwerking met Noack geheel hebben verloren en dat zij om die reden niet zullen persisteren bij hun vordering in reconventie. Dit neemt niet weg dat de hoogte van de licentievergoeding ook in de conventie van belang is, nu immers de verhoging van de licentievergoeding een belangrijk geschilpunt tussen partijen is en Noack ook voor het verleden aanspraak maakt op een hogere licentievergoeding. In zoverre heeft Noack wel belang bij deze grief. In dat verband ziet het hof aanleiding het volgende te overwegen.

10. Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat Noack in redelijkheid niet van Radder-van der Stam mocht eisen dat zij een licentievergoeding zou betalen die hoger was dan de licentievergoeding die zij aan andere Nederlandse licentienemers in rekening bracht. De verhouding tussen Noack en Radder-van der Stam, zowel als gewezen contractspartijen als in de hoedanigheid van onderhandelende partijen, wordt beheerst door de redelijkheid en billijkheid. Indien, zoals Noack stelt, zij voornemens was ook aan andere licentienemers een hogere vergoeding op te leggen, maar dit pas mogelijk zou zijn na afloop van de looptijd van de desbetreffende licentieovereenkomsten, was zij naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid gehouden de hogere licentievergoeding voor Radder-van der Stam op een later tijdstip, na 16 februari 2004, zoals hierna zal worden overwogen, dan wel - indien dit later zou zijn - gelijktijdig met die voor de andere licentienemers te laten ingaan. Het bewijsaanbod van Radder c.s. dat de licentievergoedingen die Noack aan Nederlandse licentiehouders in rekening bracht, verschilden, heeft de rechtbank evenwel terecht gepasseerd, nu dit door Noack niet wordt betwist. De stelling van Radder c.s. dat Noack in strijd met het mededingingsrecht heeft gehandeld, wordt verworpen, nu daarvoor onvoldoende concrete feiten en omstandigheden zijn gesteld. (…)

(…) 14. 'Het hof is van oordeel dat in het licht van de onderhandelingen die tussen partijen zijn gevoerd over een nieuwe licentieovereenkomst, Radder-van der Stam uit de opzegging van de oude licentieovereenkomst niet heeft hoeven begrijpen dat zij per 1 juli 2001 - en wel totdat overeenstemming zou zijn bereikt over de voorwaarden van een nieuwe licentieovereenkomst - niet meer gerechtigd was Flower Carpetrozen te vermeerderen en te verhandelen. Gelet op de hierboven onder 13 weergegeven correspondentie had zij ook niet op een later tijdstip, in de loop van het onderhandelingsproces, tot een ander inzicht hoeven komen. Met name uit de geciteerde passage op bladzijde 3 van het 'Gesprächsprotokoll' van 16 februari 2004 mocht zij afleiden dat indien partijen niet tot overeenstemming zouden komen, de samenwerking dan pas verbroken zou worden. (…) 

15. Zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder 14 is overwogen, heeft Radder-van der Stam in de gegeven omstandigheden uit de gedragingen en verklaringen van Noack begrepen en ook redelijkwijze mogen begrijpen dat zij hangende de onderhandelingen over een nieuwe licentieovereenkomst haar vermeerderings- en handelsactiviteiten met betrekking tot Flower Carpetrozen mocht voortzetten. Het was onder die omstandigheden aan Noack om haar expliciet te verbieden gedurende de onderhandelingen deze activiteiten te verrichten. (…)

Arrest executiegeschil: 6. Het hof is van oordeel dat Radder c.s. door naast de brief met de door de voorzieningenrechter bevolen tekst aan haar afnemers voorts een begeleidende brief te zenden inhoudende, samengevat,
- dat de uitspraak van de voorzieningenrechter een duidelijke misvatting is omdat Radder-van der Stam B.V. de rozen legaal heeft vermeerderd,
- dat zij ter uitvoering van die uitspraak een brief moeten sturen met een oproep inbreukmakend teeltmateriaal te retourneren op straffe van een dwangsom, en - dat zij verzoeken aan die oproep geen gehoor te geven, niet behoorlijk uitvoering hebben gegeven aan het bevel van de voorzieningenrechter.

8. Het hof heeft in het hoger beroep van de bodemzaak heden arrest gewezen. Bij dat arrest heeft het hof het vonnis van de voorzieningenrechter, voor zover in conventie gewezen tegen appellanten sub 1 en 3 tot en met 8 vernietigd en Noack niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering voor zover tegen hen ingesteld. Het heeft voorts het vonnis, voor zover in conventie gewezen tegen Radder-van der Stam B.V. (appellante sub 2) vernietigd, onder meer, ten aanzien van het bevel aan afnemers van Radder-van der Stam B.V. om een brief met terughaalverzoek te sturen. Hoewel dit niet wegneemt dat Radder c.s. niet behoorlijk uitvoering hebben gegeven aan het vonnis van de voorzieningenrechter, is de omstandigheid dat de inhoud van de begeleidende brief, achteraf bezien, als juist moet worden beschouwd, aanleiding de boete te matigen. Het hof zal de door Radder c.s. verbeurde dwangsommen matigen tot € 5.000,--.

Lees het arrest in de bodemzaak hier en het arrest in het executiegeschil hier.

IEF 7870

En/of Annemiek

ScheffleraRechtbank ’s-Gravenhage, 29 april 2009, HA ZA 09-89, Pine Valley Nursery tegen Camp International B.V. c.s.

Procesrechtelijk incident in zaak over kwekersrecht (‘Schefflera mini arboricla en/of Annemiek’). Geen zekerheidstelling partij uit Verenigde Staten.

4.1. (…) maar dat op grond van artikel 224 lid 2 Rv zo een verplichting tot het stellen van zekerheid niet bestaat, onder meer indien zulks voortvloeit uit een verdrag of uit een EG-verordening. X is woonachtig in de Verenigde Staten van Amerika. Bijgevolg is hij op grond van artikel V van het Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (Trb. 1956, 40) juncto artikel 5 van het daarbij behorende Protocol vrijgesteld van het stellen van de in artikel 224 Rv bedoelde zekerheid. De incidentele vordering tot zekerheidsstelling zal dan ook worden afgewezen.

Lees het vonnis hier.

IEF 7816

De afmeting van de bollen

Lelieras Sorbonne Vletter & Den HaanRechtbank ’s-Gravenhage, 16 april 2009, zaaknummer / rolnummer: 329370 / KG ZA 09-120 Koninklijke Van Zanten en Van Zanten Flowerbulbs vs Gebroeders Vletter & Den Haan.

Kwekersrecht, lelieras Sorbonne, executiegeschil (zie IEF 6203). “Vooralsnog moet dus worden aangenomen dat export van de bollen, ongeacht de afmeting, is strijd is met het opgelegde gebod. De exporthandeling is op zichzelf beschouwd aan te merken als verhandeling en in ieder geval zal daaraan voorafgaande verkoop hebben plaatsgevonden.” Een samenvatting in citaten:

4.7. De rechter die het executiegeschil beoordeelt heeft niet tot taak de in het vonnis besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (vergelijk H.R. 15 november 2002, LJN AE9400). Op de in artikel 3 onder c gegeven definitie van plant- / teeltmateriaal heeft Van Zanten in het eerdere kort geding geen beroep gedaan. Als gevolg kan het opgelegde gebod niet worden uitgelegd aan de hand van de bepaling omdat die bij de formulering van het gebod geen rol heeft gespeeld. Om dezelfde reden is evenmin sprake van een kennelijke misslag in het vonnis. De vraag of het ruime gebod terecht is opgelegd kan aan de orde worden gesteld in een eventueel hoger beroep van het kort geding vonnis of in de bodemprocedure, maar staat in dit executiegeschil niet ter beoordeling.

Bij vonnis in kort geding van 2 juni 2008 is op vordering van Vletter & den Haan Beheer en v.o.f. Gebr. Vletter & den Haan aan Koninklijke Van Zanten (in dat vonnis aangeduid als gedaagde sub 1) het navolgende gebod opgelegd:

veroordeelt gedaagde sub 1 om binnen één maand na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het bedrijfsmatig en voor handelsdoeleinden voortbrengen, verder vermeerderen, ten behoeve van de vermeerdering behandelen, te koop aanbieden, in het verkeer brengen, verder verhandelen, uit- of invoeren, en voor een van deze handelsdoeleinden in voorraad hebben van materiaal van het ras Sorbonne, volledige planten, plantedelen alsmede geoogst materiaal daaronder begrepen, dan wel die handelingen door derden te doen verrichten;

2.2. Aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. (in dat vonnis aangeduid als gedaagde sub 2) is het navolgende gebod opgelegd: veroordeelt gedaagde sub 2 om binnen één maand na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden het in Nieuw Zeeland voor handelsdoeleinden voortbrengen, te koop aanbieden en verhandelen van teeltmateriaal van het ras Sorbonne, dan wel die handelingen door derden te doen verrichten;  Vletter & den Haan hebben executoriale beslagen gelegd. Van Zanten c.s. vragen opheffing daarvan. Zoals uit het eerdere vonnis blijkt gaat het om twee verschillende verboden. In het geval van Koninklijke Van Zanten is het gebod gebaseerd op de licentie-overeenkomst die op Koninklijke Van Zanten is overgegaan.

In geval van Van Zanten Flowerbulbs B.V. is dat gebod gebaseerd op het in Nieuw Zeeland geldende kwekersrecht van Vletter & den Haan, voor de omvang waarvan in het vonnis aansluiting is gezocht bij het onder 4.7 genoemde verdrag. De handelingen in Nieuw Zeeland zullen eerst worden onderzocht.

4.3 Gelet op de inhoud van het vonnis ziet het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod op teeltmateriaal als bedoeld in Internationaal Verdrag tot bescherming van kweekprodukten van 2 december 1961, herzien te Genève op 10 november 1972 en 23 oktober 1978 (Trb. 1984, 97). De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding aan te nemen dat daaronder niet is te verstaan bollen met een afmeting groter dan 10 centimeter zoals door Van Zanten wordt bepleit. Mogelijk moet worden aangenomen dat geen sprake is van teeltmateriaal indien aan afnemers bollen worden geleverd die naar hun aard niet geschikt of bedoeld zijn om te vermeerderen, maar vooralsnog is niet in te zien dat de geschiktheid of het doel van het materiaal afhangt van de afmeting van de bollen. De definitie die in de licentieovereenkomst van het begrip teeltmateriaal wordt gegeven is niet relevant omdat de omvang van het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod op geen enkele manier door die overeenkomst is bepaald.

4.4. Vooralsnog moet dus worden aangenomen dat export van de bollen, ongeacht de afmeting, is strijd is met het opgelegde gebod. De exporthandeling is op zichzelf beschouwd aan te merken als verhandeling en in ieder geval zal daaraan voorafgaande verkoop hebben plaatsgevonden. In dit verband is nog van belang dat Van Zanten niet heeft aangevoerd dat de betreffende verkoopovereenkomsten zijn aangegaan vóór ingang van het gebod.

4.5. Vletter & den Haan hebben zich op het standpunt gesteld dat het gebod in de relevante periode niet alleen is overtreden op een dag dat een exporthandeling heeft plaatsgevonden, maar iedere dag is overtreden omdat alleen al de behandeling van bollen die op het veld staan en het in voorraad houden van bollen voor verkoop als een voorbehouden handeling moet worden aangemerkt. In deze redenering kan niet worden meegegaan omdat in het vonnis uitdrukkelijk is overwogen dat het gebod niet inhoudt de verplichting tot vernietiging van gewas dat op het land staat. Verder kunnen de exporten naar Japan buiten beschouwing blijven omdat de betreffende bollen, naar Van Zanten onweersproken heeft gesteld, zijn ingekocht van een licentiehouder.

4.6. De door Vletter & den Haan als productie 22 overgelegde ‘phytosanitary certificates’ geven aanleiding om aan te nemen dat in de relevante periode (5 juli 2008 tot en met 17 september 2008) op de navolgende data het gebod is overtreden: 14 juli 2008, 23 juli 2008, 29 juli 2008, 13 augustus 2008, 15 augustus 2008, 20 augustus 2008, 30 augustus 2008, 1 september 2008, 8 september 2008, 9 september 2008, 10 september 2008. In totaal is dan aan dwangsommen verbeurd 11 x € 5.000 = € 55.000. Uit hetgeen in het vonnis onder 4.5 is overwogen volgt dat Van Zanten Flowerbulbs B.V. voor overtreding van het gebod verantwoordelijk wordt gehouden.

4.7. Ook voor Koninklijke Van Zanten geldt dat zij in het vonnis verantwoordelijk is gehouden voor handelingen die in Nieuw Zeeland plaatsvinden door Van Zanten Flowerbulbs Ltd. Die handelingen zijn strijd met het aan haar opgelegde gebod dat een ruimere strekking heeft dan het aan Van Zanten Flowerbulbs B.V. opgelegde gebod. De rechter die het executiegeschil beoordeelt heeft niet tot taak de in het vonnis besliste rechtsverhouding zelfstandig opnieuw te beoordelen, maar dient zich ertoe te beperken de ter uitvoering van het veroordelend vonnis verrichte handelingen te toetsen aan de inhoud van de veroordeling (vergelijk H.R. 15 november 2002, LJN AE9400). Op de in artikel 3 onder c gegeven definitie van plant- / teeltmateriaal heeft Van Zanten in het eerdere kort geding geen beroep gedaan. Als gevolg kan het opgelegde gebod niet worden uitgelegd aan de hand van de bepaling omdat die bij de formulering van het gebod geen rol heeft gespeeld. Om dezelfde reden is evenmin sprake van een kennelijke misslag in het vonnis. De vraag of het ruime gebod terecht is opgelegd kan aan de orde worden gesteld in een eventueel hoger beroep van het kort geding vonnis of in de bodemprocedure, maar staat in dit executiegeschil niet ter beoordeling.

De beslagen worden ten dele opgeheven. De proceskosten worden gecompenseerd.

Lees het vonnis hier.

IEF 7742

Onder het rechterlijk bevel

ElsantaRechtbank ’s-Gravenhage, 25 maart 2009, HA ZA 08-1080, Plant Research International B.V. (PRI) tegen Europe Fruit Trade B.V. (EFT)

Kwekersrecht. PRI is houdster van Nederlands kwekersrecht voor het aarbeienras Elsanta. In het onderhavige geschil PRI vordert, samengevat, dat de rechtbank voor recht verklaart dat EFT door de verkoop van planten van het ras ELSANTA aan Darby, het in een eerder kort geding vonnis gegeven bevel heeft geschonden (zie Vzr. Rechtbank  's-Gravenhage, 26 oktober 2006, IEF 2806 en Rechtbank 's-Gravenhage, 11 juni 2008, IEF 6253). Vorderingen toegewezen. Gestelde lastgeving doet niets af aan de verplichting van EFT om het rechterlijk verbod na te leven. Betaling dwangsommen €120.000,00, + wettelijke rente. 1019h proceskosten €16.188,23.

4.6. De rechtbank is met PRI van oordeel dat de verkoop en levering van de ELSANTA planten aan Darby vallen onder het door de voorzieningenrechter opgelegde verbod. Het verbod omvat namelijk (onder meer) het te koop aanbieden, in het verkeer brengen, verder verhandelen en uitvoeren van Elsanta planten. Het verkopen en leveren van de planten aan een buitenlandse partij valt daaronder.

4.7. Het verweer van EFT dat zij bij voornoemde handelingen is opgetreden als lasthebber van Simart, en meer specifiek dat Simart haar heeft opgedragen de handelingen onder eigen naam maar voor rekening van Simart te verrichten, kan niet leiden tot een andere conclusie. Daargelaten dat PRI uitdrukkelijk betwist dat er sprake is van lastgeving, doet de gestelde lastgeving niets af aan de verplichting van EFT om het rechterlijk verbod na te leven. Afhankelijk van de afspraken met Simart brengt de lastgeving hooguit mee dat EFT de nadelige gevolgen die nakoming van de last meebrengt (zoals het verbeuren van dwangsommen), op Simart kan verhalen. Dat de handelingen op last van Simart zouden zijn verricht, rechtvaardigt echter geen schending van het rechterlijk verbod.

Lees het vonnis hier.

IEF 7304

Niet duidelijk onderscheidbaar

SUMCOL 01 US PatentGvEA, 19 november 2008, zaak T-187/06, Ralf Schräder tegen Communautair Bureau voor plantenrassen (CPVO)

Communautair kwekersrecht. Plantenras SUMCOL 01. Beoordelingsvrijheid CVPO. Afwijzing van aanvraag voor communautair kwekersrecht. Niet-onderscheidbaar kandidaat-ras. De plant bestaat al, kort gezegd.

“61. Dat de gemeenschapsrechter de beoordelingsmarge van de administratie in economische of technische kwesties erkent, neemt echter niet weg dat hij de interpretatie van het bestuur van gegevens van die aard mag toetsen. (…) In het kader van dit toezicht mag hij zijn beoordeling op economisch of technisch vlak echter niet in de plaats stellen van de beoordeling van de administratie

(…) 63. In casu is de beoordeling of een plantenras onderscheidbaar is volgens de criteria van artikel 7, lid 1, van verordening nr. 2100/94, een wetenschappelijk en technisch ingewikkelde beoordeling zodat een beperking van de omvang van het rechterlijke toezicht te rechtvaardigen is.

71. Aangaande de vraag of het referentieras van van Jaarsveld wel degelijk verschilt van het kandidaat-ras SUMCOL 01, blijkt uit het eindrapport van het Bundessortenamt dat tussen beide rassen verschillen werden vastgesteld volgens 3 van de 26 vergelijkingscriteria die bij het technische onderzoek in aanmerking zijn genomen, conform de normen van de UPOV: de hoogte van de planten, de breedte van het blad en de lengte van de buis van de bloemkroon. Bovendien heeft Heine ter terechtzitting voor de kamer van beroep uitgesloten dat deze verschillen kunnen worden toegeschreven aan milieufactoren. Volgens haar zijn deze verschillen wel degelijk het gevolg van genotypische factoren. Volgens deze beoordeling is het logische besluit dat het kandidaat-ras en het referentieras niet hetzelfde ras vormen.

(…) 73. Gelet op de ruime beoordelingsvrijheid waarover het CPVO beschikt bij ingewikkelde plantenkundige beoordelingen, volstaan de door verzoeker tot staving van zijn betoog aangevoerde gegevens echter niet als bewijs dat het Bundessortenamt en vervolgens het CPVO alsmede de kamer van beroep van het CPVO blijk hebben gegeven van een kennelijke beoordelingsfout die een grond tot vernietiging van het bestreden besluit kan zijn.

(…) 127. Zoals blijkt uit het onderzoek van het eerste middel, kon de kamer van beroep uit de elementen waarover zij beschikte, op goede gronden afleiden dat het ras SUMCOL 01 niet duidelijk kon worden onderscheiden van een referentieras dat op het tijdstip van indiening van de aanvraag algemeen bekend was. (…).

Lees het arrest hier.