IEF 18660

VZW Max maakt inbreuk op merk Omroep MAX

Voorzitter van de Nederlandstalige Ondernemingsrechtbank Brussel 20 december 2018, IEF18660, IEFbe 2935 (Omroepvereniging MAX/ VZW MAX) Merkenrecht. Omroepvereniging Max is een Nederlandse publieke omroep op het gebied van radio en televisie. De uitzendingen van Omroep Max worden ook in België uitgezonden. Omroep Max opereert onder de naam “Omroep MAX”, dan wel gewoon “MAX”. Ook de programma’s verwijzen naar de naam. VZW Max is een radiostation die onder de naam Max radio-uitzendingen aanbood. Omroep Max vordert staking van het gebruik door VZW Max met betrekking tot radio-uitzendingen van het teken “MAX”, waardoor sprake is van schending van de merkenrechten in de zin van art. 2.20.1.a BVIE. De vordering wordt toegewezen. Er is sprake van schending van de merkenrechten.

17. Overeenkomstig artikel 2.20.1.a) BVIE heeft de houder van een Benelux merk het exclusieve recht om zich te verzetten tegen elk gebruik door een derde, die hiertoe geen toestemming heeft verkregen, van een teken:

a) wanneer dat teken gelijk is aan het merk en in het economisch verkeer gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als die waarvoor het merk is ingeschreven (eigen benadrukking) 
De bescherming die artikel 2.20.1.a) BVIE verleent vereist bijgevolg een dubbele identiteit: enerzijds tussen merk en teken, anderzijds tussen de waren en/of diensten.

18. Over de identiteit tussen twee tekens stelt het Hof van Justitie:
"De waarneming van gelijkheid tussen een teken en een merk moet echter in haar geheel worden beoordeeld uit het oogpunt van de gemiddelde, normaal geïnformeerde, oplettende en omzichtige consument. De gemiddelde consument heeft slechts een algemene indruk van het teken.
Hij heeft immers slechts zelden de mogelijkheid tekens en merken rechtstreeks met elkaar te vergelijken, maar moet afgaan op het onvolmaakte beeld dat bij hem is achtergebleven. Bovendien kan zijn aandacht groter of kleiner zijn naar gelang van de soort waren of diensten (zie in die zin arrest van 22 juni 1999, Lloyd Schuhfabrik Meyer, C-342/97, Jurispr. blz. I-3819, punt 26). (...).

Bijgevolg moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat artikel 5 lid 1, sub a, van de richtlijn aldus moet worden uitgelegd, dat een teken gelijk is aan een merk wanneer het zonder wijziging of toevoeging alle bestanddelen van het merk afbeeldt, of wanneer het in zijn geheel beschouwd verschillen vertoont die dermate onbeduidend zijn dat zij aan de aandacht van de gemiddelde consument kunnen ontsnappen.”

29. De voorwaarde van “dubbele identiteit” (identieke tekens en identieke diensten) is derhalve voldaan en bijgevolg is de bescherming die de MAX merken bieden absoluut, onder dat er bijkomend verwarringsgevaar moet worden aangetoond.