IEF 16076

Vrijwel hetzelfde beslagrekest elders ingediend

Rechtbank Amsterdam 29 juni 2016, IEF 16075; ECLI:NL:RBAMS:2016:4113 (Moszkowicz tegen Dutch Mountain Film en VPRO)
Bewijsbeslag. Verzoek om verlof voor bewijsbeslag wegens auteursrechtinbreuk op meerdere gronden afgewezen. Ex 21 Rv is en de Beslagsyllabus is er geen melding van eerder ingediende beslagrekesten gemaakt. Terwijl zowel eerder al bij de Rb Amsterdam (niet gepubliceerd) als bij de Rechtbank Midden-Nederland [IEF 16074] vrijwel hetzelfde verzoek is ingediend, "verzoeker heeft geen open kaart gespeeld". En er zijn onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden dat er sprake is van een dreigende auteursrechtinbreuk. 

4.2. Het gevraagde verlof zal om meerdere redenen worden geweigerd.
Om te beginnen heeft verzoeker niet voldaan aan de verplichting, bepaald in artikel 21 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), om de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Zoals in de Beslagsyllabus (versie augustus 2015) is vermeld betekent dit dat in het verzoekschrift onder meer melding moet worden gemaakt van eerder ingediende beslagrekesten. Dit heeft verzoeker niet gedaan. Eerst in het aangepaste verzoekschrift heeft verzoeker desgevraagd vermeld dat op 15 april 2016 een eerder verzoek om bewijsbeslag te mogen leggen door de voorzieningenrechter van deze rechtbank is afgewezen. Bovendien heeft verzoeker in het geheel geen melding gemaakt van het feit dat hij bij de rechtbank Midden-Nederland, locatie Lelystad, op 13 juni 2016 vrijwel hetzelfde verzoekschrift heeft ingediend. Dit is op 27 juni 2016 langs andere weg aan de voorzieningenrechter bekend geworden. Reeds omdat verzoeker hierover geen open kaart heeft gespeeld brengt een belangenafweging mee dat aan zijn verzoek wordt voorbijgegaan.

4.3. Bovendien heeft verzoeker onvoldoende nieuwe feiten en omstandigheden aan zijn verzoek ten grondslag gelegd. Hij had in hoger beroep kunnen gaan van de afwijzende beschikking van 15 april 2016 en er is geen reden om nu anders te beslissen dan destijds. Verzoeker stelt wel dat er een dreigende auteursrechtinbreuk is omdat te verwachten is dat in de tv-serie scènes zullen worden vertoond die zijn ontleend aan belangrijke passages in het boek van verzoeker, maar anders dan de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland, locatie Groningen heeft geoordeeld, wordt een dreigende auteursrechtinbreuk op deze grond onvoldoende aannemelijk geacht. Het in een tv-serie over een advocatenfamilie, die gelijkenis vertoont met de familie van verzoeker, mogelijk vertonen van enkele scènes die zijn gebaseerd op passages uit het boek van verzoeker rechtvaardigt nog niet de conclusie dat zodanige auteursrechtelijke trekken uit het boek van verzoeker zijn overgenomen dat de indrukken van het boek en de tv-serie zodanig overeenkomen dat van een auteursrechtelijke inbreuk moet worden gesproken. Ook vormt een eventuele dreiging van auteursrechtinbreuk onvoldoende grond voor een bewijsbeslag op voorhand, voordat de tv-uitzendingen hebben plaatsgevonden. Het beslag zal immers moeten worden gevolgd door een procedure, waarin naar moet worden aangenomen zou worden gevorderd een uitzendverbod en/of een voorschot op schadevergoeding, voorafgaand aan de uitzending van de tv-serie. Voor een procedure die pas wordt gevoerd na de uitzending is een bewijsbeslag immers niet meer nodig. Niet aannemelijk is dat deze vorderingen op voorhand zouden worden toegewezen: voor een uitzendverbod is in het algemeen een dreigende auteursrechtinbreuk onvoldoende (tegenover het recht op uitingsvrijheid van degenen die de uitzending verzorgen) en zonder dat de uitzending al heeft plaatsgevonden ligt het niet voor de hand dat al een voorschot op schadevergoeding wordt toegekend.