IEF 20856

Vrijwaringsverklaring verplicht tot schadeloosstelling

Hof Den Haag 8 februari 2022, IEF 20856; ECLI:NL:GHDHA:2022:1292 (Van Caem Sports tegen EN-S Sports) Van Caem Sports (hierna: VCS) heeft twee keer Converse schoenen ingekocht van EN-S Sports (hierna: EN-S). Converse c.s. heeft vervolgens VCS gedagvaard wegens merkinbreuk en EN-S in vrijwaring opgeroepen. VCS vorderde dat de rechter EN-S zou bevelen VCS te vrijwaren voor de schade die VCS diende te vergoeden. De rechtbank wees in haar vonnis van 20 maart 2019 [IEF 18494] de vorderingen van VCS af omdat zij niet was geslaagd in het aan haar opgedragen bewijs. In hoger beroep vordert VCS dat het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en haar oorspronkelijke vorderingen worden toegewezen. Het hof oordeelt dat VCS is geslaagd in het bewijzen dat de bij VCS in beslag genomen schoenen van EN-S afkomstig zijn. 

De merkinbreuk in de hoofdzaak was niet gebaseerd op het feit dat het zou gaan om namaakschoenen maar op het feit dat de schoenen niet door Converse in de EER in de handel waren gebracht. Hierdoor kan de vraag of het om namaak gaat of niet in dit hoger beroep in het midden blijven. Het hof oordeelt dat er geen sprake is van uitputting dus de schoenen waren niet vrij verhandelbaar in de EER. Daarnaast oordeelt het hof dat EN-S op grond van de vrijwaringsverklaring verplicht is VCS schadeloos te stellen. EN-S kan zich verder niet beroepen op eigen schuld van VCS of rechtsverwerking. Het hof is dan ook van oordeel dat de vorderingen van VCS toewijsbaar zijn als EN-S niet slaagt in het leveren van tegenbewijs.

6.4. Het feit dat bij de aankoopinspectie van de bij EN-S ingekochte schoenen geen namaak-schoenen zijn aangetroffen, kan - anders dan EN-S betoogt - (op zichzelf of in samenhang met het hiervoor besproken verschil) ook niet leiden tot de conclusie dat de Schoenen niet van EN-S afkomstig zijn, reeds omdat niet vast staat dat de Schoenen namaak-schoenen zouden zijn. De merkinbreuk is in de hoofdzaak aangenomen omdat de Schoenen zonder toestemming van de merkhouder in de EER in de handel zijn gebracht. Of het om namaak-schoenen gaat is door de rechtbank uitdrukkelijk in het midden gelaten.

6.15. EN-S kan VCS ook niet naar SMATT verwijzen. Hij heeft, gelet op de vrijwaringsverklaringen, een eigen verplichting jegens VCS om VCS schadeloos te stellen. Dat hij slechts zou hebben gehandeld als tussenpersoon van SMATT en dat de verplichting tot schadeloosstelling naar het recht van Monaco op SMATT zou rusten, heeft EN-S onvoldoende gemotiveerd.

6.19. De slotsom van het voorgaande luidt dat de vorderingen van VCS in beide zaken toewijsbaar zijn als EN-S niet slaagt in het door hem te leveren tegenbewijs. Dat is slechts anders voor de in de zaak met nummer 15-832 voorwaardelijk gevorderde verklaring voor recht en de vordering strekkende tot vergoeding van de proceskosten op de voet van artikel 1019h Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv). De in de zaak met nummer 15-832 voorwaardelijk gevorderde verklaring voor recht is niet toewijsbaar omdat niet aan de voorwaarde is voldaan. In de zaak met nummer 15-86 is de gevorderde verklaring voor recht immers afgewezen. De gevorderde proceskostenveroordeling op de voet van artikel 1019h Rv is niet toewijsbaar omdat VCS haar vorderingen grondt op de contractuele verplichtingen van EN-S. Er is dus geen sprake van een kwestie als bedoeld in artikel 1019h Rv. Het hof zal de proceskosten in het eindarrest begroten op basis van het liquidatietarief.