28 jul 2026,
Voorlopig getuigenverhoor toegewezen in geschil over vermeende namaakvijlen; inzage beperkt tot schikkingsstukken
Rb. Den Haag 28 juli 2026, IEF 23772; ECLI:NL:RBDHA:2026:21478 (Dentsply c.s. tegen Hofmeester). In deze zaak verzoekt Dentsply c.s. op grond van art. 196 Rv om twee voorlopige bewijsverrichtingen vanwege de eventuele betrokkenheid van Hofmeester bij inbreuk op haar merken: een voorlopig getuigenverhoor en inzage in gegevens en documenten. Maillefer en VDW zijn dochterondernemingen van Dentsply. Maillefer is rechthebbende op de merken ProTaper NEXT en WaveONE en VDW op het merk RECIPROC. Hofmeester is distributeur van Dentsply en kocht in 2021 via Orthosmart tandheelkundige vijlen in die afkomstig waren van CDT op Curaçao. CDT is geen door Dentsply geautoriseerde verkoper. Nadat afnemers klaagden over de kwaliteit van de vijlen, concludeerde Dentsply c.s. na onderzoek dat het vermoedelijk om inbreukmakende vijlen ging, in die zin dat sprake zou zijn van namaak. Met de bewijsverrichtingen wil Dentsply c.s. onder meer achterhalen welke rol Hofmeester bij de vermeende merkinbreuk speelde, wat de precieze aard en omvang daarvan was, wie haar leveranciers en professionele afnemers waren en of Hofmeester wist dat het om vermeend inbreukmakende vijlen ging. Volgens Dentsply c.s. is die informatie onder meer van belang voor een mogelijke bodemprocedure en een eventuele vordering tot winstafdracht.
De rechtbank stelt vast dat tussen partijen nog geen civiele procedure loopt en dat het verzoek daarmee voldoet aan art. 196 lid 1 Rv. De rechtbank verwerpt het verweer van Hofmeester dat het verzoek tardief is en dat Dentsply c.s. haar recht om juridische stappen te ondernemen heeft verwerkt. Uit de correspondentie uit maart 2022 volgt niet dat Dentsply c.s. afstand deed van verdere juridische stappen. Ook het sluiten van nieuwe distributieovereenkomsten na 2022 levert geen rechtsverwerking op. Van misbruik van procesrecht is evenmin sprake. Dat het verzoek mede verband houdt met een intern complianceproces van Dentsply verandert niet dat Dentsply c.s. daarmee ook een vollediger beeld wil krijgen van de relevante omstandigheden om te beslissen of zij een bodemprocedure start. De rechtbank kan ook niet met voldoende zekerheid aannemen dat Hofmeester bij de in- en verkoop van de vermeend inbreukmakende vijlen te goeder trouw was en dat een bodemprocedure met een vordering tot winstafdracht daarom op voorhand kansloos is. Daarbij weegt mee dat Hofmeester wist dat de door Orthosmart geleverde vijlen afkomstig waren van buiten de Europese Unie. Ook het beroep op art. 21 Rv slaagt niet. Volgens de rechtbank gaat het niet om bewuste onvolledige voorlichting, maar om een verschil van mening over de relevantie van feiten in combinatie met miscommunicatie tussen Dentsply c.s. en haar advocaten. De rechtbank beveelt daarom een voorlopig getuigenverhoor waarin [naam 2] en [naam 1] als getuigen worden gehoord. Voor het inzageverzoek geldt op grond van art. 194 lid 1 Rv dat Dentsply c.s. voldoende belang moet hebben en dat Hofmeester de gevraagde gegevens daadwerkelijk moet hebben. Voor gegevens en documenten die Dentsply c.s. al heeft, ontbreekt dat belang. Voor het overige heeft Dentsply c.s. onvoldoende gesteld dat Hofmeester nog andere relevante documenten heeft die Dentsply c.s. niet bezit en bij de inzage waarvan zij voldoende belang heeft. Hofmeester moet wel inzage geven in alle documenten, waaronder e-mailcorrespondentie en verdere berichtenwisselingen, over de schikking tussen Orthosmart, Arthodent en Hofmeester. Hofmeester ontkent niet dat zij die stukken heeft en beroept zich ook niet op een geheimhoudingsplicht. De rechtbank verbindt aan het inzagebevel een dwangsom van € 500 per dag, tot maximaal € 25.000. Voor het overige wijst zij het inzageverzoek af. Omdat de rechtbank het voorlopig getuigenverhoor toewijst maar het inzageverzoek grotendeels afwijst, compenseert zij de proceskosten. Iedere partij draagt de eigen kosten.
4.14. Specifiek wat betreft de stukken over de schikking tussen Orthosmart, Arthodent en Hofmeester overweegt de rechtbank als volgt. Uit de e-mail van de advocaat van Orthosmart over deze schikking is af te leiden dat deze pas tot stand is gekomen na de informatieverstrekking door Hofmeester aan Dentsply in 2022. Hofmeester heeft niet ontkend in zoverre over verdere stukken te beschikken, met dien verstande dat het volgens Hofmeester gaat om uitwisseling van (e-mail)berichten die samen hebben geleid tot het ontstaan van de vaststellingsovereenkomsten, en niet apart getekende schriftelijke vaststellingsovereenkomsten. Hofmeester heeft weliswaar betoogd dat Dentsply c.s. voor stukken met betrekking tot de schikking tussen Orthosmart en Arthodent ‘bij Arthodent’ moet zijn, maar heeft zij zich niet beroepen op een geheimhoudingsplicht of ontkend over de stukken te beschikken. Dat Dentsply c.s. eventueel recht heeft om inzage in deze stukken te verkrijgen via Arthodent, laat onverlet dat zij ook aan Hofmeester mag vragen deze inzage te verschaffen. In zoverre zal de rechtbank Hofmeester daarom wel bevelen inzage te geven, op de wijze zoals in de beslissing uitgewerkt.
4.15. Dentsply c.s. heeft onvoldoende gesteld dat Hofmeester daadwerkelijk beschikt over verdere relevante documenten waarover Dentsply c.s. nog niet beschikt en bij de overlegging waarvan Dentsply c.s. bovendien voldoende belang heeft. De rechtbank zal het verzoek om inzage daarom voor het overige afwijzen.