IEF 18284

Vloerpaneelsysteem wel degelijk nieuw en inventief

Hof Den Haag 5 maart 2019, IEF 18284 (Unilin tegen I4F). UniIin is houdster van octrooien op het gebied van het lijmloos koppelen van vloerpanelen, waaronder Europees octrooi EP 341. I4F is een bedrijf dat zich richt op vloerpanelen van hout, laminaat en vinyl. De rechtbank oordeelde (IEF 16328) dat EP 341 niet inventief is. Het Hof vernietigt het vonnis van de rechtbank en oordeelt dat productconclusie 16 (dat onder bescherming stelt lijmloos te leggen vloerpanelen uit MDF/HDF met tand-in-groef verbindingselementen uit datzelfde materiaal, die ook in gekoppelde toestand een spankracht op elkaar uitoefenen die de panelen blijvend naar elkaar toetrekt) wel degelijk nieuw en inventief en dus geldig is (rov. 4.27 - 4.56) en dat de werkwijzeconclusies van het octrooi conform het tweede hulpverzoek van Unilin eveneens geldig zijn (rov. 4.67 - 4.69).

Inventiviteit volgconclusie 16
4.27 De Tropica-panelen openbaren niet de maatregel van conclusie 16 dat de panelen een kern hebben die is gemaakt van HOF-plaat of MOF-plaat, waarbij de koppelmiddelen, met inbegrip van het buigbare gedeelte, hoofdzakelijk zijn gevormd uit voornoemde plaat, zodanig dat de spankracht wordt geleverd door de elasticiteitvan de HDF of MDF. I4F heeft de inventiviteit van conclusie 16 bestreden. 

4.29 Het hof ziet geen aanleiding de koppeldelen in de objectieve probleemstelling te specificeren als een tand- en groefverbinding als bedoeld in het Batibouw-paneel, zoals de rechtbank heeft gedaan. Weliswaar gaat de gemiddelde vakman daar vanuit, als meest nabije stand van de techniek, maar het opnemen daarvan in de probleemstelling dwingt hem de oplossing in aanpassing van de tand en groefverbinding te zoeken en belet hem andere oplossingsrichtingen te onderzoeken en is daarmee naar het oordeel van het hof een ongeoorloofde pointer naar de oplossing volgens het octrooi. Het hof ziet evenmin aanleiding de bij de gemiddelde vakman bekende aan spleetvorming inherente nadelen van het indringen van vuil en vocht in de probleemstelling op te nemen, zoals door Unilin voorgesteld.

gewijzigd tweede hulpverzoek
4.67
14F heeft bezwaar gemaakt tegen het door Unilin eerst na de memorie van antwoord voorgestelde gewijzigde tweede hulpverzoek en het derde hulpverzoek, omdat dit volgens haar in strijd zou zijn met de 'twee conclusie-regel'. Het hof wijst dat bezwaar van de hand en laat de hulpverzoeken toe. Deze hulpverzoeken zijn immers een directe reactie op de door 14F eerst bij memorie van antwoord aangevoerde stand van de techniek, waaronder lP 207, alsmede de eerst bij memorie van antwoord naar voren gebrachte stelling dat de deelmaatregel 'voor de vervaardiging van vloerpanelen ( ... )' geen beperkende maatregel zou zijn. Daarenboven heeft 14F de gelegenheid gehad en genomen op de hulpverzoeken voorafgaand aan de pleidooien te reageren bij akte uitlating producties, zodat niet valt in te zien dat 14F in haar verdediging zou zijn geschaad (wat zij overigens ook niet heeft gesteld).

4.68 In het gewijzigde tweede hulpverzoek (prod. 17 Unilin) worden de werkwijzemaatregelen van conclusies 23 en 24 samengevoegd en zijn er verdere beperkingen aangebracht in de met die werkwijzemaatregelen vervaardigde vloerpanelen, onder meer door toevoeging van de maatregelen volgens conclusie 16. In aanmerking genomen dat de in het hulpverzoek gespecificeerde kenmerken van het te vervaardigen vloerpaneel als een beperkende maatregel moeten worden opgevat (zie r.o. 4.57) en het hof, zoals hiervoor is overwogen, de maatregelen volgens conclusie 16 inventief acht, kan niet worden aangenomen dat het op de prioriteitsdatum voor de gemiddelde vakman voor de hand lag om volgens de in hulpverzoek 2 geclaimde werkwijze dat vloerpaneel te vervaardigen. Octrooiering van de werkwijze in deze beperkte vorm leidt ook niet tot de situatie waar I4F voor waarschuwt: bescherming voor niet-inventieve producten via de omweg van de bescherming van de productiemethode. Integendeel, de bescherming is beperkt tot de vervaardiging van inventieve vloerpanelen. De werkwijze volgens het hulpverzoek biedt Unilin dan ook geen bescherming die verder gaat dan die geboden door de geldig geachte productconclusie 16, die zich immers ook uitstrekt tot de vervaardiging van de betreffende vloerpanelen.

4.69 De slotsom luidt dat de werkwijzeconclusies volgens het gewijzigde tweede hulpverzoek geldig geacht moeten worden.