IEF 20094

Vervaardiging valse echtheidscertificaten leidt tot bestuurdersaansprakelijkheid

Rechtbank Amsterdam 7 juli 2021, IEF 20094; HA ZA 19-1205 (Eiseres tegen Cobra Art) Eiseres is fotografe en is de auteursrechthebbende van verschillende foto's. Zij heeft in 2016 een licentie verstrekt aan kunstgalerie Cobra Art voor twee afdrukken per werk. De kunstgalerie heeft vervolgens foto’s zonder toestemming samengevoegd door van drie foto's één werk te maken. Daarnaast is de licentie overschreden, omdat de foto's meerdere keren bijgedrukt zijn en met een vals certificaat van echtheid zijn verkocht. De rechtbank oordeelt dat de bestuurder van Cobra Art zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld, dat hij hier hoofdelijk verantwoordelijk voor wordt gehouden. Doordat eiseres de exclusieve waarde van haar werken niet meer kan garanderen door het bestaan van de valse echtheidscertificaten heeft zij schade geleden. Cobra Art wordt door de rechtbank veroordeeld tot het vergoeden van deze schade. 

4.5 (..) Naar het oordeel van de rechtbank heeft Cobra Art c.s. de drie op zich zelf staande werken van x in een nieuwe, minderwaardige context geplaatst door zo onderdeel van een drieluik te maken en tegen gereduceerd tarief aan te bieden. Daardoor is de autonomie en exclusivitiet van de afzonderlijke werken aangetast op een wijze die nadeel toebrengt aan de naam van x als maker. Naar het oordeel van de rechtbank kwalificeert dit als een inbreuk op de persoonlijkheidsrechten van x in de zin van artikel 25 lid 1 sub d Aw. De vordering onder punt II van het petitum is daarom toewijsbaar.

4.8 “Naar het oordeel van de rechtbank wekken de door Cobra Art vervaardigde “echtheidscertificaten” ten onrechte de indruk dat de fotoafdrukken, bij welke de certificaten zijn meegeleverd, geautoriseerd zijn door x. Dat is niet het geval x heeft zelf, conform de licentieovereenkomst, 14 echtheidscertificaten verstrekt aan Cobra Art voor de afdrukken die zij heeft geautoriseerd. Het had Cobra Art als professionele (kunst) handelaar dan ook zonneklaar moeten zijn dat zij in aanvulling daarop niet zelf echtheidscertificaten mocht vervaardigen, voorzien van valse handtekeningen van x.(…) Doordat x als maker de exclusieve waarde van haar werken als het ware garandeert aan de kopers is de verspreiding van niet-authentieke “echtheidscertificaten” schadelijk voor de reputatie van x als maker.(…)”

4.12 (…)” Gelet op de persoonlijke betrokkenheid van Y bij het overschrijden van het aantal afdrukken (zoals bepaald in de door hem ondertekende licentieovereenkomst), bij het vervaardigen en verspreiden van het drieluik en bij het vervaardigen van de valse “echtheidscertificaten”, oordeelt de rechtbank dat Y zodanig onzorgvuldig heeft gehandeld dat hem persoonlijk een ernstig verwijt kan worden gemaakt. Y zal dan ook, naast Cobra Art, hoofdelijk worden veroordeeld tot vergoeding van de door x geleden schade als gevolg van bovengenoemd onrechtmatig handelen.

4.16 (…)Hoewel naar het oordeel van de rechtbank (anders dan x heeft gesteld) niet concreet sprake is van een situatie zoals beschreven in artikel 25 lid 1 sub b Aw, is door het verstrekken van de niet-authentieke  certificaten van echtheid, voorzien van valse handtekeningen bij onrechtmatig verveelvoudigde werken van x, evengoed inbreuk gemaakt op de band van de maker met haar werken op een wijze die de reputatie van de maker schaadt, zoals ook het geval zou zijn bij een schending van persoonlijkheidsrechten als gevolg van verkeerde attributie.”